← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.8 Rolnummer: 2004-0257 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-01 03:21 Fiches 1 - 2 Dat artikel 14 van de Wet van 22 december 1999, betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, vaststelt dat niet feitelijk zal overgegaan worden tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen, impliceert niet dat de betrokkene op een juridisch verblijfsrecht aanspraak kan maken. Er is geen sprake van een subjectief recht op verblijf, enkel van een gunstmaatregel, een feitelijk gedogen van tijdelijke aard. Het putatieve huwelijk werd in het leven geroepen om de rigoureuze gevolgen van de nietigheidssanctie te milderen. Het voordeel moet steeds worden aangevraagd en kan niet ambtshalve door de rechter worden toegekend. Aangezien de nietigverklaring van het huwelijk terugwerkt tot op de dag van het huwelijk, kan de gezinshereniging niet leiden tot een legaal verblijf. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toelaatbaarheidsvoorwaarden - vreemde en staatloze werknemers - toelaatbaarheid vreemdeling - geen geldige verblijfs- en arbeidsvergunning - gezinshereniging - nietigverklaring huwelijk. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 43 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . VREEMDE ARBEIDERS toelaatbaarheid vreemdeling - geen geldige verblijfs- en arbeidsvergunning - gezinshereniging - nietigverklaring huwelijk. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1999 - 4§4 - 45 ELI link Pub nr 1999012338 Nota: Gerangschikt onder V AN - artikel 43 en onder V DN - artikel 4 ,§

  1. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.508-510) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040257 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak van: de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. F. I., advocaat te Antwerpen, tegen : de heer C.C., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. R. A. loco mr. E. V. D. H., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 5 mei 2004, 7 december 2004, 19 april 2005, 3 mei 2005 en 18 mei
  2. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 1 maart 2004 uitgesproken door de zevende kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht op 3 maart 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 maart 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 24 maart 2004; - de conclusies voor C.C., ontvangen ter griffie van dit Hof op 24 augustus 2004; - het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter buitengewone zitting van 18 mei 2005, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 19 mei
  3. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 7 december 2004, 19 april 2005 en 3 mei
  4. Op zitting van 3 mei 2005 werd de zaak hernomen.
  5. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 maart 2004, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis van 1 maart 2004 (A.R. 346.641) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief van 3 maart
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorafgaande procedure C.C., geboren op 11 oktober 1976, draagt de Turkse nationaliteit. Hij kwam op 27 januari 1991 naar België in het kader van gezinshereniging met zijn vader. De vader was toen kandidaat-vluchteling. Op 24 oktober 1990 huwde hij met een Belgische vrouw. Asiel werd definitief geweigerd bij beslissing van de Vaste Beroepscommissie op 16 februari
  8. Het huwelijk werd nietig verklaard door de rechtbank van eerste aanleg te Gent bij vonnis van 18 juni 1998 en het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 23 november
  9. De vader vroeg vervolgens op 19 januari 2000 regularisatie van zijn verblijf en dat van zijn kinderen aan op basis van de wet van 22 december
  10. Deze werd toegestaan op 5 november
  11. Op 3 januari 2002 vroeg C.C. werkloosheidsuitkeringen aan. De directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het werkloosheidsbureau Antwerpen besliste op 5 juni 2002, op grond van de artikelen 30, 32, 37, 38, 43, ,§1, 142, 144 en 146 en van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, en de artikelen 7 tot 17 van het M.B. van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, C.C. niet toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen op de datum van zijn aanvraag, m.n. 3 januari
  12. De directeur nam deze beslissing op grond van volgende overwegingen: "Op de datum van uw aanvraag was u 25 jaar. De reglementering voorziet dat de werknemer die minder dan 36 jaar is, 312 arbeidsdagen moet bewijzen in de loop van de 18 maanden vóór zijn uitkeringsaanvraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen (artikel 30, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Deze periode van 18 maanden strekt zich uit van 3/07/2000 tot en met de dag vóór 03/01/
  13. Tijdens die periode bewijst u met de ingediende documenten geen enkele arbeidsdag (of gelijkgestelde dag). Uw prestaties als arbeider in de periode van 10/07/2000 tot en met 02/01/2002 worden niet in aanmerking genomen aangezien u niet voldeed aan de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. In de voormelde periode was u immers niet in het bezit van een geldige verblijfs- en arbeidsvergunning (artikel 43, ,§1, van voormeld koninklijk besluit). Bovendien bewijst u niet het aantal arbeidsdagen dat vereist is voor een hogere leeftijdscategorie: 468 arbeidsdagen in de loop van 27 maanden of 624 arbeidsdagen in de loop van 36 maanden voor uw aanvraag (artikel 30, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit). U bent nog geen 36 jaar. Er kan bijgevolg niet onderzocht worden of u op grond van uw beroepsverleden toegelaten kan worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen zoals voorzien in artikel 32 van voormeld koninklijk besluit." Hiertegen tekende C.C. verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 11 juni
  14. De eerste rechter verklaarde in haar vonnis van 1 maart 2004 de vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigde de bestreden administratieve beslissing van 5 juni 2002, zegde voor recht dat C.C. vanaf 3 januari 2002 gerechtigd was op werkloosheidsuitkeringen en veroordeelde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om aan C.C. de uit de vernietiging van de administratieve beslissing voortspruitende achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen, in zoverre hij voldeed aan alle andere toelaatbaarheids- en vergoedbaarheidsvoorwaarden. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde hiertegen hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 23 maart
  15. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen. C.C. vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen.
  16. Ten gronde 4.
  17. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 30 van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991 dient C.C., die op de dag van zijn aanvraag om werkloosheidsuitkeringen 25 jaar oud was, 312 arbeidsdagen te bewijzen in de loop van 18 maanden vóór zijn uitkeringsaanvraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. Deze periode van 18 maanden strekt zich uit van 3 juli 2000 tot en met de dag vóór 3 januari
  18. Artikel 43 van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991 bepaalt dat de vreemde werknemer slechts toegelaten wordt tot het recht op uitkeringen, indien hij voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en op deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. C.C. moet dus voldoen aan de bepalingen van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. De verblijfsrechtelijke positie van C.C. is derhalve medebepalend voor zijn rechtspositie ten overstaan van de sociale zekerheid in het algemeen en van de werkloosheid in het bijzonder. 4.
  19. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening komt geen enkele arbeidsdag in de referteperiode in aanmerking wegens het ontbreken van een wettige verblijfstitel. Het Hof is het met deze stelling eens. Vanaf zijn aankomst in België op 27 januari 1991 verbleef C.C. legaal in het land, als zoon van een asielzoeker èn in het kader van gezinshereniging. De legaliteit van C.C. is onlosmakelijk verbonden met de legaliteit van het verblijf van zijn vader. Op 16 februari 1995 werd de asielprocedure van de vader van C.C. afgesloten met een beslissing van de Vaste Beroepscommissie, waarbij de erkenning als vluchteling werd geweigerd. Deze beslissing werd betekend op 28 februari
  20. Het huwelijk van de vader met een Belgische vrouw, aangegaan op 24 oktober 1990, werd nietig verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 18 juni
  21. Het hoger beroep tegen het vonnis werd onontvankelijk verklaard. Het vonnis is derhalve definitief geworden. Op 19 januari 2000 vroeg de vader voor zichzelf en zijn kinderen regularisatie van verblijf op het grondgebied aan op basis van de wet van 22 december
  22. Een positieve beslissing werd door de minister dienaangaande genomen op 5 november
  23. Vanaf deze datum verblijft C.C. alleszins legaal in het land. 4.
  24. Cruciaal in casu is de vraag wat de rechtsgevolgen zijn van deze verschillende gebeurtenissen ten aanzien van de verblijfsrechtelijke positie van C.C. met betrekking tot de referteperiode. Uit de brieven van 12 juni 2003 en 28 juli 2003 van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat het verblijf van C.C. van 28 februari 1995 tot 6 november 2002 als illegaal op het grondgebied dient te worden beschouwd. In deze periode ligt de referteperiode vervat. De vaststelling dat feitelijk niet werd overgegaan tot de verwijdering van C.C., impliceert geenszins dat hij over een verblijfsrecht beschikte in de zin van de vreemdelingenwetgeving. Het feit dat C.C. in deze periode geen bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend en waaruit hij afleidt dat de overheid zijn verblijf gedoogde, laat niet toe te denken dat zijn verblijf regelmatig zou zijn of dat er een stilzwijgend akkoord zou ontstaan zijn volgens hetwelk hij verder op het grondgebied mocht verblijven. (Cass., 4 september 1995, A.C., 1995, 734). Dat artikel 14 van de wet van 22 december 1999, betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, vaststelt dat niet feitelijk zal overgegaan worden tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen, betekent niet dat C.C. aanspraak kon maken op een juridisch verblijfsrecht in de zin van de Vreemdelingenwet. De wetgever creëerde in de Regularisatiewet geen subjectief recht op verblijf, maar verleende enkel een gunstmaatregel of een faciliteit van tijdelijke aard. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999, betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, bepaalt: "Behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of hetzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9, zal er niet feitelijk worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel 12." Artikel 14 van de Regularisatiewet heeft tot gevolg dat vreemdelingen die een aanvraag om regularisatie hebben ingediend in principe gedurende die procedure op het grondgebied van het Rijk worden gedoogd, zonder aan diegenen onder hen, die illegaal op het grondgebied verblijven, een verblijfsvergunning te verlenen. Wanneer voorheen een bevel om het grondgebied te verlaten werd gegeven, blijft dat bevel zijn geldingskracht behouden, zelfs al wordt niet effectief tot gedwongen uitvoering overgegaan. Uit de wetsgeschiedenis van de Regularisatiewet blijkt duidelijk dat de aanvraag tot regularisatie niets verandert aan de juridische verblijfsstatus van de regularisatieaanvragers. (Parl. St., Kamer, Doc.50, 1999-2000, nr. 0234/001, p. 5 en 18; nr. 0234/005, p. 60; Hand. Kamer, 1999-2000, 24 november 1999, HA 50 plen.017, p. 7, 8, 18, 31 en 32; Parl. St. Senaat, 1999/2000, nr. 2-202/3, p. 23, 36 en 58). Met betrekking tot artikel 14 van de Regularisatiewet wordt in de Memorie van Toelichting onder meer gesteld : "Dit artikel bekrachtigt het principe volgens hetwelk er niet zal worden overgegaan tot een effectieve verwijdering van de aanvragers tijdens de onderzoeksperiode van hun aanvraag. M.a.w. wanneer een verwijderingsmaatregel beslist werd, blijft deze bestaan, maar er wordt over gewaakt dat dit materieel niet wordt uitgevoerd tot op de dag van de eventuele negatieve beslissing. (...)" 4.
  25. Ook de gezinshereniging naar aanleiding van het huwelijk van zijn vader met een Belgische vrouw op 24 oktober 1990 leidde niet tot een legaal verblijf. Het huwelijk werd immers nietig verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 18 juni 1998 en bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep te Gent op 23 november
  26. Deze nietigverklaring werkt met terugwerkende kracht tot op de dag van het huwelijk, zodat de echtelieden geacht worden nooit gehuwd te zijn geweest. De verblijfsdocumenten die aan C.C. werden afgeleverd ressorteren dan ook geen geldingskracht. Artikel 202 B.W. bepaalt weliswaar dat het huwelijk gevolgen heeft ten voordele van de kinderen, ook bij gebrek aan goede trouw in hoofde van de echtgenoten. Dit laatste wordt wel vereist in artikel 201 B.W. Het putatieve huwelijk werd in het leven geroepen om de rigoureuze gevolgen van de nietigheidssanctie te milderen. Het voordeel van een putatief huwelijk dient echter steeds te worden aangevraagd door degene die er aanspraak op maakt. Deze gunst kan niet ambtshalve worden toegekend door de rechter. In huidige zaak blijkt nergens dat C.C. een aanvraag indiende om te kunnen genieten van de voordelen van het putatieve huwelijk. 4.
  27. De omstandigheid dat C.C. tijdens de referteperiode van 3 juli 2000 tot 3 januari 2002 gewerkt heeft in België is niet ter zake dienend, nu geen voorlopige toelating tot tewerkstelling werd verleend. Overeenkomstig artikel 4, ,§4, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, kan bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit een voorlopige toelating tot tewerkstelling worden afgeleverd voor buitenlandse werknemers. De Omzendbrief van 6 april 2000 (B.S. 14 april 2000) bepaalt dat een voorlopige toelating tot tewerkstelling kan worden afgeleverd voor de buitenlandse werknemers die een aanvraag tot regularisatie van het verblijf hebben ingediend op basis van de wet van 22 december 1999, betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. In de referteperiode van 3 juli 2000 tot 3 januari 2002 bevond C.C. zich in de regularisatieprocedure. Zodoende kon hij enkel arbeid verrichten mits voor hem een voorlopige toelating tot tewerkstelling werd afgeleverd. Deze voorlopige toelating blijkt in huidige zaak niet voorhanden. Het attest van de Commissie voor Regularisatie van 6 december 2002, waarin vermeld staat: "De aanvraag werd ingediend bij de burgemeester van Antwerpen op 19 januari 2000 en werd afgewerkt door de Commissie voor regularisatie op 6 november
  28. Tijdens deze periode was betrokkene gerechtigd te werken", doet hieraan niets af. Onafgezien van het feit dat het hier slechts gaat om een kopie zonder reliëf stempel (zodat de echtheid van het stuk niet kan nagegaan worden), mag een regularisant pas werken indien voor hem een voorlopige toelating werd gegeven tot die tewerkstelling door de daartoe bevoegde instelling, die niet de Commissie voor Regularisatie is. Het hoger beroep is gegrond. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, op de buitengewone openbare terechtzitting van 18 mei
  29. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet het vonnis van 1 maart 2004 (A.R. 346.641) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen teniet, behalve wat de ontvankelijkheid van de vordering en de kosten betreft. Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vordering ongegrond en bevestigt de bestreden beslissing van de directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het Werkloosheidsbureau Antwerpen van 5 juni
  30. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, door C.C. begroot op 136,85 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het Hof vereffend op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op tweeëntwintig juni tweeduizend en vijf. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050622.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.