id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050510.2 Rolnummer: 2004-0103 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-01 03:13 Fiche De levensnoodzakelijke functies voor de mens zijn geenszins beperkt tot de werking van een aantal organen in het menselijk lichaam maar omvat tevens de psyche van de mens. Vermits uit het deskundig verslag blijkt dat de huidaandoening van de betrokkene (vitiligo) op diens leeftijd een zeldzame aandoening is die een belangrijke psychische belasting veroorzaakte, is er sprake van een aantasting van vitale functies en is er voldaan aan de voorwaarden van artikel 25, ,§ 2 van de Wet van 14 juli 1994. Andersluidend advies van het O.M. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING tussenkomst PUVA-behandeling - bijzonder solidariteitsfonds - zeldzame aandoening - aantasting vitale functies. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 25§2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00008,P.469-470) Tekst van de beslissing A.R. 2040103 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. H., loco mr. L. V., advocaat te 2230 Herselt, tegen: 1. N. N., in haar hoedanigheid van moeder van H. H., eerste geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. L. B., loco mr. D. V., advocaat te 2300 Turnhout, 2. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, tweede geïntimeerde, op de zitting niet verschenen noch vertegenwoordigd. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft na beraadslaging het volgend arrest uitgesproken. 1. Procedure Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 3 maart 2004, 8 maart 2005 en 22 maart 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak t.o.v. appellant en eerste geïntimeerde en bij verstek t.o.v. tweede geïntimeerde gewezen tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 14 december 2001 (A.R.V. 24.485 + A.R.V. 24.486), waarbij een college van deskundigen werd aangesteld; - het deskundig verslag van Dr. Y. Schuermans en Dr. P. Lemay, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 11 december 2002; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak t.o.v. appellant en eerste geïntimeerde en bij verstek t.o.v. tweede geïntimeerde gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 9 januari 2004 (A.R.V. 24.485 + A.R.V. 24.486); - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit hof op 10 februari 2004; - de conclusies voor eerste geïntimeerde, ontvangen op griffie van dit hof op 27 oktober 2004; - de gerechtsbrief overeenkomstig artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek, aan tweede geïntimeerde verzonden op 3 december 2004 met kennisgeving van rechtsdag op 8 maart 2005; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 22 maart 2005 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 22 maart 2005. Het arbeidshof heeft kennis genomen van het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekteen invaliditeitsverzekering (stuk 4 dossier arbeidsauditoraat van Turnhout - A.R. 24.485). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van appellant en eerste geïntimeerde gehoord op de openbare terechtzitting van 8 maart 2005, zitting waarop tweede geïntimeerde niet verschijnt, noch iemand voor hem, en de zaak t.o.v. deze partij wordt gepleit overeenkomstig artikel 804, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 22 maart 2005 en is de zaak in beraad genomen. 2. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 10 februari 2004, tekende het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Turnhout op 9 januari 2004. Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen met gerechtsbrief van 15 januari 2004. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. 3. Feiten en voorgaande rechtspleging H. H., geboren op 6 september 1985, volgde vanaf 1999 in het Universitair Ziekenhuis te Gent een laserbehandeling wegens een uitgebreide huidaandoening (vitiligo). N. N., moeder en wettige vertegenwoordiger van H. H., diende op 4 april 2000 via de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een aanvraag in bij het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering tot tussenkomst in de kosten van deze PUVA-behandeling ten bedrage van 660,09 euro (26.628 frank). De aanvraag om tegemoetkoming gebeurde in het kader van artikel 25 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (bijzonder solidariteitsfonds). Met schrijven van 31 augustus 2000 deelde het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering aan de geneesheer-directeur van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten mede dat het college van geneesheren-directeurs op de zitting van 19 juli 2000 een ongunstige beslissing had uitgebracht inzake de vergoeding van een PUVA-behandeling, op basis van de bepalingen van artikel 25, ,§2, 1ste lid, 2° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (stuk 4/7 dossier arbeidsauditoraat van Turnhout). De aanvraag in de tegemoetkoming werd geweigerd op grond van de motivering: "Het gaat hier niet om een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantast." Met verzoekschriften, aangetekend verzonden op 5 oktober 2000 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 6 oktober 2000, tekende N. N. verhaal aan tegen de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 19 juli 2000, door de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten ter kennis gebracht op 26 september 2000. Bij tussenvonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 14 december 2001 werden de vorderingen - na samenvoeging - ontvankelijk verklaard, doch alvorens ten gronde te beslissen, dokter Y. Schuermans (revalidatiearts) en Dr. P. Lemay (kinderarts) als college van deskundigen aangesteld, met als opdracht H. H. te onderzoeken en na te gaan of de gevraagde verstrekking al dan niet betrekking heeft op een zeldzame aandoening die de vitale functie van de rechthebbende aantast. In een deskundig medisch verslag, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 11 december 2002, formuleert Dr. Y. Schuermans en Dr. P. Lemay volgend besluit (stuk 17, dossier rechtspleging arbeidsrechtbank Turnhout): " De gevraagde verstrekkingen en met name de PUVA behandeling die jhr. H. H. heeft gevolgd en eventueel nog zal volgen heeft betrekking op een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantast." Bij eindvonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank Turnhout van 9 januari 2004 werd : - de vordering van N. N. gegrond verklaard; - de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeits-verzekering van 19 juli 2000 - ter kennis gebracht van N. N. door de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten op 26 september - vernietigd; - voor recht gezegd dat N. N. gerechtigd is op tegemoetkoming van het Bijzonder Solidariteitsfonds in de kosten van de PUVA-behandeling voor haar zoon H. H., geboren op 6 september 1985; - het college van geneesheren-directeurs van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering bevolen het bedrag van deze tussenkomst vast te stellen; - het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering verwezen in de kosten van het geding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 10 februari 2004, tekende het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout. 4. Eisen in hoger beroep Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke beslissing van het college van geneesheren-directeurs van 31 augustus 2000 in al zijn geledingen te bevestigen; - over de kosten te oordelen als naar recht. N. N. (eerste geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 9 januari 2004 te bevestigen; - het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van N. N. begroot op 139,81 euro rechtsplegingsvergoeding. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (tweede geïntimeerde) verschijnt niet ter zitting van 8 maart 2005 en heeft ook geen conclusies genomen. 5. Ten gronde 5.1. Schriftelijke repliek van eerste geïntimeerde op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie Op de zitting van 8 maart 2005 werd de zaak gepleit, de debatten gesloten, de zaak medegedeeld aan het openbaar ministerie dat schriftelijk advies ging uitbrengen op de zitting van 22 maart 2005, en werd door het hof aan partijen toestemming verleend om een schriftelijke conclusie over het advies van het openbaar ministerie ter griffie neer te leggen binnen een termijn van 10 dagen. Op de zitting van 22 maart 2005 werd er lezing gegeven van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, dat bij het dossier van de rechtspleging werd gevoegd. Een afschrift van dit schriftelijk advies werd in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aan de raadsman van eerste geïntimeerde verzonden op 22 maart 2005. De schriftelijke repliek van eerste geïntimeerde, ontvangen per gewone post op de griffie van dit hof op 6 april 2005, werd derhalve laattijdig neergelegd en wordt in toepassing van artikel 767 van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve geweerd uit het beraad. 5.2. Situering van het geschil Eerste geïntimeerde vordert in het kader van artikel 25, ,§2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (bijzonder solidariteitsfonds) een verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de laserbehandeling van haar zoon. Overeenkomstig artikel 25, ,§2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 verleent het College van geneesheren-directeurs aan de in de artikelen 32 en 33 bedoelde rechthebbenden, binnen de perken van de vastgestelde financiële middelen, tegemoetkomingen in de kosten van de uitzonderlijke genees-kundige verstrekkingen die niet vergoedbaar zijn door de verzekering voor geneeskundige verzorging en die voldoen aan volgende voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.