← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.4 Rolnummer: 2003-0528 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 272 - laatst gezien 2026-07-03 13:19 Fiche Het ontslag gegeven omwille van de weigering van de arbeider om de volgende dag te komen werken is niet willekeurig, zelfs niet wanneer die weigering niet foutief was. De vaststelling dat artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet niet volstaat om het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden te compenseren wat te duur van de opzeggingstermijnen betreft, kan niet leiden tot de vaststelling dat dit artikel 63 een voor de arbeiders discriminerende bepaling is. Niet willekeurig ontslag kan misbruik van ontslagrecht uitmaken waarvoor een schadevergoeding kan worden toegekend, in deze ex aequo et bono begroot op 6.197,34 EUR. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . WERKLIEDEN Einde van de overeenkomst - willekeurige afdanking - willekeurig ontslag - ongelijke behandeling van arbeiders en bedienden - misbruik van ontslagrecht Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 63 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00003,P.177-179) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Derde kamer Arbeidsovereenkomst voor werklieden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030528 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF B.V.B.A. met zetel gevestigd te appellante, incidenteel geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. Ph. BERNAERTS, advocaat te Antwerpen, tegen : J. V. N., wonende in geïntimeerde, incidenteel appellant vertegenwoordigd door mevr. I. CUYVERS, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie met volmacht. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 24 mei

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 oktober 2003, 24 mei 2004, 12 november 2004 en 25 mei
  2. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 15 november 2001 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het eensluidend verklaard afschrift van het op 30 april 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 22 augustus 2003; x de conclusie van de heer J.V.N. ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 januari 2004 en waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld; x de conclusie van de B.V.B.A., hierna genoemd de B.V.B.A., ontvangen ter griffie van dit Hof op 3 maart 2004; x de beschikking d.d. 22 maart 2004 overeenkomstig artikel 747 ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 12 november 1999, vorderde J.V.N. de veroordeling van de B.V.B.A. tot betaling van: - 452.816 BEF vergoeding wegens willekeurige afdanking - 250.000 BEF schadevergoeding wegens rechtsmisbruik, te vermeerderen met de wettelijke intresten, de verwijl- minstens de vergoedende intresten vanaf 4 augustus 1999, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Bij bestreden vonnis van 15 november 2001 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk doch, alvorens recht te spreken over de grond van de zaak, werd aan partijen toegelaten om met getuigen het bewijs te leveren van een aantal feiten. Bij bestreden vonnis van 30 april 2003 verklaarden de eerste rechters de vordering gedeeltelijk gegrond en veroordeelden zij de B.V.B.A. tot betaling van 6.197,34 EUR vergoeding wegens rechtsmisbruik, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen, in zoverre verschuldigd, en te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op het netto opeisbaar gedeelte van dit bedrag en de kosten. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de B.V.B.A. strekt ertoe de bestreden vonnissen te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer J.V.N. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van het geding. Bij conclusie van 5 januari 2004 vordert de heer J.V.N. het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het vonnis te bevestigen voor wat reeds werd toegekend. Tevens stelt hij incidenteel beroep in dat ertoe strekt de B.V.B.A. te veroordelen tot betaling van 11.225,02 EUR vergoeding willekeurig ontslag, te vermeerderen met de wettelijke intresten, de verwijl- minstens de vergoedende intresten vanaf 4 augustus 1999, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vordert de heer J.V.N., voor zoveel als nodig en vooraleer verder recht te spreken, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt artikel 63 van de wet d.d. 3.7.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, althans in de interpretatie eraan gegeven door het Hof van Cassatie, m.n. 'dat het ontslag om redenen die betrekking hebben op het gedrag van de werknemer niet willekeurig is, zelfs als dat gedrag niet foutief is', de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat - waar deze bepaling deel uitmaakt van die maatregelen, die de wetgever bedoeld heeft om de aan de arbeiders en bedienden toegekende niveaus van bescherming tegen ontslagen dichter bij elkaar te brengen en de in se bezwaarlijk objectief en redelijk te noemen verschillen tussen arbeiders en bedienden wat betreft de waarborgen die aan de enen en de anderen inzake ontslag worden toegekend, geleidelijk aan te verminderen - volgens deze interpretatie een bewezen neutraal, niet laakbaar gedrag van de arbeider volstaat om hem deze waarborg te ontzeggen, terwijl voor de bediende eenzelfde neutraal, niet laakbaar gedrag in het geheel geen afbreuk vermag te doen aan diens recht op de langere opzeggingstermijn?" IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  3. De feiten Op basis van de neergelegde stukken, de verklaringen afgelegd door de getuigen gehoord in uitvoering van het vonnis van 15 november 2001 en de niet betwiste feitelijke elementen, verstrekt door partijen in conclusies, aanvaardt het Hof de volgende relevante feiten als bewezen: De heer J.V.N. is in dienst getreden van de B.V.B.A. op 15 juni 1998, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als schilder. Op 26 juli 1999 werd in een sporttas het verminkte lijk van een Roemeens jongetje aangetroffen, een zwervertje, dat illegaal in België verbleef. De heer J.V.N. en zijn echtgenote hadden reeds geruime tijd een hechte band met dit kind en hadden de bedoeling om het te adopteren. Na hun terugkeer uit vakantie vernamen de heer J.V.N. en zijn echtgenote de gruwelijke moord op het jongetje en op 1 augustus 1999 werden zij ondervraagd door de politie. De hoofdinspecteur die deze ondervraging leidde, stelde vast dat de heer J.V.N. en zijn echtgenote "in shock en volledig van de kaart" waren ingevolge het gebeuren, zodat hen slachtofferhulp werd aangeboden, hulp die door hen ook werd aanvaard. De heer J.V.N. diende normaal zijn werkzaamheden te hervatten na het einde van het bouwverlof, met name op 3 augustus
  4. De avond van 2 augustus 1999 nam de heer J.V.N. twee maal telefonisch contact op met de zaakvoerder van de B.V.B.A. Tijdens die gesprekken vroeg hij toelating om op 3 augustus een dag verlof te nemen. De heer J.V.N. heeft daarbij gesproken over de moord op het jongetje, over het feit dat hij dit kind kende en over het feit dat hij aangegrepen was door de gebeurtenissen. De zaakvoerder weigerde het gevraagde verlof toe te staan, met als motief dat het werk zulks niet toeliet en dat het overleden kind geen familielid van de heer J.V.N. was. De heer J.V.N. heeft vervolgens medegedeeld dat hij niettemin op 3 augustus 1999 niet zou komen werken, heeft de firmawagen teruggebracht en heeft bij die gelegenheid het handgeschreven briefje in de brievenbus gedeponeerd, dat als stuk 8 door de B.V.B.A. wordt neergelegd. Op 3 augustus 1999 verscheen de heer J.V.N. niet op het werk. Diezelfde dag, om 18 u 10 werd met gerechtsdeurwaardersexploot een brief van de B.V.B.A. aan de heer J.V.N. betekend, waarin hem zijn onmiddellijk ontslag werd betekend, met betaling van een opzeggingsvergoeding. Diezelfde avond heeft de heer J.V.N. zich aangeboden op het spreekuur van zijn huisarts, die een medisch attest afleverde waarin wordt bevestigd dat de heer J.V.N. die dag arbeidsongeschikt was wegens ziekte. Het medisch attest werd vervolgens overgemaakt aan de B.V.B.A.
  5. De beoordeling 2.
  6. Willekeurig ontslag Het wordt niet betwist en het is ook niet voor ernstige betwisting vatbaar, dat de heer J.V.N. werd ontslagen omdat hij tijdens de telefonische gesprekken met de zaakvoerder van de B.V.B.A. op 2 augustus 1999 verklaarde de daaropvolgende dag niet te zullen komen werken, niettegenstaande de weigering van de zaakvoerder om voor die dag verlof toe te staan en omdat hij de daaropvolgende dag ook effectief afwezig was. Zoals zeer juist werd overwogen door de eerste rechters werd het ontslag bijgevolg gegeven om redenen die verband hielden met het gedrag van de heer J.V.N., in de zin van artikel 63, eerste lid Arbeidsovereenkomstenwet. Het is bijgevolg evenzeer terecht dat de vordering in betaling van de in artikel 63, derde lid Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde vergoeding ongegrond werd verklaard. Dat het gedrag van de heer J.V.N. niet als een fout kan worden gekwalificeerd, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Het volstaat immers vast te stellen dat het door de werkgever gegeven ontslag verband houdt met het gedrag van de werkman, zelfs als dat gedrag niet foutief is. ( zie Cass., 17 februari 1992, R.W., 1992-93, 124; Cass., 6 juni 1994, R.W. 1994-95, 996; Cass., 22 januari 1996, R.W., 1996-97) Het door de heer J.V.N. in dit kader ingeroepen "tekstargument" kan niet overtuigen. De wetgever heeft immers in het eerste lid van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet de generieke term "gedrag" gehanteerd, zonder bijkomende beperkingen of vereisten te stellen aan dit gedrag, zoals hij ook de generieke term "geschiktheid" heeft gebruikt. Door het niet willekeurig ontslag om redenen die verband houden met het gedrag of de geschiktheid van de werkman te beperken tot het ontslag dat berust op het foutief of laakbaar gedrag van de werkman of op zijn ongeschiktheid voor het uitvoeren van zijn taak, voegt de heer J.V.N. voorwaarden aan deze bepaling toe, die daarin niet terug te vinden zijn. Tevergeefs ook meent de heer J.V.N. een argument te kunnen putten uit de ongelijke behandeling van arbeiders en bedienden, met name wat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betreft. De heer J.V.N. doet in dit verband gelden dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden wat de opzeggingsregeling betreft, niet objectief en redelijk verantwoord is en enkel vanuit een historisch perspectief en in het licht van de geleidelijke toenadering van de beide stelsels de grondwettigheidstoets ( artn. 10 en 11) kan doorstaan. De heer J.V.N. wijst er vervolgens op dat de wetgever met de invoering van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet beoogde een maatregel te nemen om de aan de arbeiders en bedienden toegekende niveaus van bescherming tegen ontslag dichter bij elkaar te brengen. Nog steeds volgens de heer J.V.N. ondergraaft de door dit Hof bijgetreden interpretatie van de term "gedrag" het "compensatoir karakter" van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet en wordt daardoor het ongeoorloofd onderscheid tussen de opzeggingsregelingen voor arbeiders en bedienden bestendigd en versterkt. Deze als "eng" omschreven interpretatie van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet leidt er volgens de heer J.V.N. toe dat de arbeider die zich schuldig maakt aan niet foutief/laakbaar gedrag enkel recht heeft op de in beginsel kortere opzeggingstermijn/lagere opzeggingsvergoeding, terwijl de in dezelfde omstandigheden ontslagen bediende recht heeft op een langere opzeggingstermijn/ hogere opzeggingsvergoeding. Omwille van deze motieven verzoekt de heer J.V.N. het Hof, in ondergeschikte orde en alvorens ten gronde te beslissen, aan het Arbitragehof de hiervoor vermelde prejudiciële vraag te stellen. Om de hierna vermelde redenen moet op dit verzoek niet worden ingegaan. Artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet verleent aan de arbeiders, tewerkgesteld in het kader van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, een bijzondere bescherming tegen bepaalde vormen van misbruik van ontslagrecht. Kenmerkend voor deze bescherming is de omkering van de gemeenrechtelijke bewijslastverdeling en het forfaitair karakter van de schadevergoeding. Het is inderdaad de werkgever die het bewijs moet leveren dat het ontslag verband houdt met een van de toegelaten ontslagmotieven en wanneer geen dergelijk motief wordt bewezen, heeft de arbeider recht op een schadevergoeding gelijk aan 6 maanden loon, zonder het bewijs te moeten leveren van het bestaan en de omvang van de ingevolge het willekeurig karakter van het ontslag geleden schade. Deze regeling werd door de wetgever uitsluitend voorbehouden aan arbeiders met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Alle andere werknemers, dus ook de bedienden, kunnen slechts aanspraak maken op de betaling van een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, wanneer zij het bewijs leveren dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan een kennelijk onredelijke uitoefening van het ontslagrecht. Bovendien moeten zij het bewijs leveren van het bestaan en de omvang van de schade die zij als gevolg van dit misbruik hebben geleden, schade die moet verschillen van de schade die op forfaitaire wijze wordt vergoed door de in artikel 39 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde opzeggingsvergoeding. In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat de opzeggingsvergoeding op forfaitaire wijze alle schade dekt die uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit, zowel de materiële als de morele, terwijl de vergoeding wegens rechtsmisbruik buitengewone schade dekt die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf. (vgl. Cass., 7 mei 2001, S.00.0047.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6, http://www.cass.be) Zoals hierna sub 2.
  7. zal worden uiteengezet, doet het bepaalde in artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een arbeider om, in overeenstemming met de hiervoor vermelde principes, een vergoeding te bekomen voor de bewezen, werkelijk geleden schade als gevolg van misbruik van ontslagrecht wanneer de werkgever het bewijs kan leveren dat het ontslag werd gegeven omwille van de in het eerste lid van die bepaling bedoelde redenen. Artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet is bijgevolg zonder enige twijfel een gunstiger, van het gemeen recht afwijkende regeling in het voordeel van de arbeiders met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarvan andere werknemers en met name bedienden verstoken blijven. Het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden dat uit artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet resulteert, werd door het Arbitragehof in zijn arrest van 21 juni 2001 (nr.84/2001, R.W. 2001-02, 272) geoorloofd geacht. Het Arbitragehof verantwoordde zijn beslissing door er op te wijzen dat de wetgever met de invoering van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet beoogde "om de niveaus van bescherming geleidelijk dichter bij elkaar te brengen : verre van een ongelijkheid tot stand te brengen, heeft de wetgever, inzake vastheid van betrekking, enkel een verschil in behandeling doorgevoerd vanuit de bekommernis om een ander verschil in behandeling te compenseren, namelijk dat inzake de opzeggingstermijn, dat de bedienden bevoorrecht." De vaststelling dat artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet, in de door dit Hof bijgetreden interpretatie, niet volstaat om bedoeld verschil in behandeling inzake de opzeggingstermijnen te compenseren, doet geen afbreuk aan het voorgaande en zou - bij hypothese- enkel kunnen leiden tot de vaststelling dat het verschil in behandeling van arbeiders en bedienden, wat de opzeggingstermijn betreft, niet geoorloofd is. De vordering van de heer J.V.N. strekt evenwel niet tot betaling van een opzeggingsvergoeding, maar tot betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag. De opzeggingsvergoeding en de vergoeding wegens willekeurig ontslag zijn wezenlijk verschillende vergoedingen en strekken elk tot vergoeding van een onderscheiden schade. De vergoeding wegens willekeurig ontslag wordt, in tegenstelling tot de opzeggingsvergoeding, niet beïnvloed door de duur van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn. De vraag naar het geoorloofd karakter van het verschil in behandeling van arbeiders en bedienden wat de opzeggingstermijnen betreft, is in deze zaak dan ook niet aan de orde. Deze vraag werd overigens reeds aan het Arbitragehof voorgelegd en resulteerde in het arrest van 8 juli 1993 (nr. 56/93, R.W. 1993-94,322) waarin het Arbitragehof besliste dat de artikelen 56 en 82 Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 6 en 6 bis (thans10 en 11) van de Grondwet niet schenden, in zoverre zij een verschillende termijn vaststellen voor de opzegging gegeven respectievelijk aan een werkman en een bediende die dezelfde anciënniteit als werknemer hebben. Nu het door de heer J.V.N. aangeklaagde verschil in behandeling klaarblijkelijk niet zijn oorsprong vindt in artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet moet het Hof niet ingaan op het door de heer J.V.N. geformuleerde verzoek om desbetreffend een vraag te stellen aan het Arbitragehof. Het ontgaat dit Hof ten andere volkomen hoe -bij hypothese- een positief antwoord op de gestelde vraag zou kunnen resulteren in het toekennen aan de heer J.V.N. van de gevorderde vergoeding wegens willekeurig ontslag, vergoeding waarop ook de ter vergelijking aangevoerde "bediende die werd ontslagen wegens bewezen neutraal, niet laakbaar gedrag "geen aanspraak kan maken. Het incidenteel beroep is bijgevolg niet gegrond. 2.
  8. Misbruik van ontslagrecht Artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet sanctioneert de willekeurige uitoefening door de werkgever van zijn ontslagrecht, waarbij willekeurig ontslag werd gedefinieerd als het ontslag dat geen verband houdt met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of met de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst. Deze bepaling viseert bijgevolg niet elke vorm van kennelijk onredelijk gedrag bij de uitoefening van het ontslagrecht. De vaststelling dat het gegeven ontslag niet willekeurig is, in de zin van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet, sluit dan ook geenszins uit dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan andere vormen van misbruik van ontslagrecht en er is geen enkele wettelijke bepaling die aan de niet willekeurig ontslagen arbeider het recht ontzegt op vergoeding van de ingevolge dergelijk misbruik geleden schade. Om aanspraak te kunnen maken op een dergelijke vergoeding moet de heer J.V.N. het bewijs leveren dat de B.V.B.A. bij de uitoefening van haar ontslagrecht heeft gehandeld op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een redelijke en voorzichtige werkgever, geplaatst in dezelfde omstandigheden en van het feit dat hij hierdoor een schade heeft geleden die verschilt van de schade die op forfaitaire wijze wordt vergoed door de opzeggingsvergoeding. Samen met de eerste rechters is het Hof van oordeel dat de B.V.B.A. in deze zaak volstrekt onredelijk heeft gehandeld en dat zij tevens blijk heeft gegeven van een ongehoorde onverschilligheid voor het verdriet en de ontreddering van de heer J.V.N. als gevolg van de moord op het eerder genoemde jongetje. Hoewel het Hof aanvaardt dat de heer J.V.N. op 2 augustus 1999 verlof heeft gevraagd voor 3 augustus 1999 en daarbij nooit expliciet heeft vermeld dat hij arbeidsongeschikt was, moest de B.V.B.A. zich er toch van bewust zijn dat van de heer J.V.N. redelijkerwijze niet kon en mocht worden verwacht dat hij op 3 augustus 1999 het werk zou hervatten. Elk normaal en derhalve niet van enig medeleven verstoken mens, zou zich realiseren dat het nieuws over de moord op het jongetje de heer J.V.N. en zijn echtgenote enorm had aangegrepen en dat deze mensen uiteraard dermate geschokt en ontredderd waren dat zij de eerste dagen niet meer normaal konden functioneren. Het Hof wenst er in dit verband nogmaals aan te herinneren dat niet ter discussie staat dat de B.V.B.A. op de hoogte was van de moord en van het feit dat het een kind betrof waarmee de heer J.V.N. en zijn echtgenote een bijzondere band hadden. De heer J.V.N. had ten andere in zijn handgeschreven briefje dat hij de avond van 2 augustus 1999 in de brievenbus had gedeponeerd uitdrukkelijk vermeld dat hij en zijn vriendin (thans echtgenote) "zowat in shock-toestand" waren. Het ontslag dat vervolgens werd gegeven als represaille omdat de heer J.V.N., zoals aangekondigd, niet op het werk verscheen is dan ook kennelijk onredelijk en naar het oordeel van het Hof zou geen enkel normaal, redelijk werkgever in dezelfde omstandigheden zijn overgegaan tot ontslag. Dat de heer J.V.N. op 3 augustus 1999 niet of moeilijk kon gemist worden op het werk doet geen afbreuk aan het voorgaande. Dit onmiddellijke, brutale ontslag moet mede gelet op de context voor de heer J.V.N. bijzonder pijnlijk zijn geweest en heeft ongetwijfeld een bijzonder moreel leed veroorzaakt, dat verschilt van de morele schade die op forfaitaire wijze wordt vergoed door de hem toegekende opzeggingsvergoeding. Dergelijk leed kan uit zijn aard onmogelijk exact worden becijferd, zodat uitspraak moet worden gedaan in redelijkheid en naar billijkheid. Ook wat dit punt betreft kan het Hof de eerste rechters volledig bijtreden waar zij ex aequo et bono een schadevergoeding van 6.197,34 EUR hebben toegekend. Het hoger beroep is bijgevolg niet gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Bevestigt de bestreden vonnissen van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 15 november 2001 en 30 april
  9. Veroordeelt de B.V.B.A. in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van de B.V.B.A. op 55,77 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van J.V.N. op nihil. Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 22 juni 2005, PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.