← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050523.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050523.7 Rolnummer: 2003-0667 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-09-15 Raadplegingen: 151 - laatst gezien 2026-07-04 14:19 Fiches 1 - 2 Artikel 5, 2 van het K.B. van 10 januari 1977 moet geïnterpreteerd worden in die zin dat de feiten die kunnen leiden tot de intrekking van de erkenning, die zijn welke in artikel 35 als ernstige tekortkomingen worden aangemerkt, dit is een feit of een gedraging waardoor elke professionele samenwerking tussen de havenarbeider en zijn werkgever of tussen de havenarbeider en de collectiviteit van het havenbedrijf, die belichaamd wordt in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Uit geen enkele wettelijke bepaling blijkt dat de Administratieve Commissie een algemene onderzoeksbevoegdheid heeft die haar machtigt tot elk onderzoek, elke controle, elke enquete die nuttig wordt geacht met het oog op het al dan niet behoud van de erkenning van de havenarbeider. De houding van de Administratieve Commissie heeft een foutief karakter en geeft aanleiding tot een aansprakelijkheid op basis van artikel 1382 B.W., o.m. doordat de door haar gevorderde voorlegging van het vonnis van de correctionale rechtbank (waarbij de havenarbeider werd veroordeeld wegens diefstal), voorbarig was, niet relevant en een tot het blijken van de waarheid onnuttige en bovendien schadeverwekkende navorsing gezien het hoger beroep en de daarop volgende vrijspraak waarover de Commissie werd ingelicht. (Gedeeltelijk andersluidend advies van het O.M.) UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Havenarbeiders Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN einde van de overeenkomst - beëindiging om dringende reden - havenarbeider - intrekking vergunning - bevoegdheid administratieve commissie - foutief gedrag - aansprakelijkheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsreglement - W. 8 april 1965 SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsreglement - W. 8 april 1965 - Toepassingsgebied Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . HAVENARBEID principe : havenarbeid door erkende havenarbeiders - havenarbeiders - intrekking vergunning - bevoegdheid administratieve commissie - foutief gedrag - aansprakelijkheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1972 - 1 - 02 ELI link Pub nr 1972060806 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 35 en onder III P - artikel

  1. Annotaties Publicaties: SRK - - 2007, nr. 3, blz. 176-182 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030667 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Werk en Pensioenen, waarvan de kantoren van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg gevestigd zijn te 1040 Brussel, Belliardstraat 51, en waaronder ressorteert de Administratieve Commissie van het Paritair Subcomité der Haven van Antwerpen, met zetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76, appellant op hoofdberoep, geïntimeerde op incidenteel beroep, op de zitting vertegenwoordigd door mr. A. M., loco mr. A. L., advocaat te 1050 Brussel, tegen: L. D. M., geïntimeerde op hoofdberoep, appellant op incidenteel beroep, op de zitting vertegenwoordigd door mr. K. D. M., loco mr. C. D. M., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
  2. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 januari 2004, 23 december 2004, 24 maart 2005, 28 april 2005 en 9 juni 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 oktober 2003 (A.R. 335.784); - het verzoekschrift tot hoger beroep, aangetekend verzonden op 17 november 2003 en ontvangen op de griffie van dit hof op 19 november 2003; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 5 april 2004 waarbij tevens incidenteel beroep wordt ingesteld; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 15 september 2004; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 28 april 2005, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3 Ger.W. aan partijen werd verzonden op 28 april
  3. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van appellant (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van appellant bestaande uit 21 genummerde stukken en de bundel van geïntimeerde bestaande uit 25 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 24 maart
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 28 april 2005 en is de zaak, na verstrijking van de repliektermijn, in beraad genomen.
  5. Schriftelijke repliek van appellant op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie Op de zitting van 24 maart 2005 werd de zaak gepleit, de debatten gesloten, de zaak medegedeeld aan het openbaar ministerie dat schriftelijk advies ging uitbrengen op de zitting van 28 april 2005, en werd door het hof aan partijen toestemming verleend om een schriftelijke conclusie over het advies van het openbaar ministerie ter griffie neer te leggen binnen een termijn van 10 dagen. Op de zitting van 28 april 2005 werd er lezing gegeven van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, dat bij het dossier van de rechtspleging werd gevoegd. Een afschrift van dit schriftelijk advies werd in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aan de raadsman van appellant verzonden op 28 april
  6. De schriftelijke repliek van appellant, ontvangen per gewone post op de griffie van dit hof op 27 mei 2005, werd derhalve laattijdig neergelegd en wordt in toepassing van artikel 767 van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve geweerd uit het beraad.
  7. Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep Met een verzoekschrift, aangetekend verzonden op 17 november 2003 en ontvangen op de griffie van dit hof op 19 november 2003, tekende de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Werk en Pensioenen (hierna Belgische Staat genoemd) hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 17 oktober 2003 (A.R. 335.784). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het gerechtelijk wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 22 oktober
  8. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Met conclusies ontvangen op de griffie van dit hof op 5 april 2004 stelt geïntimeerde incidenteel beroep in tegen het vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 oktober
  9. Dit incidenteel beroep is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  10. Feiten en voorgaande rechtspleging De heer L. D. M. genoot een erkenning (3.727) als havenarbeider die hem door de bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 januari 1977 betreffende de voorwaarden en modaliteiten van de erkenning van havenarbeiders in het Antwerpse havengebied door het paritair subcomité van de Antwerpse Haven opgerichte Administratieve Commissie werd toegekend. L. D. M. werd gedetineerd van 13 januari 1995 tot 31 januari 1995 (stuk 2 bundel appellant: attest van gevangenschap) in het kader van een gerechtelijk onderzoek ingesteld naar aanleiding van een diefstal van een container sigaretten bij ACT te Antwerpen, zijnde de werkgever waar hij als chauffeur-kraanman werkzaam was. Met schrijven van 1 februari 1995 uitgaande van de secretaris van het Nationaal Comité der haven van Antwerpen werd L. D. M. uitgenodigd om te verschijnen voor de Administratieve Commissie op 3 februari 1995 om na te gaan of er redenen voor handen waren om over te gaan tot de intrekking van de erkenning als havenarbeider op grond van artikel 5, ,§2 van het K.B. van 10 januari 1977 (stuk 1 appellant: oproepingsbrief). De Administratieve Commissie nam op 3 februari 1995 de volgende administratieve beschikking:
  11. de procedure op grond van artikel 5, ,§2 van het K.B. van 10 januari 1977, tot eventuele intrekking van de erkenningskaart nummer 3.727 van D. M. L. wordt geschorst.
  12. de betrokkene dient onverwijld kennis te geven aan de Administratieve Commissie van eventuele seponering van de zaak of een afschrift te bezorgen van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg. Voormelde beschikking van 3 februari 1995 was als volgt gemotiveerd (stuk 3 bundel appellant: beschikking van de Administratieve Commissie van 3 februari 1995): "Overwegende dat D. M. L. havenarbeider, E.K. nr. 3.727, aangehouden werd; Overwegende dat de betrokkene werd opgeroepen voor de Administratieve Commissie met het oog op de gebeurlijke toepassing van artikel 5 ,§ 2, van het K.B. 10 januari 1977; Overwegende dat het gerechtelijk onderzoek nog niet gesloten is, dat in voorkomend geval de Administratieve commissie haar beslissing kan uitstellen tot in een eventuele strafrechtelijke vervolging een beslissing is genomen (Cass. 16 juni 1971), zonder echter te moeten wachten tot een beslissing in kracht van gewijsde is gegaan (Cass. 19 juni 1974); Overwegende dat de betrokkene regelmatig werd opgeroepen, dat hij werd gehoord". Vervolgens werd L. D. M. uitgenodigd om te verschijnen voor de Administratieve Commissie op 12 april 1996, op 7 februari 1997, op 8 augustus 1997, op 28 augustus 1998, op 27 augustus 1999 en op 24 september 1999 met telkens als reden "vonnis inleveren" (zie stukken 4a tot en met 4f bundel appellant: oproepingen om te verschijnen voor de Administratieve Commissie). Met brieven uitgaande van de raadsman van D. M. van 10 april 1996, 4 februari 1997, 22 augustus 1997, 13 september 1999 werd de Administratieve Commissie op de hoogte gehouden van het verloop van het strafonderzoek (stukken 5a tot en met 5d bundel appellant: brieven van meester Carl De Munck aan de Administratieve Commissie). In 1999 werd L. D. M. gedagvaard voor de correctionele rechtbank te Antwerpen op grond van de tenlastelegging "te Antwerpen tussen 14 en 22 december 1994, op een niet nader te bepalen datum, door middel van braak, inklimming of valse sleutels, ten nadele van de B.V. Rotterdamsche Produkten Maatschappij, een 40wet container GSTU 740643.0 met 955 kartons sigaretten Marlboro type Kingsize, bedrieglijk weggenomen te hebben". Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 17 november 1999 werd L. D. M. op grond van voormelde tenlastelegging veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 1 jaar, met uitstel van 5 jaar uitgezonderd drie maanden en tot een effectieve geldboete van 15.000 frank (371,84 euro) (zie stuk 5 bundel geïntimeerde: vonnis van 17 november 1999 van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, kamer 5C, rechtdoende in correctionele zaken). Na deze correctionele veroordeling meldde de raadsman van D. M. in een schrijven van 26 april 2000 aan het Nationaal Comité der Haven van Antwerpen dat er nog steeds geen uitspraak in kracht van gewijsde was tussengekomen; L. D. M. had immers op 23 november 1999 hoger beroep aangetekend tegen vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 17 november
  13. In antwoord op voormeld schrijven van 26 april 2000 stuurde de voorzitter van de Administratieve Commissie op 16 mei 2000 een voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking van 3 februari 1995 dat aan D. M. aangetekend werd overgemaakt en voegde hieraan toe: "Hierin staat duidelijk vermeld dat betrokkene een afschrift dient te bezorgen van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg, zonder echter te moeten wachten tot een beslissing in kracht van gewijsde is gegaan (Cass. 19 juni 1974)" (zie stuk 8 bundel appellant: brief van 16 mei 2000 van de Administratieve Commissie aan de raadsman van de heer D. M.). Met oproepingsbrief van 30 mei 2000 werd D. M. andermaal uitgenodigd om te verschijnen voor de Administratieve Commissie op 16 juni 2000 met verzoek, naast erkenningskaart en werkboeken 1999 + 2000, tevens een afschrift van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg mede te brengen (stuk 9 bundel appellant: oproepingsbrief van 30 mei 2000). Ter zitting van 16 juni 2000 besliste de Administratieve Commissie dat de erkenning als havenarbeider werd geschorst met ingang van 16 juni 2000 in het belang van het administratief onderzoek. Met schrijven van 16 juni 2000 werd D. M. uitgenodigd om te verschijnen voor de Administratieve Commissie op 23 juni 2000 (stuk 10 bundel appellant: oproepingsbrief van 16 juni 2000). Bij administratieve beschikking van 23 juni 2000 werd op grond van artikel 5, 2 van het K.B. van 10 januari 1977 met ingang van 16 juni 2000 de erkenningskaart 3.727 van L. D. M. ingetrokken. Voormelde beslissing van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 werd als volgt gemotiveerd (stuk 11 bundel appellant: beschikking van 23 juni 2000 tot intrekking van de erkenning als havenarbeider): "Overwegende dat betrokkene sinds 3 februari 1995 meermaals is opgeroepen om hem te vragen of er reeds een uitspraak van de rechter in eerste aanleg was; dat betrokkene steeds ontkennend heeft geantwoord. Overwegende dat Mr. Carl De Munck, advocaat en raadsman van betrokkene, met zijn schrijven van 26 april 2000, ref. : 2836, de Administratieve Commissie doet besluiten dat er een uitspraak van de rechter in eerste aanleg heeft plaatsgevonden. Overwegende dat de Administratieve Commissie in antwoord op het voormeld schrijven van Mr. Carl De Munck op 16 mei 2000 schriftelijk Mr. Carl De Munck verzocht heeft om zo vlug mogelijk een afschrift van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg aan haar over te maken. Overwegende dat de Administratieve Commissie tot op heden hierop geen antwoord heeft gekregen. Overwegende dat betrokkene aangetekend werd opgeroepen voor de Administratieve Commissie van 16 juni 2000 ten einde een afschrift van het vonnis van de rechter in eerste aanleg over te maken; dat betrokkene het afschrift van het gevraagde vonnis niet overhandigd heeft met de mededeling dat hij hiertegen in beroep is gegaan. Overwegende dat de Administratieve Commissie, in zitting van 16 juni 2000, de erkenning van betrokkene hierop heeft geschorst in het belang van het administratief onderzoek, met ingang van 16 juni 2000 (K.B. 10.1.1977, art. 5bis 1°) en hem opnieuw heeft opgeroepen voor de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 met het uitdrukkelijk verzoek alsdan een afschrift van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg over te maken. Overwegende dat betrokkene samen met zijn raadsman Mr. Carl De Munck, op de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 zijn verschenen; dat Mr. De Munck één week uitstel vroeg ten einde de Cassatiearresten van 16 juni 1971 en van 19 juni 1974 te kunnen nagaan om daarna zijn conclusies te kunnen opstellen en deze neer te leggen tijdens de Administratieve Commissie van 30 juni 2000; overwegende dat eens te meer geen uitspraak van de rechter in eerste aanleg aan de Administratieve Commissie wordt overgemaakt. Overwegende dat al deze voorgaande feiten en het feit van het weigeren om de uitspraak van de rechter in eerste aanleg over te maken, de miskenning inhoudt van het gezag en de bevoegdheid van de Administratieve Commissie, de goede gang van zaken in het havenbedrijf in het gedrang brengt en dat dit een dringende reden oplevert". Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 mei 2001 (stuk 12 bundel appellant) werd L. D. M. niet schuldig bevonden aan het hem ten laste gelegde feit van diefstal en dienvolgens vrijgesproken (stuk 6 bundel geïntimeerde: arrest van het hof van beroep te Antwerpen, achtste kamer, recht doende in correctionele zaken, uitgesproken op 30 mei 2001). Na voormeld arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 mei 2001, verzocht de raadsman van D. M. met aangetekend schrijven van 8 juni 2001 om de erkenningskaart van havenarbeider opnieuw te willen afleveren (stuk 13 bundel appellant). Met schrijven van 15 juni 2001 deelde de Voorzitter van de Administratieve Commissie aan de raadsman van D. M. mee "dat de leden van de Administratieve Commissie in zitting van 15 juni 2001 eenparig beslist hebben dat zij op uw verzoek niet kunnen ingaan" (stuk 14 bundel appellant: brief van 15 juni 2001 van de Administratieve Commissie aan de raadsman van de heer D. M.). Bij inleidend exploot van dagvaarding van 11 juli 2001 voor de Voorzitter van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, zetelend in kortgeding, vorderde L. D. M. de Belgische Staat te veroordelen tot onmiddellijke afgifte van de erkenningskaart voor de uitoefening van het beroep van havenarbeider, onder verbeurte van een dwangsom van 15.000 frank per dag vertraging. Bij beschikking van 9 augustus 2001 van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, zetelend in kortgeding, werd de Belgische Staat veroordeeld om binnen de week na de betekening van de beschikking aan L. D. M. een erkenningskaart voor de uitoefening van het beroep van havenarbeider af te leveren, dit ten voorlopige titel en in afwachting van de afhandeling van de procedure ten gronde, op straffe van een dwangsom van 10.000 frank (247,89 euro) per dag vertraging. Na de betekening van de beschikking in kort geding op 21 augustus 2001 leverde de Administratieve Commissie aan L. D. M. op 24 augustus 2001 opnieuw een erkenningskaart van havenarbeider af voor de periode van 1 jaar, om te eindigen op 23 augustus 2002 (in afwachting van een uitspraak ten gronde). Na deze nieuwe erkenning werd L. D. M. opnieuw tewerkgesteld als havenarbeider. Bij inleidend exploot van dagvaarding van 11 juli 2001 werd de Belgische Staat op verzoek van L. D. M. gedagvaard om te verschijnen voor de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen teneinde: - te zeggen voor recht dat D. M. zich als havenarbeider niet heeft schuldig gemaakt aan een feit dat voor de toepassing van de bepalingen betreffende de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst als een dringende reden moet beschouwd worden; - te zeggen voor recht dat D. M. alle voorwaarden tot het bekomen van een erkenningskaart vervult; dienvolgens de beslissingen van 23 juni 2000 en 15 juni 2001 te hervormen en opnieuw recht doende, de Belgische Staat te bevelen een erkenningskaart toe te kennen; - de Belgische Staat te veroordelen in een schadevergoeding ten belope van 1.000.000 frank (24.789,35 euro) provisioneel, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, en te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 23 juni 2000, minstens met de gerechtelijke intresten vanaf dagvaarding. Bij besluiten, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 19 juni 2003, begrootte D. M. zijn vordering tot schadevergoeding als volgt: - morele schadevergoeding ex aequo et bono begroot op een bedrag van 24.789,35 euro, meer de gerechtelijke intresten; - materiële schadevergoeding ten belope van 97.551,95 euro wegens inkomstenderving, meer de verwijlintresten sedert 16 juni 2000 en de gerechtelijke intresten. Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 oktober 2003 werd: - de vordering, in zoverre deze strekte tot afgifte van een erkenningskaart als havenarbeider onontvankelijk verklaard; - de vordering, in zoverre deze strekte tot het bekomen van een schadevergoeding, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard in volgende mate: de Belgische Staat werd veroordeeld tot betaling aan L. D. M. van een bedrag van 40.000 euro als schadevergoeding, waarbij eventuele R.S.Z. bijdragen en belastingen bijkomend ten laste van de Belgische Staat blijven en waarvoor voorbehoud wordt verleend, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf heden; - de Belgische Staat veroordeeld tot de kosten van het geding. Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 17 november 2003 en ontvangen op de griffie van dit hof op 19 november 2003, tekende de Belgische Staat hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
  14. Eisen in hoger beroep De Belgische Staat (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te vernietigen; - opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van L. D. M. als ontvankelijk doch ongegrond af te wijzen en, subsidiair, minstens te zeggen voor recht dat de door L. D. M. geleden schadevergoeding beperkt dient te worden tot de som van 1 euro provisioneel; - L. D. M. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden niet begroot. L. D. M. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; - het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens de vordering van L. D. M. ontvankelijk en gegrond te verklaren als volgt: x te zeggen voor recht dat L. D. M. zich als havenarbeider niet heeft schuldig gemaakt aan een feit dat voor de toepassing van de bepalingen betreffende de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst als een dringende reden moet worden beschouwd; x te zeggen voor recht dat L. D. M. alle voorwaarden tot het bekomen van een erkenningskaart vervult; x dienvolgens de beslissingen van 23 juni 2000 en 15 juni 2001 te hervormen en opnieuw recht doende de Belgische Staat te bevelen een erkenningskaart toe te kennen; x de Belgische Staat te veroordelen in een morele schadevergoeding ex aequo et bono begroot op een bedrag van 24.789,35 euro, meer de gerechtelijke intresten; x de Belgische Staat te veroordelen tot een schadevergoeding ten belope van 97.551,95 euro wegens inkomstenderving, meer de verwijlintresten sedert 16 juni 2000 en de gerechtelijke intresten; - de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot als volgt : x 91,39 euro dagvaarding kortgeding, x 34,21 euro rechtspleging kortgeding, x 101,76 euro dagvaarding ten gronde, x 205,26 euro rechtspleging ten gronde, x 237,41 euro betekening beschikking kortgeding, x 12,00 euro uitgifte vonnis, x 273,67 euro rechtsplegingsvergoeding.
  15. Ten gronde 5.
  16. Situering van het geschil in graad van hoger beroep De eerste rechter heeft de vordering, zoals gericht tegen de intrekking van de erkenningskaart bij beslissing van 23 juni 2000, onontvankelijk verklaard bij gebrek aan belang, aangezien door de aard der dingen de aflevering van deze erkenningskaart over de periode van 16 juni 2000 tot 7 juni 2001 niet meer kan leiden tot een effectieve tewerkstelling. In zoverre de vordering van geïntimeerde gericht was tegen de beslissing van 15 juni 2001 tot weigering van aflevering van een erkenningskaart, verklaarde de eerste rechter de vordering zonder voorwerp, aangezien de erkenningskaart intussen werd afgeleverd op 24 augustus
  17. In zoverre de vordering van geïntimeerde strekte tot het betalen van een schadevergoeding wegens foutieve beslissingen van appellant, werd deze vordering ontvankelijk en (gedeeltelijk) gegrond verklaard op grond van hiernavolgende overwegingen: x Artikel 5, ,§1, 2° van het K.B. van 10 januari 1977 is van toepassing met uitsluiting van artikel 7, 2° van het K.B. van 19 december
  18. x De omschrijving van "een feit dat voor de toepassing van de bepalingen betreffende de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst als een dringende reden moet worden beschouwd" refereert zeer duidelijk naar een specifieke contractuele relatie tussen twee concrete contractspartijen met een bepaald pakket conventioneel overeengekomen taken, waarvan de uitvoering onmogelijk wordt. Tussen partijen bestaat echter geen arbeidsovereenkomst zodat het begrip dringende reden, zoals hierboven omschreven, niet relevant is. x De beslissingen van appellant zijn niet gesteund op dergelijke ernstige tekortkomingen. x Appellant beschikt niet over een opsporingsbevoegdheid om havenarbeiders te verplichten bepaalde documenten voor te leggen. x Er is geen wettelijke beperking voorzien van de rechten van verdediging. x De door appellant aangehaalde cassatierechtspraak (Cassatie 19 juni 1976) verschaft hem geen vrijbrief om geïntimeerde ongestraft om dringende reden te ontslaan. x De handelwijze van appellant heeft een foutief karakter en verplicht hem tot schadeloosstelling tegenover geïntimeerde; de voorwaarden van artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek zijn vervuld. x De exacte schadebegroting is niet mogelijk en er kan een forfaitaire schadevergoeding van 40.000 euro, materieel en moreel vermengd, toegekend worden. Appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat bij beslissing van 23 juni 2000 de administratieve Commissie de erkenning als havenarbeider van geïntimeerde introk en dat geïntimeerde tegen deze beslissing geen verhaal heeft uitgeoefend; - dat de restrictieve visie van de eerste rechter in verband met het begrip dringende reden niet kan verantwoord worden in zoverre dit begrip enkel maar in de contractuele arbeidsrelatie zou mogen geïnterpreteerd worden; het begrip dringende reden, verwoord in artikel 7, 2° van het K.B. van 19 december 2000, moet wel degelijk worden geïnterpreteerd op basis van het feit dat werd begaan, niet alleen in de verhouding havenarbeider ten opzichte van de concrete werkgever, maar ook in de verhouding havenarbeider ten opzichte van de Administratieve Commissie; - dat in casu de dringende reden niet de strafrechtelijke veroordeling was in eerste aanleg maar wel de herhaalde weigering van geïntimeerde om zich te gedragen naar de beschikking van de Administratieve Commissie van 3 februari 1995, met name zijn weigering om een afschrift te bezorgen van bovengenoemd vonnis, wat verband houdt met de inlichtingsbevoegdheid van de Administratieve Commissie en niet met haar opsporingsbevoegdheid; - dat, vermits geïntimeerde geen beroep aantekende tegen de beslissing van 23 juni 2000, de voorwaarden niet vervuld zijn voor het vorderen van een gemeenrechtelijke schadevergoeding met betrekking tot de periode vanaf 16 juni 2000 tot 8 juni 2001; - dat de eerste rechter enerzijds een aantal schadeposten weerhoudt die niet aanvaardbaar zijn (onder meer handlichtingskosten, makelaarsloon, kosten van juridische bijstand) en anderzijds zonder verdere nauwkeurige precisering besluit tot een globale schadevergoeding van 40.000 euro hetgeen geenszins als matig kan worden aanzien. Geïntimeerde van zijn kant kan zich in grote trekken akkoord verklaren met het principiële standpunt van de eerste rechter, zoals hierboven uiteengezet. Er wordt door hem wel incidenteel beroep ingesteld waar de eerste rechter zijn vordering onontvankelijk verklaarde in zoverre die gericht was tegen de intrekking van de erkenningskaart van havenarbeider en strekte tot de fysieke aflevering ervan. Geïntimeerde stelde eveneens incidenteel beroep in, in verband met de begroting door de eerste rechter van de door hem geleden materiële en morele schade en vordert appellant te veroordelen tot betaling enerzijds van een morele schadevergoeding ex aequo et bono begroot op een bedrag van 24.789,35 euro en anderzijds van een materiële schadevergoeding ten belope van 97.551,95 euro. 5.
  19. Beoordeling 5.2.
  20. De ontvankelijkheid van de vorderingen tot vernietiging van de beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 en 15 juni
  21. Met inleidende dagvaarding van 11 juli 2001 tekende L. D. M. verhaal aan tegen de beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 (intrekking van de erkenningskaart) en de beslissing van 15 juni 2001 (weigeren aflevering erkenningskaart) Sedert 1 maart 1998 zijn de arbeidsgerechten uitdrukkelijk bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de individuele bestuurshande-lingen inzake het verlenen, het schorsen en het intrekken van de erkenning als havenarbeider (artikel 3 van de wet van 13 februari 1998 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de wet van 13 februari 1998 houdende de bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, B.S. 19.02.1998). Voor de periode tussen 1 maart 1998 en 28 augustus 2002 is er geen termijn bepaald voor het instellen van een beroep tegen de administratieve handelingen betreffende de toekenning, de opschorting of de erkenning van de hoedanigheid van havenarbeider. Ingevolge de Programmawet van 2 augustus 2002 (artikel 97) werd met ingang van 29 augustus 2002 (artikel 207) een derde lid toegevoegd aan artikel 3 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid waarin bepaald wordt dat het beroep tegen de individuele bestuurshandelingen, bedoeld in artikel 583, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van verval moeten worden ingesteld binnen de 60 kalenderdagen na de kennisgeving van de bestreden bestuurshandeling. Aangezien in huidig geschil de bestreden bestuurshandelingen dateren van vóór de Programmawet van 2 augustus 2002 werd de vordering tot vernietiging van de beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 (intrekking van de erkenningskaart) en de beslissing van 15 juni 2001 - bij gebreke aan een wettelijke vervaltermijn - tijdig ingesteld. In toepassing van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan een rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen. Het vereiste belang kan een moreel belang zijn (Cass. 18 december 1980, Arr. Cass. 1980-81, 447) Ondanks de terechte overweging in het bestreden vonnis dat de aflevering van een erkenningskaart van havenarbeider met betrekking tot de periode vanaf 16 juni 2000 tot 7 juni 2001 niet meer kan leiden tot enige effectieve tewerkstelling in het havengebied blijft geïntimeerde een belang behouden bij zijn vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing 23 juni 2000; immers, in geval het arbeidshof zou overgaan tot de vernietiging van de bestreden administratieve bestuurshandeling dient de Administratieve Commissie, al naargelang het geval, hetzij een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de motieven van het arrest dat haar eerste beslissing heeft vernietigd, hetzij in de vernietiging te berusten in welk geval de betrokken havenarbeider wordt geacht nooit zijn erkenning verloren te hebben. De arbeidsgerechten zijn niet bevoegd om, in de plaats van het actief bestuur voor recht te zeggen dat geïntimeerde onafgebroken erkend havenarbeider is gebleven. Voor de vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing van 15 juni 2001 heeft geïntimeerde eveneens het vereiste moreel belang waarvoor een schadevergoeding wordt gevorderd. De vordering tot vernietiging van de beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 en 15 juni 2001 zijn ontvankelijk. 5.2.
  22. De gegrondheid van de vorderingen tot vernietiging van de beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 en 15 juni
  23. Het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beslissing van 23 juni 2000 tot intrekking van de erkennningskaart dient te gebeuren met inachtneming van het volgend reglementair kader:
  24. Krachtens artikel 1 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid, mag niemand "in de havengebieden, havenarbeid laten verrichten door andere werknemers dan de erkende havenarbeiders"; krachtens artikel 3 van dezelfde wet bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten van de erkenning van de havenarbeiders.
  25. Het koninklijk besluit van 10 januari 1977 betreffende de voorwaarden en modaliteiten van de erkenning van havenarbeiders in het Antwerpse havengebied (gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 september 1980) verleent aan het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, hierna genoemd 'het Paritair Subcomité', de bevoegdheid om de havenarbeiders te erkennen (artikel 1) en om hen een erkenningskaart af te leveren (artikel 2). Het bepaalt tevens de voorwaarden waaronder de havenarbeiders erkend kunnen worden (artikel 3) en waaronder de erkenning kan ingetrokken worden (artikel 5). Artikel 5 van het K.B. van 10 januari 1977, zoals van kracht op het ogenblik van de bestreden administratieve beschikking van 23 juni 2000, bepaalt dat het Paritair subcomité de erkenning als havenarbeider kan intrekken:
  26. wanneer de prestaties van de havenarbeider over een vastgestelde referteperiode een aantal taken niet hebben bereikt
  27. wanneer de havenarbeider zich schuldig heeft gemaakt aan een feit dat voor de toepassing van de bepalingen betreffende de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst als een dringende reden moet beschouwd worden
  28. wanneer bewezen is dat de havenarbeider in de lichamelijke of geestelijke onmogelijkheid is zijn taak van havenarbeider verder uit te voeren. Elk geval van intrekking voorzien bij artikel 5 wordt afzonderlijk onderzocht door een paritair samengesteld administratieve commissie opgericht in de schoot van het Paritair Subcomité. De erkenning als havenarbeider kan tevens geschorst worden door de Administratieve Commissie ingeval een administratief onderzoek zulks vereist tijdens de procedure tot intrekking van de erkenning als havenarbeider (artikel 5bis, ingevoegd bij artikel 5 van het K.B. van 30 september 1980).
  29. In het koninklijk besluit van 2 juni 1977 tot vaststelling van de intrekkingprocedure van de erkenning als havenarbeider alsmede de modaliteiten van zijn verdediging voor de Administratieve Commissie (vervangen door het koninklijk besluit van 19 december 2001, met inwerkingtreding op 23 januari 2002, B.S. 23 januari 2002) wordt een procedure uitgewerkt voor het besluitvormingsproces betreffende de intrekking van de erkenningskaart. Overeenkomstig artikel 3 van dit besluit mag de havenarbeider zich tijdens de procedure tot intrekking van de erkenning laten bijstaan door een advocaat of een vertegenwoordiger van een van de werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen". Het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beslissing 15 juni 2001 tot weigering voor de erkenning als havenarbeider dient te gebeuren met inachtneming van het volgend reglementair kader: Het koninklijk besluit van 10 januari 1977 werd vervangen door het koninklijk besluit van 19 december 2000 (B.S. 11 januari 2001, inwerkingtreding 1 januari 2001). Overeenkomstig artikel 4, ,§1 komt de werknemer die aan de volgende voorwaarden voldoet in aanmerking voor de erkenning als havenarbeider van het algemeen contingent: 1° van goed gedrag en zeden zijn; 2° door de arbeidsgeneeskundige dienst voor havenarbeid medisch geschikt verklaard zijn; 3° minimum 18 jaar zijn; 4° voldoende professionele taalkennis bezitten om alle bevelen en onderrichtingen in verband met het te voeren werk te kunnen verstaan; 5° de voorbereidingslessen tot veilig werken hebben gevolgd gedurende 3 weken; 6° de nodige technische bekwaamheid beschikken om het werk te kunnen uitvoeren; 7° de laatste vijf jaar niet het voorwerp zijn geweest van een maatregel van intrekking van havenarbeiders. De voorwaarden voor de erkenning als havenarbeider in het logistiek contingent zijn dezelfde als voor de erkenning als havenarbeider van het algemeen contingent met uitzondering van de duur van de opleiding en professionele talenkennis (zie artikel 4, ,§2). De beoordeling van de rechtmatigheid van de beslissing van 23 juni 2000 dient te geschieden aan de hand van het K.B. van 10 januari 1977, in het bijzonder artikel 5, 2 hetwelk bepaalt dat het Paritair subcomité de erkenning als havenarbeider kan intrekken "wanneer de havenarbeider zich schuldig heeft gemaakt aan een feit dat voor de toepassing van de bepalingen betreffende de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst als een dringende reden moet beschouwd worden". In artikel 35, tweede lid van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten wordt het begrip 'dringende reden', waar in voormeld artikel 5, 2 naar verwezen wordt, als volgt gedefinieerd: "onder dringende reden wordt verstaan de ernstige tekortkomingen die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt" Met de verwijzing naar de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten wordt enkel beoogd de omschrijving van het begrip "dringende reden" te transponeren op de intrekking van een erkenning als havenarbeider wegens een dringende reden (stuk 20 bundel appellant: arrest van de Raad van State, 20 december 1984, nr. 24937). Artikel 5, 2 van voornoemd K.B. van 10 januari 1977 moet dus geïnterpreteerd worden in de zin dat de feiten die kunnen leiden tot de intrekking van de erkenning, die zijn welke in het voornoemd artikel 35 als "ernstige tekortkomingen" worden aangemerkt, d.i. een feit of een gedraging waardoor elke professionele samenwerking tussen havenarbeider en zijn werkgever of tussen de havenarbeider en de collectiviteit van het havenbedrijf, die belichaamd wordt in het Paritair subcomité voor de haven van Antwerpen en de betrokken havenarbeider, onmiddellijk en definitief onmogelijk gemaakt wordt (Arrest van 7 juli 1983 van de Raad van State, nr. 23.444, RvSt. 1983, 1602). De feiten vermeld in artikel 5, 2 van het K.B. van 10 januari 1977 zijn dus niet beperkt tot de feiten die zich effectief tussen werkgever en werknemer afspelen maar strekken zich ook uit tot de feiten in de relatie tussen havenarbeider en de Administratieve Commissie (in dezelfde zin: Arrest van de Raad van State van 4 december 1995 nr. 56.591). Overeenkomstig de motivering in de administratieve beslissing van 23 juni 2000 vormt de miskenning van het gezag van de Administratieve Commissie, afgeleid uit de herhaalde weigering van geïntimeerde om de uitspraak van de correctionele rechtbank over te maken, de dringende reden die volgens appellant de intrekking van de erkenningskaart wettigt. Voormelde beslissing van de Administratieve Commissie is, in tegenstelling met wat geïntimeerde voorhoudt, in overeenstemming met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; de beslissing maakt op uitdrukkelijke wijze melding van alle juridische en feitelijke redenen waarop de beslissing is gesteund; de motivering is eveneens afdoende daar de beslissing tot intrekking van de erkenningskaart voldoende gedragen wordt door het motief 'dat de weigering om de uitspraak van de rechter in eerste aanleg over te maken, de miskenning inhoudt van het gezag en de bevoegdheid van de Administratieve Commissie en dit een dringende reden uitmaakt'; door dergelijk motivering is geïntimeerde in staat terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. Het openbaar ministerie merkt in zijn schriftelijk advies terecht op dat de Administratieve Commissie geen rechtshandhavende instantie is die norm- conform gedrag van de havenarbeiders moet bewerkstelligen door de naleving van rechtsregels te bevorderen of overtredingen ervan te beëindigen. De bevoegdheid van de Administratieve Commissie is beperkt tot een bestuurlijk toezicht op de voorwaarden voor de erkenning van havenarbeider. Wel moet vastgesteld worden dat dit toezicht een repressief karakter heeft, aangezien het kan leiden tot de intrekking van de erkenning van havenarbeider. Uit geen enkele wettelijke bepaling blijkt evenwel dat de Administratieve Commissie een algemene onderzoeksbevoegdheid heeft die haar machtigt tot elk onderzoek, elke controle en elke enquête die nuttig wordt geacht met het oog op het al dan niet behoud van de erkenning van havenarbeider. Gelet op de aan de Administratieve Commissie opgedragen taak, namelijk aflevering of intrekking van erkenningskaarten van de havenarbeiders, beschikt deze Commissie wel over een algemene inlichtingsbevoegdheid waardoor zij de voorlegging van documenten kan vragen die nuttig zijn om te worden onderzocht teneinde uit te maken of er voldaan is aan alle wettelijke voorwaarden tot erkenning als havenarbeider of tot intrekking van deze erkenning als havenarbeider. In tegenstelling tot de huidige regeling - zoals vastgelegd in artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid - is in het koninklijk besluit van 10 januari 1977 betreffende de voorwaarden en modaliteiten van de erkenning van havenarbeiders in het Antwerps havengebied en in het koninklijk besluit van 2 juni 1977 tot vaststelling van de intrekkingsprocedure van de erkenning als havenarbeider alsmede de modaliteiten van zijn verdediging voor de Administratieve Commissie geen wettelijke grondslag opgenomen tot intrekking van de erkenning als havenarbeider wanneer de havenarbeider weigert de documenten voor te leggen waartoe de Administratieve Commissie heeft verzocht. Aan de hand van de door partijen voorgebrachte stukken stelt het hof vast: 1) dat de Administratieve Commissie steeds op de hoogte werd gehouden van het verloop van het strafonderzoek (zie stukken 5a tot en met 5d bundel appellant: brieven raadsman van geïntimeerde aan de Administratieve Commissie) alsmede in kennis werd gesteld van de inhoud van de correctionele veroordeling in eerste aanleg en het instellen van hoger beroep (zie stuk 18 bundel appellant: verslag van de zitting van de Administratieve Commissie van 16 juni 2000) zodat appellant op geen enkele wijze gehinderd werd in haar beoordeling of geïntimeerde zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan een feit dat voor de toepassing van de bepalingen betreffende de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst als een dringende reden moet beschouwd worden; 2) dat ter zitting van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 de rechten van verdediging van geïntimeerde geschonden zijn. Artikel 2 en 3 van het K.B. van 2 juni 1977 regelt de persoonlijke verschijning van de havenarbeider tegen wie de intrekking van zijn erkenning wordt overwogen, met de mogelijkheid van bijstand van een raadsman. De persoonlijke verschijning sluit in dat de havenarbeider zich deugdelijk moet kunnen verdedigen wat betekent dat hij kennis heeft van alle feitelijke en juridische gegevens die de Administratieve Commissie in haar besluitvorming betrekt. De weigering van de Administratieve Commissie om de zaak op verzoek van de raadsman van geïntimeerde uit te stellen op één week houdt een schending in van de rechten van verdediging daar aan de raadsman de mogelijkheid werd ontnomen enerzijds kennis te nemen van de inhoud van de cassatiearresten (waarop de commissie zich steunde ter verantwoording van haar stelling dat zij tot intrekking van de erkenningskaart kan overgaan na een strafrechtelijke veroordeling en zonder te moeten wachten tot deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan) en anderzijds een kopie van het correctioneel vonnis (hetwelk reeds eerder ter griffie was besteld) voor te brengen. Aangezien geïntimeerde in het kader van het administratief onderzoek alle nuttige inlichtingen overmaakte aan de Administratieve Commissie en zijn volle medewerking heeft verleend tijdens het administratief onderzoek kan de door appellant ingeroepen dringende reden niet weerhouden worden zodat de beslissing van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 dient vernietigd te worden. Gelet op de vernietiging van de beslissing van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 tot intrekking van de erkenning als havenarbeider is de weigeringsbeslissing van de Administratieve Commissie van 15 juni 2001 niet gerechtvaardigd; op het ogenblik van zijn vraag tot afgifte van een erkenningskaart voldeed geïntimeerde aan alle voorwaarden zoals opgesomd in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 januari 1977 betreffende de voorwaarden en modaliteiten van de erkenning van havenarbeiders in het Antwerpse havengebied, met inbegrip van de voorwaarde dat hij in het verleden niet het voorwerp is geweest van een maatregel van intrekking van erkenning van havenarbeider. De beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 (intrekking erkenningskaart) en 15 juni 2001 (weigering afgifte nieuwe erkenningskaart) hebben een foutief karakter: - doordat appellant geen wettelijke grondslag had tot intrekking van de erkenningskaart op grond van de niet-voorlegging van het vonnis van de correctionele rechtbank; - doordat de gevorderde voorlegging van het vonnis van de correctionele rechtbank voorbarig was, niet relevant en een tot het blijken van de waarheid onnuttige en bovendien schadeverwekkende navorsing gezien het hoger beroep en de daarop volgende vrijspraak waarover de Administratieve Commissie omstandig werd ingelicht; - doordat de Administratieve Commissie de rechten van verdediging geschonden heeft ter zitting van 23 juni 2000; - doordat de Administratieve Commissie het zorgvuldigheidsbeginsel, zijnde algemene beginsel van behoorlijk bestuur, geschonden heeft; de Administratieve Commissie heeft bij haar onderzoek of geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt aan een feit dat voor de toepassing van het arbeidsovereenkomstenrecht als een dringende reden moet beschouwd worden niet alle relevante factoren en omstandigheden in haar besluitvorming betrokken; de Commissie heeft nagelaten de eindbeslissing in de strafzaak af te wachten noodzakelijk om tot een rechtmatige besluitvorming te komen; door dit onzorgvuldig handelen heeft appellant de belangen van geïntimeerde onnodig en op onredelijke wijze geschaad. Het foutief karakter van de beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 en 15 juni 2001 geeft aanleiding tot aansprakelijkheid op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. 5.2.
  30. De vordering tot schadevergoeding In beroepsbesluiten, ontvangen ter griffie van dit hof op 5 april 2004 begroot geïntimeerde zijn schade als volgt: 1) Materiële schade - Loonverlies 14 maanden: EUR 24.293,56 - Eindejaarspremie 2000 + 2001: EUR 2.974.72 - Vakantiegeld: EUR 3.657,42 - Verlies woning: EUR 62.767,95 Totaal: EUR 93.693,65 2) Morele schade: ex aequo et bono: EUR 24.789,35 Overeenkomstig artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek dient geïntimeerde niet alleen het bedrag van de gevorderde schadeposten te bewijzen maar ook het oorzakelijk verband tussen de fout van appellant en de gevorderde schade. Met betrekking tot de gevorderde schade wegens inkomensverlies, begroot over een periode van 14 maanden, stelt het hof vast dat geïntimeerde geen vordering tot schorsing tegen de administratieve beslissing van 23 juni 2000 heeft ingeleid bij de arbeidsrechtbank met verzoek - in afwachting van een definitieve beslissing ten gronde - verder zijn beroep als havenarbeider te kunnen uitoefenen. De vordering tot vernietiging van de administratieve beslissing van 23 juni 2000 werd slechts één jaar later ingeleid bij de arbeidsrechtbank met dagvaarding van 11 juli
  31. Aangezien geïntimeerde geen diligent initiatief heeft genomen ter bestrijding van de oorspronkelijke beslissing tot intrekking van de erkenningskaart kan hij thans bezwaarlijk schadevergoeding vorderen voor de periode van 23 juni 2000 tot en met 8 juni 2001 (datum van brief van raadsman geïntimeerde met verzoek tot aflevering van een nieuwe erkenningskaart). Het door geïntimeerde gevorderde inkomensverlies voor de periode van 23 juni 2000 tot en met 8 juni 2001 wordt bij gebrek aan bewijs van oorzakelijk verband tussen fout en schade afgewezen. Voor wat betreft het gevorderde loonverlies over de periode 9 juni 2001 tot 24 augustus 2001 (datum afgifte van een nieuwe erkenningskaart) kan aan de hand van de door geïntimeerde voorgebrachte stukken (stukken 9 bundel geïntimeerde: individuele rekening 1999 en 2000) vastgesteld worden: - dat geïntimeerde tijdens de maanden juni tot en met augustus 2001 werkloosheidsuitkeringen genoot aan een dagbedrag van 13,06 euro (538 frank); - dat het gemiddelde belastbaar dagloon van geïntimeerde, berekend aan de hand van het inkomen van het eerste kwartaal 2000 kan bepaald worden op 85,87 euro (207.664 frank : 3 = 69.221 : 20 werkdagen = 3.464 frank); - dat geïntimeerde in het jaar 1999 een bruto eindejaarspremie genoot ten bedrage van 2.110,19 euro (85.125 frank); - dat geïntimeerde in het jaar 1999 een bruto vakantiegeld genoot van 5.017,56 euro (202.408 frank). Gelet op voormelde gegevens kan de schade wegens inkomstenverlies over de periode van 9 juni tot en met 24 augustus 2001 als volgt begroot worden: - loonverlies 3.464 frank x 55 werkdagen: 190.520 frank - werkloosheidsvergoeding: 538 frank x 55 werkdagen - 29.590 frank 160.930 frank - eindejaarspremie: 2/12 van 85.125 frank + 14.187 frank - vakantiegeld: 2/12 van 202.408 frank + 33.734 frank Totaal: 208.851 frank De materiële schade wegens inkomstenverlies over de periode van 9 juni tot en met 24 augustus 2001 is gegrond voor 5.177,28 euro (208.851 frank). Met betrekking tot de gevorderde schade wegens verlies van woonst stelt het hof aan de hand van de door geïntimeerde voorgebrachte stukken vast (zie stuk 14 bundel geïntimeerde: briefwisseling van Dexia Woonkrediet): - dat geïntimeerde en zijn echtgenote een hypothecair krediet hebben afgesloten van 2.500.000 frank op 29 september 1997 bij de NV Dexia Woonkrediet; - dat de maandelijkse aflossing voor dit krediet 20.450 frank bedroeg; - dat met aangetekend schrijven van 22 maart 2001 uitgaande van Dexia Woonkrediet geïntimeerde werd aangemaand om de achterstallige vervaldagen ten bedrage van 40.900 frank te betalen (= 2 maanden achterstal); - dat geïntimeerde met fax van 27 maart 2001 aan Dexia meldde dat de woning verkocht werd bij akte verleden op 2 april 2001 bij notaris Van Roosbroeck; - dat de echtelijke woonst verkocht werd voor een bedrag van 8 miljoen frank en na aftrek van het passief (afleg Dexia, handlichtingskosten en makelaarsloon) er een positief saldo was van 5.467.947 frank; - dat dit saldo in het kader van vereffeningverdeling van de huwelijksgemeenschap voor 1.380.642 frank toekwam aan A. C. en voor 2.763.197 frank aan geïntimeerde. Uit voormelde gegevens blijkt duidelijk dat de verkoop van de woonst niet het gevolg was van achterstallige hypothecaire betalingen maar wel kadert in de vereffeningverdeling van de huwelijksgemeenschap. Bij gebrek aan bewijs van oorzakelijk verband tussen fout en schade dient de gevorderde schade wegens verlies van de woning als ongegrond te worden afgewezen. Met betrekking tot de gevorderde morele schade stelt het hof vast: - dat geïntimeerde vanaf de leeftijd van 18 jaar werkzaam is als havenarbeider met een onberispelijk beroepsverleden; in 1994 ontving hij van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid een "ereteken van de arbeid van tweede klasse' (zie stuk 10 bundel geïntimeerde); - dat geïntimeerde in de periode van 24 september 2000 tot 30 september 2000 gehospitaliseerd werd wegens hartklachten alsmede in de periode van 29 oktober 2000 tot en met 7 november 2000 in de dienst psychiatrie van het Universitair ziekenhuis te Antwerpen werd opgenomen (stukken 22 en 23 bundel geïntimeerde); het diensthoofd van de dienst psychiatrie attesteert dat deze opname gebeurde "na een poging tot zelfdoding met medicatie ten gevolge van familiale spanningen wegens verlies van huidig werk" (stuk 23 bundel geïntimeerde) De onrechtmatige intrekking van de erkenning als havenarbeider met het verregaand gevolg dat geïntimeerde geen havenarbeid meer mocht verrichten (ook wel de sociale dood genoemd) hebben dus duidelijk een psychisch leed veroorzaakt zodat geïntimeerde aanspraak kan maken op een morele schadevergoeding. Gelet op het complex en niet exact becijferbaar karakter van deze schade begroot het hof in billijkheid deze morele schade op een bedrag van 3.000 euro. Samenvattend besluit het hof dat de door geïntimeerde gevorderde schadevergoeding gegrond is voor een bedrag van 5.177,28 euro ten titel van materiële schade en voor een bedrag van 3.000 euro ten titel van morele schade. 5.2.
  32. Kosten van het geding Aangezien de gehele gerechtelijke procedure veroorzaakt werd door een fout van appellant dienen de kosten te laste worden gelegd van appellant (Cass., 14 mei 2001, Pas. 2001, I, 280). In toepassing van artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten onder meer de prijs van de uitgifte van het vonnis en de sommen die bepaald zijn in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn andersluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 28 april
  33. De schriftelijke repliek van appellant op het advies, ontvangen op de griffie van dit hof op 27 mei 2005, wordt wegens laattijdigheid buiten het beraad gehouden. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken op 17 oktober 2003 in de openbare zitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 335.784), behalve de beschikking inzake begroting en veroordeling tot de gerechtskosten in eerste aanleg. Opnieuw rechtdoende. Verklaart de vordering tot vernietiging van de beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 en van 15 juni 2001 ontvankelijk en gegrond. Vernietigt dienvolgens de beslissingen van de Administratieve Commissie van 23 juni 2000 en van 15 juni
  34. Verklaart de vordering tot schadevergoeding ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt appellant tot betaling aan geïntimeerde van volgende bedragen: - een bedrag van vijfduizend honderd zevenenzeventig euro en achtentwintig cent (5.177,28 euro) ten titel van materiële schade, te vermeerderen met verwijlintresten sedert 8 juni 2001 en de gerechtelijke intresten; - een bedrag van drieduizend euro (3.000 euro) ten titel van morele schade, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Wijst het meergevorderde als ongegrond af. Verwijst appellant, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en op 12 euro uitgifte vonnis. Aan de zijde van appellant worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op drieëntwintig juni tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050523.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.