id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050615.29 Rolnummer: 2004-0604 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 289 - laatst gezien 2026-07-04 14:40 Fiche Bij het vaststellen van de opzeggingstermijn die de werkgever in acht had moeten nemen dient de rechter enkel rekening te houden met omstandigheden die bestonden op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag in zoverre deze omstandigheden de voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden beïnvloeden. Bijgevolg moet geen rekening worden gehouden met de tekortkomingen van de werknemer, met de door de werknemer genoten loopbaanonderbreking en de vrijstelling van prestaties tijdens de opzeggingstermijn. Nu de slechte economische conjunctuur een element is dat de kansen op wedertewerkstelling van de bediende eerder negatief beïnvloedt, kan dit element geen rechtvaardiging vormen voor het toekennen van een termijn die lager is dan de termijn die de bediende geacht wordt nodig te hebben om een nieuwe, gelijkwaardige betrekking te vinden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Bedienden Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - bedienden - opzeggingstermijn bedienden - criteria Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 3 - blz. 167-168 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ___________________ ARREST A.R. 2040604 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF N.V. B., appellante, vertegenwoordigd door mr. F. DE KETELAERE, loco mr. B. LETERME en mr. W. DERVEAUX, advocaten te Kortrijk, tegen : J. T., geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer E. Massé, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 18 mei
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 6 september 2004 en 18 mei
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 mei 2003 bij verstek gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het eensluidend verklaard afschrift van het op 9 juni 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 augustus 2004; * de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 1 oktober 2004 voor de heer T. en op 20 januari 2005 voor de N.V. B., hierna de N.V. genoemd; * de beschikking d.d. 4 februari 2005 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; * de verbeterende beschikking d.d. 22 februari
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 10 april 2003, vorderde de heer T. de veroordeling van de N.V. tot betaling van 6.725,20 EUR bruto opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Bij verstekvonnis van 12 mei 2003 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gegrond. De N.V. werd veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, voor zover deze verschuldigd zijn, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 17 oktober 2002 en met de gerechtelijke intresten vanaf 10 april 2003, intresten te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van de toegekende vergoeding. De eerste rechters veroordeelden de N.V. eveneens tot de kosten van het geding en bevalen de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis. Met proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 15 september 2003 werd verzet aangetekend tegen het verstekvonnis van 12 mei
- Bij bestreden vonnis van 9 juni 2004 verklaarden de eerste rechters het verzet ontvankelijk doch ongegrond en bevestigden zij het verstekvonnis van 12 mei
- III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de N.V. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren en de heer T. te veroordelen tot de kosten van het geding. Bij conclusie van 1 oktober 2004 vordert de heer T. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de N.V. te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer T. is in dienst getreden van de N.V. op 10 januari 1994, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als depothouder. In juni 2000 onderbrak de heer T. zijn loopbaan, voor een periode van twee jaar. Hij hervatte zijn werkzaamheden in juli
- Met een aangetekende brief van 9 oktober 2002 betekende de N.V. een opzeggingstermijn aan de heer T. van 6 maanden, ingaand op 1 november
- Op 17 oktober 2002 deelde de N.V. aan de heer T. mee dat hij zijn opzeggingstermijn niet diende te presteren en dat hem een opzeggingsvergoeding zou worden uitbetaald.
- De beoordeling Tussen partijen bestaat kennelijk geen betwisting over het feit dat het jaarsalaris van de heer T., dat in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn en de overeenstemmende opzeggingsvergoeding, 26.900,82 EUR bedroeg, wat meer is dan de in artikel 82, §2 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde jaargrens. Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen is het, overeenkomstig het bepaalde in §3 van diezelfde bepaling, de rechter die de opzeggingstermijn moet vaststellen die de N.V. in acht had moeten nemen. Deze termijn moet door de rechter worden bepaald met inachtneming van de op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag voor de heer T. bestaande kans om spoedig een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd ( 32 jaar 5 maanden), zijn functie en zijn loon, naar gelang van de elementen eigen aan de zaak. (vgl. Cass., 2 december 2002, http://www.cass.be S020060N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7; Cass., 4 februari 1991, Pas, I, 536) Bij het vaststellen van die opzeggingstermijn dient de rechter echter enkel rekening te houden met omstandigheden die bestonden op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag, in zoverre deze omstandigheden de voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden, beïnvloeden. (vgl. Cass., 3 februari 2003, http://www.cass.be S020090N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10; Cass., 6 november 1989, Pas., 1990, 322) Aldus mag bijvoorbeeld geen rekening worden gehouden met de door de werkgever ingeroepen tekortkomingen van de bediende, nu deze niet van aard zijn om zijn wedertewerkstellingskansen te beïnvloeden. (vgl. Cass., 22 juni 1977, Arr. Cass., 1977, 1092 ; Cass., 23 februari 1987, Pas., 1987, I, 753) Het feit dat de heer T. zijn loopbaan gedurende twee jaar heeft onderbroken is geen element dat van aard is om zijn wedertewerkstellingskansen te beïnvloeden, net zomin als de door de N.V. ingeroepen tekortkomingen en het gebrek aan motivatie. Evenmin kan rekening worden gehouden met het feit dat de heer T. zijn opzeggingstermijn niet diende te presteren. De ingeroepen vrijstelling van prestaties is immers een element dat zich situeerde na de kennisgeving van het ontslag, zodat hiermee alleen al om die reden geen rekening mag worden gehouden voor het bepalen van de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn. Daarentegen is de economische conjunctuur op het ogenblik van het ontslag uiteraard wel een element dat in aanmerking moet worden genomen, nu deze mede bepalend is voor de kansen van de heer T. op een spoedige wedertewerkstelling in een gelijkwaardige functie. Anders dan de N.V. is het Hof evenwel van oordeel dat een slechte economische conjunctuur deze kansen eerder negatief beïnvloedt en zeker geen rechtvaardiging kan vormen voor het toekennen van een opzeggingstermijn die lager is dan de termijn die de heer T. geacht wordt nodig te hebben voor het vinden van een nieuwe, gelijkwaardige betrekking. Mits de juiste waarde toe te kennen aan hoger genoemde, relevante elementen beslisten de eerste rechters op goede gronden dat de N.V. een opzeggingstermijn van 9 maanden in acht had moeten nemen, zodat evenzeer terecht aan de heer T. een aanvullende opzeggingsvergoeding van 6.725, 20 EUR werd toegekend. Het hoeft geen betoog dat het Hof zich daarbij niet heeft laten leiden door bepaalde formules die in dit kader in de rechtsleer werden uitgewerkt, maar dat de normaal door de N.V. in acht te nemen opzeggingstermijn in concreto werd bepaald, aan de hand van de in dit dossier relevante elementen, zoals hiervoor aangegeven. Het hoger beroep is bijgevolg niet gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 9 juni
- Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de N.V. Vereffent deze aan de zijde van de N.V. op 285,57 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Vereffent deze aan de zijde van de heer T. op nihil. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vijftien juni tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren : mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer H. CLOOSTERMANS, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 15 juni 2005 door mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, die de Eerste Voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger. W.) om de heer W. DEBACKER, plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken, als werkgever, artikelen 383 par. 2 en 390 Ger. W., die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (artikel 779 Ger. W.), de heer S. HENS, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050615.29 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div