← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.7 Rolnummer: 2004-0443 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 03:21 Fiche Vermits het vaststaat dat er belangrijke regionale verschillen kunnen bestaan in verband met de knelpuntberoepen, naargelang het gewest, bestaat er voor de afwijkingen die de RVA voorziet bij het opstellen van de lijsten waarmee ze werd belast door de wetgever, een voldoende objectieve en redelijke verantwoording en is het verschil in behandeling dat daaruit voortspruit niet automatisch te beschouwen als een discriminatie. Dit belet niet dat de toepassing van deze regionale afwijkingen op individuele gevallen wel discriminatoir kan werken. Een werkloze die op relatief korte tijd en afstand van Brussel woont moet van dezelfde faciliteiten kunnen genieten als zijn lotgenoot in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, niet alleen omdat hierdoor zijn tewerkstellingskansen verhogen, maar ook, omdat in een ruimer verband de inspanningen van deze werkloze meehelpen aan de afbouw van de problematische structurele hoge werkloosheid in Brussel. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID vrijstelling stempelcontrole - knelpuntberoepen - regionale verschillen - discriminatie. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 93,6° - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.537-539) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040443 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak van: de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. K. D. M. loco mr. F. I., advocaat te Antwerpen, tegen: mevrouw S.V.M., geïntimeerde, die persoonlijk verschijnt, bijgestaan door mr. H. D., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen d.d. 8 september 2004, 15 maart 2005, 19 april 2005 en 3 mei 2005. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 17 mei 2004 uitgesproken door de zevende kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht op 19 mei 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 juni 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 9 juni 2004; - de conclusies voor S.V.M., neergelegd ter griffie van dit Hof op 13 december 2004; - het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 3 mei 2005, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 4 mei 2005. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 15 maart 2005. 1. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 juni 2004, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis van 17 mei 2004 (A.R. 363.177) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 19 mei 2004. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. 2. Feiten en voorafgaande procedure In 1998 voltooide S.V.M. in België de kandidaturen vertaler-tolk. Daarop trok zij naar Nederland waar ze deeltijds werkte als lerares Duits. In 2002 verhuisde ze naar de Bahamas en gaf daar Spaanse les. Vervolgens keerde ze terug naar België waar ze zich meldde als werkzoekende. Na, naar eigen zeggen, vruchteloos te hebben gezocht naar werk, schreef ze zich opnieuw in aan de Lessius Hogeschool te Antwerpen voor de eerste licentie toegepaste taalkunde, departement vertaler-tolk, Nederlands - Duits - Russisch, met ingang van 22 september 2003. S.V.M. vroeg vrijstelling voor het volgen van deze studies toegepaste taalkunde met volledig leerplan. De directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het Werkloosheidsbureau Antwerpen besliste op 10 oktober 2003 de aanvraag tot vrijstelling voor het volgen van studies met volledig leerplan (art. 93 van het K.B. van 25 november 1991) van S.V.M. af te wijzen. De directeur nam deze beslissing op grond van volgende overwegingen: "Met het formulier C 93 stelde u de vraag of u vanaf 22/09/2003 voldoet aan de voorwaarden om de vrijstelling voorzien in art. 93 van het KB te bekomen indien U de studies Toegepaste Vertaalkunde 1ste Licentie zou volgen aan de Lessius Hogeschool te Antwerpen. Deze vrijstelling kan slechts worden verleend indien aan alle voorwaarden van bovengenoemd artikel wordt voldaan: 1) De studies moeten door een Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend zijn en

  1. a)hetzij van een gelijkwaardig of hoger niveau zijn dan de studies die reeds werden gevolgd;
  2. b)hetzij van een lager niveau zijn dan de studies die reeds werden gevolgd, op voorwaarde dat ze tot het hoger onderwijs behoren. 2) U mag echter niet reeds beschikken over een einddiploma van het hoger onderwijs. Indien U toch over een einddiploma van het hoger onderwijs beschikt kan de directeur van het werkloosheidsbureau een afwijking toestaan rekening houdend met uw leeftijd, uw beroepsverleden, uw werkloosheidsduur, uw huidige kansen op de arbeidsmarkt t.o.v. de kansen op de arbeidsmarkt met het nieuwe te behalen diploma. 3) De lessen mogen niet hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven. 4) De werkloze mag niet als vrije leerling ingeschreven zijn en de activiteiten opgelegd door het programma moeten regelmatig worden bijgewoond. 5) Tenminste 312 uitkeringen als volledige werkloze genoten hebben in de loop van de twee jaar die onmiddellijk aan de aanvang van de studies voorafgaan en daarenboven sedert tenminste 2 jaar studies of een leertijd in de zin van art. 36 beëindigd hebben. Bovendien is deze vrijstelling éénmalig. Dit betekent dat, indien U reeds eerder van deze maatregel hebt genoten, U hiervoor niet meer in aanmerking komt. Een verlenging kan slechts worden bekomen indien U het voorgaande schooljaar met vrucht hebt beëindigd. Na onderzoek van uw dossier blijkt dat U niet tenminste 312 uitkeringen als volledige werkloze genoten heeft in de loop van de twee jaar die onmiddellijk aan de aanvang van de studies voorafgaan. Derhalve kan de vrijstelling artikel 93 niet worden toegekend. Dit betekent dat U geen aanspraak kan maken op werkloosheidsuitkeringen voor de ganse duur van de studies." Hiertegen tekende S.V.M. verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 18 december 2003. De eerste rechter verklaarde in haar vonnis van 17 mei 2004 de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigde de bestreden administratieve beslissing van 10 oktober 2003 en zegde voor recht dat S.V.M. conform artikel 93 van het K.B. van 25 november 1991 vrijstelling voor het volgen van studies diende te worden verleend. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde hiertegen hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 9 juni 2004. 3. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en de administratieve beslissing te bevestigen. S.V.M. vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo integraal te bevestigen. 4. Ten gronde 4.1. Artikel 93 van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991 bepaalt: "De volledig werkloze kan op zijn vraag vrijgesteld worden van de toepassing van de artikelen 51, ,§1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58 gedurende de periode tijdens dewelke hij studies met een volledig leerplan volgt, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn: 1° de studies moeten door een Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend zijn en:
  3. a)hetzij van een gelijkwaardig of hoger niveau zijn dan de studies die reeds werden gevolgd;
  4. b)hetzij van een lager niveau zijn dan de studies die reeds werden gevolgd, op voorwaarde dat ze tot het hoger onderwijs behoren; 2° de lessen mogen niet hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven; 3° de werkloze mag niet als vrije leerling ingeschreven zijn en hij moet de activiteiten opgelegd door het studieprogramma bijwonen; 4° de werkloze mag niet reeds beschikken over een einddiploma van het hoger onderwijs, behalve indien de directeur vaststelt dat dit diploma slechts weinig mogelijkheden biedt op de arbeidsmarkt. De directeur kan daartoe het advies van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling inwinnen; 5° de werkloze moet zijn studies en/of leertijd sedert ten minste twee jaar hebben beëindigd; 6° de werkloze moet ten minste 312 uitkeringen als volledig werkloze hebben genoten in de loop van de twee jaar voor de aanvang van de studies. In afwijking van deze voorwaarde dient de werkloze slechts gerechtigd te zijn op uitkeringen als volledig werkloze op het ogenblik van de aanvang van de studies waarvoor de vrijstelling gevraagd wordt, indien deze studies voorbereiden op beroepen waarvoor een significant tekort aan arbeidskrachten bestaat. De lijst van deze beroepen wordt vastgesteld door de Rijksdienst. De vrijstelling belet niet dat de in het eerste lid vermelde artikelen toegepast kunnen worden, indien deze toepassing steunt op feiten die zich voordeden vóór de aanvangsdatum van de vrijstelling. De vraag om vrijstelling moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen. 4.2. Beide partijen beroepen zich op punt 6°: indien niet ten minste 312 uitkeringen worden bewezen in de loop van twee jaar vóór de aanvang van de studies, kan van deze voorwaarde afgeweken worden indien de studies leiden tot een knelpuntberoep, met name tot een tewerkstelling waarvoor een significant tekort is op de arbeidsmarkt. 4.3. De lijst van knelpuntberoepen wordt opgesteld door het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Er wordt rekening gehouden met regionale verschillen. Om hieraan tegemoet te komen worden twee lijsten opgesteld: een Nederlandstalige voor het Vlaamse en Brusselse gewest en een Franstalige voor het Waalse en Brusselse gewest. Op de Nederlandstalige lijst voor het academiejaar 2003-2004, dat het voorwerp uitmaakt van huidig geschil, wordt de studie vertaalkunde weliswaar vermeld als een studie die voorbereidt op een knelpuntberoep, maar in een voetnota wordt aangestipt dat deze studie enkel mag aangevat worden door werklozen die gedomicilieerd zijn in de regio Brussel-Hoofdstad. 4.4. In zijn schriftelijk advies stelt het openbaar ministerie: "Het wordt niet betwist dat de werkloosheidsgraad in het Brusselse Gewest aanzienlijk hoger is dan in Vlaanderen en dat de vraag naar arbeidskrachten met de kwalificatie van vertaalkundige in het Brussels Gewest aanzienlijk hoger is dan het aanbod van deze arbeidskrachten. Vermits het vaststaat dat er belangrijke regionale verschillen kunnen bestaan in verband met de knelpuntberoepen, naargelang het Gewest, bestaat er voor de afwijkingen die de RVA voorziet bij het opstellen van de lijsten waarmee ze belast werd door de wetgever, een voldoende objectieve en redelijke verantwoording en is het verschil in behandeling dat daaruit voortspruit niet automatisch te beschouwen als een discriminatie. Het behoort tot de taak van de RVA te verhinderen dat er bij het opstellen van de lijsten gelden worden afgewend van hun wettelijke bestemming en aan de gemeenschap van gerechtigden worden onttrokken, hetgeen de werking van de openbare dienst en dus de openbare orde in het gedrang kan brengen. Men kan nu eenmaal geen rechten op werkloosheidsuitkeringen erkennen zonder tezelfdertijd de grenzen hiervan te bepalen. De vrijstelling die in casu wordt gevraagd heeft betrekking op de toekenningsvoorwaarden van het recht op werkloosheidsuitkeringen. De toekenningsvoorwaarden zijn de grenzen die door de overheid bij de uitoefening van deze rechten worden getrokken en vormen als het ware de organisatie van deze rechten zelf, die uit haar aard restrictief is. (Gosserie, Ph.; noot bij Arbeidshof Luik, 20 februari 1990, J.T.T. 1990, 182-183). Het karakter van openbare orde van de werkloosheidsreglementering impliceert dat het algemeen belang niet door de particuliere belangen van geïntimeerde in gevaar mag gebracht worden. De werkloosheidsverzekering steunt niet alleen op het principe van de verzekering, maar ook op de solidariteit, wat impliceert dat de beschikbare middelen ook met een zekere selectiviteit worden aangewend. De goede werking van de rechtstaat vereist dat de RVA handelt binnen de grenzen van de haar toevertrouwde bevoegdheden. De houding van de RVA waarbij rekening wordt gehouden in deze materie met regionale verschillen beantwoordt dus aan een vaste gedragslijn, die in overeenstemming is met de ratio legis van artikel 93 van het Werkloosheidsbesluit. Waar er principieel geen bezwaar is tegen het hanteren van lijsten die aangepast zijn aan de regionale verschillen, kan de toepassing van deze regionale afwijkingen op individuele gevallen echter wel discriminatoir zijn. Het openbaar ministerie is van oordeel dat de RVA in deze zaak het verwachtingspatroon dat bestaat tussen de RVA en de werklozen overhoop haalt en herinterpreteert op een heel eigenzinnige wijze. De RVA dient bij de toepassing van artikel 93 van het Werkloosheidsbesluit de feitelijkheden objectief te herschikken binnen het abstracte kader van het recht. Het is bij deze herschikking dat het fout loopt en dat het evenwicht tussen de private belangen van de werkloze en de algemene belangen van de samenleving worden verstoord. Het is de taak van het Hof om hierin evenwicht te brengen door de individuele aanspraken van de werkloze enerzijds en het optreden van de RVA anderzijds te doseren en tot de juiste proporties te herleiden. Het openbaar ministerie is van oordeel dat de RVA door zijn standpunt in deze zaak afwijkt van het normdoel van de werkloosheidsreglementering. Door alle werklozen die gedomicilieerd zijn buiten de regio Brussel-Hoofdstad uit te sluiten van het faciliteitenregime van artikel 93 van het Werkloosheidsbesluit met betrekking tot de studie vertaalkunde, doet de RVA aan een symbolische "overkill" waarbij de goedbedoelde inspanningen van de werkloze die geduldig investeert in zijn toekomst worden teniet gedaan. Het discriminatieverbod houdt in dat de RVA verschillen in behandeling kenbaar maakt via een transparant en controleerbaar systeem. De streefdoelregeling van de RVA, waarbij men alle werklozen die niet in de regio Brussel-Hoofdstad wonen over dezelfde kam scheert, leidt tot een beleid van de RVA van meer ongelijkheid en minder rechtszekerheid. Het standpunt van de RVA komt erop neer dat Nederlandstalige werklozen die op amper een half uurtje van Brussel wonen ontmoedigd worden om hun inspanningen om uit de werkloosheid te geraken op dit Gewest richten, hoewel een betrekking in dit Gewest nochtans als passend zou kunnen beschouwd worden in de zin van de criteria van de passende dienstbetrekking overeenkomstig artikel 22 en volgende van het Ministerieel Besluit van 26 november 1991 (zie artikel 25). Het standpunt van de RVA wijkt ook af van de teneur van artikel 80 en volgende in verband met de langdurige werkloosheid waaruit blijkt dat de werkloze uitzonderlijke en ononderbroken inspanningen dient aan te tonen om werk te vinden, wat betekent dat van de werkloze wordt verwacht dat hij zijn inspanningen niet beperkt tot de omgeving van zijn kerktoren. Besluitend kan men stellen dat een werkloze die op relatief korte tijd en afstand van Brussel woont van dezelfde faciliteiten moet kunnen genieten als zijn lotgenoot in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, niet alleen omdat eerstgenoemde hierdoor zijn tewerkstellingskansen verhoogt, maar ook, omdat in een ruimer verband de inspanningen van deze werklozen zullen leiden tot een afbouw van de problematische structurele hoge werkloosheid in Brussel." Het Hof is het volkomen eens met de stelling van het openbaar ministerie en maakt zich deze overwegingen uitdrukkelijk tot de zijne. Het hoger beroep is ongegrond. Op die gronden Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 3 mei 2005. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 17 mei 2004 (A.R. 363.177) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, door S.V.M. begroot op 139,83 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het Hof vereffend op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op tweeëntwintig juni tweeduizend en vijf. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.