id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050525.11 Rolnummer: 2003-0671 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 03:14 Fiches 1 - 3 Er is geen reden tot vernietiging van de administratieve beslissing die gesteund is op een p.v. van vaststelling dat door de directeur van de RVA werd gebruikt als grondslag van zijn beslissing, zonder uitdrukkelijke toestemming van de arbeidsauditeur en dus met schending van het geheim van het vooronderzoek, wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet in het gedrang heeft gebracht. (andersluidend schriftelijk advies van het O.M.) Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID schending geheim strafonderzoek - nietigheid administratieve beslissing. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 154 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 157bis - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: TOEZICHT EN CONTROLE VAN DE SOCIALE WETTEN . ARBEIDSINSPECTIE werkloosheid - schending geheim strafonderzoek - nietigheid administratieve beslissing. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - 5 - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Nota: Gerangschikt onder V AN - artikel 154, onder V AN - artikel 157bis en onder XIV - artikel
- Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00931,P.465-467) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030671 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak van: de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. D. D. G. loco mr. G. L., advocaat te Antwerpen, tegen: de heer C.V.T., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. T. R., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen d.d. 7 januari 2004, 1 februari 2005, 15 maart 2005, 29 maart 2005 en 11 mei
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 30 oktober 2003 uitgesproken door de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 3 november 2003; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 november 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 21 november 2003; x de conclusies voor C.V.T., neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 oktober 2004; x het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter buitengewone zitting van 29 maart 2005, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 29 maart 2005; x de repliek op het advies van het openbaar ministerie voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, neergelegd ter griffie van dit Hof op 12 april
- Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 1 februari
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 november 2003, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis van 30 oktober 2003 (A.R. 357.528) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 3 november
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure De directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening besliste op 11 april 2003, gelet op de artikelen 44, 45, 71, 106, 107, 108, 139, 142, 144, 154, 157bis, 158, 169 en 175 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering: - C.V.T. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 6 januari 2003 tot 23 januari 2003 (art. 44, 45 en 71); - de uitkeringen die hij onrechtmatig ontving vanaf 6 januari 2003 tot 23 januari 2003 terug te vorderen (art. 169); - hem uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 14 april 2003 gedurende een periode van 4 weken omdat hij op het ogenblik waarop hij een activiteit uitoefende die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, zijn controlekaart niet onmiddellijk kon voorleggen aan de sociale inspecteur die erom vroeg; deze sanctie werd voorzien van een geheel uitstel (art. 154 en 157bis, ,§2); - in ondergeschikte orde, hem uit te sluiten van het recht op uitkeringen voor 23 januari 2003 (art. 44, 45 en 71). De directeur nam deze beslissing op grond van volgende overwegingen: "Wat betreft de uitsluiting op grond van de artikelen 44 en 45 van het voormeld koninklijk besluit: De reglementering voorziet dat de werkloze zonder arbeid en zonder loon moet zijn om uitkeringen te kunnen genieten (artikel 44). Wordt onder andere beschouwd als arbeid: de activiteit verricht voor een derde waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen (artikel 45, eerste lid, 2°). Elke activiteit verricht voor een derde wordt geacht een loon of een materieel voordeel op te leveren, behalve wanneer de werkloze het tegendeel bewijst (artikel 45, tweede lid). Uit een onderzoek door onze controledienst blijkt dat u, terwijl u uitkeringen genoot voor de uren van tijdelijke werkloosheid (toepassing van de artikelen 106 tot 108 van het voormeld K.B.), op 23.01.2003 een activiteit voor rekening van V. J. heeft verricht. U bewijst niet dat deze activiteit u geen loon of materieel voordeel opleverde. De activiteit die u heeft verricht, moet dus worden beschouwd als arbeid in de zin van artikel
- Daar u op 23.01.2003 niet zonder arbeid en zonder loon was, kan u geen uitkeringen genieten voor de voormelde arbeidsdag. Wat betreft de uitsluiting op grond van artikel 71 van het voormeld koninklijk besluit: Om uitkeringen te kunnen genieten, moet de werknemer in het bezit zijn van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich bewaren. Hij moet eveneens zijn controlekaart onmiddellijk voorleggen telkens wanneer een sociaal controleur hem daarom vraagt (artikel 71, eerste lid, 1° en 5°). U heeft deze verplichtingen, die vermeld staan op uw controlekaart, niet nageleefd. U kan dus geen uitkeringen genieten vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand, dat is vanaf 06.01.2003 tot 23.01.
- Wat de terugvordering betreft: Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van voormeld koninklijk besluit). Bijgevolg moeten de uitkeringen die u vanaf 06.01.2003 tot 23.01.2003 heeft genoten, worden teruggevorderd. Het totale bedrag dat u moet terugbetalen, de berekening en de wijze waarop u kan terugbetalen, worden u hierbij betekend. Wat betreft de administratieve sanctie op grond van artikel 154 van het voormeld koninklijk besluit: Op het ogenblik waarop u een activiteit uitoefende die niet verenigbaar was met het recht op uitkeringen, kon u uw controlekaart niet onmiddellijk voorleggen aan de sociale inspecteur die erom vroeg. Hierdoor ontving u uitkeringen waarop u geen recht had. De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen omdat hij op het ogenblik waarop hij een activiteit uitoefent die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, zijn controlekaart niet onmiddellijk kan voorleggen aan de sociale inspecteur die erom vraagt, kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken (artikel 154, eerste lid). De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een sanctie op grond van artikel 153, 154 of 155 (artikel 157bis, ,§,§2 en 3). In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op 4 weken gelet op de aard van de inbreuk. U kon uw controledocument niet voorleggen op vraag van een daartoe bevoegd persoon, terwijl u prestaties leverde voor een derde. Om dezelfde reden(en) beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 157bis, ,§1, lid 1). Deze uitsluiting wordt voorzien van een geheel uitstel. Een geheel uitstelt betekent dat u het recht op uitkeringen behoudt gedurende de sanctieperiode op voorwaarde dat u alle andere toekenningsvoorwaarden vervult. Het uitstel wordt toegekend aangezien in de voorafgaande twee jaar geen sanctie werd toegepast op grond van artikel 153, 154 of 155 en gelet op het feit dat u sinds 1976 voor dezelfde werkgever werkt en slechts sporadisch tijdelijk werkloos wordt gesteld." Met het formulier C31 van 11 april 2003 vorderde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een bedrag van 455,94 EUR aan onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 6 januari 2003 tot en met 23 januari 2003 terug. C.V.T. tekende verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 2 mei
- De eerste rechter verklaarde in haar vonnis van 30 oktober 2003 de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigde de administratieve beslissing en de terugvorderingsbeslissing van 11 april 2003 en zegde voor recht dat C.V.T. vanaf 6 januari 2003 verder gerechtigd was op werkloosheidsuitkeringen; de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd veroordeeld om de uit de vernietiging van deze administratieve beslissing voortspruitende achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen, in zoverre C.V.T. voldeed aan alle andere toelaatbaarheids- en vergoedbaarheidsvoorwaarden. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde tegen dit vonnis hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 november
- Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen. C.V.T. vordert het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen; ondergeschikt, op grond van artikel 169, in fine, van het Werkloosheidsbesluit, de terugvordering van 455,94 EUR te vernietigen, minsten te beperken tot nihil; uiterst ondergeschikt, minstens enkel de dag van 23 januari 2003; de uitsluiting op grond van artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit te vernietigen, minstens te herleiden naar het minimum (verwittiging) of een sanctie van 1 week met uitstel, minstens naar 4 weken met uitstel.
- Ten gronde 4.
- het al dan niet onrechtmatig verkregen bewijs De eerste rechter vernietigde de bestreden beslissing van 11 april 2003 om reden dat deze beslissing gesteund was op een proces-verbaal van vaststelling dat door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening als grondslag werd gebruikt zonder de uitdrukkelijke toestemming van de Arbeidsauditeur, en aldus mits schending van het geheim van het vooronderzoek. Het Hof is het met de vernietiging van de bestreden beslissing niet eens. Artikel 5, eerste lid, van de Wet van 16 november 1972, betreffende de arbeidsinspectie, bepaalt dat de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, wanneer zij zulks nodig achten, de inlichtingen die ze bij hun onderzoek hebben ingewonnen meedelen aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre die inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. Artikel 5, derde lid, van dezelfde wet, schrijft tevens voor dat inlichtingen, die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid, slechts worden meegedeeld mits toestemming van deze laatste. Dit kadert ook binnen de bepaling van artikel 125 van het K.B. van 28 december 1950, houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, waardoor geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging mag worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de Procureur-generaal. Sociale inspecteurs zijn derhalve vrij om inlichtingen door te spelen en /of uit te wisselen zolang geen opsporingsonderzoek is aangevat. In casu blijkt uit de stukken dat op 23 januari 2003 proces-verbaal werd opgesteld door controleurs van het werkloosheidsbureau te Mechelen. Afschrift werd op 5 februari 2003 overgemaakt aan het werkloosheidsbureau te Antwerpen én aan C.V.T. In de brief aan C.V.T. werd vermeld: "De originele documenten worden verzonden aan het Arbeidsauditoraat, (...), te MECHELEN." Op welke datum dit gebeurde is niet geweten. Op het ogenblik dat de controleurs het proces-verbaal overmaakten aan de Arbeidsauditeur was er geen gerechtelijke procedure aangevat. Nergens uit blijkt dat de Arbeidsauditeur na ontvangst van het proces-verbaal vervolgingsdaden instelde, dan wel het proces-verbaal seponeerde. Er werd ook geen voorafgaandelijke opdracht gegeven door de Arbeidsauditeur aan de controleurs. Op eigen initiatief deden de controleurs aldus vaststelling van de feiten op 23 januari 2003 en maakten zij het proces-verbaal op. Aangenomen wordt dat er een redelijk vermoeden bestond dat op de werf van werkgever V. inbreuken op de werkloosheidsreglementering werden gepleegd. Ter plaatse bleek op 23 januari 2003 dat het misdrijf zodanig in tijd en ruimte bepaalbaar was dat de controleurs de nodige opsporingsmaatregelen dienden te treffen en gehouden waren proces-verbaal op te maken. C.V.T. kon op verzoek zijn controlekaart niet voorleggen. Hij verklaarde toen als volgt: "Op het ogenblik van het controlebezoek van de arrondissementele cel Mechelen aan het adres Lindenstraat 4 te Lier, ben ik er aan het werk voor mijn werkgever V. J. Deze maand januari 2003 ben ik effectief werkloos geweest. Aan het verzoek van de sociaal controleur Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om mijn controlekaart C3.2A bouw over te leggen, kon ik niet voldoen. Ik heb normaal mijn controlekaart in mijn portefeuille steken, doch ik stel vast dat dit niet het geval is. Ik ben er 100% zeker van dat mijn echtgenote samen met wat geld per vergissing ook mijn controlekaart meegenomen heeft. Als ondervraagde wens ik een kopie van het proces-verbaal van verhoor. Deze wordt mij binnen de maand toegezonden." Dergelijk opsporingsonderzoek valt niet meer onder de proactieve recherche en voorafgaande schriftelijke toestemming van het openbaar ministerie was dus niet vereist. (Cass., 4 juni 2002, conclusie van Advocaat-generaal P. Duinslaeger, www.juridat.be). Zelfs indien er sprake zou zijn van schending van de bepaling van artikel 5, derde lid, van voornoemde wet van 16 november 1972, dan schrijft dit artikel geen sanctie van absolute nietigheid van deze louter administratieve procedure voor. In zijn arrest van 14 oktober 2003 wees het Hof van Cassatie er reeds op dat de omstandigheid, dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen, in de regel enkel tot gevolg heeft dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat gegeven rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen, hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden voorgeschreven wordt op straffe van nietigheid, hetzij wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft in het gedrang gebracht, hetzij wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. (Cass., 14 oktober 2003, R.W., 2003-2004, 814, met conclusie van Advocaat-generaal M. De Swaef; Brewaeys, E., Niet elke onregelmatigheid leidt tot verwerping bewijs, Juristenkrant, 3 december 2003). In casu is het al dan niet onrechtmatig verkregen bewijs zowel betrouwbaar als overtuigend. De feiten staan materieel vast, ze worden toegegeven door C.V.T. en er heeft een tegensprekelijke procesgang plaatsgegrepen. C.V.T. werd door de controleurs gehoord en ontving een kopie van het proces-verbaal. Nadien werd hij in de gelegenheid gesteld om zijn grieven tegen de gedane vaststellingen kenbaar te maken. Hij deed dit per brief van 11 maart 2003, waarin hij zijn op 23 januari 2003 afgelegde verklaring bevestigde. Opmerkelijk daarbij is ook dat C.V.T. zelf nooit voor de Arbeidsrechtbank de nietigheid van de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wegens onrechtmatig verkregen bewijs heeft ingeroepen. Het bewijs hoeft derhalve niet buiten de rechterlijke beoordeling te worden gehouden. (In dezelfde zin: Arbh. Antwerpen, 9 juni 1999, A.R. nr. 980142, niet gepubl.; Arbh. Antwerpen, 15 juni 1998, A.R. nr. 960689, niet gepubl.). Het staat aan de rechter het bewijs vrijelijk te appreciëren. De inbreuk, die op zich niet betwist wordt, is bewezen aan de hand van het proces-verbaal van vaststelling van 23 januari 2003: C.V.T. kon zijn controlekaart niet voorleggen op verzoek en oefende alzo een activiteit uit terwijl hij uitkeringen genoot als tijdelijk werkloze. C.V.T. werd dan ook terecht uitgesloten van 6 januari 2003 tot 23 januari
- De werkloze die in de loop van een dag, gedurende de periode waarin hij elke dag van de maand in het bezit moet zijn van de controlekaart om voor die maand uitkeringen te genieten, zijn controlekaart niet kan voorleggen wanneer dit door een daartoe bevoegd persoon wordt gevorderd, geniet immers in die maand geen uitkeringen. (Cass., 11 maart 2002, R.W., 2002-2003, 1019). Alle andere argumenten zijn ter zake niet meer dienend. Overmacht wordt niet bewezen. Aangezien C.V.T. geen recht heeft op uitkeringen voor de periode van 6 januari 2003 tot 23 januari 2003, dient hij de ten onrechte in die tijdspanne verkregen uitkeringen terug te betalen, zoals gesteld in de bestreden beslissing, en die op het formulier C31 van 11 april 2003 berekend worden op 455,94 EUR. 4.
- de sanctie op grond van artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit Artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit schrijft voor dat de werkloze, die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen, van de uitkeringen uitgesloten kan worden gedurende ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken, doordat hij zich niet gedragen heeft o.m. naar de bepalingen van artikel 71, eerste lid, 5°. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening legde een sanctie op van 4 weken. Het Hof is van mening dat in huidige zaak er doorslaggevende redenen voorhanden zijn om deze sanctie te milderen naar een uitsluiting van 4 weken met geheel uitstel. Deze redenen zijn te vinden in het formulier C
- Hierin stelde de Adjunct-adviseur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vast: "Volgens mij geen bedrieglijk inzicht Werkt sinds 1976 bij dezelfde werkgever Is niet veel tijdelijk werkloos (enkel in winter) Uitleg is aanvaardbaar Heeft nog nooit sanctie gehad." Er kan bovendien op gewezen worden dat C.V.T. geboren werd in 1948 en derhalve kan bogen op een zeer lange en blijkbaar smetteloze loopbaan. Het hoger beroep is deels gegrond. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, op de buitengewone openbare terechtzitting van 29 maart
- Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Doet het vonnis van 30 oktober 2003 (A.R. 357.528) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen teniet, behalve wat de ontvankelijkheid van de vordering en de kosten betreft. Opnieuw recht doende, bevestigt de bestreden beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 11 april 2003, waar deze C.V.T. uitsluit van 6 januari 2003 tot 23 januari 2003 en de onrechtmatig ontvangen uitkeringen voor die periode terugvordert. Zegt tevens voor recht dat de op grond van artikel 154 van het K.B. van 25 november 1991, houdende de werkloosheidsreglementering, bepaalde sanctie van 4 weken effectieve uitsluiting slechts met geheel uitstel wordt opgelegd. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, door C.V.T. begroot op 139,83 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het Hof vereffend op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op vijfentwintig mei tweeduizend en vijf. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050525.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div