id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.6 Rolnummer: 1995-0923 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-01 03:21 Fiche Zij die onder het toepassingsgebied van de E.G.-Verordening 1408/71 vallen, hebben recht op de meest doeltreffende medische verzorging die mogelijk is binnen de Europese Gemeenschap. De doeltreffendheid van die verzorging is beslissend voor het geven van de toelating voor een behandeling in een andere lidstaat door het College van Geneesheren-directeurs van het RIZIV. De Minnesota-methode die op de behandeling van toxicomanie een heel aparte visie heeft en ten tijde van de drugverslaving van betrokkene enkel in Groot-Brittanië werd toegepast, kan beschouwd worden als de meest doeltreffende behandelingswijze voor betrokkene bij wie alle andere in België toegepaste ontwenningskuren geen resultaat hebben opgeleverd. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN verordening 14058/71 - ziekte- en invaliditeit - aanvraag tot tussenkomst in de kosten van een behandeling tegen drugverslaving in het buitenland - toepassing Europese wetgeving. Wettelijke bepalingen: Varia - 14-06-1971 - 22,lid1,c - 01 Link Justel databank 19710614-01 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00008,P.480-482) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 950923 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak van: het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, gevestigd te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, appellant, vertegenwoordigd door mr. L. H., advocaat te Antwerpen, tegen: 1. de heer E.R., en 2. de heer C.R., persoonlijk aanwezig ter zitting, geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door mr. S. V. D. H., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 3 januari 1996, 27 september 1996, 14 december 2004, 21 december 2004, 19 april 2005, 3 mei 2005 en 18 mei 2005. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 20 oktober 1995 uitgesproken door de zevende kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 25 oktober 1995; x het verzoekschrift tot hoger beroep, op 23 november 1995 neergelegd ter griffie van dit Hof en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 24 november 1995; x de conclusies voor het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 april 1996; x de tweede conclusies voor het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsver-zekering, ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 april 1996; x de conclusies voor E.R. en C.R., neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 juli 2001; x de derde conclusies voor het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 oktober 2001; x de syntheseconclusies voor het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 oktober 2002; x de syntheseconclusies voor E.R. en C.R., neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 september 2004; x de aanvullende conclusies na syntheseconclusies voor E.R. en C.R., neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 april 2005; x het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter buitengewone zitting van 18 mei 2005, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 19 mei 2005. Partijen worden gehoord op de openbare terechtzitting van 19 april 2005. 1. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 november 1995, tekende het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering hoger beroep aan tegen een vonnis van 20 oktober 1995 (A.R. 246.909) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij ge-rechtsbrief op 25 oktober 1995. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk. 2. Feiten en voorafgaande procedure C.R. was eind jaren tachtig en begin jaren negentig zwaar toxicomaan. Hij was verslaafd aan een heel scala van drugs, zoals LSD, speed, cocaïne, heroïne, extasy, kalmeermiddelen en alcohol. Hij vertoefde meermaals in de psychiatrische afdeling van ziekenhuizen. Hij onderging vergeefs verschillende behandelingen, onder meer met methadon, om aan zijn verslaving te ontkomen. In 1993 ondernam hij een zelfmoordpoging door uit het raam van de derde verdieping te springen. In hun gedreven zoektocht naar een adequate behandeling kwamen de ouders van C.R. uiteindelijk in contact met de Minnesota-methode, die op toxicomanie een heel eigen en aparte visie heeft. Deze behandeling, die in de betwiste periode niet toegepast werd in België, greep plaats in Groot-Brittannië in een door de overheid erkend gespecialiseerd centrum. Op 3 maart 1994 diende E.R., vader van C.R., via de Landsbond van liberale mutualiteiten, bij het College van geneesheren-directeurs van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een aanvraag in tot ten laste neming van de revalidatiekosten in het buitenland voor behandeling van de toxicomanie van C.R. voor de periode van 1 september 1993 tot en met 31 augustus 1994 in de inrichting W. C. S. te W.-s.-M. (Groot-Brittannië). De adviserende geneesheer adviseerde de aanvraag gunstig. In strijd met dit advies nam het College van geneesheren-directeurs een ongun-stige beslissing op 16 maart 1994. Deze werd op 22 april 1994 betekend aan de Landsbond van liberale mutualiteiten. Het College was van oordeel dat er mo-gelijkheden van behandeling in België bestonden. E.R. tekende hiertegen verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 18 mei 1994. In haar vonnis van 20 oktober 1995 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigde de beslissing van het College van genees-heren-directeurs van het Rijksinstituut voor ziekteen invaliditeitsverzekering en, opnieuw beslissend, zegde voor recht dat E.R. gerechtigd was op een verzekeringstegemoetkoming met betrekking tot de revalidatie van C. R. in de periode van 1 september 1993 tot 31 augustus 1994 in de inrichting W. C. S. in Groot-Brittannië. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering tekende tegen dit vonnis verhaal aan met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Ar-beidshof op 23 november 1995. Het hoger beroep is gericht tegen zowel C.R. als E.R. De Minnesota-metode verliep succesvol en C.R. is volledig drugsvrij sedert 1995 tot op heden. 3. Eisen in hoger beroep Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen, de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing van het College van geneesheren-directeurs van het Rijksinstituut voor ziekteen invaliditeitsverzekering te bevestigen. E.R. en C.R. vragen het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen. Er bestaat, terecht, geen betwisting over dat E.R. zowel over een hoedanigheid als over een belang beschikte tot het instellen van de oorspronkelijke vordering. 4. Ten gronde Artikel 22 van de E.G.-verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 bepaalt wat hierna volgt. 1. De werknemer of zelfstandige die aan de door de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, en:
- a)wiens toestand het nodig maakt dat onmiddellijk prestaties worden ver-leend gedurende het verblijf op het grondgebied van een andere lidstaat, of
- b)die, nadat hij voor rekening van het bevoegde orgaan in het genot van prestaties is gesteld, van dit orgaan toestemming heeft ontvangen om terug te keren naar het grondgebied van de lidstaat, waarop hij woont, dan wel om zijn woonplaats naar het grondgebied van een andere lidstaat over te brengen, of
- c)die van het bevoegde orgaan toestemming heeft ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven ten einde aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan, heeft recht op:
- i)verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woon- of verblijfplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze werknemer of zelfstandige bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten; het tijdvak gedurende hetwelk de verstrekkingen worden verleend, wordt evenwel bepaald door de wettelijke regeling van de bevoegde Staat;
- ii)uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woon- of verblijfplaats kunnen deze uitkeringen evenwel door laatstbedoeld orgaan voor rekening van het eerstbedoelde worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat. 2. De op grond van lid 1, onder b), vereiste toestemming mag slechts worden geweigerd wanneer is vastgesteld dat de verplaatsing van de betrokkene nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van de geneeskundige behandeling. De op grond van lid 1, onder c), vereiste toestemming mag niet worden geweigerd wanneer de desbetreffende behandeling behoort tot de prestaties waarin de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokkene woont voorziet, en bedoelde behandeling hem, gelet op zijn gezondheidstoestand van dat moment en het te verwachten ziekteverloop, niet kan worden gegeven binnen de termijn die gewoonlijk nodig is voor de desbetreffende behandeling in de lidstaat waar hij woont. Samen met het openbaar ministerie is het Hof van mening dat uit de bewoordingen "een voor zijn gezondheidstoestand passende behandeling" van artikel 22, eerste lid, c), van de E.G.-verordening nr. 1408/71, volgt dat de verstrekkingen, waarvoor aan de betrokkene overeenkomstig deze bepaling toestemming is verleend om zich naar een andere lidstaat te begeven, zich uitstrekken tot alle behandelingen die een doeltreffende therapie kunnen waarborgen van de ziekte of aandoening waaraan de betrokkene lijdt. In dit kader is het van geen belang of de verstrekkingen, die de betrokkene nodig heeft, kunnen worden verleend op het grondgebied van de lidstaat waar hij woont. Het enkele feit dat deze verstrekkingen overeenkomen met een voor de gezondheidstoestand passender behandeling is beslissend voor het geven van de toestemming zoals bedoeld in artikel 22, eerste lid, c). De notie "verstrekkingen welke voor rekening van het bevoegde orgaan van de woon- of verblijfplaats worden verleend" heeft niet alleen betrekking op de door de lidstaat van de woonplaats verleende verstrekkingen, maar ook op de verstrekkingen die het bevoegde orgaan kan verlenen. (A.v.J., 16 maart 1978, nr. C-117/77 (PIERIK), Jur. H.v.J., 1978, 825, r.o. 15-16 en 21). De verplichting vervat in artikel 22, tweede lid, van dezelfde E.G.-verordening, om de in het eerste lid, c), vereiste toestemming te geven, strekt zich zowel uit tot het geval waarin de in een andere lidstaat gegeven behandeling doeltreffender is dan de behandeling die men in de lidstaat waar men woont kan krijgen, als tot het geval waarin de bewuste behandeling niet op het grondgebied van de woonstaat kan worden gegeven. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat degenen, die onder het werkingsveld van de E.G.-verordening 1408/71 vallen, recht hebben op de meest doeltreffende medische verzorging die mogelijk is binnen de Europese Gemeenschap, en dat de efficiëntie van die verzorging beslissend is voor het geven van de toelating voor een behandeling in een andere lidstaat door het College van geneesheren-directeurs van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De patiënt heeft immers steeds het recht om in het kader van de E.G.-verordening nr. 1408/71 in een andere lidstaat op zoek te gaan naar een passender medische behandeling voor zijn aandoening. (H.v.J., 31 mei 1979, zaak C-182/78 (PIERIK Ir), Jur. H.v.J., 1979, 1977, 12-13. H.v.J., 13 mei 2003, zaak C-385/99, (M)LLER-FAURE), Jur. 2003, 1-04509. H.v.J., 23 oktober 2003, zaak C-56 01 (INIZAN), onuitg. H.v.J., 18 maart 2004, zaak 8/02, (LEICHTLE), onuitg. Uitdrukking gebruikt door Advocaat-generaal TESAURO in zijn conclusies bij de zaken DECKER en KOHLL, H.v.J. 28 april 1998, nrs. C-120 95 en C-158 96, Jur. H.v.J., 1998, 1, 1831). Zoals de eerste rechter reeds stelde blijkt uit de stukken dat C. R. de in België beschikbare mogelijkheden van verzorging en revalidatie uitputte om een einde te stellen aan zijn verslaving. Desondanks herviel hij, telkenmale, ondanks zijn goede wil, en verergerde zelfs zijn toxicomanie. Zo was hij gedurende jaren in behandeling bij de geneesheren-specialisten dr. E. en dr. L., was hij opgenomen in de psychiatrie en was hij in therapie bij dr.-psychiater B. Geen enkele behandeling in België leverde positieve resultaten op. Deze gegevens worden niet ernstig betwist door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Vanzelfsprekend bestaat in België behoorlijke opvang en begeleiding van verslaafden, maar die zijn niet altijd even succesvol voor de totaliteit van de doelgroep. In het specifieke geval van C.R. bracht geen enkele voorhanden zijnde therapie enige baat. Uiteindelijk leidde het telkens mislukken van de ontwenningsprogramma's tot een zelfmoordpoging in 1993, toen C.R. in zijn wanhoop uit het raam van de derde verdieping sprong. Het is dan ook begrijpelijk en juridisch verdedigbaar dat zijn ouders, gedesillusioneerd door de inefficiëntie van de beschikbare behandelingen in België, hun heil zochten over de grens. De verzorging van hun zoon was dus ook zeer dringend en noodzakelijk geworden. Het leven van deze zachtaardige jongen stond immers op het spel. Dr. R. E., zijn behandelend geneesheer, schreef op 9 november 1993 als volgt aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling (stuk 1 geïntimeerden): "Graag uw gunstig advies voor tussenkomst van uw ziekenfonds in de verzorgings-, verblijfs- en behandelingskosten van hogervermelde patiënt. Deze jonge man lijdt sinds ongeveer 7 jaar aan toxicomanie voor verschillende producten, wat de klassiek schoolse, familiale en opleidingsproblemen met zich bracht, maar tot op heden toe nog geen vorm van criminaliteit. Hij gebruikte gedurende deze periode verschillende verslavende producten met name ecstasy, Speed en amfetaminen, LSD, alcohol en sinds ongeveer 2 jaar ook zwaardere stuff zoals heroïne. Patiënt was lange tijd in therapie bij collega B. voor desintoxicatiebegeleiding en afbouw. Hij kreeg hiervoor behandeling op basis van Methadon, Temgesic, Burgodin e.a. Desondanks bleef het resultaat pover en recidiveerde de patiënt. De ouders gingen op zoek naar een gespecialiseerd centrum, met groepsbegeleiding, in B. (U.K.). Deze zachtaardige jongeman is wel degelijk gemotiveerd om zijn toxicomanie te overwinnen maar vond de gepaste steun, begeleiding en het geschikte milieu niet in België. Graag uw positief advies, gelet op de antecedenten, de leeftijd, de motivatie en de openliggende professionele kansen voor deze jongeman." C.R. was al zeven jaar verslaafd en al even lang zonder enig resultaat in behandeling vooraleer in het buitenland een ditmaal efficiënte therapie werd gevonden, met name de Minnesota-methode. Dat deze methode wel degelijk doeltreffend is geweest blijkt uit het feit dat C.R. sedert 1995 en tot op heden nog steeds volledig drugsvrij is. De verzorging in Groot-Brittannië gebeurde niet in een privé-instelling, maar in een openbare instelling, waarvoor de verleende geneeskundige verstrekkingen worden terugbetaald door de sociale zekerheid aldaar. Het wordt niet betwist dat het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, overeenkomstig de bepalingen van de gecoördineerde wet van 14 juni 1994, geen enkele verplichting heeft tot betaling van uitkeringen. Deze geschiedt door de mutualiteiten. Deze vaststelling impliceert niet dat E.R. gehouden was zijn verzekeringsinstelling in het geding te betrekken. Met zijn oorspronkelijke vordering beoogde E.R. immers de vernietiging te bekomen van de beslissing van 16 maart 1994 van het College van geneesheren-directeurs, waarbij de aanvraag tot ten laste neming van de revalidatie van C.R. over de periode van 1 september 1993 tot en met 31 augustus 1994 geweigerd werd. In zijn inleidend verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 18 mei 1994, vordert E.R. geenszins de veroordeling tot betaling, maar beoogt hij een gunstige beslissing in verband met de ten laste neming van de revalidatiekosten in de lidstaat Groot-Brittannië. Het hoger beroep is ongegrond. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2005. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 20 oktober 1995 (A.R. 246.909) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, door E.R. en C.R. begroot op 279,60 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het Hof vereffend op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op tweeëntwintig juni tweeduizend en vijf. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div