← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050513.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050513.1 Rolnummer: 2003-0171;2004-0159 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-20 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-07-03 04:45 Fiches 1 - 3 De rechter kan geen andere kwalificatie in de plaats stellen van de door de partijen aangenomen kwalificatie, tenzij de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de kwalificatie van die partijen uitsluiten. Het juridisch gezag is de mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN bepaling : arbeidsovereenkomst voor werklieden - maatschappelijke zekerheid der arbeiders - toepassingsgebied - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - bestaan van een arbeidsovereenkomst - bewijslast - werkgeversgezag: begrip - verdere beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN bepaling : arbeidsovereenkomst voor bedienden - maatschappelijke zekerheid der arbeiders - toepassingsgebied - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - bestaan van een arbeidsovereenkomst - bewijslast - werkgeversgezag: begrip - verdere beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID toepassingsgebied - personen - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - bestaan van een arbeidsovereenkomst - bewijslast - werkgeversgezag: begrip - verdere beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1§1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 2, onder II AAN - artikel 3 en onder VII A - artikel 1 ,§

  1. Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Voeging Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. nrs. 2030171 en A.R. 2040159 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. A. VAN DEUN, advocaat te 2360 OUD-TURNHOUT, tegen : B.V.B.A. A., met zetel gevestigd te XXX, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. XXX, advocaat te XXX. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 2 april 2003, van 17 oktober 2003 en van 25 maart 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 23 januari 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout; x het verzoekschrift in hoger beroep in de zaak 2030171, ontvangen op de griffie van dit Hof op 12 maart 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 maart 2003 en in de zaak A.R. 2040159, ontvangen op de griffie van dit Hof op 27 februari 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 10566 van het Gerechtelijk Wetboek op 27 februari 2004; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 7 juli 2003; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 23 augustus
  2. x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit Hof op 9 september 2004; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit Hof op 13 december 2004; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, na mondeling advies, neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 april
  3. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 25 maart
  4. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 25 maart
  5. Feiten en wat voorafgaat De B.V.BA. A. (verderop A. genoemd) is een vennootschap die op 4 maart 1998 werd opgericht door Marc Theys en zijn echtgenote Karin Van Houdt. De firma is aannemer van algemene bouwwerken. Ludo Van Houdt, de stiefvader van Karin, echtgenote Theys baatte vóór 1996 een firma uit in voegwerken tezamen met zijn broer. Sinds 1996 werd deze vennootschap blijkbaar opgegeven en zet Ludo Van Houdt de bedrijvigheid verder als eenmanszaak. In april 1999 kwam het tussen Marc Theys en Ludo Van Houdt ter sprake dat A. veel werk had. Omdat Ludo Van Houdt in die periode minder opdrachten had, werd er overeengekomen dat hij prestaties zou leveren voor A. : voegwerken op de eerste plaats, opkuis van de werf, aanbrengen van materialen of metserdiender anderzijds. Vanaf dan werken A. en Ludo Van Houdt regelmatig samen. Er werd geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt. Ludo Van Houdt factureert zijn prestaties aan A. aan een tarief van 1.000 ex Bef/uur, tarief dat door hem werd voorgesteld en dat door A. werd aanvaard. Op 22 juni 2000 gebeurde er in het kader van een actie die werd georganiseerd door de arrondissementele inspectiecel van Turnhout een controle op een werf van A. in Vosselaar. Ludo Van Houdt wordt er werkende aangetroffen tezamen met Marc Theys en Raf Luyten, de aandeelhouders van A.. De inspectie komt tot het besluit : Ludovicus Van Houdt werkt sedert april 1999 normaal dagelijks voor de B.V.B.A. A.. Hij staat meestal samen met de zaakvoerders van de firma te werken op de werven. Hij voert enkel uitvoerende opdrachten uit en is niet betrokken bij de leiding van de firma of de organisatie van het werk. Eén van de zaakvoerders vertelt hem telkens wat er juist moet gedaan worden. Hij wordt per uur betaald. De zaakvoerder Marc Theys benadrukt dat er op geen enkel vlak enige verplichting bestaat tussen de B.V.B.A. A. en Ludovicus Van Houdt. Op 20 maart 2001 laat de R.S.Z. aan A. weten dat hij van oordeel is dat Ludo Van Houdt voor zijn tewerkstelling bij A. moet worden onderworpen het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. De R.S.Z. gaat dan ook over tot de ambtshalve aangifte van deze prestaties voor het tweede kwartaal 1999 tot en met het derde kwartaal
  6. Op 16 juli 2002 volgt een gelijkaardige mededeling vanwege de R.S.Z. ditmaal voor de periode van het vierde kwartaal 2000 tot en met het vierde kwartaal
  7. Omdat er geen vrijwillige regeling volgt gaat de R.S.Z. in twee stappen over tot dagvaarding : - een eerste dagvaarding op 24 september 2001 die betrekking heeft op de eerste ambtshalve regularisatie, - een tweede dagvaarding op 13 september 2002 die betrekking heeft op de tweede ambtshalve regularisatie. Het bestreden vonnis De eerste rechter voegt bij vonnis van 23 januari 2003 de beide zaken samen en wijst de vordering van de R.S.Z. als ongegrond van de hand. De door de R.S.Z. aangevoerde elementen, zelfs indien zij allemaal zouden bewezen zijn - quod non - zijn onvoldoende bewijskrachtig om het bestaan van ondergeschikt verband aan te tonen, terwijl andere elementen de onafhankelijkheid bij het uitvoeren van de prestaties verduidelijken, zo motiveert de eerste rechter. Beide partijen bevestigen op de terechtzitting van 25 maart 2003 dat dit vonnis niet werd betekend. Eisen in hoger beroep Er volgen twee hogere beroepen van de R.S.Z.: - het eerste op 12 maart 2003, maar dit beroep bestrijkt blijkbaar enkel de eerste oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. uit de dagvaarding van 24 september 2001; - het tweede op 27 februari
  8. Dit hoger beroep slaat op de ganse vordering van de R.S.Z.. De R.S.Z. meent dat terzake het bestaan van een arbeidsovereenkomst wel degelijk is bewezen. A. vraagt om het eerste beroep onontvankelijk te verklaren en het tweede ongegrond. De ontvankelijkheid Beide hogere beroepen zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld. A. is van oordeel dat het tweede hoger beroep, als een tweede beroep tegen hetzelfde vonnis, moet worden afgewezen als onontvankelijk. De R.S.Z. merkt op dat het voorwerp van beide hogere beroepen verschillend is. Het tweede hoger beroep bestrijkt gans zijn vordering terwijl het eerste hoger beroep slechts een gedeelte van die vordering bestrijkt. Beide beroepen hebben dus hun nut, aldus de R.S.Z. A. merkt hierbij op dat de R.S.Z. rustig afstand had kunnen doen van zijn eerste beroepsprocedure. Ofwel had de R.S.Z. het voorwerp van zijn eerste hoger beroep kunnen uitbreiden via conclusies. Niettegenstaande het Hof het met A. eens is dat de R.S.Z. het tweemaal instellen van hoger beroep had kunnen vermijden, stelt het Hof vast dat de R.S.Z. geen afstand doet van het eerst ingestelde hoger beroep zodat beide beroepen aanhangig blijven. Beide beroepen zijn ontvankelijk omdat er geen sprake is van het principe 'Non bis in idem', gelet op het verschillende voorwerp van de beide beroepen. Het Hof is wel van oordeel dat de beide beroepen best worden samengevoegd om er in één arrest uitspraak over te doen. Beide vorderingen van de R.S.Z. komen immers voort uit dezelfde betwisting van het statuut van Ludo Van Houdt. Zo wordt tussen deze vorderingen ook de eenheid hersteld, die de eerste rechter reeds had doorgevoerd door beide zaken samen te voegen. Aard van de vordering Het Openbaar Ministerie merkt terecht op dat het rekeninguittreksel, afgesloten op 31 juli 2002 en gehecht aan de tweede dagvaarding van 13 september 2002, in de derde kolom onder de rubriek 'kengetal' de code 101 vermeldt voor de verschuldigde bijdragen, hetgeen volgens de betekenis van de kengetallen (cfr. de verso zijde van het rekeninguittreksel) beduidt dat het hier aangegeven bijdragen betreft. De raadsman van de R.S.Z. geeft aan dat het vermelden van de code 101 op het bedoelde rekeninguittreksel een materiële vergissing betreft. Hier had de code 121 (ambtshalve aangifte) moeten ingevuld staan net zoals op het rekeninguittreksel afgesloten op 20 juni 2001 en gehecht aan de eerste dagvaarding van 24 september
  9. Deze uitleg is plausibel nu uit het gevoerde onderzoek blijkt dat A., in de periode waarop de vorderingen van de R.S.Z. slaan, geen personeel in dienst had waarvoor ze bij de R.S.Z. aangifte deed. Beide vorderingen van de R.S.Z. hebben dan ook als voorwerp de R.S.Z. bijdragen die door A. zouden verschuldigd zijn ingevolge de ambtshalve regularisatie van de tewerkstelling van Ludo van Houdt voor de jaren 1999, 2000 en 2001 met uitzondering van het eerste kwartaal
  10. Volgens het recht Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003, van 3 mei en 6 december2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) (Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) en (Cass., 6 december 2004 - rolnummer S.04.0102.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04C62_1). Voor het Hof houdt deze cassatierechtspraak in dat er in het feitenmateriaal niet moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat A. en Ludo Van Houdt hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. Eerste vraag hierbij: wat zijn deze partijen overeengekomen? Er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt tussen de betrokken partijen, waaruit zwart op wit de kwalificatie, die zij aan hun samenwerking gaven, zou kunnen blijken. Nu dergelijk geschrift niet voorhanden is, moet deze kwalificatie uit andere elementen van het dossier worden afgeleid. Vermits er geen andere bewijselementen worden bijgebracht dan de door de betrokken partijen afgelegde verklaringen, zoekt het Hof in deze verklaringen naar de elementen die verduidelijken welke kwalificatie deze partijen aan hun samenwerking gaven. Ludo Van Houdt heeft het in zijn verklaring, afgelegd op 22 december 2000, helemaal niet over de aard van zijn samenwerking met A.. In het begin van zijn verklaring zet hij nochtans uiteen dat hij als zelfstandige eerst samenwerkte met zijn broer en nadien een eenmanszaak uitbaatte. Hij is ingeschreven in het handelsregister, hij heeft een B.T.W.- nummer en hij is aangesloten bij een sociale verzekeringskas als zelfstandige. Het zelfstandige statuut is voor hem zo vanzelfsprekend dat hij het er verder niet over heeft in zijn verklaring. Marc Theys, de zaakvoerder van A., verklaarde ook op 22 december 2000 dat Ludo Van Houdt sedert april 1999 als zelfstandige onderaannemer voor de firma is beginnen werken. Uit de teneur van de door de betrokken partijen afgelegde verklaringen leidt het Hof af dat zij er eigenlijk nooit aan getwijfeld hebben dat hun samenwerking op zelfstandige basis gebeurde en dat zij er nooit aan gedacht hebben dat Ludo Van Houdt wel eens als werknemer zou kunnen worden beschouwd. Bijgevolg is het duidelijk dat deze partijen hun samenwerking hebben gekwalificeerd als een zelfstandige samenwerking. Beiden hebben dit blijkbaar zo gewild. Hun kwalificatie was sterk en zonder twijfel. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking tussen A. en Ludo Van Houdt niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor deze hen sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er thans worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking onverenigbaar zijn met deze kwalificatie van zelfstandige samenwerking. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z. op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Het element arbeid is duidelijk terug te vinden in de samenwerking tussen A. en Ludo Van Houdt. Zijn taken bestonden uit: voegwerken op de eerste plaats, opkuis van de werf, aanbrengen van materialen of metserdiender anderzijds. Ook over het voorhanden zijn van het element loon kan geen discussie bestaan: Ludo Van Houdt factureerde zijn prestaties aan 1.000 BEF per uur. De vele facturen in het dossier getuigen van het effectief aanrekenen van de geleverde prestaties aan A.. Blijft nog te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economische gezag of de economische afhankelijkheid. Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203). x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst van werkaanneming? Het Hof stelt vast dat de R.S.Z. zijn bewijselementen haalt uit de verklaringen, die zowel Ludo Van Houdt als Marc Theys aflegden aan de sociale inspectie. Er werd geen onderzoek gedaan op het werkveld zelf. De R.S.Z. houdt bovendien voor dat de resultaten van zijn onderzoek een bijzondere bewijswaarde hebben zoals is bedoeld in de Wet van 6 november 1972 betreffende de Arbeidsinspectie. Met andere woorden alles wat blijkt uit het onderzoeksverslag heeft volle bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Het Hof is het met deze zienswijze niet eens. Een onderzoeksverslag is immers geen proces-verbaal, zoals is vereist door artikel 9 van voornoemde wet, zodat er ook geen bijzondere bewijswaarde kan worden aan toegekend. Dergelijk onderzoeksverslag blijft een "gewoon" bewijsmiddel, waarvan het Hof de bewijswaarde vrij apprecieert. De elementen. Ludo Van Houdt kiest niet de plaats waar hij zijn prestaties levert. Zowel uit de verklaring van Ludo Van Houdt als uit deze van Marc Theys blijkt duidelijk dat Ludo Van Houdt slechts prestaties voor A. leverde als hij er tijd voor had. Nergens blijkt uit deze verklaringen dat A. aan Ludo Van Houdt werk kon opleggen of opdringen. Ludo Van Houdt behield blijkbaar de vrijheid om opdrachten al dan niet te aanvaarden. Het kunnen bepalen van de plaats waar de prestaties moeten worden geleverd, wijst vooral op het bestaan van werkgeversgezag wanneer deze plaats zich binnen de lokalen van de werkgever bevindt. Wanneer de plaats van tewerkstelling buitenshuis is, dan is ze veel minder een verwijzing naar werkgeversgezag. Op werven immers kunnen zowel werknemers aan de slag zijn als zelfstandigen (onderaannemers). Ook voor de zelfstandige onderaannemers bepaalt de opdrachtgever uiteindelijk de werf waar de opdracht moet worden uitgevoerd. Het is de logica zelve. Als dusdanig is het element dat A. bepaalde op welke werf er prestaties moesten worden geleverd neutraal in de beoordeling of er werkgeversgezag aanwezig was of niet in de relatie tussen A. en Ludo Van Houdt. Het materiaal wordt grotendeels door A. geleverd. Ludo Van Houdt geeft in zijn verklaring aan dat het klein gereedschap waarmee hij werkt zijn eigendom is en dat het grote gereedschap eigendom is van A.. Ook de bouwmaterialen zouden door A. op de werf ter beschikking worden gesteld. Wat het gereedschap betreft, kan uit de verklaringen van Ludo Van Houdt en Marc Theys niet worden afgeleid welk gereedschap nu juist eigendom was van Ludo Van Houdt en welk gereedschap niet. Daarom kan er ook niet worden geoordeeld in welke mate Ludo Van Houdt afhankelijk was van A. om zijn prestaties uit te voeren. Tenslotte heeft hij zijn eenmanszaak nooit opgegeven en mag men er van uitgaan dat hij over specifiek gereedschap beschikte. Wat de bouwmaterialen betreft, is het zo dat Ludo Van Houdt ook samenwerkte met de twee zaakvoerders van A., beiden ook zelfstandigen. Het is dan ook logisch dat de materialen waarmee drie zelfstandigen samen moeten werken vanuit een centraal punt worden aangeleverd. In die omstandigheden kan niet de conclusie worden getrokken dat er zeker sprake is van ondergeschikt verband omdat een deel van het gereedschap en de materialen door A. ter beschikking werden gesteld. Anderzijds zijn de prestaties van Ludo Van Houdt geen loepzuivere prestaties als zelfstandige onderaannemer, die inderdaad materiaal en gereedschap zelf meebrengt. Er kan een zekere twijfel zijn maar deze is niet van aard om meteen te opteren voor een werknemersstatuut. De financiële en economische organisatie is in handen van A.. Het is duidelijk dat de bedrijvigheid waarbinnen Ludo Van Houdt zijn prestaties leverde, in handen was van A.. Even duidelijk is dat deze prestaties bijdroegen tot het realiseren van het economisch project van A.. Maar tegelijkertijd realiseerde ook Ludo Van Houdt zijn eigen economisch project tenminste bij zoverre hij instond voor voegwerken. Immers zijn eenmanszaak bestaat hoofdzakelijk uit voegwerken en alles wat hiermee te maken heeft, zo verklaarde hij aan de inspectie. Door voegwerken uit te voeren voor A. realiseert Ludo Van Houdt ook zijn eigen economisch project, zeker nu hij dit kon doen aan de door hem vooropgestelde prijs. Ook in het kader van een onderaanneming levert de onderaannemer prestaties die zowel zijn eigen economisch project helpen realiseren als ten goede komen aan de opdrachtgever. De onderaannemer is evenmin betrokken bij de financiële en economische realisatie van zijn opdrachtgever en toch is hij zelfstandige. Zoals hogerop in dit arrest al werd aangehaald, moet er duidelijk een onderscheid gemaakt worden tussen economische afhankelijkheid en juridisch werkgeversgezag. Het feit dat Ludo Van Houdt in de concrete omstandigheden waarin hij prestaties leverde voor A., niet betrokken was bij de financiële en economische organisatie van A. is in casu geen bewijs dat A. over hem werkgeversgezag uitoefende. Het is hoogstens een verwijzing naar de economische afhankelijkheid van Ludo Van Houdt. Ludo Van Houdt krijgt nauwkeurige instructies. Dit element wordt niet bewezen door de verklaringen die zijn afgelegd. Het enige wat in de verklaringen is terug te vinden is dat er bij de aankomst op de werf gezegd wordt wat er moet gebeuren. Dit is de evidentie zelf. Als men niet weet wat men moet gaan doen, kan men gewoon het werk niet aanvatten. Er is pas sprake van werkgeversgezag als de werkgever de uitvoering van de prestaties helemaal naar zijn hand zet. Als de wijze waarop het werk moet worden uitgevoerd, het juiste tijdstip en de exacte plaats door de werkgever nauwkeurig worden bepaald dan spreekt men van sluitende instructies die weinig vrijheid laten. Het zal gebeuren zoals de werkgever het wil. Uit de afgelegde verklaringen blijkt enkel dat Ludo Van Houdt hetzij in teamverband met de zaakvoerders van A., hetzij alleen een resultaatgerichte opdracht uitvoerde voor een opdrachtgever. Het kwam er op neer voor deze opdrachtgever een bepaald resultaat te bereiken. Nergens is er aangetoond dat A. de wijze ging controleren waarop Ludo Van Houdt zijn werk uitvoerde. Er is niet bewezen dat Ludo Van Houdt van A. nauwkeurige instructies kreeg, die wezen op het bestaan van werkgeversgezag. Ludo Van Houdt ontvangt een vast uurloon. Een vast uurloon kan wijzen op het bestaan van werkgeversgezag als de omvang ervan wordt voorgesteld door de werkgever. In casu is het duidelijk dat de prijs van 1.000 BEF per uur door Ludo Van Houdt is voorgesteld en door A. is aanvaard. De hoogte van dit uurloon wijst duidelijk op het karakter 'prijs' en niet op het karakter 'loon'. Een prijs wordt aangerekend als een vergoeding voor een geheel van elementen zoals arbeid, uitbatingskosten, sociale verzekering, andere verzekeringen, fiscaliteit enz... terwijl een loon een pure vergoeding voor arbeid is. Het feit dat Ludo Van Houdt zijn prijs vrij kon bepalen en A. er genoegen moest mee nemen, wijst juist op het zelfstandig karakter van de samenwerking en niet op werkgeversgezag. Ook zelfstandige onderaannemers die in regie werken, bepalen de op dezelfde wijze hun prijs. Het element is contraproductief. De inschrijving bij het handelsregister, het hebben van een B.T.W.-nummer en de aansluiting bij een sociale verzekeringskas zijn geen beletsel voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Het Hof kan dit standpunt alleen maar onderschrijven. Alleen is het niet duidelijk hoe dit standpunt het bewijs oplevert dat er in casu effectief sprake is van een arbeidsovereenkomst. In ieder geval is het zo dat de inschrijving bij het handelsregister, het hebben van een B.T.W.-nummer en de aansluiting bij een sociale verzekeringskas in eerste instantie het bestaan van een zelfstandig statuut bij Ludo Van Houdt ondersteunen. In casu is er meer omdat Ludo Van Houdt reeds vóór zijn samenwerking met A. als zelfstandige ingeschreven was. Dus hij heeft zich niet omwille van de samenwerking met A. als zelfstandige ingeschreven. Het is dan ook logisch, vermits Ludo Van Houdt geen vragende partij was om als werknemer door A. te worden ingeschreven, dat de samenwerking op zelfstandige leest werd geschoeid. De betrokken partijen vinden dit zo vanzelfsprekend dat ze er in hun verklaringen niet eens bij stilstaan. In casu is er dus sprake van een sterke kwalificatie van zelfstandige samenwerking wat de bewijslast van de R.S.Z. alleen maar verzwaart om in de concrete en dagelijkse werking aan te tonen dat deze kwalificatie niet overeind kan blijven. De vrijheid van uitvoering is niet altijd een obstakel voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Ook dit standpunt kan het Hof onderschrijven. Maar ook hier is het moeilijk om dit standpunt te laten gelden als een bewijs van werkgeversgezag. Het Hof is van oordeel dat de vrijheid die in casu aan Ludo Van Houdt werd gelaten een uitvloeisel is van de kwalificatie die A. en Ludo Van Houdt aan hun samenwerking gaven, namelijk een zelfstandige samenwerking. Uit de verklaringen volgt duidelijk dat het de bedoeling was om Ludo Van Houdt werk te bezorgen nu zijn eigen eenmanszaak blijkbaar minder goed floreerde. Over zijn hoedanigheid als 'zelfstandige' werd er echter nooit getwijfeld. Vanuit dit perspectief werd hij dan ook door A. ingezet. Inspanningsverbintenis versus resultaatsverbintenis. De afgelegde verklaringen verwijzen niet naar een inspanningsverbintenis. Immers bij een inspanningsverbintenis ligt de nadruk op de omvang van de prestaties in functie van een bepaald resultaat. Bij een resultaatsverbintenis daarentegen telt enkel het resultaat en speelt de omvang van de prestaties geen rol. De verklaring van Ludo Van Houdt dat hij zijn werkuren zelf kiest wanneer hij alleen op de werf staat, wijst er op dat voor A. blijkbaar enkel het resultaat telt. Als Marc Theys verklaarde dat Ludo Van Houdt hun werkuren (van de zaakvoerders) volgde wanneer hij samen met hen op de werf stond, dan wijst ook dat gegeven op een resultaatsverbintenis. Immers deze zaakvoerders zijn zelfstandigen en ook zij werken resultaatgericht. Als Ludo Van Houdt daarin meedraaide dan bewijst dit een tweede keer dat het resultaat belangrijker was dan de hoeveelheid werkuren. Wanneer het gaat om een resultaatsverbintenis dan is er eerder sprake van een zelfstandige samenwerking. Het element werkt contraproductief. De specifieke aard van het werk. De R.S.Z. houdt voor dat Ludo Van Houdt louter uitvoerende taken had, die zich in wezen niet lenen om als zelfstandige te worden uitgeoefend. Zowel Ludo Van Houdt als Marc Theys geven in hun verklaring aan dat Ludo Van Houdt de volgende werkzaamheden verrichtte: voegwerken, opkuisen van de werf en diender (o.a. aanbrengen van bouwmaterialen). Het Hof is van oordeel dat voegwerken wel degelijk als zelfstandige kunnen uitgevoerd worden. Het beste bewijs hiervan is dat Ludo Van Houdt zelf, in de periode vóór hij ging samenwerken met A., als zelfstandige voeger aan de kost kwam. Ook tijdens deze periode van samenwerking leverde hij, zij het sporadisch, nog voegwerken af aan andere opdrachtgevers, eveneens op zelfstandige basis. De afgelegde verklaringen laten niet toe een idee te krijgen van het aandeel van elk van de onderscheiden taken in het geheel: hoeveel tijd besteedde Ludo Van Houdt aan voegwerken, hoeveel aan opkuis en hoeveel aan diender? Redelijkerwijze kan de R.S.Z. op basis van deze verklaringen dan ook niet staande houden dat de specifieke aard van het werk wijst op ondergeschikt verband, nu voegwerken zich perfect lenen tot uitvoering onder een zelfstandig statuut. Het element is niet dienstig. Conclusie: De elementen die de R.S.Z. aanhaalt om het werkgeversgezag te bewijzen zijn ofwel niet dienstig omdat ze wijzen op economische afhankelijkheid maar niet op juridisch gezag, ofwel onvoldoende sterk om de kwalificatie van zelfstandige samenwerking, die beide betrokken partijen uitdrukkelijk wilden, onderuit te halen, ofwel zelfs contraproductief. In de verklaringen van Ludo Van Houdt en Marc Theys zitten bovendien een aantal elementen die het zelfstandige statuut ondersteunen: x het feit dat Ludo Van Houdt alleen voor A. werkt wanneer het hem past, x het gegeven dat hij vrij zijn werkuren kiest wanneer hij alleen staat op de werf, x het feit dat hij ook voor klanten werkt al is het sporadisch, x het feit dat hij zijn prijs zelf heeft bepaald. In casu is er sprake van een sterke kwalificatie als zelfstandige en zijn er door de R.S.Z. onvoldoende krachtige elementen aangereikt die wijzen op werkgeversgezag en die de aangenomen kwalificatie uitsluiten. Eindconclusie. De R.S.Z. slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen A. en Ludo Van Houdt niet gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. blijft ongegrond. Het hoger beroep van de R.S.Z. is dan ook ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 25 maart
  11. De raadsman van verweerder in hoger beroep verklaarde geen opmerkingen. De raadsman van eiser in hoger beroep repliceerde schriftelijk met conclusies neergelegd ter zitting van 8 april
  12. Recht doende op tegenspraak. Voegt de zaken A.R. 2030171 en A.R. 2040159 samen onder nummer A.R.
  13. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 23 januari
  14. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de B.V.B.A. A. op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en 57,01 euro uitgavenvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend en vijf, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer L. DE WINTER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. VAN DEN EYNDE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050513.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.