← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050506.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050506.3 Rolnummer: 2004-0358 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-01 03:12 Fiche 1 Uit artikel 778 en 779 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat, wanneer een rechter wettig verhinderd is een vonnis uit te spreken, het vonnis dat gewezen is door de rechter die hem voor de uitspraak vervangt, nietig is wanneer niet is vastgesteld dat de wettig verhinderde rechter heeft beraadslaagd over dat vonnis. In casu blijkt noch uit de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, noch uit enig ander stuk in het dossier dat de verhinderde rechter over het bestreden vonnis heeft beraadslaagd, zodat het vonnis nietig is. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK verhinderde rechter geen deel aan beraadslaging - nietig vonnis. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 779 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Fiches 2 - 3 De voor het eerst in graad van hoger beroep gestelde vordering tot schadevergoeding (art. 1382 B.W.) behoort niet tot de materiële bevoegdheid van de arbeidsgerechten, maar, gelet op het gevorderde bedrag, tot de bevoegdheid van de vrederechter. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK vordering tot schadevergoeding - materiële (on)bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 581,2° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK vordering tot schadevergoeding - materiële (on)bevoegdheid van de arbeidsgerechten. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Fiche 4 Vermits artikel 2 van het K.B. van 2 december 1999 duidelijk bepaalt dat de forfaitaire tegemoetkoming voor palliatieve thuiszorg wordt toegekend aan de rechthebbende en dus aan de palliatieve patiënt zelf, kan diens echtgenote niet in eigen naam en voor eigen rekening betaling vorderen van die forfaitaire vergoeding, maar enkel in haar hoedanigheid van erfgename. Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ZELFSTANDIGE arbeidsongeschiktheid zelfstandigen - eiser tegemoetkoming palliatieve thuiszorg - geen hoedanigheid van rechthebbende - ongegrond. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 34,14° - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 02-12-1999 - 2 - 35 ELI link Pub nr 1999024141 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 779, onder VIII DN - artikle 34, 14°, onder I A - artikel 581, 2° en onder I B - artikel 1382 (verschillende korte inhouden). Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00008,P.477-480) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040358 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak : C. V., wonende te, appellante, incidenteel geïntimeerde verschijnend bij mr. J. Donville loco E. Vervaeke, advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: L.O.Z., met zetel gevestigd te, geïntimeerde, incidenteel appellant verschijnend bij mr. A. Fret loco mr. S. Sergeant, advocaat te 8000 Brugge. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gehoord de uiteenzetting van de middelen van partijen op de openbare terechtzitting van 4 maart 2005, waarna de debatten werden gesloten. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie neergelegd ter griffie op 1 april 2005, waarna het Hof de zaak in beraad heeft genomen.

  1. Gelet op de rechtsplegingsstukken, onder meer: x het voor eensluidend verklaard afschrift van het eindvonnis gewezen bij verstek van de L.O.Z., verder in dit arrest de L genoemd, d.d. 5 november 2001; x de akte van verzet van de L. d.d. 7 december 2001 bij het ambt van gerechtsdeurwaarder C. Bellens, met standplaats te Antwerpen; x het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 29 maart 2004; x het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 april 2004 en regelmatig ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek; x de beschikking in toepassing van artikel 747, ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 27 augustus 2004; x de conclusie voor de L, ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 september 2004; x de conclusie voor mevrouw V., ontvangen per fax ter griffie van dit Hof op 25 oktober 2004 en per post op 29 oktober 2004; x de aanvullende conclusie voor de L, ontvangen per fax ter griffie van dit Hof op 17 november 2004 en per post op 18 november 2004; x de verbeterende beschikking in toepassing van artikel 747, ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek d.d. 23 november
  2. x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie ter griffie neergelegd op 1 april 2005; x het Hof slaat geen acht op de "repliek" die mevrouw V. op 11 april 2005 per fax aan de griffie van dit Hof verzond en evenmin op de "repliek" die zij per gewone post verzond en die ter griffie werd ontvangen op 13 april 2005, hetzij na het verstrijken van de termijn die overeenkomstig artikel 766 Ger.W. werd bepaald om ter griffie conclusie neer te leggen met betrekking tot de inhoud van het advies.
  3. Feiten en voorgaande rechtspleging. Mevrouw V. was gehuwd met wijlen de heer M, die na een langdurige ziekte overleed op 8 november
  4. Het staat niet ter discussie dat mevrouw V. in de loop van de maand oktober 2000 contact opnam met de L, met het verzoek om een sociale helpster te zenden en de forfaitaire vergoeding voor palliatieve thuiszorg toe te kennen, bedoeld in artikel 2 van het K.B. van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmiddelen en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten, bedoeld in artikel 31, 14° van de Wet betreffende de verplichte geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verder in dit arrest het K.B. van 2 december 1999 genoemd. Het staat evenmin ter discussie dat de L de aanvraagformulieren voor het bekomen van bedoelde forfaitaire vergoeding heeft overgemaakt op 16 oktober
  5. Bedoelde formulieren werden door de huisarts van wijlen de heer M ingevuld op 2 december 2000, dus na het overlijden van de heer M en door mevrouw V. aan de L toegezonden, met brief van 12 december 2000, met verzoek 2 x 19.500 BEF over te maken op haar bankrekening.(zie auditoraatsdossier) Met een brief van 14 december 2000, gericht aan wijlen de heer M, besliste de L de aanvraag tot tegemoetkoming te weigeren, met als motivering dat deze aanvraag vóór het overlijden moest worden ingediend. De weigering van de aanvraag werd aan mevrouw V. ter kennis gebracht met een aangetekende brief dd. 18 januari 2001, verzonden op 31 januari
  6. Mevrouw V. tekende beroep aan tegen de haar betekende beslissing, met een verzoekschrift ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 februari
  7. In haar verzoekschrift vorderde mevrouw V. de vernietiging van genoemde beslissing en te zeggen voor recht dat zij recht had op het forfait voor palliatieve thuiszorg ten belope van 2 x 19.500 BEF voor de periode van 26 september 2000 tot en met 8 november
  8. Bij verstekvonnis van 5 november 2001verklaarden de eerste rechters de vordering van mevrouw V. ontvankelijk en gegrond. De bestreden beslissing werd vernietigd en tevens werd gezegd voor recht dat mevrouw V. recht had op een forfaitaire tegemoetkoming voor palliatieve thuiszorg ten belope van 39.000 BEF (966,78 EUR) voor de periode van 26 september 2000 tot en met 8 november
  9. Op 7 december 2001 tekende de L verzet aan tegen voormeld vonnis. In conclusies neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 21 maart 2002 breidde mevrouw V. haar oorspronkelijke vordering uit en vorderde zij tevens een schadevergoeding van 1.000 EUR, wegens het niet ter beschikking stellen van een gezinshulp tijdens de periode van 26 september tot 8 november
  10. Bij vonnis van 29 maart 2004 verklaarde de Arbeidsrechtbank te Antwerpen het verzet van de L ontvankelijk en gegrond, vernietigde het verstekvonnis en bevestigde de bestreden beslissing van 18 januari 2001 van de adviserend geneesheer. De vordering in betaling van een schadevergoeding werd ongegrond verklaard en mevrouw V. werd veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding.
  11. Eisen in hoger beroep. In graad van beroep vordert mevrouw V. het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw recht sprekend, te zeggen voor recht dat de L gehouden is tot betaling van de tegemoetkoming voor palliatieve thuiszorg ten belope van 966,78 EUR, ondergeschikt vraagt zij hetzelfde bedrag toe te kennen als schadevergoeding, wegens miskenning door de L van zijn informatieplicht. Zoals in eerste aanleg vordert mevrouw V. tevens betaling van 1.239,47 EUR wegens het niet verstrekken van gezinshulp, gerechtelijke intresten op de gevorderde bedragen sedert 8 november 2000 en de kosten van het geding. De L besluit tot de onbevoegdheid van de arbeidsrechtbank om kennis te nemen van de in ondergeschikte orde gestelde vordering in betaling van een schadevergoeding wegens beweerde miskenning van de op hem rustende informatieverplichting. Tevens roept de L in dat deze in ondergeschikte orde gestelde vordering onontvankelijk is omdat zij voor het eerst werd ingesteld in graad van beroep en dat deze vordering alleszins ongegrond is. De L vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis in zoverre de vordering in betaling van een tegemoetkoming wegens palliatieve thuiszorg ongegrond werd verklaard. M.b.t. de vordering in betaling van een schadevergoeding wegens het niet toekennen van gezinshulp besluit de L eveneens tot de onbevoegdheid van de arbeidsrechtbank, tot de niet toelaatbaarheid van deze vordering wegens miskenning van artikel 807 Ger.W en ten slotte tot de ongegrondheid van de vordering. De L stelt derhalve een beperkt incidenteel beroep in tegen het bestreden vonnis.
  12. Ontvankelijkheid. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld zodat het hoger beroep en het incidenteel ontvankelijk zijn.
  13. Nietigheid van het bestreden vonnis. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan een vonnis enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters, die alle zittingen over de zaak moeten hebben bijgewoond, een en ander op straffe van nietigheid. Luidens artikel 779, tweede lid, van dat wetboek kan, wanneer een rechter wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van een vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd overeenkomstig artikel 778, de voorzitter van het gerecht een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. Uit die bepalingen volgt dat, wanneer een rechter wettig verhinderd is een vonnis uit te spreken, het vonnis dat gewezen is door de rechter die hem voor de uitspraak vervangt, nietig is wanneer niet is vastgesteld dat de wettig verhinderde rechter heeft beraadslaagd. ( zie Cass., 21 oktober 2004, C040171F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041021.6, http://www.cass.be, op datum; Cass., 21 december 1988, Arr. Cass., 1988-89, 508; Cass., 5 januari 1983, Arr. Cass., 1982-83, 580) Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het debat in deze zaak gevoerd en gesloten is voor mevrouw A. Daeleman, rechter in de Arbeidsrechtbank te Antwerpen en mevrouw H. Verhoeven en de heer R. Laforce, rechters in sociale zaken in diezelfde rechtbank, op de zitting van 26 januari 2004, dat de zaak op die datum werd medegedeeld voor advies aan het Openbaar Ministerie, neer te leggen ter griffie uiterlijk op 23 februari 2004 en dat de repliektermijn voor partijen op twee weken werd bepaald. Het advies van het Openbaar Ministerie werd neergelegd ter griffie op 23 februari 2004 en diezelfde dag ter kennis gebracht aan de raadslieden van partijen. Op 8 maart 20004 legde mevrouw V. een conclusie neer m.b.t. dit advies. Het vonnis werd vervolgens uitgesproken op 29 maart 2004 door mevrouw E. D'Erbée, rechter in de Arbeidsrechtbank te Antwerpen en mevrouw M. Van Steenkiste en de heer L. Brughmans, rechters in sociale zaken in diezelfde rechtbank. Het vonnis vermeldt dat mevrouw E. D'Erbée bij beschikking werd aangeduid om mevrouw A. Daeleman te vervangen, met verwijzing naar art. 322 Ger.W. en dat de heren L. Vansteenkiste en L. Brughmans bij beschikking werden aangeduid om respectievelijk mevrouw H. Verhoeven en de heer R. Laforce te vervangen bij de uitspraak, met verwijzing naar artikel 779 Ger.W. Uit de eensluidend verklaarde afschriften van genoemde beschikkingen die op initiatief van het Openbaar Ministerie aan het dossier werden toegevoegd, blijkt dat de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen bij beschikking van 29 maart 2004 mevrouw E. D'Erbée heeft aangewezen om mevrouw Daeleman te vervangen als Voorzitter van de 9de kamer op de zitting van diezelfde datum op grond van de overweging dat mevrouw Daeleman wettig verhinderd was om de zitting bij te wonen. Wat uit deze beschikking evenwel niet blijkt, noch uit enig ander stuk uit het dossier, is dat mevrouw Daeleman over het bestreden vonnis heeft beraadslaagd, wat door mevrouw V. overigens ten stelligste wordt betwist. Nu uit geen enkel stuk blijkt dat mevrouw Daeleman heeft deelgenomen aan de beraadslaging van het bestreden vonnis, is dit vonnis nietig. Het Hof dient derhalve zelf uitspraak te doen over het verzet ingesteld door de L en over de later door mevrouw V. in conclusies gestelde vorderingen in betaling van een schadevergoeding.
  14. T.a.v. het verzet van de L Uit de stukken van het rechtsplegingsdossier blijkt dat het verzet van de L tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte werd ingesteld, zodat het ontvankelijk is. De regelmatigheid van het verzet werd overigens ook nooit betwist. Samen met de Lis het Hof van oordeel dat de vordering van mevrouw V. in betaling van 966,78 EUR forfaitaire vergoeding voor palliatieve thuiszorg ongegrond is, en dit om meerdere redenen. De toekenning van een forfaitaire vergoeding voor palliatieve thuiszorg wordt geregeld door het K.B. van 2 december
  15. Overeenkomstig artikel 2 van het K.B. van 2 december 1999 wordt een forfaitaire tegemoetkoming van 19.500 BEF voor de in artikel 1 bedoelde verstrekkingen toegekend aan de rechthebbenden van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, die voldoen aan de voorwaarden die in dit besluit zijn vastgesteld. Onder "palliatieve thuispatiënt" in de zin van dit besluit moet, overeenkomstig artikel 3 van het K.B. van 2 december 1999, worden verstaan de patiënt: 1° die lijdt aan één of meerdere irreversibele aandoeningen; 2° die ongunstig evolueert, met een ernstige algemene verslechtering van zijn fysieke/psychische toestand; 3° bij wie therapeutische ingrepen en revaliderende therapie geen invloed meer hebben op die ongunstige evolutie; 4° bij wie de prognose van de aandoening(en) slecht is en het overlijden op relatief korte termijn verwacht wordt (levensverwachting meer dan 24 uur en minder dan drie maand); 5° met ernstige fysieke, psychische, sociale en geestelijke noden die een belangrijke tijdsintensieve en volgehouden inzet vergen; indien nodig wordt een beroep gedaan op hulpverleners met een specifieke bekwaming, en op aangepaste technische middelen; 6° met een intentie om thuis te sterven; 7° en die voldoet aan de voorwaarden opgenomen in het formulier dat als bijlage bij dit besluit gaat. Vervolgens geeft de huisarts van de palliatieve thuispatiënt aan de adviserend geneesheer van het ziekenfonds of de gewestelijke dienst kennis van het feit dat de verzekerde beantwoordt aan voorwaarden vermeld in artikel 3 van dit besluit. Hij vult daartoe het formulier in dat gaat in bijlage bij het K.B. van 2 december 1999 en maakt het via de post over aan de verzekeringsinstelling van de betrokkene.(art.4 K.B. van 2 decmber 1999) Overeenkomstig artikel 5 ,§ 1 van het K.B. van 2 december 1999 is het deze medische kennisgeving die het recht op de in artikel 2 bedoelde tegemoetkoming opent. De verzekeringsinstelling betaalt de tegemoetkoming onmiddellijk na de ontvangst van de kennisgeving door de adviserend geneesheer.(art.
  16. K.B. van 2 december 1999) Artikel 6 van het K.B. van 2 december 1999 bepaalt ten slotte dat de in artikel 2 bedoelde forfaitaire vergoeding betrekking heeft op een periode van dertig dagen te rekenen vanaf het versturen van de kennisgeving bedoeld in artikel 4 ,§ 2 en dat de forfaitaire tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, een tweede maal verschuldigd is, indien na het verloop van de dertig dagen bedoeld in ,§ 1 de patiënt blijft voldoen aan de voorwaarden van onderhavig besluit. Uit de hiervoor vermelde bepalingen blijkt duidelijk dat de patiënt nog in leven moet zijn op het ogenblik dat de huisarts het voor de aanvraag bestemde formulier invult en op het ogenblik van de aanvraag, via toezending van dit formulier, teneinde aanspraak te kunnen maken op de in artikel 2 van het K.B. van 2 december 1999 bedoelde forfaitaire vergoeding, wat in deze niet het geval is. Bovendien is er geen enkele wettelijke bepaling die aan de echtgeno(o)t(e) van een palliatieve thuispatiënt een eigen recht verleent op betaling van een dergelijke tegemoetkoming. Artikel 2 van het K.B. van 2 december 1999 bepaalt duidelijk dat de forfaitaire tegemoetkoming wordt toegekend aan de rechthebbenden van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, die voldoen aan de voorwaarden die in dit besluit zijn vastgesteld, met andere woorden aan de palliatieve thuispatiënt zelf. Mevrouw V. kon en kan derhalve niet in eigen naam en voor eigen rekening betaling vorderen van bedoelde forfaitaire vergoeding en zou - bij hypothese - na het overlijden van haar echtgenoot enkel aanspraak hebben kunnen maken op betaling van de forfaitaire vergoeding waarop wijlen haar echtgenoot recht had en die hem nog niet werd uitbetaald, in haar hoedanigheid van erfgename. Uit de stukken van het dossier blijkt evenwel dat mevrouw V. in dit dossier nooit is opgetreden in de hoedanigheid van erfgename van wijlen haar echtgenoot en ook nooit melding heeft gemaakt van die hoedanigheid, noch in haar inleidend verzoekschrift, noch tijdens het verder verloop van de procedure. Gelet op het voorgaande dient het verzet van de L gegrond te worden verklaard en de oorspronkelijke vordering van mevrouw V. ongegrond.
  17. T.a.v. de vorderingen in betaling van schadevergoeding De door mevrouw V. voor het overlijden van haar echtgenoot aan de L gevraagde gezinshulp om haar bij te staan bij het verzorgen van haar terminaal zieke echtgenoot, maakt geen deel uit van de rechten die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut, familiale uitkeringen, verplichte ziekte-en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust en overlevingspensioenen ten voordele van zelfstandigen, zoals bedoeld in artikel 581, 2° Ger.W. Kennelijk steunt mevrouw V. deze vordering op de vermeende miskenning door de L van verplichtingen die voortspruiten uit de statuten van de L, statuten waarin de L zich tegenover de bij hem aangesloten leden verbindt tot bepaalde vormen van dienstverlening. Zij vordert ex aequo et bono een bedrag van 1.239,47 EUR als vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden doordat haar geen gezinshulp werd toegekend. Zij verwijst in dit verband naar de daling van haar beroepsinkomsten en naar het feit dat zij het, gelet op het ontbreken van thuishulp, te druk had om tijdig de formulieren over te maken met het oog op het verkrijgen van de forfaitaire vergoeding voor palliatieve thuiszorg. Een dergelijke vordering behoort, zoals terecht werd opgemerkt door de L, niet tot de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank. Gelet op het gevorderde bedrag behoort deze vordering tot de bevoegdheid van de vrederechter. Zoals hiervoor reeds aangegeven vordert mevrouw V. in ondergeschikte orde, met name in de hypothese dat haar vordering in betaling van de forfaitaire vergoeding voor palliatieve thuiszorg ongegrond werd verklaard, 966,78 EUR als vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden wegens de beweerde miskenning door de L van de op hem rustende informatieplicht, naar aanleiding van het verzoek van mevrouw V. tot toekenning van de forfaitaire vergoeding voor palliatieve thuiszorg. Ook deze, voor het eerst in graad van beroep gestelde vordering, behoort niet tot de materiële bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, maar -gelet op het gevorderde bedrag- tot de bevoegdheid van de vrederechter. (zie analoog Cass. 2 april 2001, Soc. Kron., 2002,7;Cass., 17 april 2000, J.T.T., 2000,780) Deze beide vorderingen dienen bij toepassing van artikel 643 Ger.W. te worden verwezen naar de bevoegde rechter in graad van beroep, inzonderheid de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Anders dan het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijk advies is het Hof van oordeel dat de vorderingen in betaling van schadevergoeding enerzijds en de vordering in betaling van forfaitaire vergoedingen voor palliatieve thuiszorg anderzijds onderling niet dermate nauw verbonden zijn dat zij als samenhangende vorderingen moeten worden behandeld. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, in zijn gedeeltelijk eensluidend advies neergelegd ter griffie op 1 april
  18. Rechtsprekend op tegenspraak en na beraadslaging. Vernietigd het bestreden vonnis van 29 maart 2004; Verklaart het verzet van de L tegen het vonnis uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 november 2001 ontvankelijk en gegrond als volgt: Vernietigt het vonnis uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 november 2001 behalve in zoverre het de vordering van mevrouw V. ontvankelijk verklaarde en uitspraak deed over de kosten; En, hervormend, verklaart de oorspronkelijke vordering van mevrouw V. ongegrond. Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van mevrouw V. in betaling van schadevergoeding en verzendt de zaak bij toepassing van artikel 643 Ger.W. voor verdere behandeling naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, met inbegrip van de imputatie en de begroting der kosten. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050506.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041021.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.