id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050527.3 Rolnummer: 2000-0730 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-20 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-07-01 03:14 Fiches 1 - 3 Het komt aan de R.S.Z. toe het positieve bewijs te leveren dat er niet werd voldaan aan het vereiste van openbaarmaking, zoals bepaald in artikel 157 van de Programmawet van 22 december
- Om het vermoeden te weerleggen dat, bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, de deeltijdse werknemers worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, volstaat het te bewjzen dat de deeltijdse werknemer geen arbeid heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN maatschappelijke zekerheid der arbeiders - inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling - openbaarmaking van de werkroosters. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 11bis - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet - 22-12-1989 - 157 - 31 ELI link Pub nr 1989021231 Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSREGLEMENT bekendmaking van het arbeidsreglement - maatschappelijke zekerheid der arbeiders - inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling - openbaarmaking van de werkroosters. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1965040816 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling - openbaarmaking van de werkroosters. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 11bis, onder III G - artikel 15 en onder VII A - artikel 22 ter. Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak verzending arbeidsrechtbank Antwerpen Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2000730 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, appellant, voor wie verschijnt: mr. J. ANTHONIS loco mr. Ph. CARSAU, advocaat te 2018 ANTWERPEN, tegen : B.V.B.A. L.J., met zetel gevestigd te XXX, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. XXX, advocaat te XXX. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 4 oktober 2000, van 17 juni 2004, van 21 januari 2005 en van 22 april
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 14 februari 2000 (A.R. 305.523 en A.R. 307.222), op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 september 2000 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 7 september 2000; x de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 mei 2004; x de conclusies voor appellant, ontvangen ter griffie van het Hof op 12 augustus 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 september 2004; x de opmerkingen van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 24 september 2004; x de beschikking van de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, in toepassing van artikel 750, ,§2 van het Ger.W. van 12 oktober 2004; x de syntheseconclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 28 november 2004; x de aanvullende conclusies voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 februari
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 22 april
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 22 april
- De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat. Op 9 januari 1997 hield Roger Janssens, Adjunct-inspecteur van het toenmalige Ministerie van Sociale Voorzorg, een inspectie in de uitbatingzetel van de zaak L.J. te Mortsel naar de toepassing van de wetten en besluiten betreffende het bijhouden van de sociale documenten en de wetgeving inzake deeltijdse arbeid. Jeannine Vanhavere en Maria Wouters waren op het ogenblik van de controle aanwezig in de winkel en hielden zich bezig met magazijnwerk en met de verkoop van lederwaren. Die dag legden zij aan de inspecteur een verklaring af. x Jeannine Vanhavere verklaarde deeltijds te werken sinds +/- 23 jaar a rato van 19,5 uur per week aan een nettoloon van +/- 17.000 ex BEF per maand. Zij verklaarde verder dat zij geen personeelsregister en geen deeltijds contract kon voorleggen; x Maria Wouters verklaarde als bediende-verkoopster in de zaak te werken sinds 1 juni 1990 en dit gedurende 14 uur per week. Zij kon niet zeggen hoeveel zij verdiende omdat zij nog geen loonfiche had gekregen. Wel kon zij een uurregeling voorleggen, maar verklaarde ook dat zij geen personeelsregister noch individueel document of deeltijds contract kon voorleggen, dit laatste omdat zij geen deeltijds contract had getekend. Op 24 december 1998 zal Maria Wouters een verklaring ondertekenen met daarin o.a. de volgende inhoud: "Mevrouw Maria Wouters, ..., neemt kennis van het opgesteld PV door sociaal inspecteur L. Janssens dd. 9 januari
- Alsdan werd door deze laatste geacteerd "Ik heb geen deeltijds contract getekend". Deze verklaring is onjuist. Ik bedoelde: "Ik heb geen exemplaar voorhanden van het ondertekend deeltijds contract". De hierbij gevoegde arbeidsovereenkomst bedienden voor onbepaalde tijd met een beding van proeftijd dd. 1 juni 1990 werd daadwerkelijk door mij ondertekend op 1 juni
- ..." Omdat de nodige documentatie hem niet kon worden voorgelegd, kon er in de gegeven omstandigheden geen toezicht worden uitgeoefend op de omvang van de arbeidsprestaties, aldus de inspecteur. Daarom verklaarde hij Anita Vets, de zaakvoerder, in overtreding met de artikelen 4, 5 en 12 van het Koninklijk Besluit nr. 5 van 8 augustus 1980 en met de artikelen 157 tot 159 van de Programmawet van 22 december
- Op 6 augustus 1997 gaf het Arbeidsauditoraat in Antwerpen toelating om het proces-verbaal over te maken aan de R.S.Z. Daarop bracht Adjunct-inspecteur F. Nijsen van de Sociale Inspectie op 18 november 1997 een bezoek niet aan de winkel maar aan de maatschappelijke zetel van de B.V.B.A. L.J. en hij verhoorde er Marcel Simons, de echtgenoot van Anita Vets. Deze vermeldde dat er een gans dossier werd opgestuurd met daarin de stukken die ontbraken bij de controle van 9 januari
- De B.V.B.A. L.J. legt effectief een aangetekende brief neer van 12 november 1997 (haar stuk 12b), uitgaande van haar raadsman met daarin de volgende passages: "Normaliter kan op de bedrijfszetel te Mortsel, Statielei 42-44, telkenmale het personeelsregister, de uurregeling, het arbeidsreglement en de diverse arbeidsovereenkomsten ingezien worden. Medio december 1996 werd echter besloten om de uurregeling van de deeltijdse werkneemsters aan te passen, onder andere overeenkomstig hun eigen verzoek, en had de zaakvoerster het ganse dossier met haar meegenomen naar de maatschappelijke zetel voor het opstellen van een nieuwe uurregeling." Op 10 juli 1998 lieten de diensten van de R.S.Z. aan de B.V.B.A. L.J. weten dat er werd overgegaan tot loonregularisaties voor Jeannine Vanhavere en Maria Wouters vanaf het tweede kwartaal 1993 tot en met het eerste kwartaal 1997 en dit in toepassing van artikel 22 van de R.S.Z.-wet. Omdat geen deeltijdse arbeidsovereenkomsten konden worden voorgelegd, moest de tewerkstelling van beide werknemers als voltijds worden beschouwd. De B.V.B.A. L.J. was niet bereid de R.S.Z. te volgen in deze regularisaties. De R.S.Z. ging in twee stappen tot dagvaarding over: x een eerste dagvaarding van 22 juli 1998 voor een bedrag van 130.580 ex BEF m.b.t. het tweede kwartaal 1993 x een tweede dagvaarding van 14 oktober 1998 voor een bedrag van 1.722.506 ex BEF m.b.t. het derde en vierde kwartaal 1993, 1994, 1995, 1996 en het eerste kwartaal
- Het bestreden vonnis. De eerste rechter, bij tussenvonnis van 14 februari 2000, voegde beide vorderingen samen, verklaarde de vorderingen ontvankelijk, doch alvorens verder recht te doen, machtigde de B.V.B.A. L.J. om met getuigen te bewijzen dat de beide werkneemsters op 9 januari 1997 deeltijds werkten. De eerste rechter nam hierbij aan dat de R.S.Z. geen bewijs bijbracht dat de B.V.B.A. L.J. had nagelaten de werkroosters openbaar te maken gedurende de volledig gevorderde periode, zodat de R.S.Z. zich enkel op het vermoeden van voltijdse tewerkstelling kon beroepen voor de dag van 9 januari
- Het getuigenverhoor werd gehouden op 24 mei
- Eisen in hoger beroep. Op 6 september 2000 tekende de R.S.Z. plots hoger beroep aan tegen het vonnis van 14 februari
- Hij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en het vonnis a quo teniet te doen bij zoverre de R.S.Z. werd veroordeeld tot een herberekening en bij zoverre de B.V.B.A. L.J. de toelating kreeg het tegenbewijs te leveren dat de betrokken werknemers deeltijds waren tewerkgesteld. Opnieuw recht doende hem het voordeel toe te kennen van de oorspronkelijke dagvaardingen. Grieven: x de R.S.Z. is niet akkoord dat enkel de dag van de vaststelling in aanmerking wordt genomen tot herberekening; x de R.S.Z. is van oordeel dat het tegenbewijs door de B.V.B.A. L.J. niet werd geleverd. De B.V.B.A. L.J. vraagt: x het hoger beroep als manifest ongegrond af te wijzen; x voor zover als nodig, naar recht vast te stellen dat zij hoe dan ook met getuigen heeft kunnen aantonen dat de tewerkstelling van Jeannine Vanhavere en Maria Wouters deeltijds geschiedde, zoals vermeld in hun respectievelijk oorspronkelijke arbeidsovereenkomsten, rekening houdende met de aanpassing van het uurrooster bij addendum van 1 januari
- Desgevallend een aanvullend getuigenverhoor van Anna Meysmans te bevelen evenals een boekhoudkundige controle ter bevestiging van de deeltijdse arbeid bij de B.V.B.A. L.J. In ondergeschikte orde, hoogstens rekening te houden met een voltijdse tewerkstelling van twee werkneemsters op 9 januari 1997 en dus de veroordeling van de R.S.Z. om tot herberekening over te gaan enkel en alleen voor 9 januari 1997 te bevestigen. In meer ondergeschikte orde, in elk geval, de eventueel verschuldigde verwijlintresten en gerechtelijke intresten te beperken tot een maximale periode van vijf jaren, gelet op het kennelijk dralen van de R.S.Z. bij het behandelen van deze zaak. In Rechte. Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over het uitgangspunt dat hun geschil enkel dient te worden beoordeeld vanuit de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.- wet (Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Dit artikel 22 ter, ingevoegd bij de Wet van 22 december 1989, art. 181, 005 en in werking getreden op 9 januari1990, bepaalt: Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de Programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Het eerste wat moet bewezen zijn, is de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters'. Welke openbaarmaking? Deze die werd bepaald in de artikelen 157 tot 159 van de Programmawet van 22 december
- Artikel 157 bepaalt: Een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer, schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Artikel 15 van de Wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen laat er geen twijfel over bestaan dat 'de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden' de werkplaats is waar de werknemers zijn tewerkgesteld. In casu is dat de winkel aan de Statielei 42-44 in Mortsel. Uit het proces-verbaal van 16 januari 1997, opgemaakt naar aanleiding van de controle op 9 januari 1997, komt vast te staan dat een afschrift van de deeltijdse arbeidsovereenkomsten, afgesloten tussen de B.V.B.A. L.J. en respectievelijk Jeannine Vanhavere en Maria Wouters, niet voorhanden was in de winkel aan de Statielei in Mortsel op het ogenblik dat de controle plaatsvond. Anderzijds blijkt uit het procedureverloop en de stukken die worden neergelegd dat dergelijke arbeidsovereenkomsten wel degelijk schriftelijk werden vastgesteld overeenkomstig artikel 11 bis WAO (stukken 1 en 2 van de B.V.B.A. L.J.). Verder houdt de B.V.B.A. L.J. al vanaf november 1997 vol dat een afschrift van deze arbeidsovereenkomsten normaal en altijd werden en worden bewaard in de winkel in Mortsel. Net op het moment van de controle op 9 januari 1997 waren ze daar niet aan te treffen omdat ze door de zaakvoerder mee naar huis waren genomen voor aanpassing, gelet op de kersverse wijzigingen in het uurrooster. Er is in het dossier geen reden terug te vinden om deze stellingname als leugenachtig van de hand te wijzen. In die omstandigheden komt het aan de R.S.Z. toe het positieve bewijs te leveren dat deze uitleg niet strookt met de waarheid, dat de arbeidsovereenkomsten niet in de winkel in Mortsel werden bewaard of op welke precieze tijdstippen niet aan het vereiste van openbaarmaking in de zin van artikel 157 van de Programmawet van 22 december 1989 was voldaan. Dit bewijs levert de R.S.Z. niet. Bij gebreke aan een dergelijk bewijs kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat aan het voornoemde vereiste van openbaarmaking niet werd voldaan, buiten de datum van controle van 9 januari
- Dat het hier gaat om het vereiste, besloten in artikel 157 en niet in artikel 159 van de Programmawet van 22 december 1989, volgt uit de voorgelegde arbeidsovereenkomsten zelf. Het betreft aldus een tewerkstelling met vaste uurroosters en niet met variabele uurroosters. Ook hier blijft de R.S.Z. in gebreke het bewijs te leveren dat het om een variabele tewerkstelling ging. De conclusie is dan ook dat een inbreuk op artikel 157 van bedoelde Programmawet (het enige artikel dat hier aan de orde is) slechts vaststaat voor de dag van 7 januari 1997 omdat op die dag het afschrift van de arbeidsovereenkomsten niet aan de inspecteur kon worden voorgelegd. Voor die dag geldt dan ook de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet met betrekking tot de twee werknemers waarop de vordering van de R.S.Z. slaat. x x x Verder zijn partijen het er uiteindelijk over eens dat het vermoeden van voltijdse tewerkstelling, dat dit artikel 22 ter in het leven roept, weerlegbaar is. Om dit vermoeden te weerleggen, volstaat het te bewijzen dat de deeltijdse werknemer geen arbeid heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. (zie Cass., 3 februari 2003, A.R. nr. S.02.0081.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12 te consulteren via www.just.fgov.be > welkom > Rechtsbronnen - rechtspraak > invoeren: jurisdictie en datum > aanklikken: lijst > nr. RCO 3234_1). De R.S.Z. blijft ten onrechte volhouden dat de B.V.B.A. L.J. het bewijs moet leveren dat beide werkneemsters in de materiële onmogelijkheid verkeerden om voltijdse prestaties voor haar te leveren. Van zodra de B.V.B.A. L.J. het bewijs levert dat de tewerkstelling van beide werkneemsters bij haar deeltijds was, is het vermoeden van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet weerlegd. Het bewijs moet worden aangebracht door de werkgever, in casu geïntimeerde. De eerste rechter liet de B.V.B.A. L.J. dan ook volkomen terecht toe om met getuigen het bewijs te leveren van de deeltijdse tewerkstelling van beide betrokken werkneemsters. Door het enigszins onverwacht hoger beroep van de R.S.Z., staande het getuigenverhoor, waren de partijen niet in de gelegenheid de zaak opnieuw in staat te stellen voor de eerste rechter op basis van het getuigenverhoor. Daarom verwijst het Hof de zaak voor verdere behandeling terug naar de eerste rechter. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 22 april 2005, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 14 februari 2000 en de daarin bevolen onderzoeksmaatregel en verwijst de zaak voor verder behandeling naar deze rechtbank. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de B.V.B.A. L.J. op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer en voorzitter van de kamer, de heer L. DE WINTER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. VAN DEN EYNDE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050527.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.