id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050506.2 Rolnummer: 2003-0715 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-15 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-01 03:12 Fiche Het sociaal statuut der zelfstandigen kent geen eigen regels m.b.t. de toerekening van de betalingen door een zelfstandige in het kader van zijn onderwerping en bijdrageplicht aan het sociaal statuut der zelfstandigen. Deze materie wordt beheerst door de gemeenrechtelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de toerekening van betalingen (art. 1253 - 1256). Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK sociaal statuut zelfstandigen - toerekening van betalingen - toepassing bepalingen verbintenissenrecht. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1254 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030715 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: O. D.S., wonende te appellant, verschijnend bij mr. A. Lenière loco mr. J. Nijs, advocaat te Dendermonde, tegen: V.Z.W. A., , met zetel gevestigd te geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. Roels, advocaat te Schoten. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gehoord de uiteenzetting van de middelen van partijen op de openbare terechtzitting van 4 februari 2005, waarna de debatten werden gesloten. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie gelezen op de openbare terechtzitting van 4 maart 2005, waarop partijen niet meer repliceerden, waarna de zaak in beraad werd genomen.
- Gelet op de rechtsplegingsstukken, onder meer: x het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis d.d. 30 juni 2003 van de Arbeidsrechtbank te Mechelen; x het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 december 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op dezelfde datum; x de conclusie voor de V.Z.W. A., ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 januari 2004; x de conclusie voor de heer D.S., ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 maart 2004; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gelezen ter openbare terechtzitting d.d. 4 maart
- Procedure in eerste aanleg. De oorspronkelijke vordering van de V.Z.W. A. , hierna de V.Z.W. genoemd, ingeleid bij dagvaardingsexploot van 26 februari 2002, strekte ertoe de heer D.S. te veroordelen tot betaling van 3.248,60 EUR ten titel van achterstallige bijdragen, verhogingen en rappelkosten in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen voor de vier kwartalen van 2001, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op een bedrag van 3.235,14 EUR en de gedingkosten. Met conclusie, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 19 september 2002, stelde de heer D.S. een tegeneis in en vorderde hij een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, forfaitair begroot op 1.000 EUR. Bij vonnis van 30 juni 2003 van de Arbeidsrechtbank te Mechelen werd de vordering van de V.Z.W. ontvankelijk en gegrond verklaard, de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond.
- Eisen in hoger beroep. Met conclusie ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 maart 2004, vordert de heer D.S. het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht sprekend: x de oorspronkelijke eis van de V.Z.W. ontvankelijk maar ongegrond te verklaren; x zijn oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de V.Z.W. te veroordelen tot betaling van 1.000 EUR en om binnen de termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van het tussen te komen arrest aan hem een gedetailleerde (jaar, kwartaal en maand) opgave te doen van: x alle door hem sedert 15 oktober 1993 tot op heden verschuldigde bijdragen, aankleven en kosten; x alle door hem sedert 15 oktober 1993 tot op heden gedane betalingen; x de toerekening van de door hem gedane betalingen op de jongste schuld en op de netto bijdragen; x overeenkomstig deze toerekening de juiste afrekening te maken met vermelding van het bedrag dat hij nog verschuldigd is, desgevallend teveel heeft betaald; x de V.Z.W. te veroordelen tot de kosten van het geding.
- Ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en dient ontvankelijk te worden verklaard.
- Ten gronde. 5.
- Feiten. De heer D.S. is zelfstandige landbouwer en aangesloten bij de V.Z.W. Bij vonnis uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 6 december 1991 werd de heer D.S. veroordeeld tot betaling van 388.716 BEF (9.636,02 EUR) achterstallige bijdragen verhogingen en kosten voor 1986, voor het derde en het vierde kwartaal van 1987 en voor de jaren 1988, 1989 en 1990, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en de gedingkosten. Bij vonnis uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 15 oktober 1993 werd de heer D.S. veroordeeld tot betaling van 172.271 BEF (4.270,49 EUR) achterstallige bijdragen verhogingen en kosten voor het derde en het vierde kwartaal 1991 en voor 1992, vermeerderd met gerechtelijke intresten en gedingkosten. Beide vonnissen werden betekend en zijn thans definitief. Ter gelegenheid van een solvabiliteitsonderzoek door het toenmalige Ministerie van Middenstand en Landbouw onderschreef de heer D.S. op 23 september 1996 een verklaring waarvan de inhoud luidt als volgt: "Ondergetekende D.S. O. verklaar bereid te zijn mijn achterstallige schuld af te betalen met 10.000 F per maand, dit rechtstreeks aan SBB- zonder tussenkomst van de deurwaarder, vanaf de maand oktober. Bovendien zal ik mijn lopende bijdragen regelmatig betalen. Heden stort ik de bijdragen van het 4de kw 95 en het 3de
- Ik wens dat de stortingen uitsluitend aangewend worden op de netto bijdragen." Uit het door de V.Z.W. neergelegde overzicht van de toerekening van de betalingen door de heer D.S. tijdens de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 2003 blijkt dat hij, conform zijn toezegging, een bedrag van 30.177 BEF (748,07 EUR) betaalde op 25 september 1996, dat werd aangewend voor de betaling van de bijdragen voor het vierde kwartaal 1995 , het derde en het vierde kwartaal
- Vanaf oktober 1996 stortte de heer D.S. ook maandelijks een bedrag van 10.000 BEF (247,89 EUR), sommige maanden betaalde hij nog een bijkomend bedrag. Uit genoemd overzicht blijkt dat de maandelijkse betalingen gedurende meerdere jaren steeds geheel of gedeeltelijk werden aangewend als betaling van de lopende bijdragen. Dankzij de prioritaire toerekening van de ontvangen betalingen op de lopende bijdragen werden de bijdragen voor de jaren 1996, 1997 en 1998 steeds volledig en tijdig werden betaald, voor die jaren werd in genoemd overzicht dan ook nergens melding gemaakt van verhogingen, intresten of rappelkosten. Ook voor het eerste, het tweede en het derde kwartaal 1999 gebeurde de toerekening van de maandelijkse betalingen prioritair op de voor die kwartalen verschuldigde bijdragen zodat die bijdragen tijdig werden betaald en geen aanleiding gaven tot betaling van verhogingen, intresten of kosten. De betalingen die de heer D.S. verrichtte tijdens het vierde kwartaal 1999 werden echter niet toegerekend op het vierde kwartaal 1999, maar volledig op de oude schulden. Waarom de V.Z.W. op dat ogenblik haar vroegere werkwijze plots wijzigde valt niet te achterhalen. De betalingen in het eerste kwartaal 2000 werden eerst toegerekend op de bijdragen en intresten voor het 4de kwartaal 1999 en vervolgens op de bijdragen voor het eerste kwartaal
- Alle volgende betalingen tot en met de betaling in maart 2001 werden vervolgens toegerekend op de bijdragen en intresten voor de vier kwartalen van 2000 en voor een bedrag van 65,37 EUR op de bijdragen voor het eerste kwartaal
- Van april 2001 tot en met augustus 2002 werden de maandelijkse betalingen uitsluitend toegerekend op de oude schulden, die betrekking hadden op de jaren 1991 en
- De volgende betalingen werden toegerekend op de bijdragen voor
- Het staat niet ter discussie dat de heer D.S. sedert 2001 op elk overschrijvingsformulier vermeldde dat zijn betaling eerst moest worden aangerekend op de jongste schuld. 5.
- Beoordeling. 5.2.
- T.a.v. de oorspronkelijke hoofdvordering. Het sociaal statuut der zelfstandigen kent geen eigen regels m.b.t. de toerekening van de betalingen door een zelfstandige in het kader van zijn onderwerping en bijdrageplicht aan het sociaal statuut der zelfstandigen. Deze materie wordt bijgevolg beheerst door de gemeenrechtelijke regels inzake de toerekening van betalingen, inzonderheid de artikelen 1253 -1256 van het Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1253 van het Burgerlijk Wetboek heeft de schuldenaar van verscheidene schulden het recht om, wanneer hij betaalt, te verklaren welke schuld hij wil voldoen. Overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek kan de schuldenaar van een schuld die intrest geeft, buiten de toestemming van de schuldeiser, de betaling die hij doet niet toerekenen op het kapitaal, eerder dan op de intresten. De betaling die op het kapitaal en de intresten wordt gedaan, maar waarmee de gehele schuld niet is gekweten, wordt in de eerste plaats op de intresten toegerekend. Ten slotte bepaalt artikel 1256 van het Burgerlijk Wetboek dat wanneer in de kwijting geen sprake is van enige toerekening, de betaling moet worden toegerekend op de schuld die de schuldenaar alsdan, onder de vervallen schulden, het meeste belang had te voldoen; anders op de vervallen schuld, hoewel deze minder bezwarend is dan die welke niet vervallen zijn. Indien de schulden van gelijke aard zijn geschiedt de toerekening op de oudste, alles gelijkstaand geschiedt zij op alle schulden naar evenredigheid. Bovenstaande regels zijn niet dwingend en het is partijen bijgevolg perfect toegelaten hiervan bij overeenkomst af te wijken. Anders dan de V.Z.W., hierin gevolgd door de eerste rechters, voorhoudt, is de door de heer D.S. onderschreven verklaring minder eenduidig dan wordt voorgehouden. Weliswaar blijkt uit die verklaring dat de heer D.S. zijn oude schulden wilde afbetalen met 10.000 BEF (247,89 EUR) per maand, doch tegelijkertijd blijkt uit diezelfde verklaring dat hij ook zijn lopende bijdragen wenste te betalen en dat hij wenste dat zijn stortingen uitsluitend aangewend zouden worden voor de betaling van de netto bijdragen. Uit de jarenlange gehele of gedeeltelijke toerekening van de maandelijkse stortingen van 10.000 BEF (247,89 EUR) op de lopende bijdragen blijkt dat de V.Z.W. alleszins akkoord ging om prioriteit te verlenen aan de tijdige betaling van de lopende bijdragen, wat evident ook in het belang was van de heer D.S.. De V.Z.W. was bijgevolg in tempore non suspecto zelf de mening toegedaan dat de heer D.S. met zijn verklaring niet de wil heeft uitgedrukt om de maandelijkse betalingen van 10.000 BEF (247,89 EUR) uitsluitend toe te rekenen op de oude schulden en heeft zich er minstens impliciet mee akkoord verklaard om de maandelijkse betalingen derwijze toe te rekenen dat de lopende bijdragen steeds tijdig werden betaald. Dit wordt nog bevestigd door het ontbreken van enige reactie op de vermeldingen die de heer D.S. op zijn overschrijvingsformulieren aanbracht. De V.Z.W. kon en mocht dan ook niet eenzijdig op dit akkoord terugkomen en de maandelijkse betalingen toerekenen op de oude schulden, vooraleer de lopende bijdragen waren betaald. Uit het neergelegde overzicht van de betalingen en de toerekening van deze betalingen blijkt overduidelijk dat de maandelijkse stortingen volstonden om de lopende bijdragen van 1996 tot en met 2001 tijdig te betalen. De vordering in betaling van bijdragen, verhogingen, rappelkosten en intresten m.b.t. het jaar 2000 was dan ook ongegrond, het hoger beroep is desbetreffend gegrond. 5.2.
- Gedetailleerde opgave. De heer D.S. vordert de veroordeling van de V.Z.W. tot afgifte van een gedetailleerde afrekening van de door hem nog verschuldigde bijdragen en aankleven met een overzicht van de door hem verrichte betalingen en de toerekening van deze betalingen. Het Hof stelt vast dat desbetreffend geen concreet verweer werd gevoerd. In die omstandigheden kan op het verzoek van de heer D.S. worden ingegaan, zoals hierna bepaald. Het Hof vindt in het dossier evenwel geen elementen welke toelaten te besluiten dat de V.Z.W. zich op enig ogenblik akkoord verklaarde om het saldo van de ontvangen betalingen, met name het saldo dat rest na toerekening op de lopende bijdragen, eerder toe te rekenen op het kapitaal dan op de verhogingen, kosten en intresten van de oude schulden. Uit het neergelegde overzicht van de betalingen en de toerekening van deze betalingen blijkt dat de V.Z.W. de op de oude schulden toerekenbare saldi steeds zowel op de bijdragen als op intresten en kosten heeft toegerekend. Het Hof wenst in dit verband tevens op te merken dat geen enkel bewijs voorligt van het bestaan van een fiscaal bezwaar m.b.t. de inkomsten van de heer D.S. voor de jaren 1993 en 1994, zoals door hem wordt voorgehouden. Op de door de heer D.S. gevraagde verduidelijking m.b.t. de weerslag van een dergelijk bezwaar op de inmiddels betaalde bijdragen moet dan ook niet worden ingegaan. Het hoger beroep is in die mate gegrond. 5.
- Tergend en roekeloos geding. Het Hof vindt in dit dossier geen elementen die erop wijzen dat de V.Z.W. bij het instellen van haar vordering wist of diende te weten dat haar vordering geen kans op slagen had, haar vordering werd overigens door de eerste rechters volledig gegrond verklaard. Het hoger beroep is bijgevolg wat dit punt betreft niet gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, in zijn grotendeels eensluidend schriftelijk advies, gelezen ter openbare terechtzitting d.d. 4 maart 2005, waarop partijen niet meer repliceerden. Recht sprekend op tegenspraak en na beraadslaging. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen van 30 juni
- En opnieuw recht sprekend: Verklaart de oorspronkelijke vordering van de V.Z.W. ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt de V.Z.W. tot afgifte binnen de maand na de betekening van dit arrest tot afgifte van een gedetailleerd overzicht van de nog openstaande schulden van de heer D.S., met een gedetailleerd overzicht van de door hem verrichte betalingen en de toerekening van deze betalingen conform de principes uiteengezet in dit arrest. Wijst de heer D.S. af van het meer of anders gevorderde. Verwijst de V.Z.W. in de kosten van beide aanleggen. Vereffent deze aan de zijde van de heer D.S. op 200,79 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 279,62 EUR (rechtsplegingsvergoeding beroep) en aan de zijde van de V.Z.W. op 93,37 EUR (dagvaarding), 200,79 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 279,62 EUR (rechtsplegingsvergoeding beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050506.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div