← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050608.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050608.1 Rolnummer: 2002-0271 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-15 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-07-03 09:20 Fiches 1 - 2 Wanneer in geval van deeltijdse arbeid niet voldaan is aan de publiciteitsvoorschriften voorzien in de Programmawet dient de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich te beroepen op het weerlegbaar vermoeden van voltijdse tewerkstelling zoals voorzien in artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet. Het tegendeel van het in artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet voorziene vermoeden van voltijdse arbeid moet door de werkgever geleverd worden en bestaat erin te bewijzen dat de deeltijdse werknemers geen voltijdse arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De werkgever moet daarbij niet de omvang van de werkelijk verrichte prestaties in het kader van een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid bewijzen. Officiële sociale documenten, welke opgesteld werden door de werkgever zelf of door diens sociaal secretariaat, alsook verklaringen van de werkgever en de betrokken deeltijdse werknemers afgelegd tijdens het onderzoek door de inspectiediensten zijn onvoldoende bewijskrachtig in het kader van het door de werkgever te leveren tegenbewijs. Voor zover het bewijs door getuigen niet verboden is door het materiële bewijsrecht, impliceert het recht op verdediging het principiële recht om het bewijs door getuigen te leveren. Daarbij moet de rechter wel beoordelen of een getuigenverhoor dienstig kan worden geleverd en of de feiten bepaald, ter zake dienend (pertinent), vatbaar zijn voor tegenbewijs en een afdoend karakter hebben. De principiële mogelijkheid om toegelaten te worden tot het bewijs door getuigen sluit evenwel niet uit dat het Hof nadien op een gepaste tegensprekelijke wijze een oordeel zal vellen over de bewijswaarde van de getuigenverklaringen. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS toepassingsgebied - personen - bijdrageregeling - deeltijdse arbeid - werkroosters - vermoeden van voltijdse tewerkstelling - artikel 22 ter R.S.Z.-wet - weerlegbaar - tegenbewijs - officiële sociale documenten - verklaringen tijdens onderzoek - bewijswaarde - aanbod getuigenbewijs - opportuniteit beoordeling door de rechtbank of het hof. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS inning en invordering van de bijdragen - bijdrageregeling - deeltijdse arbeid - werkroosters - vermoeden van voltijdse tewerkstelling - artikel 22 ter R.S.Z.-wet - weerlegbaar - tegenbewijs - officiële sociale documenten - verklaringen tijdens onderzoek - bewijswaarde - aanbod getuigenbewijs - opportuniteit beoordeling door de rechtbank of het hof. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder VII A - artikel 1 en onder VII A - artikel 22ter. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2020271 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: K. BVBA, met maatschappelijke zetel gevestigd te, appellante, verschijnend bij mevr. Th. W, zaakvoerster en bijgestaan door mr. K. DEFERM loco mr. J. DRIESSEN, advocaat te As, tegen : DE RSZ, met zetel gevestigd te, geïntimeerde, verschijnend bij mr. I. THEUNIS loco mr. E. MONARD, advocaat te Hasselt. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden tussenvonnis op 3 mei 2000 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Hasselt, gekend onder A.R. nr. 982203, waartegen tijdig en geldig naar vorm hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 13 augustus 2002 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en de stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 9 maart 2004 van deze kamer. PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN De vordering van geïntimeerde strekt ertoe appellante te horen veroordelen tot de betaling van de som van 3.395.838 BEF ten titel van sociale zekerheidsbijdragen, -opslagen en interesten voor de periode vanaf het 2de kwartaal van 1993 t/m het 2de kwartaal van 1996, evenals de jaarlijkse vakantiebijdragen (94/1 - 95/1 - 96/1 - 97/1), meer de wettelijke interesten op 2.567.716 BEF vanaf 15 april 1998 tot de dag der laatste betaling en de gedingkosten. Bij tussenvonnis van 3 mei 2000 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en reeds deels gegrond. Zegde voor recht dat: - de vordering van de RSZ gegrond is in zoverre ze slaat op SZ-regularisatiebijdagen en aanhorigheden die gevorderd werden op basis van de door G O, R W, P V, M L en A J vermoede voltijdse arbeidsprestaties; - er geen SZ-bijdragen verschuldigd zijn voor de eventueel door B J verrichte prestaties; - de RSZ in functie hiervan een herberekening van de verschuldigde SZ-regularisatiebijdragen dient uit te voeren; - appellante niet toegelaten wordt tot het door haar geformuleerde bewijsaanbod; - er op het bedrag van de vordering geen som van 1.567.491 BEF in mindering moet worden gebracht; - over alle punten van het geschil uitspraak werd gedaan, behalve over het te weerhouden bedrag van de aangepaste vordering. Alvorens verder uitspraak te doen over het te weerhouden bedrag van de nog door appellante verschuldigde SZ-bijdragen en aanhorigheden, beval de eerste rechter een heropening der debatten teneinde de RSZ in staat te stellen de vereiste herberekening uit te voeren. MIDDELEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw recht doende; de vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde: indien het Hof van oordeel zou zijn dat het bewijs van deeltijdse tewerkstelling van de betreffende werknemers niet genoegzaam werd geleverd, appellante toe te staan te mogen bewijzen met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen dat: - de personen G O, A J, V P, D M, en R W bij appellante tewerkgesteld waren in het kader van een deeltijdse arbeidsovereenkomst met vast uurrooster en evenredig hiermee verloond werden en zij hierbuiten geen werkzaamheden verrichtten voor appellante en zij aldus ook enkel vergoed werden zoals een deeltijds tewerkgestelde; - sommige werknemers naast hun deeltijdse tewerkstelling bij appellante, eveneens elders tewerkgesteld waren en eveneens deeltijds. In uiterst ondergeschikte orde indien het Hof de mening mocht toegedaan zijn dat de vordering van geïntimeerde gegrond is, quod certe non, aan appellante gemak van betaling te verlenen met betrekking tot de veroordeling die zij zou oplopen. Tenslotte geïntimeerde te veroordelen tot alle kosten van het geding. Geïntimeerde baseerde zich voor haar vordering oorspronkelijk zowel op artikel 171 tweede alinea van de Programmawet van 22.12.1989 als op artikel 22ter van de RSZ-wet van 27.06.

  1. Appellante stelt vast dat geïntimeerde zich in de syntheseberoepsbesluiten enkel nog baseert op (het weerlegbaar vermoeden van) artikel 22ter RSZ-wet. Appellante verwijst naar de cassatiearresten van 18 februari 2002 (Etn. V D H en C° t. R.S.Z., J.T.T. 2002, 368) en 3 februari 2003, RSZ t/ V (J.T.T. 2004, 311). Appellante dient het tegenbewijs te leveren dat haar werknemers deeltijds tewerkgesteld waren en inderdaad enkel loon ontvingen overeenstemmend met hun uurrooster, zijnde dat van een deeltijds tewerkgestelde. Geïntimeerde postuleert de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. Dienvolgens appellante te veroordelen tot het herleide bedrag, ten belope van 81.838,18 EUR, te vermeerderen met de wettelijke interesten op 61.723,23 EUR vanaf 15 april 1998 tot de dag der laatste betaling. Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. Geïntimeerde verwijst naar artikel 22ter van de wet van 27.06.1969 tot herziening van de Besluitwet betreffende de sociale zekerheid der werknemers. Geïntimeerde is de mening toegedaan dat appellante geen afdoend bewijs van deeltijdse prestaties bijbrengt. Appellante erkent dat zij een inbreuk pleegde op artikel 159 van de Programmawet. Als rechtvaardiging hiervoor verwijst zij naar het feit dat zij niet op de hoogte was van de verplichting de deeltijdse uurroosters voorafgaandelijk kenbaar te maken. Het gaat om een weerlegbaar vermoeden. Deze weerlegbaarheid moet met de nodige gestrengheid worden benaderd. De bewijslast hiervan ligt bij appellante. De parlementaire voorbereiding van de RSZ-wet is immers erop gericht om bepalingen in te voeren ter bestrijding van zwartwerk en ter voorkoming van misbruik op het vlak van sociale zekerheidsuitkeringen. Een doelmatige controle op deeltijdse arbeid kan enkel georganiseerd worden wanneer de bewijslast ligt bij de werkgever (Cass. 3 februari 2003, J.T.T. 2004, 311). Door appellante moet het bewijs geleverd worden dat de tewerkgestelde werknemers in de materiële onmogelijkheid verkeerden om voltijdse prestaties te leveren. Niettegenstaande hetgeen appellante stelt, is zij wel degelijk gehouden om het bewijs te leveren dat de betrokken werknemers in de materiële onmogelijkheid waren om voltijdse arbeidsprestaties te leveren. Dit bewijs wordt door appellante geenszins geleverd. Het "niet weten" kan alleszins geen rechtvaardiging zijn voor het niet respecteren van wettelijke bepalingen (nemo censetur ignorare legem). Geïntimeerde heeft overeenkomstig het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt (en het bestreden vonnis) voor wat betreft J B een nieuw rekeninguittreksel opgesteld en overgemaakt aan appellante, waarbij overgegaan werd tot annulatie van alle lonen voor B J over het eerste en tweede kwartaal van 1996, voor een totaal aan bijdragen van 77.087 BEF. Aldus wordt de vordering van geïntimeerde herleid tot het bedrag op het in stukken bijgevoegde rekeninguittreksel ten bedrage van 81.838,18 EUR of 3.301.344 BEF). Geïntimeerde verwijst in verband met de weerlegbaarheid van het vermoeden van voltijdse tewerkstelling in het kader van artikel 171 van de Programmawet van 22.12.1989 naar het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 18.02.2002 (Etn. V D H & C° / RSZ). Eveneens verwijst geïntimeerde naar een arrest van het Hof van Cassatie, van 18.02.2002, inzake RSZ t/ V L. Geïntimeerde wenst te benadrukken dat appellante geenszins er in slaagt om het voorziene tegenbewijs te leveren, reden waarom zij gerechtigd was er van uit te gaan dat de betrokken werknemers hun arbeidsprestaties voltijds hebben verricht, en ook aldus in die zin een ambtshalve regularisatie op te stellen. MOTIVERING ARREST
  2. Geïntimeerde vordert (bij dagvaarding aan appellante betekend op 26.05.1998) de betaling door appellante van 3.395.838 BEF (84.180,63 EUR - 2de, 3de, 4de kwartaal 1993, 1994, 1995, 1ste, 2de kwartaal 1996, 1ste kwartaal 1997).
  3. Appellante de BVBA K baat een wasserij uit, gelegen te en een restaurant gelegen te. 3.
  4. Op donderdag 21.03.1996 en donderdag 06.061996 werden door de Sociale Inspectie samen met leden van de Inspectie van de Sociale Wetten en van de RVA controles verricht in wasserij K. 3.
  5. Op 21.03.1996 werd vastgesteld dat 4 personen aan het werk waren; J B, G O, A J en R W. De inspecteurs stelden vast dat O en B niet waren ingeschreven in het personeelsregister. Er werd geen arbeidsreglement opgesteld en er konden geen arbeidscontracten voor de deeltijdse arbeid worden voorgelegd. 3.
  6. Toen de inspecteurs zich op 06.06.1996 opnieuw onaangekondigd aanboden, werden eveneens een aantal werknemers aangetroffen die niet in orde waren met de sociale reglementering. Het betrof de werknemers G O, R W, P V, M L, A J en J B. Wegens inbreuken op de reglementering inzake de deeltijdse arbeid worden de deeltijdse arbeiders overeenkomstig art. 22 ter van de wet van 27.06.1969 vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een overeenkomst voor voltijdse arbeid. Vervolgens ging geïntimeerde over tot ambtshalve regularisering op basis van de vaststellingen in toepassing van artikel 22ter RSZ-wet. 4.
  7. Door de Arbeidsauditeur werd een strafprocedure ingeleid tegen:
  8. W Th, zaakvoerster van de BVBA K.
  9. BVBA K. W werd ervan verdacht te : A. op 21.3.1996 en 6.6.1996 als werkgever of lasthebber zijnde van K BVBA, verzuimd te hebben twee werknemers, met name O G en B J vermeld te hebben in het personeelsregister en voor hen een individuele rekening op te maken. B. In de periode van 21.3.1996 tot en met 12.6.1996 als werkgever of lasthebber zijnde van K BVBA verzuimd te hebben de werkroosters van de deeltijdse werknemers bekend te maken overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 157 en 159 van de wet van 22 december 1989 t.o.v. 6 werknemers, zijnde O G, W R, V P, L M, J A en B J. C. In de periode van 21.03.1996 tot en met 12.06.1996 als werkgever zijnde of aangestelde van K BVBA, verzuimd te hebben een arbeidsreglement op te maken. D. in de periode van 21.03.1996 tot en met 01.08.1996 als werkgever zijnde of lasthebber van K BVBA verzuimd te hebben bij de RS.Z. tijdig en volledig aangifte te doen van het bedrag van de verschuldigde bijdragen over het eerste en tweede kwartaal 1996 t.b.v. 77.807 BEF opslagen en intresten niet inbegrepen, t.o.v. werkneemster B J. K is de burgerlijk en solidair verantwoordelijke voor W. 4.
  10. De correctionele rechtbank heeft in haar vonnis van 16.10.1998 W en K BVBA enkel vrijgesproken voor de tenlasteleggingen vermeld onder A, B en D namens B J. De overige tenlasteleggingen komen als bewezen voor. K dient burgerlijk verantwoordelijk te worden verklaard voor de boeten en kosten die ten laste zullen gelegd worden van W. De strafrechter heeft geoordeeld dat de tenlastelegging bestaande uit het verzuim de werkroosters van de deeltijdse werknemers bekend te maken tegenover de vijf werknemers, bewezen is. Dit maakt een inbreuk uit op artt. 157-159 van de Programmawet van 22.12.
  11. 5.
  12. Geïntimeerde beroept zich initieel op art. 171 tweede alinea van de Programmawet van 22.12.1989 doch ook op artikel 22 ter van de RSZ-Wet van 27.06.1969 teneinde een ambtshalve regularisatie door te voeren en de bijdragen te vorderen op basis van vermoede voltijdse prestaties en voltijds loon. Volgens appellante vordert geïntimeerde ten onrechte vermeende achterstallen in. Er werden RSZ-bijdragen betaald op grond van het door de werknemers ontvangen loon, hetgeen overeenstemt met art. 14 van de wet van 27.06.
  13. Daarenboven is het vermoeden van art. 172 lid 2 van de Programmawet 1989 en art. 22 ter van de RSZ-wet van 27.06.1969 waarbij ingeval van het niet openbaar maken van werkroosters conform de bepalingen van artt. 157-159 een weerlegbaar vermoeden arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Appellante vraagt ook het tegenbewijs te mogen leveren met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen. 5.
  14. Over de feiten zelf en over de door appellante begane inbreuk bestaat weinig discussie, gelet op het correctioneel vonnis van 16.10.
  15. De strafrechter heeft geoordeeld dat de tenlastelegging bestaande uit het verzuim de werkroosters van de deeltijdse werknemers bekend te maken overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 157 en 159 van de wet van 22.12.1989 t.o.v. 5 werknemers bewezen is, met name O G, W R, V P, L M, J A (artt. 153 t/m. 168, art. 172 en 173 Wet 22.2.1989). Deze betichting werd niet weerhouden voor B J. Volgens de strafrechter bleek onvoldoende dat de vastgestelde activiteit in hoofde van B J werd uitgevoerd als werkneemster. Dit vonnis is in kracht van gewijsde getreden. Dit vonnis heeft gezag van gewijsde erga omnes en bindt de burgerlijk rechter. Geïntimeerde is gehouden om het gezag erga omnes van het strafrechtelijk gewijsde van het correctioneel vonnis van 16.10.1998 te respecteren. Door het Hof van Cassatie werd geoordeeld dat een geschil inzake inning van bijdragen (en aanhorigheden) voor sociale zekerheid geen geschil is over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van art. 6.1 van het EVRM. De RSZ kan de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van het gezag erga omnes van het strafrechtelijk gewijsde niet betwisten door zich te beroepen op voormeld art. 6.1 EVRM. De RSZ weerhoudt derhalve niet langer dat B J in ondergeschikt verband werkte bij appellante. Deze eis tot ambtshalve regularisatiebijdragen lastens B J wordt niet aangehouden. 5.
  16. Wel is derhalve bewezen dat appellante in de periode van 21.03.1996 tot en met 12.06.1996 niet voldaan heeft aan de bekendmaking van de werkroosters voor 5 andere personen, met name O G, W R, V P, L M en J A, hetgeen een inbreuk uitmaakt op art 157 - 159 van de Programmawet van 22.12.1989, zodat appellante in toepassing van art. 22ter van de SZ-wet bijdragen verschuldigd is op de vermoede voltijdse arbeidsprestaties van de hoger vermelde werknemers. 5.
  17. Er kan vooreerst verwezen worden naar de eigen verklaring afgelegd aan de sociale controleurs dd. 06.06.
  18. "De werknemers die U heden aan het werk aantrof, werken allemaal variabel deeltijds. Ik roep hen (telefonisch) op. Van geen van de aanwezige werknemers kan ik een deeltijds contract voorleggen. Er werden geen individuele gedateerde werkroosters uitgehangen 5 dagen op voorhand. De deeltijdse contracten en het in opstelling zijnde arbeidsreglement liggen bij de heer A M van het K S A. Bij nazicht van het nà de controle op het districtsbureel van de Sociale Inspectie binnengekomen arbeidsreglement - geregistreerd op 13.06.1996 is er sprake van een vast werkrooster voor alle deeltijdse werknemers, daar waar W in haar verklaring van 06.06.1996 beweerde dat iedereen variabel werkte. Op 17.10.1996 wordt deze verklaring door W weerlegd: "De deeltijdse werknemers hebben een vast systeem en wijken daarvan af met 'afwijkingsdocument'. Ze werken dus niet 'variabel' zoals ik in mijn verklaring van 6.6.1996 vermeldde. Momenteel zijn op de plaats van tewerkstelling bij het arbeidsreglement nog steeds geen deeltijdse contracten aanwezig". 5.
  19. Tijdens huidige procedure tracht appellante aan de hand van post factum opgestelde documenten aan te tonen dat de 5 werknemers werkten volgens een vast deeltijds uurrooster. Daarenboven konden tijdens de controle geen werkroosters worden voorgelegd.
  20. Wettelijk kader 6.
  21. Het recht om bijdragen te innen op basis van een voltijds loon werd ten behoeve van de R.S.Z. ingeschreven in art. 22 ter van de wet van 27.06.1969 tot herziening van de Besluitwet van 28.12.1944 betreffende de sociale zekerheid van de werknemers. Dit art. 22 ter, ingevoegd door art. l81 van de Programmawet van 22.12.1989 werd nooit gewijzigd. 6.
  22. Artikel 157 van de Programmawet van 22 december 1989 bepaalt: "Een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer, schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11 bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. De Koning kan in andere gelijkwaardige modaliteiten voorzien.". Artikel 159 van dezelfde wet stelt: "Wanneer het werkrooster variabel is, in de zin van artikel 11 bis, derde lid, van voornoemde wet van 3 juli 1978, zullen de dagelijkse werkroosters ten minste vijf werkdagen vooraf ter kennis worden gebracht van de werknemers door middel van aanplakking van een bericht, overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid, gedateerd door de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, in de lokalen van de onderneming op de plaats bedoeld bij artikel 15, vierde lid, van voornoemde wet van 8 april 1965 of op de wijze opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst of in het arbeidsreglement. Een bericht, gedateerd door de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden moet vóór het begin van de arbeidsdag worden aangeplakt in de lokalen van de onderneming op de plaats bedoeld bij artikel 15, vierde lid, van voornoemde wet van 8 april
  23. Dit bericht moet voor iedere deeltijdse werknemer afzonderlijk het werkrooster bepalen. Het moet gedurende een jaar bewaard worden, te rekenen vanaf de dag waarop het werkrooster ophoudt van kracht te zijn. De Koning kan in een andere gelijkwaardige regeling voorzien. De in het eerste lid bedoelde termijn van vijf werkdagen, kan worden gewijzigd door een in een paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst die bij koninklijk besluit algemeen verbindend werd verklaard". Artikel 22 ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt : "Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid.". 6.3.
  24. Verder verwijst het Hof naar de in casu relevante jurisprudentie: 6.3.
  25. Nadat het geschil over de aard van het vermoeden in de zin van "weerlegbaar" werd beslecht, werd in verband met de feiten geoordeeld dat uit de controle-vaststellingen blijkt dat werknemers BUITEN de voor die dag voorziene uurroosters werken. De werkgever doet getuigenaanbod dat NIET VOLTIJDS werd gewerkt, waarop het Hof ingaat, o.a. op basis van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling en een eerlijk proces (art. 6 EVRM en art. 14 Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerlijke en politieke rechten) en tenslotte elke partij in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om de elementen te doen kennen die noodzakelijk zijn ter ondersteuning van de vordering of het verweer. (Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 3 april 2003, A.R. nr. 200076, onuitg.; Cass. 18 februari 2002, J.T.T. 2002, 368; R.W. 2001-2002, 143;Cass. 18 februari 2002, R.W. 2001-2002, 1573) . 6.3.
  26. Het Hof is van mening dat geïntimeerde zich terecht steunt op artikel 22 ter om in casu sociale bijdragen te vorderen op basis van voltijds loon en wordt in dit standpunt bijgetreden door vaststaande rechtspraak, met name kan verwezen worden naar het arrest van dit Hof d.d. 10 maart 2000 (R.W. 2000-01, 881); en de arresten van het Arbeidshof Gent dd. 9 oktober 1998 (J.T.T. 1999, 503) en d.d. 25 september 2000 (J.T.T. 2001, 28). Ook de rechtsleer verdedigde in de discussie die ontstaan was over de vraag of geïntimeerde bij de inning en de invordering van sociale zekerheidsbijdragen een beroep kon doen op artikel 171 van de Programmawet de opvatting dat geïntimeerde zich hiervoor enkel kan steunen op artikel 22 ter van de RSZ-wet op basis van het feit dat: - artikel 22 ter van de RSZ-wet als bijzondere bepaling moet primeren op de arbeidsrechtelijke bepaling van artikel 171 van de Programmawet; - bij een mogelijk beroep op artikel 171 van de Programmawet, artikel 22 ter van de RSZ-wet geen betekenis heeft; - het cassatiearrest van 28 april 1997 (J.T.T. 1997, 344) artikel 171 van de Programmawet als een bepaling ten behoeve van de controle instanties bestempelt en de RSZ als zodanig niet rechtstreeks met toezicht op de deeltijdse arbeid is belast (W. Van Eeckhoutte "Hoogste tijd. De nieuwe bepalingen inzake arbeidstijd, nachtarbeid, deeltijdse arbeid en tijdelijke arbeid", in X (ed.) Het sociaal recht na de kaderbesluiten, Gent, Associaire en vakgroep Sociaal Recht RUG, 1997, p. 47-48, nr. 97). 6.3.
  27. De socialezekerheidsbijdragen zijn in de regel verschuldigd van zodra het loon waarop de werknemer aanspraak heeft, verschuldigd is, ook al wordt dat loon niet effectief uitbetaald. Het feit dat een werknemer, nadat het loon opeisbaar is ingevolge het verrichten van de overeengekomen arbeidsprestaties, niet verder aanspraak maakt op de uitbetaling ervan of met de werkgever overeenkomt dat dit loon verminderd wordt of niet wordt betaald, verhindert niet dat socialezekerheidsbijdragen op dat loon verschuldigd blijven (Cass. 18 november 2002, Soc. Kron. 2003, 66). 6.3.
  28. Het tegendeel van het in artikel 22ter van de RSZ-wet van 27.06.1969 gestelde vermoeden dat de bedoelde werknemers arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid moet door de werkgever worden aangebracht en bestaat erin te bewijzen dat de deeltijdse werknemers geen voltijdse arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De werkgever moet niet de omvang van de werkelijk verrichte prestaties in het kader van een arbeidsovereenkomst voor deeltijdarbeid bewijzen (art. 22ter, Sociale-Zekerheidswet Werknemers 1969). (Cass. (3e k.) AR S.02.0081.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12, 3 februari 2003 (R.S.Z. / B V), Or. (Katern) 2003 (weergave), afl. 5, 2; Or. 2003 (weergave V, A.), afl. 5, 26; R.W. 2003-04 (verkort), afl. 22, 866).
  29. Verwijzend naar bovenvermelde rechtspraak en overwegingen, meent het Hof dat er geen twijfel kan bestaan dat geïntimeerde zich terecht beroept op het vermoeden voorzien in artikel 22ter in onderhavige zaak. Daartoe volstaat het te verwijzen naar de vaststellingen gedaan door de inspectiediensten, de door de zaakvoerder van appellante in het kader van dit onderzoek afgelegde verklaringen en het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt dd. 16.10.
  30. Appellante betwist ook niet dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich mag beroepen op dit weerlegbaar vermoeden voor wat de tewerkstelling betreft van de (officieel) deeltijdse tewerkgestelde werknemers O G, W R, V P, L M en J A. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aanvaardt inmiddels ook dat hij initieel ten onrechte regularisatiebijdragen vorderde uit hoofde van de prestaties van B J als werkneemster, mede gelet op het vonnis van de correctionele rechtbank waarbij appellante werd vrijgesproken in zoverre de haar ten laste gelegde feiten ook betrekking hadden op de prestaties welke door deze werkneemster geleverd waren. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid respecteert met andere woorden het gezag erga omnes van het strafrechtelijk gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt dd. 16.10.
  31. Over de inhoud van het te leveren tegenbewijs (weerlegbaar vermoeden van artikel 22ter van de RSZ-wet) kan gelet op de aangehaalde cassatierechtspraak geen twijfel meer bestaan.
  32. Appellante verwijst naar een aantal officiële sociale documenten (vermeldingen op loonsopdrachten, arbeidsovereenkomsten, werkroosters) om het tegenbewijs te leveren dat van haar verwacht mag worden. Deze documenten, welke opgesteld werden door de werkgever zelf of diens sociaal secretariaat met gegevens welke door de werkgever werden verstrekt, zijn onvoldoende bewijskrachtig zodat er in principe geen rekening mee kan gehouden worden. Indien het immers de bedoeling was sociale fraude te plegen, wat trouwens de grondslag is van het vermoeden, ligt het voor de hand dat de werkgever in deze officiële stukken geen gewag maakt van de in het zwart gepresteerde uren en daarvoor ontvangen lonen. Het vermoeden voorzien in artikel 22ter van de RSZ-wet gaat uit van de veronderstelling dat er uiteindelijk meer uren werden gepresteerd dan in de sociale documenten en de RSZ-aangifte door de werkgever werden vermeld. Appellante kan niet nuttig verwijzen naar verklaringen welke door haar zaakvoerder of haar werknemers werden afgelegd in het kader van het onderzoek gedaan door de inspectiediensten, om de op haar rustende bewijslast te vervullen. De eigen verklaringen van de betrokken partijen moeten in dat verband als onvoldoende geloofwaardig ter zijde geschoven worden. Immers, naast de werkgever kan ook de werknemer zelf voldoende redenen hebben (bvb. fiscale redenen, de mogelijke weerslag op onderhoudsgeld, tewerkstellingskansen, angst om te bekennen dat men gedeeltelijk niet officieel werkt) om een niet al te waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen in de loop van zo een onderzoek. Met verklaringen van de werknemers zelf dient altijd zeer omzichtig omgesprongen te worden. Het feit dat een werknemer elders ook al deeltijds zou werken houdt geenszins het bewijs in dat het voor hem onmogelijk zou zijn voltijdse arbeidsprestaties te verrichten voor appellante. Deze overwegingen hebben evident ook een impact op en bij de beoordeling van getuigenverklaringen.
  33. Bijgevolg dient geconcludeerd dat hic et nunc appellante geenszins betreffende de vijf hoger genoemde werknemers het bewijs levert dat vereist is om het vermoeden zoals voorzien in artikel 22ter van de RSZ-wet te weerleggen. De elementen waarop zij zich thans steunt zijn onvoldoende om in aanmerking te komen als tegenbewijs voor dit vermoeden. 10.
  34. In ondergeschikte orde doet appellante het aanbod om het bewijs te leveren met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van het feit dat de vijf betrokken werknemers uitsluitend deeltijds hebben gewerkt. 10.
  35. Voor zover het bewijs door getuigen niet verboden is door het materiële bewijsrecht, impliceert het recht op verdediging het principiële recht om het bewijs door getuigen te leveren. Het recht op getuigenverhoor is een onderdeel van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling en eerlijk proces (art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR). (De Baets P., Getuigenverhoor in privaatrechtelijke geschillen, A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 2000, p. 6, 13, nrs. 10, 30). 10.
  36. De rechter moet wel beoordelen of een getuigenbewijs dienstig kan worden geleverd en of de feiten bepaald, ter zake dienend (pertinent), vatbaar zijn voor tegenbewijs en een afdoend karakter hebben. Een feit is ter zake dienend wanneer het geschikt is om tot bewijs van het aangevoerde te dienen en wanneer het feit, in de veronderstelling dat het vaststaat, van dien aard is dat het tot de motivering van de eindbeslissing kan bijdragen (De Baets P., op cit. , p. 12, nr. 28). De rechter kan het verzoek tot het horen van getuigen afwijzen omdat hij zich reeds voldoende voorgelicht acht of omdat hij oordeelt dat het feit of het tegendeel daarvan reeds op grond van andere bewijsmiddelen als bewezen mag beschouwd worden (De Baets P., op cit., p. 12, 13, nr. 29; Cass. 18 januari 2001, Arr. Cass. 2001, 117). 10.
  37. Geïntimeerde laat wat het door appellante gedane bewijsaanbod betreft enkel gelden dat het tegenbewijs van het vermoeden vervat in artikel 22ter van de RSZ-wet uitsluitend kan geleverd worden door externe en objectieve elementen, waaraan de door appellante aangeboden bewijsmiddelen niet voldoen. 10.
  38. Met dit (voorbarig) oordeel doet geïntimeerde, naar het oordeel van de heer Substituut-generaal in zijn ter zitting van 27 april 2005 neergelegd schriftelijk advies, afbreuk aan de organisatie van het getuigenverhoor zoals voorzien in de artikelen 921 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid artikel 922 waarin bepaald wordt dat de partij die het getuigenverhoor laat houden zijn lijst met op te roepen getuigen dient neer te leggen ter griffie uiterlijk 15 dagen voor de zitting waarop het verhoor wordt gehouden. Met deze argumentatie loopt geïntimeerde vooruit op de eventuele discussie omtrent de bewijswaarde van de verklaringen welke afgelegd zullen worden door de op te roepen getuigen. De rechter zal immers over de bewijswaarde van de door de getuigen afgelegde verklaringen vrij oordelen (Cass. 25 januari 1980, J.T.T. 1980, 349; Cass. 25 februari 1980, R.W. 1980, 384). Het Hof treedt deze zienswijze bij. 10.
  39. Het Hof is van oordeel dat het aanbod van getuigenverhoor, geformuleerd door appellante met betrekking tot het eerste feit, voldoet aan de vereisten gesteld door artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek. Het aangevoerde feit is voldoende omschreven en is ook ter zake dienend. Het is overigens ook vatbaar voor tegenbewijs. Daar het bewijs met getuigen in dit geschil eveneens toelaatbaar is, zijn er geen redenen om het aanbod van appellante te weigeren. 10.
  40. Het aanbod betreffende het tweede feit dient naar het oordeel van het Hof afgewezen te worden als niet ter zake dienend, omdat het feit dat iemand elders reeds deeltijds tewerkgesteld is niet belet dat hij bij appellante zou werkzaam zijn op voltijdse basis. 10.
  41. Het Hof acht het derhalve opportuun in te gaan op het aanbod het bewijs met getuigen te leveren van het feit dat "de personen G O, A J, P V, M L en R W bij appellante tewerkgesteld waren in het kader van een deeltijdse arbeidsovereenkomst met vast uurrooster en hiermee evenredig loon ontvingen en dat zij hierbuiten geen werkzaamheden verrichten voor appellante en aldus ook geen loon ontvingen." 10.
  42. Het Openbaar Ministerie wijst er terecht op dat er geen discussie meer kan bestaan over de inhoud van het tegenbewijs dat door de werkgever moet worden geleverd (Cass., 3 februari 2003 - supra). Het volstaat te bewijzen dat de deeltijdse werknemers geen arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De eerste rechter wees het aanbod tot getuigenverhoor af. 10.
  43. Naar het oordeel van het Hof vertrekt de eerste rechter noodzakelijkerwijze van het standpunt dat de werkgever niet alleen moet bewijzen dat er deeltijds werd gewerkt maar ook van de omvang van de werkelijk verrichte prestaties. Door zo te oordelen gaat de eerste rechter te ver; het volstaat namelijk dat het bewijs wordt bijgebracht dat deeltijds werd gewerkt. De bewijselementen die thans voorliggen, zijn in dat verband onvoldoende. Deze bewijselementen kunnen evenwel worden aangevuld met andere bewijselementen, die tot op heden nog niet zijn "aangesproken". 10.
  44. In die zin is het aangeboden getuigenbewijs zinvol. Het kwam ook de eerste rechter in de gegeven omstandigheden niet toe op voorhand in te schatten dat dit getuigenverhoor geen dienstig bewijs zou opleveren. Het aangeboden getuigenbewijs kan worden toegestaan.
  45. Ten overvloede wenst het Hof op te merken dat om het getuigenbewijs aan te nemen (art. 915 Ger. W.) de rechter inderdaad moet vaststellen of het als bewijs aangehaalde feit zo nauwkeurig mogelijk gesitueerd is in de ruimte en in de tijd, of het vatbaar is om op één of andere manier gezien, gehoord of waargenomen te worden door personen die ertoe gebracht worden te getuigen en dus of het vatbaar is om te worden tegengesproken op dezelfde manier; wat het aanbod betreffende het eerste feit betreft, is het Hof van oordeel dat dit zo is. Dit (de principiële mogelijkheid om toegelaten te worden tot deze bewijslevering in hoofde van appellante) sluit niet uit dat het Hof nadien op een gepaste tegensprekelijke wijze een oordeel zal vellen over de bewijswaarde in deze van de getuigenverklaringen. Er is derhalve naar het oordeel van het Hof wel reden om in te gaan op het getuigenaanbod van appellante, de BVBA K, om bovenstaande overwegingen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. S, Substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies ter openbare terechtzitting van 27 april
  46. Beslissend op tegenspraak, na beraadslaging. Trekt de zaak tot zich overeenkomstig artikel 1068 van het Gerechtelijke Wetboek. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Alvorens verder recht te doen ten gronde, staat appellante, de BVBA Karmiche, toe het bewijs te leveren, door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen dat: "de personen G O, A J, P V, M D en R W bij appellante tewerkgesteld waren in het kader van een deeltijdse arbeidsovereenkomst met vast uurrooster en evenredig hiermee verloond werden en zij hierbuiten geen werkzaamheden verrichtten voor appellante en zij aldus ook enkel vergoed werden zoals een deeltijds tewerkgestelde." Machtigt de RSZ het tegenbewijs te leveren met dezelfde rechtsmiddelen. Wijzen de heer J. M, Kamervoorzitter in dit Arbeidshof, of ingeval van verhindering een ander alsnog aan te duiden raadsheer aan om tot deze onderzoeksmaatregel over te gaan op woensdag 14 september 2005, om 10 uur in de raadkamer van het Arbeidshof, Maastrichterstraat 100 te 3500 Hasselt. Beschikt dat het tegenverhoor zal gehouden worden, na eventueel verzoek hiertoe, op later aan te duiden plaats, dag en uur. Houdt inmiddels de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van acht juni tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050608.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.