← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050526.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050526.3 Rolnummer: 2003-0630 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-01 03:14 Fiche Het begrip arbeidsongeschiktheid in de zin van de werkloosheidsreglementering verwijst naar een economische ongeschiktheid en dient dus bepaald te worden in functie van de vermindering van het verdienvermogen van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe zijn beroepsarbeid behoort of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen uit hoofde van zijn beroepsopleiding. Het advies van de gerechtsdeskundige waarbij de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid uitsluitend gebeurt op basis van het invaliditeitspercentage zoals voorzien in de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van Invaliditeit zonder echter de concrete economische weerslag van de aandoening te onderzoeken beantwoordt niet aan de opdracht tot raming van de arbeidsongeschiktheid in het kader van artikel 47 van het MB. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID berekening van de uitkeringen - bedrag van de werkloosheidsuitkering - beperking stempelcontrole - overgang naar forfaitair bedrag - arbeidsongeschiktheid van minimaal 33% - begrip - economische ongeschiktheid. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 114,§4 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 47 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00931,P.484-485) Tekst van de beslissing Voorbereidend arrest op tegenspraak (Aanstelling geneesheer-deskundige). Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030630 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. V. V., loco mr. J. d. C., advocaat te 2300 Turnhout, tegen: T. T., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. H., advocaat te 2275 Gierle. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 3 december 2003 en 28 april 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis (aanstelling geneesheer-deskundige) van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 8 november 2002 (A.R.V. 25.804); - het deskundig verslag van Dr. P. Raus, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 11 april 2003; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 10 oktober 2003 (A.R.V. 25.804); - het verzoekschrift tot hoger beroep, aangetekend verzonden op 3 november 2003 en ontvangen op de griffie van dit hof op 4 november 2003; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 28 juli 2004; - de conclusies voor appellante, ontvangen op de griffie van dit hof op 10 februari 2005; - de kostennota voor geïntimeerde, neergelegd op de openbare terechtzitting van 28 april
  2. Het arbeidshof heeft kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de bundel van appellante bestaande uit het verslag van Dr. Lamberts van 12 juni 2002, en de bundel van geïntimeerde bestaande uit 6 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 28 april
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, aangetekend verzonden op 3 november 2003 en ontvangen op de griffie van dit hof op 4 november 2003, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 10 oktober 2003 (A.R.V. 25.804). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 13 oktober
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging T. T. diende op 13 mei 2002 bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening twee aanvragen in : - enerzijds een aanvraag om maandelijkse aanmelding op de stempelcontrole in toepassing van artikel 47 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 en afwijking van de overgang naar de forfaitaire uitkering in toepassing van artikel 114 van het koninklijk besluit van 25 november 1991, wegens een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33% (formulier C 47, stuk 1 administratief dossier); - anderzijds een aanvraag om vrijstelling stempelcontrole in toepassing van artikel 50, 4° van het ministerieel besluit van 26 november 1991, wegens een gebrek dat elke verplaatsing bemoeilijkt (formulier C 50, stuk 2 administratief dossier). Na een medisch onderzoek van 31 mei 2002 door de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer, werden bij beslissingen van 7 juni 2002 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout deze aanvragen geweigerd om reden dat betrokkene geen blijvende arbeidsongeschiktheid heeft van minstens 33% en geen gebrek vertoont dat elke verplaatsing bemoeilijkt. Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 18 juni 2002 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 19 juni 2002, tekende T. T. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissingen. Bij tussenvonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 8 november 2002 werd de vordering ontvankelijk verklaard en werd, vooraleer ten gronde te beslissen, Dr. P. Raus als deskundige aangesteld met als opdracht T. T. te onderzoeken teneinde na te gaan of zij een blijvende arbeidsongeschiktheid heeft van minstens 33% en of zij een gebrek heeft dat elke verplaatsing bemoeilijkt. In zijn verslag, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 11 april 2003, komt Dr. P. Raus tot het volgende besluit: "Als antwoord op de eerste vraag kan ik stellen dat de eisende partij een blijvende arbeidsongeschiktheid heeft van 40%. Op de tweede vraag kan ik antwoorden dat dit letsel van patiënte weliswaar verplaatsingen, zeker als chauffeur van een personenvoertuig, beperkt, doch geenszins onmogelijk maakt. Patiënte verklaart bovendien dat zij in overleg met een arbeidsgeneeskundige dienst bereid is aangepast werk te aanvaarden." Bij eindvonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 10 oktober 2003 werd: - de vordering van T. T. deels gegrond verklaard; - de beslissing van de directeur van 7 juni 2002 hervormd; - voor recht gezegd dat T. T. voldoet aan de vereisten van artikel 47 van het ministerieel besluit van 26 november 1991; - T. T. afgewezen van het meergevorderde; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de kosten van het geding, door geen der partijen begroot. Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 3 november 2003 en ontvangen op de griffie van dit hof op 4 november 2003, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen het vonnis gewezen door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 10 oktober
  7. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: x in hoofdorde - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing in toepassing van artikel 47 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 te herstellen; x in ondergeschikte orde - een geneesheer deskundige aan te stellen met als bijkomende opdracht: x vast te stellen of geïntimeerde al dan niet een blijvende arbeidsongeschiktheid heeft van 33% volgens de bepalingen van de werkloosheidsreglementering; x te antwoorden op de vraag of iemand altijd arbeidsongeschikt is na het hebben van een dergelijk cerebro-vasculair accident met gedeeltelijk gezichtsverlies? Zo ja, in welke mate? x te antwoorden op de vraag in welke mate de aandoening invloed heeft op de tewerkstelling van betrokkene; - geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen van de beide instanties, begroot op 104,86 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 139,83 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. T. T. (geïntimeerde) vordert: x in hoofdorde - het beroep ongegrond te verklaren; - het vonnis van de eerste rechter te bevestigen; - appellant te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van geïntimeerde begroot op 139,83 euro rechtsplegingsvergoeding; x in ondergeschikte orde - Dr. P. Raus te belasten met een bijkomende opdracht, met name te bepalen of T. T. een blijvende arbeidsongeschiktheid heeft van minstens 33% volgens de bepalingen van de werkloosheidsreglementering; - in dat geval de kosten aan te houden.
  8. Beroepsgrieven Appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat de deskundige de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van geïntimeerde gebaseerd heeft op de Belgische schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit wat terzake niet dienend is aangezien deze slechts van toepassing is voor het bepalen van de lichamelijke schade; - dat de arbeidsongeschiktheid een economische ongeschiktheid is (en niet een menselijke schade) die dient bepaald te worden in functie van het loon dat betrokkene nog zou kunnen verdienen in de aan haar restmogelijkheden aangepaste beroepen op de arbeidsmarkt; - dat in het deskundig verslag sprake is van een cerebro-vasculair accident met als enig symptoom het verlies van een deel van het gezichtsveld zonder dat wordt aangegeven in welke mate de aandoening invloed heeft op de tewerkstelling van betrokkene; - dat buiten de vermindering van haar gezichtsveld geïntimeerde geen andere ernstige fysieke aandoening blijkt te hebben, met uitzondering van een lichte tremor, zodat haar tewerkstellingskansen daardoor niet afnemen.
  9. Ten gronde Het voorwerp van het geschil in graad van hoger beroep is beperkt tot de vernietiging door de eerste rechter van de beslissing van 7 juni 2002 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout waarbij de aanvraag om maandelijkse aanmelding op de stempelcontrole in toepassing van artikel 47 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 en afwijking van de overgang naar de forfaitaire uitkering in toepassing van artikel 114 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 werd geweigerd. De administratieve beslissing van 7 juni 2002 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout met weigering van de vrijstelling van de gemeentelijke stempelcontrole op basis van medische redenen (artikel 50, 4° van het M.B. van 26 november 1991) werd door de eerste rechter bevestigd; bij gebrek aan een incidenteel hoger beroep door geïntimeerde is deze administratieve beslissing definitief. Geïntimeerde diende op 13 mei 2002 een aanvraag in waarbij de toepassing werd gevraagd van artikel 47 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering en de toepassing van artikel 114 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna afgekort Werkloosheidsbesluit). Artikel 47, ,§1 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering bepaalt dat de werkloze zich slechts éénmaal per maand ter gemeentelijke controle moet aanmelden indien hij een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid heeft van ten minste 33%. Artikel 114, ,§4, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat de overgang naar het forfaitair dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de samenwonende werknemer (na 15 maanden werkloosheid verlengd met drie maanden per jaar beroepsverleden als loontrekkende) niet geldt voor de werknemer die op het einde van deze periode een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid heeft van tenminste 33%. Het begrip "arbeidsongeschiktheid" zoals voorzien in artikel 47 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 en artikel 114 van het Werkloosheidsbesluit is te onderscheiden van het begrip "invaliditeit": - het begrip invaliditeit is een medisch begrip en in zijn ruimste betekenis bestaat invaliditeit in elke aantasting van de fysieke of psychische integriteit die van louter anatomische aard kan zijn maar ook een functionele weerslag kan hebben; een invaliditeit met functionele weerslag houdt in dat de betrokkene beperkingen ondervindt bij het verrichten van activiteiten; - het begrip arbeidsongeschiktheid in de zin van de werkloosheidsreglementering verwijst naar een economische ongeschiktheid en dient dus bepaald te worden in functie van de vermindering van het verdienvermogen van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe zijn beroepsarbeid behoort of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen uit hoofde van zijn beroepsopleiding. Volgens de bevindingen van de gerechtsdeskundige vertoont geïntimeerde "een status na doorgemaakt ischemisch insult met uitval van de rechter gezichtsveldhelft van beide ogen (rechter homonieme hemianopsie) die echter in het bovenste kwadrant onvolledig is". Op basis van de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van Invaliditeit (O.B.S.I.) bepaalt de deskundige het invaliditeitspercentage op 40% en besluit tot een blijvende arbeidsongeschiktheid van 40%. Samen met appellant stelt het hof vast dat de deskundige zijn besluit uitsluitend gesteund heeft op het invaliditeitspercentage zoals opgegeven in de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van Invaliditeit zonder echter de concrete economische weerslag van de aandoening te onderzoeken. Aangezien in het deskundig verslag enkel een omschrijving wordt gegeven van het letsel (met bepaling van een invaliditeitspercentage) maar geen advies wordt geformuleerd met betrekking tot de gevolgen hiervan op de tewerkstellingskansen van geïntimeerde op de voor haar in aanmerking te nemen arbeidsmarkt, komt het gepast voor een nieuwe deskundig onderzoek te bevelen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 28 april
  10. Geïntimeerde werd gehoord in haar opmerkingen over het advies. Appellant verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Alvorens ten gronde te oordelen, beveelt een deskundig onderzoek en stelt daartoe aan: Dr. R. GUNZBURG, wonend te 2600 Berchem, Niellonstraat 14, met opdracht: "Na het hof en de partijen te hebben ingelicht van de plaats, dag en uur dat hij, of de door hem geraadpleegde specialist, zijn werkzaamheden zal aanvangen, na kennis genomen te hebben van de door partijen voor te brengen medische documenten, attesten en verslagen, ondermeer het verslag van Dr. P. Raus d.d. 9 april 2003, en na, zo nodig, gespecialiseerde adviezen te hebben ingewonnen : "Te onderzoeken of T. T. op 13 mei 2002 al dan niet een blijvende arbeidsongeschiktheid vertoont van ten minste 33% in de zin van de werkloosheidsreglementering" Alle dienstige vragen van de partijen te beantwoorden, na afloop van die verrichtingen aan de partijen kennis te geven van zijn bevindingen en in zijn verslag de opmerkingen van de partijen, die zij hem binnen de vier weken mochten doen toekomen, op te tekenen en te beantwoorden. Zijn definitief schriftelijk gemotiveerd verslag op te stellen, waarvan de ondertekening zal worden voorafgegaan door de volgende eedformule: "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb". Dit verslag neer te leggen ter griffie van dit hof binnen de drie maanden nadat hij, op verzoek van de meest gerede partij, door de griffie van zijn opdracht in kennis zal gesteld zijn en zijn opdracht hebben aanvaard. Dit alles met inachtneming van artikel 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Vestigt er de aandacht van de benoemde medische deskundige op dat door het koninklijk besluit van 14 november 2003 een tarief werd vastgesteld van de erelonen en kosten voor de deskundigen aangewezen door de arbeidsgerechten in het kader van medische deskundige onderzoeken inzake de geschillen betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, de gezinsbijslag voor werknemers en zelfstandigen, de werkloosheidsverzekering en de regeling voor verplichte verzekering Voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (B.S., 28 november 2003, derde uitgave). Houdt de uitspraak over de kosten aan. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zesentwintig mei tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050526.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.