← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050613.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050613.2 Rolnummer: 2002-0428;2002-0467 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-01 03:18 Fiches 1 - 2 De gesubsidieerde contractuelen die een arbeidsongeval hebben vallen onder het toepassingsgebied van de Wet van 3 juli 1967 (arbeidsongevallen publieke sector) en niet van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 . De tewerkstellende overheid is de rechtstreekse schuldenaar van de vergoedingen waarop de gesubsidieerde contractuele werknemer die slachtoffer is van een arbeidsongeval, aanspraak kan maken. Eén en ander sluit niet uit dat het slachtoffer toch een rechtstreekse vordering heeft tegen de verzekeraar, gezien zijn belang in de zin van artikel 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit is des te meer het geval vermits er in casu een verzekeringsovereenkomst werd afgesloten tussen de tewerkstellende overheid en de verzekeringsmaatschappij en vermits laatstgenoemde overging tot het betalen van vergoedingen aan het slachtoffer. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK arbeidsongevallen - gesubsidieerde contractuelen - toepasselijke wetgeving - ontvankelijkheid vordering tegen verzekeraar - belang. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OVERHEIDSSECTOR toepassingsgebied - rechthebbende - gesubsidieerde contractuelen - toepasselijke wetgeving - ontvankelijkheid vordering tegen verzekeraar - belang. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-01-1969 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1969012401 Wet - 03-07-1967 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 17 en onder VI C - artikel

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00931,P.462-464) Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2020428 en A.R.
  2. OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak A.R. 2020428: E. (voorheen O.), appellant, verschijnend bij mr. Chr. Spaas, advocaat te 2550 Kontich. tegen :
  3. A., wonende te 2900 SCHOTEN, Victor Nelisstraat
  4. eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. J. Nietvelt, advocaat te 2000 Antwerpen.
  5. V.G., tweede geïntimeerde, verschijnend bij N. Bogaerts loco mr. B. Staelens, advocaat te 8000 Brugge.
  6. B.S., derde geïntimeerde, verschijnend bij mr. P. Vermylen loco mr. M.R. De Smet, advocaat te 2000 Antwerpen. En in de zaak A.R. 2020467: A., appellante, verschijnend bij mr. J. Nietvelt, advocaat te 2000 Antwerpen. tegen :
  7. V.G., eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. N. Bogaerts loco mr. B. Staelens, advocaat te 8000 Brugge.
  8. B.S., tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. P. Vermylen loco mr. M.R. De Smet, advocaat te 2000 Antwerpen.
  9. E. (voorheen O.), derde geïntimeerde, verschijnend bij mr. Chr. Spaas, advocaat te 2550 Kontich. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal in de zaak A.R. 2020428: 3 september 2002, 24 juni 2003, 14 maart 2005 en 11 april 2005; en in de zaak A.R. 2020467: 3 september 2002, 14 maart 2005 en 11 april
  10. Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - het inleidend exploot van dagvaarding, op verzoek van A., betekend op 21 januari 1999 door gerechtsdeur-waarder W. Cailliau te Sint-Lambrechts-Woluwe; - de dagvaarding in tussenkomst, op verzoek van A., betekend op 17 april 2001 door gerechtsdeurwaarder B. Labranche te Brussel aan B.S., en bij afzonderlijk exploot betekend door gerechtsdeurwaarder P. Winkelmolen te Hasselt aan O.; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 30 mei 2002 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 309.805), waarbij V.G. en B.S. buiten zake werden gesteld, de vordering van A. tegenover O. ontvankelijk werd verklaard en waarbij - alvorens verder recht te doen - als deskundige, de heer Dr. D. Vermeersch, werd aangesteld; - het deskundig verslag van Dr. D. Vermeersch, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 januari 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van O., neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 juli 2002 (A.R. 2020428); - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van A., neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 juli 2002 (A.R. 2020467); - de beroepsconclusie voor A., ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 augustus 2002 (A.R. 2020428); - de beroepsconclusie voor V.G., ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 maart 2003 (A.R. 2020428 en A.R. 2020467); - de beroepsconclusie voor B.S., ontvangen ter griffie van dit Hof op 4 april 2003 (A.R. 2020428); - de beroepsconclusie voor O., neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 mei 2003 (A.R. 2020428 en A.R. 2020467); - de tweede beroepsconclusie voor V.G., ontvangen ter griffie van dit Hof op 11 juni 2003 (A.R. 2020428 en A.R. 2020467); - de eerste beroepsconclusie voor A., ontvangen ter griffie van dit Hof op 22 juli 2004 (A.R. 2020467); - de tweede beroepsconclusie (tevens syntheseconclusie) voor A., ontvangen ter griffie van dit Hof op 22 juli 2004 (A.R. 2020428); - de beschikking van mevrouw M. Zegers, Raadsheer, voorzitter van de kamer d.d. 8 november 2004, overeenkomstig art. 750 ,§ 2 Ger.W. (A.R. 2020428 en A.R. 2020467); - de aanvullende beroepsconclusie voor E., ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 december 2004 (A.R. 2020428 en A.R. 2020467); - de tweede aanvullende conclusie voor E., ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 februari 2005 (A.R. 2020428 en A.R. 2020467); De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 14 maart 2005, waarna de debatten werden gesloten. De heer P. Van Den Bon, Advocaat-generaal, gaf voorlezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 11 april 2005, waarna dit advies werd neergelegd. E. repliceerde op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie op 2 mei 2005, waarna het Hof de zaak in beraad nam. B.S. repliceerde op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie op 25 mei 2005, en dus laattijdig, zodat met desbetreffende repliek geen rekening kan gehouden worden.
  11. Samenvoeging: Aangezien beide verzoekschriften gericht zijn tegen hetzelfde tussenvonnis d.d. 30 mei 2002 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen betreffende het arbeidsongeval d.d. 23 april 1997 waarvan A. het slachtoffer werd, worden zij, gelet op hun nauwe samenhang en het oog op een goede rechtsbedeling, overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek samengevoegd, zoals gevraagd door partijen.
  12. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen: Het hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 juli 2002 (A.R. 2020428) en het hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 juli 2002 (A.R. 2020467), beiden gericht tegen het tussenvonnis van de Arbeids-rechtbank te Antwerpen d.d. 30 mei 2002, werden regelmatig ingeleid naar vorm en termijn, zodat zij ontvankelijk dienen verklaard te worden.
  13. Feiten en voorgaanden: A., verder in dit arrest "het slachtoffer " genoemd, trad in 1994 in dienst bij het I. A. P. als gesubsidieerde contractueel met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Het A. P. is een wetenschappelijke instelling van V.G., bij het departement leefmilieu en infrastructuur. Het wordt niet betwist dat de werkgever van A. V.G. is. Op 23 april 1997 werd A. het slachtoffer van een arbeidsongeval waarbij zij gekwetst werd aan de rechterhand: zij struikelde met een doos boeken in beide handen. Er werd aangifte gedaan van het arbeidsongeval bij E. (voorheen O.), die aan het slachtoffer vergoedingen uitbetaalde wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. De uitkering van deze vergoeding werd stopgezet door E., vanaf 1 mei
  14. A. werd vanaf 13 mei 1998 arbeidsongeschikt erkend door de adviserende geneesheer van haar mutualiteit en ontving vanaf die datum arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Uit de medische stukken blijkt dat A. nog steeds behandeld wordt voor de gevolgen van het arbeidsongeval (fysiotherapie en medicatie). Zij diende tevens gebruik te maken van orthopedische toestellen en volgde pijntherapie. Bij inleidend exploot van dagvaarding van 21 januari 1999 dagvaardde A., V.G. in betaling van jaarlijkse vergoedingen wegens een nog nader te bepalen graad van blijvende arbeidsongeschiktheid. Ondergeschikt vorderde zij de aanstelling van een geneesheer - deskundige. Bij inleidend exploot van dagvaarding van 17 april 2001 dagvaardde A., B.S. en E. (voorheen O.), laatstgenoemde in zijn hoedanigheid van arbeidsongevallen-verzekeraar en eerstgenoemde voor het geval de rechter van mening zou zijn dat niet de Wet van 10 april 1971, doch de Wet van 3 juli 1967 van toepassing zou zijn. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 30 mei 2002 werden V.G. en B.S. buiten zake gesteld en werd de vordering lastens E. (voorheen O.), ontvankelijk verklaard. Alvorens verder recht te doen stelde de eerste rechter een deskundige aan, dokter D. Vermeersch, om de gevolgen van het arbeidsongeval te bepalen. Het standpunt van de eerste rechter kan als volgt worden samengevat: - De betwisting wordt beheerst door de Wet van 3 juli 1967 en niet door de Wet van 10 april
  15. - Het feit dat A. het statuut had van gesubsidieerde contractuele doet daaraan geen afbreuk. - Het invoeren van de verplichting tot het aangaan van een arbeidsongevallenverzekering voor de groep van gesubsidieerde contractuelen impliceert dat E. (voorheen O.) als rechtstreekse schuldenaar door het slachtoffer moet kunnen worden aangesproken. - V.G. en B.S. moeten buiten zake gesteld worden. - De door A. uitgebrachte dagvaardingen hebben de loop van de verjaringstermijn tijdig en rechtsgeldig gestuit. - Ten gronde betreft het een medische discussie zodat het gepast voorkomt een geneesheer-deskundige aan te stellen. Het deskundig verslag werd intussen neergelegd ter griffie van de Arbeids-rechtbank te Antwerpen op 28 januari
  16. De deskundige was van oordeel dat er in hoofde van A. wel degelijk sprake was van een blijvende fysieke minderwaarde die verband houdt met het ongeval d.d. 23 april
  17. Hij besloot in zijn deskundig verslag als volgt: "De persoon van A. werd onderzocht. Haar toestand wat betreft de letsels die zij vertoont en de klachten die zij uit werden beschreven. Het ongevalgebeuren van 23/04/1997 veroorzaakte een lichte kneuzing aan de rechter hand waarbij er waarschijnlijk later een complex regionaal pijn-syndroom ontwikkelde. De tijdelijke werkongeschiktheid is 100 % vanaf 23/04/1997 tot en met 31/03/
  18. De consolidatiedatum is 01/04/
  19. De blijvende zuivere fysieke minderwaarde bedraagt 10 % . De weerhouden fysieke minderwaarde heeft een weerslag op de functionele werking van het getroffen lichaamsdeel. Men mag aannemen dat de functionele handicap ter hoogte van de rechter hand in verband staat met het ongevalgebeuren. Dit wil zeggen een verminderde kracht, een beperkte functie door dwangstand van de vingers en dit zoals beschreven bij het ergosonderzoek. De aandoening van de nek en de schouder kunnen niet in verband worden gebracht met het ongevalgebeuren. Er zijn duidelijke elementen die wijzen naar bewuste aggravatie." Tegen dit tussenvonnis d.d. 30 mei 2002 werd hoger beroep ingesteld door E. (voorheen O.) bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 9 juli 2002 (A.R. 2020428). Tegen dit vonnis werd eveneens hoger beroep ingesteld door A., met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 29 juli 2002 (A.R. 2020467).
  20. Eisen in hoger beroep: - E. (voorheen O.) vordert h²et beroep door haar ingesteld ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het bestreden vonnis te wijzigen en, erop rechtdoende, de oorspronkelijke eis van A. lastens E. ontoelaatbaar, onontvankelijk, verjaard, minstens ongegrond te verklaren. Het standpunt van E. (voorheen O.) kan als volgt worden samengevat: x De Wet van 3 juli 1967 is van toepassing. x Overeenkomstig de Wet van 3 juli 1967 heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval als schuldenaar de administratie of de instelling die hem of haar tewerkstelde op het ogenblik van het ongeval. x A. kan dus geen vordering richten tegen de verzekeraar, in casu E. (voorheen O.). x De verzekering die door het bestuur werd onderschreven bij E. (voorheen O.) betreft een verzekering tegen arbeidsongevallen die valt onder de Arbeidsongevallenwet van 10 april
  21. x A. bewijst niet dat haar schadegeval gedekt is door hoger genoemde verzekeringsovereenkomst. x E. (voorheen O.) werd misleid door de aangifte van het arbeidsongeval en heeft zich vergist. x E. (voorheen O.) heeft het recht de aanvaarding van het arbeidsongeval te herroepen. - A., vordert als volgt: vast te stellen dat, wat V.G. betreft, deze in het geding vertegenwoordigd wordt door de M.; de zaak (A.R. 2020467) wegens onsplitsbaarheid / samenhang samen te voegen met de zaak eveneens hangende voor het Arbeidshof tussen E. (voorheen O.) en het slachtoffer, V.G. en B.S. (A.R. 2020428); ten gronde het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw beslissend over haar vordering in navolgend hoofdberoep: deze vordering ontvankelijk te verklaren en in principe gegrond tegenover de drie oorspronkelijk gedaagden, derhalve E. (voorheen O.), V.G. en B.S., solidair, minstens in solidum met E., elk voor het geheel of een of meerderen bij gebrek van andere(n): - te veroordelen om aan haar dagelijkse vergoedingen te betalen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid vanaf datum van stopzetting van betaling van de vergoedingen, namelijk 30 april 1998; - te veroordelen om aan haar vanaf datum van consolidatie de bij wet voorziene jaarlijkse vergoedingen te betalen wegens de nog nader te bepalen graad van blijvende arbeidsongeschiktheid; - te veroordelen tot tenlasteneming van alle medische kosten, o.m. van de medische behandelingen, fysiotherapie en orthesen en TENS-toestel en van de verplaatsingskosten; - voorbehoud te verlenen inzake de hoegrootheid van het basisloon; alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke intrest, vanaf de respectie-velijke data van eisbaarheid, en met de gerechtelijke intrest vanaf heden, tegen de wettelijke intrestvoet; met verwijzing van E. ( voorheen O.), V.G. en B.S. in de kosten van beide instanties; Verder alvorens ten gronde te beslissen: De beslissing tot deskundigenonderzoek te bevestigen en de zaak voor ver-dere afhandeling terug te verwijzen naar de eerste rechter, bij toepassing van art. 1068, tweede lid Ger.W. Het standpunt van A. kan als volgt worden samengevat: x De Wet van 3 juli 1967 is van toepassing. x In het stelsel van de Wet van 3 juli 1967 heeft het slachtoffer van een arbeidsongeval als schuldenaar de administratie of de instelling die hem of haar tewerkstelde op het ogenblik van het ongeval, in casu V.G. (de eerste rechter heeft een materiële vergissing begaan door de beslissing te wijzen, wat V.G. betreft, ten aanzien van de M.). V.G. mocht dus niet buiten zake worden gesteld. x Artikel 16 van de Wet van 3 juli 1967 bepaalt dat de renten en de vergoedingen ten laste vallen van de Schatkist zodat B.S. ten onrechte buiten zake werd gesteld. x Het slachtoffer heeft eveneens een vordering lastens E. (voorheen O.) aangezien er een verzekeringsovereenkomst tegen arbeidsongevallen werd afgesloten door V.G. bij deze verzekeringsmaatschappij. x De vordering is niet verjaard. x De eerste rechter heeft terecht een expertise bevolen. x Na de bevestiging van het tussenvonnis dient de zaak voor verdere behandeling teruggestuurd te worden naar de eerste rechter op basis van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. - V.G., vordert als volgt: na voeging van de beide zaken (A.R. 2020428 en A.R. 2020467), het beroep, in zoverre als gericht tegen V.G., als ongegrond af te wijzen. E. te veroordelen tot de kosten van het geding. Het standpunt van V.G. kan als volgt worden samengevat: x De Wet van 3 juli 1967 is van toepassing. x Er werd in casu een arbeidsongevallenverzekering afgesloten zodat E. (voorheen O.) de rechtstreekse schuldenaar wordt van het slachtoffer. - B.S., vordert als volgt: na voeging van de beide zaken (A.R. 2020428 en A.R. 2020467), het hoger beroep van E. ontvankelijk doch als ongegrond af te wijzen; E. te veroordelen tot de kosten. B.S. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en stelt in ondergeschikte orde dat zij enkel kan aangesproken worden voor de medische kosten welke alsdan betaalbaar zijn door de Administratieve Gezondheidsdienst (A.G.D.).
  22. Beoordeling door het Hof: - Tussen partijen bestaat er als zodanig geen ernstige betwisting meer over dat A., als gesubsidieerde contractueel, onder toepassing valt van de Wet van 3 juli
  23. Zoals terecht en uitvoerig wordt beschreven in het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie bepaalt artikel 1 van de Wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (Arbeidsongevallenwet Publieke Sector) dat deze wet onder meer toepasselijk is op het personeel dat behoort tot de besturen en de andere diensten van de regeringen van de Gemeenschappen en Gewesten, mits de Koning de bij deze Wet vastgestelde regeling toepasselijk verklaart op genoemd personeel bij een in Ministerraad overlegd besluit en onder de voorwaarden en binnen de perken die hij bepaalt. Uit artikel 1 van het K.B. van 24 januari 1969 betreffende de schade-vergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk blijkt dat A. wel degelijk onder het toepassingsgebied valt van de Wet van 3 juli
  24. De alternatieve tewerkstellingscircuits waartoe A. behoorde werden voor de lokale besturen bij K.B. nr. 474 van 28 oktober 1986 vervangen door een nieuw, éénvormig stelsel, dat van de gesubsidieerde contractuelen (gesco's). Bij K.B. van 29 december 1988 werd het toepassingsgebied verruimd tot de provincies en de verenigingen van provincies, behalve die met economische finaliteit. De Programmawet van 30 december 1988 en het K.B. van 27 februari 1989 hebben het stelsel van de gesco's uitgebreid tot sommige openbare besturen. De gesubsidieerde contractuelen worden in dienst genomen bij arbeids-overeenkomst, gesloten voor bepaalde of onbepaalde tijd. De Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 is derhalve niet van toepassing op al wie onder de Arbeidsongevallenwet van 3 juli 1967 voor de Openbare Dienst ressorteert (Art. 4, ten eerste van de Wet van 10 april 1971). Het residuair karakter van het toepassingsgebied van de Arbeidsongeval-lenwet van 10 april 1971 impliceert dat al wie geheel of gedeeltelijk is onderworpen aan de RSZ-regeling voor werknemers, hieronder valt, tenzij men aan het toepassingsgebied van deze wet is onttrokken, onder meer door de Wet van 3 juli 1967 (Ontwikkelingen van de Sociale Zekerheid 1990-1996, SYMOENS, D. en PUT, J., Die Keure, 1996, pag. 470; Arbeidshof Antwerpen, 10 juni 1997, J.T.T. 1998, 120; Arbeidshof Bergen, 4 februari 1998, J.T.T., 1998, 339, Noot; JANVIER, R. Arbeidsongevallen Publieke Sector, oktober 2001, U.A., Managementschool, pag. 16 e.v..). Uit artikel 1 van het K.B. van 24 januari 1969 blijkt dat de regeling, ingesteld bij de Wet van 3 juli 1967 toepasselijk wordt verklaard op de leden van het vast benoemd, stage doende, het tijdelijk personeel en het hulppersoneel en de personeelsleden die bij een arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen en die behoren tot de besturen en andere diensten van de regeringen van de Gemeenschappen en Gewesten... Uit het K.B. van 24 januari 1969 blijkt niet dat A. behoort tot het personeel dat uitdrukkelijk aan de werkingssfeer van hoger genoemde regeling is onttrokken. De beperkte opsommingen in de Koninklijke Besluiten die nadien werden uitgevaardigd in uitvoering van de Wet van 3 juli 1967 en die afzonderlijk de arbeidsongevallen regelen doen geen afbreuk aan de arbeidsongeval-lenregeling, voorzien in de Wet van 3 juli 1967 en in het K.B. van 24 januari 1969, die toepasselijk werd verklaard ten voordele van het overheids-personeel waartoe A. behoort, ongeacht de aard van haar tewerkstelling. Er bestaat dan ook geen redelijke en objectieve verantwoording voor om op basis van de bestaande wetgeving, relevant voor de toepassing ratione personae op deze casus, de gesubsidieerde contractuelen, met uitsluiting van de Wet van 3 juli 1967, te onderwerpen aan de toepasselijkheid van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
  25. Nergens in de toepasselijke wetgeving wordt trouwens met betrekking tot het toepassingsgebied ratione personae een verschillende behandeling voor-geschreven naargelang de wervingswijze van het personeel. Het Hof besluit dan ook, samen met de eerste rechter, dat de Wet van 3 juli 1967, in voorliggend geval, van toepassing is. - De vraag die zich in casu evenwel stelt is tot welke schuldenaar A. zich kan richten tot het bekomen van de wettelijke vergoedingen ingevolge het arbeidsongeval waarvan zij op 23 april 1997 het slachtoffer werd. De eerste rechter oordeelde dat (alleen) de verzekeringsinstelling (in casu E.), als rechtstreekse schuldenaar moet worden aangesproken door het slachtoffer, en leidde dit af uit de vaststelling dat voor de groep van gesubsidieerde contractuelen er een verplichting bestaat tot het aangaan van een arbeidsongevallenverzekering. Het Openbaar Ministerie is van mening dat de eerste rechter ten onrechte B.S. en V.G. buiten zake heeft gesteld, en verwijst in dit verband naar een aantal zekerheden die blijken uit de toepasselijke reglementering. Het Hof stelt samen met het Openbaar Ministerie inderdaad vast dat: - Artikel 16 van de Wet van 3 juli 1967 bepaalt dat de rente en vergoedingen toegekend aan de personeelsleden ten laste vallen van de Schatkist. - Uit artikel 25 van het K.B. van 24 januari 1969 blijkt dat de door het slachtoffer gemaakte kosten voor dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie worden betaald door de Administratieve Gezondheidsdienst en ten laste zijn van de Schatkist. - Artikel 27 van het K.B. van 24 januari 1969 voorziet dat de renten betaald worden door de zorg van de Administratieve Pensioenen. - Artikel 26 van het K.B. van 13 juli 1970 bepaalt dat de last van vergoedingen en renten, welke bij toepassing van dit besluit aan het slachtoffer worden toegekend... ten bezware komt van het bestuur of van de instelling waarbij het slachtoffer op het ogenblik van het ongeval in dienst was. Het is zonder meer duidelijk dat A., als slachtoffer van een arbeidsongeval dat onder de toepassing valt van de Arbeidsongevallenwet Publieke Sector, een vordering heeft ten laste van de tewerkstellende overheid (V.G.). Welke ook de instantie is, die overeenkomstig hoger genoemde Wet en K.B.'s instaat voor de uitbetaling van de onderscheiden vergoedingen, het gaat steeds om vergoedingen die voor rekening zijn van de Schatkist en dus uiteindelijk ten laste zijn van B.S.. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat, zelfs indien blijkt dat de schuldenaar van de rente uiteindelijk B.S. is, het slachtoffer niet de verplichting heeft om zich tegen de Staat te keren (cfr. Arbh. Luik, 25 juni 2003, Soc. Kron. 2004, 10, 600). Het slachtoffer van een arbeidsongeval kan wel B.S. bij het geding betrekken, al was het maar om bij wijze van bewarende maatregel, het vonnis/arrest te horen gemeen verklaren aan laatstgenoemde. De omstandigheid dat de tewerkstellende overheid een arbeidsongeval-lenverzekering dient te onderschrijven, zoals in casu, doet niets af aan de vaststelling dat de tewerkstellende overheid de rechtstreekse schuldenaar is van de onderscheiden vergoedingen en renten waarop het slachtoffer mogelijks aanspraak maakt ingevolge een arbeidsongeval. Het Hof besluit dan ook samen met het Openbaar Ministerie dat de eerste rechter ten onrechte V.G. en B.S. buiten zake heeft gesteld. - De vraag stelt zich dan over de betrokkenheid van E. (voorheen O.) in het geding. De omstandigheid dat er tot op heden geen wettelijke grondslag is van een rechtstreekse vordering van A. tegen E. (voorheen O.) sluit evenwel niet uit dat zij een vordering kan stellen tegen E., minstens een belang heeft om E. te betrekken bij het geding, al was het maar om bij wijze van bewarende maatregel, het vonnis/arrest te horen gemeen verklaren. De uitbetalingen door E. van de vergoedingen aan het slachtoffer betreft een rechtsfeit dat voor het slachtoffer verder reikt dan het louter positief ondergaan van de rechtsgevolgen van het verzekeringscontract met haar tewerkstellende overheid. De interne rechtsgevolgen van de verzekeringsovereenkomst gelden weliswaar enkel tussen partijen, doch het bestaan ervan is wel tegenstelbaar aan derden. In de verzekeringsovereenkomst die werd afgesloten tussen E. (voorheen O.) en de tewerkstellende overheid (V.G.) staat letterlijk dat E. zich ertoe verbindt aan het slachtoffer alle vergoedingen te betalen die bij wet zijn vastgesteld. Door de betaling van de vergoedingen tijdelijke arbeidsongeschiktheid aan het slachtoffer heeft het slachtoffer een voordeel gehaald uit de verzekeringsovereenkomst die werd afgesloten tussen haar werkgever en verzekeraar, en heeft zij vanaf dan een concreet belang om de verzekeraar bij het geding te betrekken. E. (voorheen O.) voert aan dat de verzekering die door het bestuur werd onderschreven, een verzekering betreft tegen arbeidsongevallen die valt onder de Wet van 10 april 1971 (privé-sector) en dat A. niet bewijst dat haar schadegeval gedekt is door hoger genoemde verzekeringsovereenkomst. Dit standpunt van E. kan niet gevolgd worden, en het Hof sluit zich aan bij het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie hieromtrent. Het afsluiten van een verzekeringsovereenkomst vloeit voort uit artikel 16 van de Wet van 3 juli
  26. Ook het K.B. van 13 juli 1970 voorziet in artikel 27 dat de in artikel 1 bedoelde besturen en instellingen, een verzekeringsovereenkomst kunnen afsluiten met een bevoegde verzekeringsonderneming teneinde de door hen te dragen lasten geheel of gedeeltelijk te dekken. In verband met de gesubsidieerde contractuelen circuleren verschillende modellen van overeenkomst van tewerkstelling waarin de tewerkstellende overheid verplicht is een verzekering af te sluiten tegen arbeidsongevallen bij een daartoe gemachtigde verzekeringsmaatschappij. Als bijlage aan het K.B. van 29 oktober 1986 tot uitvoering van het K.B. nr. 474 van 28 oktober 1986 werd een modelovereenkomst gevoegd met een verzekeringsplicht voor de tewerkstellende overheid ten aanzien van gesub-sidieerde contractuelen met een duidelijke verwijzing naar de Arbeidsonge-vallenwet van 10 april
  27. In het model bedoeld bij artikel 2,,§1 van het K.B. van 27 februari 1989 tot uitvoering van de Programmawet van 30 december 1988 is dan weer sprake van een verzekering die alle bij artikel 2 van de Wet van 3 juli 1967 bepaalde risico's op de arbeidsongevallen dekt. Een gelijkaardige formulering vindt men terug in de modellen van tewerkstellingsovereenkomst, gevoegd bij het Besluit van de Vlaamse Executieve van 1 maart 1989, het Besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 16 maart 1989 en het K.B. van 21 juli 1989 tot opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige Openbare Besturen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. In casu werd dergelijke verzekeringsovereenkomst tegen arbeidsongevallen afgesloten op 15 maart 1990, met uitwerking vanaf 1 februari
  28. (cfr. stukken 81-82, inventaris van A.). - Polisnummer 6.550.
  29. - Verzekerde: V.G., I.A.P., Doornveld 1, bus 30 te 1731 Asse (Zellik). - Verzekerd risico: arbeidsongevallen en ongevallen op de weg van het werk. - Het verzekeringscontract is toepasselijk op het "voltallig" personeel van de verzekerde. Er wordt geen enkel voorbehoud gemaakt ten aanzien van een bepaalde groep van het personeel, zoals de gesubsidieerde contrac-tuelen. - Doel van de verzekering: in toepassing van de Arbeidsongevallenwet (Wet van 10 april 1971), heeft deze polis tot doel aan de getroffene of aan zijn rechthebbenden, wanneer alle toekenningsvoorwaarden inderdaad verenigd zijn, de vergoedingen te verlenen waarin voorzien is voor ongevallen overkomen op het werk of op de weg naar en van het werk aan de leden van het personeel van de ondertekenaar, vermeld in de bijzondere voorwaarden. De vergoedingen worden eveneens toegekend voor ongevallen overkomen aan de verzekerden die niet aan de Wet van 10 april 1971 onderworpen zouden zijn voor zover hun wedden en salarissen aan de onderlinge maatschappij meegedeeld werden voor de berekening van de bijdragen. - Bijzondere bepalingen: de verzekeraar (E., voorheen O.) verbindt er zich toe, aan de getroffene of aan zijn rechthebbenden zonder uitzondering of voorbehoud en niettegenstaande ieder vervalbeding, alle vergoedingen die bij de wet zijn vastgesteld, te betalen en dit tot het contract een einde neemt. E. (voorheen O.) kan dan ook niet gevolgd worden wanneer zij beweert dat de verzekeringspolis een polis Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 betreft en dus vreemd is aan onderhavige casus, nu dient vastgesteld te worden dat onder het doel van de verzekering uitdrukkelijk wordt vermeld dat de vergoedingen ook toegekend worden voor ongevallen overkomen aan de verzekerden die niet aan de Wet van 10 april 1971 onderworpen zijn. Uit de stukken 81 en 82, inventaris A. blijkt duidelijk dat het arbeidsongeval haar overkomen op 28 april 1997 gedekt is door de afgesloten verzekeringsovereenkomst tussen E. (voorheen O.) en V.G., I.A.P. Het Openbaar Ministerie vermeldt terecht in het schriftelijk advies (p. 19) dat A. een "belang" heeft om E. (voorheen O.) bij het geding te betrekken, in de zin van art. 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Vermits aangetoond is dat A. een juridisch beschermd recht heeft op het herstel van de door haar geleden schade ingevolge het arbeidsongeval en de verzekeraar, E. (voorheen O.), zich er toe verbonden heeft in de verzekeringspolis het slachtoffer van een arbeidsongeval te vergoeden (ongeacht het rechtstreeks schuldenaarschap van de verzekerde) heeft A. wel degelijk een belang om E. (voorheen O.), bij het geding te betrekken, al was het maar, om bij wijze van bewarende maatregel, het tussen te komen vonnis/arrest te horen gemeen verklaren aan laatstgenoemde. Bovendien dient opgemerkt te worden dat E. (voorheen O.), in haar hoedanigheid van verzekeraar, zonder enig voorbehoud betalingen heeft verricht aan het slachtoffer in het kader van de tijdelijke arbeidsonge-schiktheid, zodat zij hierop niet kan terugkomen zonder de rechtmatige belangen van het slachtoffer te schenden. (cfr. schriftelijk advies Openbaar Ministerie, p.20 - met verwijzing naar Cass. 22 februari 1999, Arr. Cass. 1999, 100). Dit illustreert eveneens dat het stopzetten van de vergoedingen in hoofde van A. een belang opleverde om E. (voorheen O.) in het geding te betrekken. - Met betrekking tot de problematiek van de verjaring oordeelde de Eerste Rechter terecht dat de verjaringstermijn van drie jaar overeenkomstig artikel 20 van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel van 3 juli 1967, tijdig en rechtsgeldig werd gestuit door de schulderkenning door E. (voorheen O.), die vergoedingen tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft uitbetaald tot 30 april 1998, en nadien door de dagvaarding die werd uitgebracht op 17 april
  30. Hierover bestaat er trouwens als dusdanig geen ernstige betwisting meer tussen partijen. - Verder werpt E. (voorheen O.) op dat zij misleid werd door de aangifte van het arbeidsongeval en dat zij de vroegere aanvaarding van het arbeidsongeval steeds kan herroepen, aangezien de Arbeidsongevallenwet van openbare orde is. Het Hof stelt vast dat E. (voorheen O.) niet het bestaan als dusdanig van het arbeidsongeval betwist (plotselinge gebeurtenis - letsel), maar dat zij van mening is dat voor A. (gesubsidieerde contractueel) geen verzekeringsovereenkomst werd afgesloten. Gelet op wat voorafgaat blijkt duidelijk dat V.G. wel een verzekering onderschreef bij E. (voorheen O.) voor het slachtoffer, zodat het standpunt van E. (voorheen O.) niet kan gevolgd worden. In casu staat niet ter discussie dat A. op 23 april 1997 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval. De betwisting tussen partijen betreft de gevolgen van het arbeidsongeval. Gelet op het feit dat het een medische discussie betreft, heeft de Eerste Rechter terecht beslist om een geneesheer - deskundige aan te stellen, alvorens verder recht te doen. Het Hof bevestigt dan ook de in het bestreden vonnis bevolen onderzoeks-maatregel, en verwijst de zaak overeenkomstig art. 1068, lid Ger. W. naar de Eerste Rechter voor de verdere afhandeling van het geschil. Het Hof besluit samen met het Openbaar Ministerie dat het hoger beroep van A. gegrond dient verklaard te worden in zoverre dat haar initiële vordering behoudens gericht tegen E. (voorheen O.) tevens gericht was tegen V.G. en B.S.. De Eerste Rechter heeft dan ook ten onrechte V.G. en B.S. buiten zake gesteld. Het hoger beroep van E. (voorheen O.) is ongegrond, in zoverre het de initiële vordering van A. lastens E. (voorheen O.) ontoelaatbaar, onontvankelijk, verjaard wil horen verklaren. De Eerste Rechter heeft volkomen terecht, alvorens ten gronde uitspraak te doen, een deskundige aangesteld, zodat de bevolen onderzoeksmaatregel dient te worden bevestigd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord en gelezen, het éénsluidend schriftelijk advies van de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, neergelegd op de openbare terechtzitting van 11 april 2005, waarna E. (voorheen O.) tijdig schriftelijk repliceerde op 2 mei 2005, en het Hof de zaak in beraad nam. Het Hof stelt vast dat B.S. laattijdig repliceerde op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie d.d. 25 mei
  31. Recht doende op tegenspraak. Voegt de zaken A.R. 2020428 en A.R. 2020467 samen onder het A.R. nummer
  32. Stelt vast dat V.G. in het geding vertegenwoordigd wordt door de M. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep van A. (A.R. 2020467) gegrond in zoverre dat de initiële vordering, behoudens gericht tegen E. (voorheen O.), tevens gericht is tegen V.G. en B.S.. Verklaart het hoger beroep van E. (voorheen O.) (A.R. 2020428) ongegrond in zoverre het de initiële vordering van A. lastens E. (voorheen O.) ontoelaatbaar, onontvankelijk, verjaard wilde horen verklaren. Hervormt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 30 mei 2002 (A.R. 309.805) in zoverre dat V.G. en B.S. buiten zake werden gesteld. Opnieuw rechtsprekend: Zegt voor recht dat V.G. en B.S. in zake dienen te blijven. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige. Verzendt de zaak, in toepassing van art. 1068, lid 2 Ger.W. naar de Arbeidsrechtbank te Antwerpen voor de verdere afhandeling van het geschil. Verwijst V.G., de tewerkstellende overheid, in de kosten van het hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van A. op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van B.S. op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding. Laat de kosten aan de zijde van E. (voorheen O.) onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van DERTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050613.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.