id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050506.1 Rolnummer: 2004-0146 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-15 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-01 03:12 Fiche Het ingaan van de in artikel 1051 van het G.W. bedoelde termijn t.a.v. een partij, veronderstelt de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief aan die partij of de betekening ervan. De wetgever beoogde, in het belang van partijen en de rechtszekerheid, op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze het vertrekpunt te bepalen van de termijn waarover elke partij kan beschikken om desgevallend hoger beroep tegen een vonnis in te stellen en hen op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze van dit vertrekpunt in kennis te stellen. Het is bijgevolg enkel de in artikel 1051 van het G.W. bedoelde kennisgeving of betekening die de beroepstermijn doet ingaan, zelfs indien de partij reeds op een andere manier kennis heeft gekregen van het bestaan en de inhoud van het vonnis. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK kennisgeving van het vonnis - vertrekpunt termijn hoger beroep. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1051 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040146 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: V.Z.W. A., met zetel gevestigd te appellant, verschijnend bij mr. G. Lambrechts, advocaat te Antwerpen, tegen: M. D.W., handelend in de hoedanigheid van moeder en wettelijke beheerster over de persoon en de goederen van haar minderjarige dochter I. P., geboren op 19 maart 1990, beiden wonende te geïntimeerde, verschijnend bij mr. F. Van Camp, advocaat te Mechelen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gehoord de uiteenzetting van de middelen van partijen op de openbare terechtzitting van 4 februari 2005, waarna de debatten werden gesloten. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie gelezen op de openbare terechtzitting van 4 maart 2004, waarop enkel mevrouw D.W. repliceerde met conclusie aangetekend ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 maart 2005, waarna de zaak in beraad werd genomen.
- Stukken van de rechtspleging. Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis d.d. 17 oktober 2003, gewezen door de Arbeidsrechtbank te Mechelen, betekend aan partijen bij gerechtsbrief, verzonden op 21 oktober 2003; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 februari 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op dezelfde datum; x de conclusie voor mevrouw D.W., ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 maart 2004; x de beschikking met toepassing van artikel 747, ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 4 februari 2004; x de conclusie voor de V.Z.W. A., verder in dit arrest genoemd de V.Z.W., neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 november 2004; x de aanvullende conclusie voor mevrouw D.W., ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 december 2004; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gelezen ter openbare terechtzitting van 4 maart 2005; x de conclusie van mevrouw D.W. na het advies van het openbaar ministerie, aangetekend ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 maart
- Feiten en procedurevoorgaanden. I. P. werd geboren op 19 maart 1990 en lijdt sedert haar geboorte aan ernstige geestelijke stoornissen. Op 30 september 1999 werd door A. een aanvraag tot vaststelling van de ongeschiktheid van I. P. overgemaakt aan het Ministerie van sociale voorzorg. Na onderzoek van I. P. besliste geneesheer-hoofd van dienst Van Den Wijngaert dat I. P. geen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid vertoonde van ten minste 66%. Met een aangetekende brief van 3 januari 2000 bracht A. deze beslissing ter kennis aan de vader van I. P., alsook haar beslissing dat geen verhoogde kinderbijslag werd verleend. Met aangetekende brief ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 2 februari 2001 tekende mevrouw D.W. beroep aan tegen deze beslissing. Bij vonnis van 17 mei 2002 stelde de Arbeidsrechtbank te Mechelen Dr. R. Mathijs aan als deskundige met als opdracht "(...) te bepalen of P. I. met ingang van 1 maart 1990 al dan niet een lichamelijke en/of geestelijke ongeschiktheid vertoont van minstens 66%. (...)" In zijn verslag neergelegd ter griffie op 15 mei 2003 besloot Dr. Mathijs dat I. P. met ingang van 1 maart 1990 een geestelijke ongeschiktheid vertoont van minstens 66%. Bij vonnis van 17 oktober 2003 werd de bestreden administratieve beslissing vernietigd en werd gezegd voor recht dat I. P. vanaf 1 maart 1990 een geestelijke ongeschiktheid vertoont van minstens 66%. Tevens werd gezegd voor recht dat A. ertoe gehouden is aan mevrouw D.W. q.q. de verhoogde kinderbijslag te betalen vanaf 1 maart 1990, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 2 februari
- A. werd verwezen in de kosten.
- Eisen in hoger beroep. De V.Z.W. vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en te zeggen voor recht dat mevrouw D.W. slechts aanspraak kan maken op verhoogde kinderbijslag voor haar dochter I. P. vanaf 1 januari
- Mevrouw D.W. vordert in haar conclusie ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 maart 2004 het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, dienvolgens de V.Z.W. ervan af te wijzen met veroordeling tot de kosten van het geding. Met voormelde conclusie stelt mevrouw D.W. tevens een tegeneis in die ertoe strekt A. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.250 EUR vermeerderd met gerechtelijke intresten, wegens beweerd tergend en roekeloos hoger beroep.
- Ontvankelijkheid. 4.
- Tijdigheid van het hoger beroep. Mevrouw D.W. besluit tot de laattijdigheid van het hoger beroep omdat het zou zijn ingesteld meer dan één maand na de kennisgeving van het bestreden vonnis bij gerechtsbrief, conform artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof kan zich bij dit standpunt niet aansluiten en wel om de volgende redenen: Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan, overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid. Overeenkomstig het bepaalde in genoemd artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van partijen voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Het staat niet ter discussie dat deze zaak ressorteert onder de in voornoemd artikel 704, eerste lid bedoelde zaken. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 32, 2° van het Gerechtelijk Wetboek wordt onder kennisgeving verstaan: "De toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift; zij geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft." Overeenkomstig het bepaalde in artikel 46, ,§ 2, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek zorgt de griffier, in de gevallen die de wet bepaalt, ervoor dat de kennisgeving bij gerechtsbrief geschiedt. De gerechtsbrief wordt door de postdienst ter hand gesteld aan de geadresseerde in persoon of aan dienst woonplaats zoals bepaald in de artikelen 33, 35 en
- (art. 46, ,§ 2, tweede lid Ger.W.) De persoon aan wie de gerechtsbrief wordt ter hand gesteld tekent het ontvangstbewijs dat door de post aan de afzender wordt teruggezonden. De kennisgeving geschiedt aan de persoon wanneer de gerechtsbrief aan de geadresseerde zelf wordt ter hand gesteld. (artikelen 46, ,§ 2, tweede lid en 33 Ger.W.) Indien de kennisgeving niet aan de persoon kan worden gedaan geschiedt zij, wat rechtspersonen betreft, aan de maatschappelijke of administratieve zetel. De gerechtsbrief wordt in laatstgenoemde hypothese ter hand gesteld aan een aangestelde van de geadresseerde. (artikelen 46,,§2, tweede lid en 35 Ger.W.) Indien de gerechtsbrief noch aan de persoon, noch aan diens woonplaats ter hand kan worden gesteld, dient gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 46, ,§ 2, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden vonnis werd correct bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan mevrouw D.W.. (stukken 27 rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank) Uit de stukken van het rechtsplegingsdossier van de Arbeidsrechtbank te Mechelen blijkt echter dat het bestreden vonnis niet bij gerechtsbrief werd ter kennis gebracht aan de persoon of aan de woonplaats van A., maar aan de persoon of aan de woonplaats van de V.Z.W. A. , V.Z.W. die - zoals A. - haar maatschappelijke zetel heeft op het adres (stukken 28 rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank). Het door de Post aan de Arbeidsrechtbank te Mechelen teruggezonden bericht van ontvangst vermeldt duidelijk als geadresseerde de V.Z.W. A. en bevat de vermelding dat een gerechtsbrief m.b.t. het vonnis uitgesproken op 17 juni 2003 in de zaak met A.R. nr. 76835 behoorlijk werd besteld aan de lasthebber van de geadresseerde, dus van de V.Z.W.A. . Dat de gerechtsbrief bij die gelegenheid werd overhandigd aan een persoon die (ook) orgaan of aangestelde was van A. blijkt uit niets. A. en de V.Z.W. A. zijn twee onderscheiden verenigingen met een eigen rechtspersoonlijkheid en een eigen doel. A. staat met name in voor de toepassing van het stelsel van de sociale zekerheid voor de zelfstandigen, het vervullen van elke opdracht toevertrouwd aan de sociale verzekeringsfondsen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen en het verstrekken van diensten en informatie met betrekking tot het starten van zelfstandige beroepsactiviteiten. (art. 3 statuten A.) De V.Z.W. A. heeft daarentegen tot doel de uitbetaling van de gezinsbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie te verzekeren aan werknemers van haar leden. (art. 3 statuten V.Z.W. A. ). Het staat niet ter discussie dat V.Z.W. A. geen partij is in deze procedure, procedure die ab initio uitsluitend werd gevoerd tegen A.. Dat beide verenigingen hun maatschappelijke zetel hebben op hetzelfde adres doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de kennisgeving is gebeurd aan de persoon of aan de woonplaats van de V.Z.W. A. , inzonderheid door afgifte van een gerechtsbrief aan een lasthebber van de V.Z.W. A. , en niet aan A.. Bovenstaande vaststellingen leiden noodzakelijk tot het besluit dat er geen kennisgeving bij gerechtbrief aan A. is gebeurd overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid Gerechtelijk Wetboek. De kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief aan V.Z.W. A. heeft derhalve t.a.v. A. de in artikel 1051 Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn niet doen ingaan. De beroepstermijn is integendeel, zoals A. terecht doet gelden, ingegaan door de latere betekening van het bestreden vonnis op verzoek van mevrouw D.W., bij gerechtsdeurwaardersexploot dd. 19 februari
- Het hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 februari 2004 is derhalve tijdig. Tevergeefs meent mevrouw D.W. een argument te kunnen putten uit het bepaalde in de artikelen 860, 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek. Genoemde bepalingen vinden immers geen toepassing bij de beoordeling van de vraag of aan de bij wet gestelde voorwaarden voor het ingaan van de beroepstermijn waarover een partij beschikt, werd voldaan. In dit verband dient er nogmaals aan herinnerd te worden dat het ingaan van de in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn t.a.v. een partij, de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief aan die partij veronderstelt, dan wel de betekening van het vonnis aan of op verzoek van die partij. Aldus beoogde de wetgever, in het belang van partijen en de rechtszekerheid, op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze het vertrekpunt te bepalen van de termijn waarover elke partij kan beschikken om desgevallend hoger beroep tegen een vonnis in te stellen én hen op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze van dit vertrekpunt in kennis te stellen. Het doel van de in artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde kennisgeving bij gerechtsbrief is dan ook tweeledig. Enerzijds beoogde de wetgever partijen in kennis te stellen van de inhoud van het vonnis, maar anderzijds beoogde de wetgever eveneens het vertrekpunt te bepalen van de termijn binnen dewelke zij eventueel een rechtsmiddel tegen het vonnis kunnen aanwenden en hen hiervan op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze in kennis te stellen. Het is bijgevolg enkel de in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde kennisgeving of betekening die de beroepstermijn doet ingaan en het is in dit kader volstrekt irrelevant dat een partij reeds eerder, op een andere wijze kennis heeft gekregen van het bestaan en de inhoud van het vonnis. In dit verband kan nuttig verwezen worden naar de ingangsdatum van de beroepstermijn voor de niet in artikel 704, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde zaken. In deze zaken wordt, overeenkomstig artikel 792, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, door de griffier bij gewone brief een niet ondertekend afschrift van het vonnis aan elke partij verzonden. Hoewel het aldus perfect mogelijk is dat een partij reeds kennis heeft van de inhoud van het vonnis, is het slechts vanaf de betekening van dit vonnis bij gerechtsdeurwaardersexploot dat de beroepstermijn t.a.v. die partij begint te lopen. Zoals hiervoor reeds aangegeven werd het bestreden vonnis niet bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan A. maar aan een derde die geen procespartij was, met name de V.Z.W. A. . A. kon en mocht er dan ook van uitgaan dat de termijn waarover zij kon beschikken om hoger beroep in te stellen nog niet was beginnen te lopen voorafgaand aan de betekening van het vonnis bij gerechtsdeurwaardersexploot, inzonderheid omdat het vonnis haar vóór die datum niet bij gerechtsbrief was ter kennis gebracht. Dat A. reeds vóór de betekening van het vonnis bij gerechtsdeurwaardersexploot kennis had van het bestaan en van de inhoud van het bestreden vonnis doet daaraan geen afbreuk. 4.
- Geen berusting. Evenzeer ten onrechte besluit mevrouw D.W. dat A. (stilzwijgend) heeft berust in het bestreden vonnis. De door haar in dit kader ingeroepen elementen volstaan immers noch afzonderlijk, noch samengenomen om te besluiten dat A. heeft ingestemd of heeft willen instemmen met alle elementen van de beslissing van de eerste rechters. Zoals terecht werd opgemerkt door het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijk advies wordt de betwisting die het voorwerp uitmaakt van het hoger beroep bovendien beheerst door bepalingen die de openbare orde raken, zodat A. niet eens geldig zou kunnen berusten in de bestreden beslissing.
- Ten gronde. 5.
- T.a.v. het hoger beroep. A. heeft een beperkt hoger beroep ingesteld dat er enkel toe strekt het bestreden vonnis te vernietigen, in zoverre werd gezegd voor recht dat zij gehouden is tot betaling aan mevrouw D.W. van de verhoogde kinderbijslag vanaf 1 maart 1990 tot 31 december 1997, vermeerderd met intresten. A. besluit inderdaad terecht dat het recht op betaling van de verhoogde kinderbijslag voor de periode vóór 1 januari 1998 is verjaard bij toepassing van artikel 39 van het K.B. van 8 april
- Bedoeld artikel 39, in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging bij K.B. van 7 september 2003 luidde als volgt: "De vordering tot betaling van de uitkeringen bepaald bij dit besluit, verjaart na verloop van drie jaar. De termijn van drie jaar neemt een aanvang de eerste dag van de maand die volgt hetzij op het kalenderkwartaal waarop de kinderbijslag betrekking heeft, hetzij op dat waarin de geboorte plaats heeft gehad, (hetzij op dat waarin de adoptieakte is ondertekend) naar gelang het geval. Buiten de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door een aanvraag of een klacht, bij gewone post, fax of elektronische post verzonden naar de instelling die bevoegd is voor de toekenning van de uitkeringen, of door de neerlegging van een dergelijke aanvraag of klacht bij deze instelling. Naargelang van het geval, gebeurt de stuiting op de datum van het ter post aangetekend schrijven, waarvoor de postdatum als bewijs geldt, of, bij gebreke eraan, op de datum van het ontvangstbewijs dat door de bevoegde instelling wordt afgeleverd aan de persoon die uitkeringen aanvraagt of opeist. De stuiting is geldig voor drie jaar en mag worden hernieuwd. De bevoegde instelling mag in geen geval het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring verzaken." Bij artikel 10 van het K.B. van 7 september 2003 (B.S. 1 oktober 2003) werd de termijn van drie jaar telkens vervangen door vijf jaar. Laatstgenoemde wijziging heeft uitwerking vanaf 1 januari
- Op het ogenblik van het instellen van de vordering bij aangetekende brief verzonden op 1 februari 2001 van de Arbeidsrechtbank was het recht op betaling van verhoogde kinderbijslag voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1998 inderdaad verjaard bij toepassing van artikel 39, eerste lid voornoemd. Het blijkt verder niet dat deze verjaring nuttig werd gestuit of geschorst vóór 1 februari 2001, dit wordt door mevrouw D.W. ook niet ingeroepen. Tevergeefs meent mevrouw D.W. een argument te kunnen putten uit het feit dat A. tijdens de procedure in eerste aanleg het middel van de verjaring niet heeft opgeworpen. De verjaring van het recht op betaling van verhoogde kinderbijslag raakt de openbare orde, artikel 39 van het K.B. van 8 april 1967 bevestigt ten andere dat de bevoegde instelling niet aan de verjaring mag verzaken, zodat A. perfect voor het eerst in graad van beroep de verjaring van een gedeelte van de vordering kan inroepen. Het hoger beroep van A. is bijgevolg gegrond. 5.
- T.a.v. de vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Deze vordering is manifest ongegrond gelet op de gegrondheid van het hoger beroep. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, in zijn eensluidend advies gegeven ter openbare terechtzitting d.d. 4 maart 2005, waarop mevrouw D.W. met conclusie per aangetekende post ter griffie van dit Hof ontvangen op 16 maart 2005 repliceerde. Recht sprekend op tegenspraak en na beraadslaging. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van 17 oktober 2003 van de Arbeidsrechtbank te Mechelen in zoverre werd gezegd voor recht dat A. ertoe gehouden is aan mevrouw D.W. q.q. de verhoogde kinderbijslag te betalen vanaf 1 maart 1990, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 2 februari
- En hervormend wat dit punt betreft: Zegt voor recht dat A. ertoe gehouden is aan mevrouw D.W. q.q. de verhoogde kinderbijslag te betalen vanaf 1 januari 1998, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 2 februari
- Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige. Verklaart de vordering van mevrouw D.W. in betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst A. in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van mevrouw D.W. op 279,62 EUR (rechtsplegingsvergoeding); aan de zijde van A. werden deze kosten tot op heden niet begroot en zij worden door het Hof dan ook niet vereffend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050506.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div