id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050527.4 Rolnummer: 2003-0527 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 03:14 Fiches 1 - 2 De werkgever heeft de hoedanigheid en ook het belang om onverschuldigd betaalde bijdragen, met inbegrip van de werknemersbijdragen, terug te vorderen. In de sociale zekerheidsregeling voor werknemers rusten immers alle bijdrageverplichtingen op de werkgever. Het is evident dat hij alleen alle bijdragen, zowel die van de werkgever als die van de werknemer, die onverschuldigd betaald werden kan terugvorderen. Slechts wanneer het onverschuldigd karakter van de gedane betalingen definitief vaststaat en de schuldenaar van de terugbetaling wetens en willens weigert zorg te dragen voor terugbetaling is er sprake van kwade trouw zoals bedoeld in artikel 1378 B.W. Nu het onverschuldigd karakter van de betaalde sociale zekerheidsbijdragen niet definitief vaststond kan geen kwade trouw in hoofde van de R.S.Z. weerhouden worden. De dagvaarding waarin slechts in ondergeschikte orde de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bijdragen gevorderd wordt, terwijl in hoofdorde het standpunt wordt verdedigd dat de betrokken persoon wel degelijk een werknemer was, geldt als ingebrekestelling betreffende deze bijdragen. Verwijzingen naar de rechtspraak Cass. 7 april 2003, J.T.T. 2003, p. 230 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK bijdrageregeling - terugvordering onverschuldigd betaalde bijdragen - werkgever - hoedanigheid en belang - intrest - trouw - ingebrekestelling - dagvaarding - vordering in ondergeschikte orde. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1378 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID toepassingsgebied - personen - bijdrageregeling - terugvordering onverschuldigd betaalde bijdragen - werkgever - hoedanigheid en belang - intrest - trouw - ingebrekestelling - dagvaarding - vordering in ondergeschikte orde. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1378 en onder VII A - artikel 1. Annotaties Publicaties: RECHTSKUNDIG WEEKBLAD - - 2005
(06)(00038,P.1506-1507) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00005,P.298-300) Tekst van de beslissing Rep. Nr. Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2030527 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: VVV, met zetel gevestigd te XXX, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer 335.356, appellante, voor wie verschijnt: mr. I. GLEISSNER loco mr. J. ROBBROECKX, advocaat te 2610 ANTWERPEN-WILRIJK, tegen : RSZ, met zetel gevestigd te XXX, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. I. VAN DEN BOSSCHE loco mr. D. DE GREEF, advocaat te 1731 ZELLIK (ASSE). Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 28 mei 2004, van 24 september 2004, van 21 januari 2005 en van 22 april 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het tussenarrest van deze kamer van 28 mei 2004 waarbij de heropening van de debatten werd bevolen; x de conclusies voor appellante, neergelegd op de griffie van dit Hof op 20 september 2004: x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit Hof op 4 januari 2005; x de syntheseconclusies voor appellante, ontvangen op de griffie van dit Hof op 18 februari 2005; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit Hof op 13 april
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 22 april
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 22 april
- Wat voorafgaat. Bij tussenarrest van deze kamer van 28 mei 2004 werd het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Het vonnis a quo werd vernietigd en er werd geoordeeld dat de RSZ A.V.D.B. ten onrechte schrapte uit het stelsel der sociale zekerheid van de werknemers vanaf het eerste kwartaal
- Het Hof beval de RSZ over te gaan tot regularisatie en tot aanvaarding van A.V.D.B. in het stelsel der sociale zekerheid van de werknemers vanaf het eerste kwartaal van
- Alvorens te oordelen over de terugbetaling van de bedragen die door appellante onverschuldigd werden betaald over de periode vierde kwartaal 1999 t.e.m. het vierde kwartaal 2002 en over de intresten, werden de debatten heropend. Bij (synthese)conclusies neergelegd ter griffie van dit Hof op 18 februari 2005 vordert appellante de RSZ te veroordelen tot terugbetaling van de patronale én de persoonlijke bijdragen die aan de RSZ werden betaald op het loon van A.V.D.B., uitbetaald door de VVV, met ingang van het vierde kwartaal 1999 tot en met het vierde kwartaal 2002 en begroot op 46.472,20 EUR te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 30 augustus 2001, minstens vanaf 6 november 2001 tot aan de dagvaarding en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot aan de terugbetaling. In zijn laatste conclusies van 13 april 2005 vraagt de RSZ hem akte te verlenen dat hij zich naar de wijsheid van het Hof gedraagt wat betreft de terugbetaling van het bedrag van 46.427,2 euro, te vermeerderen met de intresten vanaf 28 mei
- Verdere beoordeling. Op de terechtzitting van 21 januari 2005 wierp het Openbaar Ministerie ambtshalve het middel op dat de VVV geen hoedanigheid heeft om de persoonlijke bijdragen, die voor de werknemer werden betaald terug te vorderen van de RSZ. De VVV antwoordt hierop dat zij in haar hoedanigheid van werkgever de enige schuldenaar is van de RSZ en dat zij zowel de werkgeversbijdragen als de werknemersbijdragen van de RSZ kan terugvorderen indien de RSZ het werknemerstatuut verwerpt voor een bepaalde werknemer. De RSZ gedraagt zich wat deze kwestie betreft naar de wijsheid van het Hof. Dit betekent dat de RSZ geen argumenten ten gronde wenst aan te voeren over dit twistpunt. Het Hof sluit zich aan bij de argumentatie, die de VVV desbetreffend ontwikkelt onder punt A op blz. 2,3 en 4 van haar syntheseconclusies van 18 februari
- Er bestaat tussen partijen geen betwisting over het gegeven dat, wanneer de werkgever betalingen uitvoert aan de RSZ voor een werknemer, van wie nadien komt vast te staan dat hij met deze werkgever niet was verbonden door een arbeidsovereenkomst, deze betalingen onverschuldigde betalingen zijn, die door de RSZ moeten worden terugbetaald. Zowel de bedragen die de werkgever betaalde als werkgeversbijdragen als de bedragen die hij betaalde als werknemersbijdragen moeten enkel aan de werkgever worden terugbetaald. In de sociale zekerheidsregeling voor werknemers rusten alle bijdrageverplichtingen op de werkgever. Het is evident dat hij en hij alleen kan overgaan tot terugvordering van alle bijdragen, zowel die van de werkgever als die van de werknemer. Hij was het immers die zich ten onrechte beschouwde als schuldenaar van die bijdragen. De werknemer die achteraf een zelfstandige blijkt te zijn geweest, beschikt niet over een rechtstreeks recht om de werknemersbijdragen van de RSZ terug te vorderen (W. Van Eeckhoutte, Gevolgen van een verkeerde kwalificatie op het vlak van sociale zekerheidsbijdragen en - prestaties, T.S.R., 2000, 31) (Ter bevestiging: Cass., 7 april 2003, J.T.T., 2003, 230). De VVV vordert dus terecht alle bedragen terug die zij voor A.V.D.B. betaalde in de periode vierde kwartaal 1999 tot en met vierde kwartaal
- Er bestaat tussen partijen geen betwisting over dat in hoofdsom aldus een bedrag van 46.472,20 euro moet worden terugbetaald door de RSZ aan de VVV Blijft de vraag of op dit bedrag intresten verschuldigd zijn, welke intresten en vanaf welk tijdstip deze intresten moeten worden betaald. In eerste instantie verwijst de VVV naar artikel 1378 B.W. dat bepaalt dat diegene die een niet-verschuldigde betaling ontving en te kwader trouw is het kapitaal én de intrest moet teruggeven zonder ingebrekestelling. Volgens de VVV is er sprake van kwade trouw indien diegene die de onverschuldigde betaling ontving wist dat deze betaling niet verschuldigd was. Het Hof is van oordeel dat er pas sprake is van kwade trouw wanneer het onverschuldigde karakter van de gedane betaling(en) definitief vaststaat en de schuldenaar van de terugbetaling wetens en willens weigert tot deze terugbetaling over te gaan. Welnu op 12 oktober 2001 komt Diederik Ryckx, verantwoordelijke bij de RSZ, tot de beslissing dat A.V.D.B. moet geschrapt worden sedert zijn indiensttreding op 25 oktober 1999 (zie administratief dossier). Op 6 november 2001 wordt deze beslissing betekend aan de VVV De beslissing wordt aangevochten door De Confederatie Bouw Antwerpen op 20 november
- De RSZ laat op 20 december 2001 aan de VVV weten dat hij zijn standpunt behoudt. De VVV gaat op 18 januari 2002 over tot dagvaarding van de RSZ om de genomen beslissing te laten vernietigen. Vanaf het ogenblik dat de verantwoordelijke bij de RSZ de beslissing nam om A.V.D.B. te schrappen tot de dagvaarding en per definitie na de dagvaarding blijkt uit de gevoerde briefwisseling en uit de conclusies dat de VVV van in den beginne de beslissing van de RSZ tot schrapping heeft betwist. Van in den beginne stond dan ook de mogelijkheid open dat de beslissing van de RSZ zou hervormd worden. Bij hervorming zouden de gedane betalingen hun onverschuldigd karakter verliezen. Nu de mogelijkheid van hervorming in de lucht hing, kon het onverschuldigd karakter van de betalingen niet als definitief beschouwd worden zolang deze mogelijkheid voortbestond. De RSZ kan er niet van beschuldigd worden wetens en willens terugbetaling te weigeren van bedragen, waarvan het onverschuldigd karakter definitief vaststond, nu uit de feiten blijkt dat het onverschuldigd karakter precies niet vaststond. Terzake is er dan ook geen sprake van kwade trouw bij de RSZ zodat de toepassingsvoorwaarde van artikel 1378 B.W. niet is vervuld. Indien geen kwade trouw aanwezig is, zijn de intresten slechts verschuldigd vanaf de ingebrekestelling. De VVV oppert dat minstens de dagvaarding van 18 januari 2002 deze ingebrekestelling bevat. Het klopt dat de VVV, weliswaar in ondergeschikte orde, de terugbetaling vordert van de reeds gedane betalingen. De RSZ is van oordeel dat, precies omdat de VVV de terugbetaling slechts in ondergeschikte orde vordert, er geen sprake kan zijn van een duidelijke en dwingende aanspraak op terugbetaling. Het duidelijke en dwingende karakter van de aanspraak moet volgens de RSZ vaststaan opdat er sprake kan zijn van een ingebrekestelling. Het Hof is het met de RSZ niet eens. De VVV kan bij het formuleren van zijn vordering tot terugbetaling niet verder gaan dan het niveau 'ondergeschikte orde'. In hoofdorde blijft de VVV immers de beslissing van de RSZ tot schrapping van A.V.D.B. aanvechten. Om consequent te blijven met deze hoofdvordering kan de VVV niet tegelijkertijd de gedane betalingen terugvorderen en bleef ze inderdaad best bijdragen betalen. Het is maar in de hypothese dat de beslissing van de RSZ zou gehandhaafd blijven dat er terugbetaling werd gevorderd. Maar binnen de optiek van deze hypothese was de vraag tot terugvordering een volwaardige ingebrekestelling. Nu de hypothese zich realiseert voor de periode vierde kwartaal 1999 - vierde kwartaal 2002, krijgt de ingebrekestelling die in de dagvaarding van 18 januari 2002 werd geformuleerd, volle uitwerking. Zij doet dan ook de intresten lopen. Nog is de RSZ het met deze zienswijze niet eens omdat de ingebrekestelling in de dagvaarding van 18 januari 2002 als het ware geneutraliseerd werd, zo meent hij, door de fax van 20 maart 2002 (het eerste stuk 12 van de RSZ), die uitging van het sociale secretariaat van de VVV Daarin werd gevraagd om een bepaalde som op een wachtrekening te zetten. Niettegenstaande het niet duidelijk is welke som er precies wordt bedoeld in deze fax en niettegenstaande evenmin duidelijk is wat binnen de diensten van de RSZ het juiste statuut is van een dergelijke wachtrekening, heeft de RSZ nooit aan de VVV duidelijk gemaakt dat het plaatsen van tegoeden op een dergelijke wachtrekening onherroepelijk zou meebrengen dat de VVV hierdoor haar recht op intresten zou verliezen. De RSZ, ook na het uitbrengen van de dagvaarding, had zich moeten realiseren dat zijn beslissing over de schrapping van A.V.D.B. kon gehandhaafd blijven zodat de gedane betalingen onverschuldigd waren en terugbetaald moesten worden. Hij had zich tegelijkertijd moeten realiseren dat zolang hij de gelden bij zich hield de kans bestond dat dit bijhouden aanleiding zou geven tot een vordering tot betaling van intresten. Indien de RSZ van oordeel was dat het plaatsen van deze gelden op een wachtrekening met zich meebracht dat er daarom geen intresten verschuldigd zouden zijn dan behoorde het als een voorzichtige en nauwgezette overheidsinstelling om de VVV van dit gevolg op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze in te lichten. De RSZ levert in casu niet het bewijs dat de VVV van dit gevolg op de hoogte was of diende te zijn. Nu de RSZ de VVV niet inlichtte over het gevolg dat hij verbond aan het plaatsen van gelden op een wachtrekening, blijft het principe gelden dat er intresten op onverschuldigde betalingen verschuldigd zijn vanaf de ingebrekestelling, in casu de dagvaarding. Het spreekt vanzelf dat deze intresten slechts verschuldigd zijn op de bedragen die onverschuldigd waren betaald op het ogenblik van de dagvaarding. Alle bedragen die werden betaald na het uitbrengen van de dagvaarding op 18 januari 2002 en die onverschuldigd zijn ingevolge het tussenarrest van 28 mei 2004, leveren maar intrest op vanaf de datum van hun betaling. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 22 april
- Beide partijen werden gehoord in hun opmerkingen i.v.m. het advies. Recht doende op tegenspraak. Het tussenarrest van 28 mei 2004 verder uitwerkende, veroordeelt de RSZ om aan de VVV terug te betalen het bedrag van ZESENVEERTIGDUIZEND VIERHONDERD TWEEENENZEVENTIG euro en TWINTIG eurocent (46.472,20 euro), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op de verschillende door de VVV gedane betalingen vanaf de dagvaarding of vanaf de dag van hun betaling al naargelang deze betalingen zich situeren vóór of na 18 januari 2002, betalingen die de VVV deed ten titel van RSZ-bijdragen en eventueel bijdrageopslagen en intresten over het vierde kwartaal 1999 tot en met het vierde kwartaal 2002 met betrekking tot de tewerkstelling van A.V.D.B.. Wijst de VVV af van wat ze meer vordert. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de RSZ. Vereffent de kosten aan de zijde van - de RSZ op 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep - de VVV op 123,58 euro dagvaarding, 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 55,77 euro uitgavenvergoeding en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zevenentwintig mei tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer L. DE WINTER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. VAN DEN EYNDE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050527.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div