← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050628.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050628.14 Rolnummer: 2004-0738 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-01 03:22 Fiche Aangezien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht sociaalrechtelijke gevolgen heeft indien een vervangingsinkomen wordt gevraagd via het stelsels van de werkloosheid, heeft de gemeenschap het recht een onrechtstreekse controle uit te oefenen teneinde zich te kunnen verweren tegen een oneigenlijk gebruik van het begrip overmacht zoals dit bestaat in de arbeidsovereenkomstenwet, op het ogenblik dat zij de aanspraken van de gerechtigde dient te onderzoeken. De wettige reden voor werkverlating wegens lichamelijke arbeidsongeschiktheid hangt af van de vaststelling van de ongeschiktheid en niet van het zelfs wettig vertrouwen van de werknemer in die ongeschiktheid. (Cass., 20 november 2000, J.T.T. 2001,94). Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - werkloos afhankelijk van zijn wil - werkverlating zonder wettige reden - oneigenlijk gebruik van overmacht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 51 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.534-535) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040738 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: S. H., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. M. T., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 12 januari 2005 en 24 mei 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 25 oktober 2004 (A.R. 365.745); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 26 november 2004; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 25 januari
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen). Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 24 mei
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 26 november 2004, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 25 oktober 2004 (A.R. 365.745). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 27 oktober
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging S. H. was vanaf 8 september 2003 voltijds tewerkgesteld bij N.V. Wasserij L. te Hoboken als mangelstrijkster. Met een werkloosheidsbewijs C4, ingevuld op 5 februari 2004, diende S. H. bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een aanvraag in tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen vanaf 29 januari
  7. Op 27 februari 2004 werd S. H. onderzocht door de adviserend geneesheer van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening welke stelde dat zij niet definitief ongeschikt was om haar dienstbetrekking uit te oefenen en hierbij opmerkte dat de problemen van gebrekkige infrastructuur waren (slechte mangel) en niet van medische redenen (stuk 6 administratief dossier). Met aangetekend schrijven van 11 maart 2004 werd S. H. door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening uitgenodigd om haar de mogelijkheid te geven uitleg te verschaffen omtrent het feit dat zij haar werk op 28 januari 2004 bij N.V. L. te Hoboken verliet omwille van medische redenen en geschikt werd bevonden door de R.V.A.-geneesheer, en tevens om haar beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt na te gaan. Tijdens het verhoor van 23 maart 2004 legde S. H. volgende verklaring af (stuk 8 administratief dossier: formulier C 25.2) : "Op 8/9/03 ben ik als mangelstrijkster beginnen werken bij Wasserij L. te Hoboken. Ik streek vooral lakens, dekbedden en grote stukken. Op donderdag 29/01/04 werd ik ziek. Mijn huisarts dokter De Cort zei dat ik begin van een depressie had en schreef mij een week ziekte. Diezelfde dag moest ik al bij de controlegeneesheer van de firma gaan. Hij onderzocht mij en verwees mij terug door naar mijn huisarts die op mijn doktersattest "moest" schrijven dat ik definitief arbeidsongeschikt was. Mijn vader gaf het doktersattest af bij L. en hierna werd ik ontslagen. Ik zal een kopie van de juiste ziekteperiode faxen. Ik werd ervan ingelicht dat ik door de RVA dokter geschikt bevonden werd voor het werk als mangelstrijkster bij L.. Morgen ga ik aan het werk als strijkster bij een droogkuis op De Biest te Wilrijk - full-time. Het probleem bij L. zit hem hoofdzakelijk in het feit dat de mangel niet gaat. Ik moest het werk aanpakken dat door 3 mensen doorgestoken wordt. Als de mangel niet werkt is dit onmogelijk." De Directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste vervolgens op 23 maart 2004, - in toepassing van de artikelen 51, 52bis, 53, 53bis, 141, 142, 144 en 146 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering alsook de artikelen 22 tot 33 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregels van de werkloosheidsreglementering - : - S. H. uit te sluiten van het genot van de uitkeringen vanaf 29 januari 2004 gedurende een periode van 8 weken omdat zij een passende dienstbetrekking heeft verlaten (artikelen 51 en 52bis Werkloosheidsbesluit); - deze uitsluiting van 8 weken gepaard te laten gaan met een gedeeltelijk uitstel van 4 weken en de effectieve uitsluiting voor een periode van 4 weken te laten aanvangen op 29 januari 2004 (artikel 53bis Werkloosheidsbesluit). De directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 10 administratief dossier): "De reglementering voorziet dat de werknemer die zonder wettige reden een passende dienstbetrekking verlaat, beschouwd wordt als iemand die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil (artikel 51). Hij kan uitgesloten worden van het genot van uitkeringen gedurende ten minste 4 en ten hoogste 52 weken (artikel 52bis, ,§1, 1°) De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing gepaard laten gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een uitsluiting op grond van artikel 52 of 52bis (artikel 53bis). U heeft uitkeringen gevraagd vanaf 29.01.2004 nadat u op 28.01.2004 de dienstbetrekking van mangelstrijkster, die u uitoefende bij L. NV, had verlaten. U bewijst niet dat het om een niet passende dienstbetrekking gaat volgens de criteria van de passende dienstbetrekking vastgelegd in de artikelen 22 tot 32 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. Uit de gegevens in ons bezit blijkt dat deze werkverlating plaatsvond zonder wettige reden. Inderdaad, op 28.01.2004 werd u door Wasserij L. te Hoboken als ontslagnemend beschouwd ingevolge het door u ingediende doktersattest van uw huisarts Dr. De Cort Ignace als zou u definitief ongeschikt zijn voor het werk. Op 27.02.2004 werd u door de RVA-dokter geschikt bevonden voor het werk bij Wasserij L. te Hoboken. Een ontslag ingevolge indiening van een attest van definitieve arbeidsongeschiktheid wordt beschouwd als een werkverlating. Op het verhoor d.d. 23.03.2004 zette u uw verweermiddelen uiteen. Om deze verlating te rechtvaardigen, hebt u dus uw medische ongeschiktheid ingeroepen voor deze dienstbetrekking. U hebt zich op 27.02.2004 aangemeld bij een erkend geneesheer van de R.V.A. Deze geneesheer heeft u geschikt bevonden voor het uitoefenen van deze dienstbetrekking. Bijgevolg heeft u deze dienstbetrekking zonder wettige reden verlaten (artikel 33 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering). U kunt dus worden uitgesloten overeenkomstig het voornoemde artikel 52bis. U bent bijgevolg werkloos geworden wegens omstandigheden afhankelijk van uw wil. Het aantal weken uitsluiting werd bepaald op 8 weken, gelet op het feit dat u zonder wettige reden het werk verliet. Om dezelfde reden(en) beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 53bis, ,§1, lid 1) en laat ik de uitsluitingsbeslissing niet gepaard gaan met een geheel uitstel (art. 53bis, ,§2, lid 1). Deze uitsluiting gaat gepaard met een gedeeltelijk uitstel van 4 weken. Een gedeeltelijk uitstel betekent dat u uw recht op uitkeringen behoudt gedurende de periode waarop het uitstel betrekking heeft, in zoverre u de andere toekenningsvoorwaarden vervult. Het uitstel wordt u toegekend aangezien er de twee vorige jaren u geen enkele uitsluiting werd opgelegd op grond van artikel 52 of 52bis en gelet op uw werkhervatting vanaf 24.03.
  8. De uitsluiting gaat in op 29.01.2004, datum van uw uitkeringsaanvraag (artikel 53, 1ste lid)." Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 29 maart 2004 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 30 maart 2004, tekende S. H. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van 23 maart
  9. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 25 oktober 2004 werd : - de vordering van S. H. ontvankelijk en gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van 23 maart 2004 van de directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau te Antwerpen vernietigd; - voor recht gezegd dat S. H. vanaf 29 januari 2004 verder gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld om de achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen in zoverre S. H. voldoet aan alle andere toelaatbaarheids- en vergoedbaarheidsvoorwaarden, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 30 maart 2004; - de kosten van het geding, in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gelegd, aan de zijde van S. H. begroot op 104,86 euro rechtsplegingsvergoeding.
  10. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en de administratieve beslissing te herstellen. S. H. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep af te wijzen als ongegrond; - het vonnis a quo te bevestigen in al zijn beschikkingen; - ondergeschikt, de sanctie integraal met uitstel te verlenen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van S. H. begroot op 139,83 euro rechtsplegingsvergoeding.
  11. Ten gronde Om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen moet de werkloze, overeenkomstig artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit) wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Overeenkomstig artikel 51, ,§ 1, tweede lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit wordt onder werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer verstaan het verlaten van een passende dienstbetrekking zonder wettige reden. Als de werknemer het bewijs kan leveren dat hij wettige redenen had om zijn passende dienstbetrekking te verlaten kan hij niet uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig artikel 52bis van het Werkloosheidsbesluit. In tegenstelling tot het ontslag ten gevolge van een foutieve houding van de werknemer ligt de bewijslast bij de werkloze. Men spreekt van werkverlating indien de arbeidsovereenkomst in het kader waarvan het verlaten werk uitgeoefend werd op initiatief van de werknemer beëindigd werd. Ook de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeen overleg met de werkgever moet als een werkverlating beschouwd worden, welke reden de werkgever ook opgeeft als oorzaak van de werkloosheid op het formulier C
  12. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt: - dat S. H. vanaf 8 september 2003 voltijds in dienst was van de N.V. Wasserij L. te Hoboken als mangelstrijkster; - dat S. H. een ziekteaangifte deed bij haar werkgever voor een periode van 26 januari tot en met 30 januari 2004; volgens haar verklaring tijdens het verhoor op 23 maart 2004 was zij arbeidsongeschikt wegens een beginnende depressie veroorzaakt door slechte werkomstandigheden (slecht werkende mangel); - dat de arbeidsgeneesheer, na controle op 26 januari 2004, de tijdelijke arbeidsongeschiktheid erkende tot en met 28 januari 2004 met tevens de vermelding "overmachtsprocedure hervatten op 29 januari 2004 mits attest"; - dat vervolgens S. H. op 28 januari 2004 een medisch attest overhandigde aan haar werkgever waarin door haar behandelende geneesheer het volgende werd geattesteerd: "verdere tewerkstelling is schadelijk voor de gezondheid van mijn patiënte en dit vanaf 29 januari 2004 en definitief"; - dat op 28 januari 2004 tussen de NV Wasserij L. en S. H. het volgende werd overeengekomen: "Uit het door de geneesheer hierbij gevoegd overgemaakt medisch attest blijkt dat de werknemer onmogelijk in de toekomst haar huidig werk nog zal kunnen uitoefenen omwille van gezondheidsredenen. Aangezien de werkgever geen andere passende dienstbetrekking kan bieden, stellen beide partijen vast dat het contract ontbonden is op grond van overmacht wegens ziekte op 29 januari 2004". - dat de werkgever op het formulier C4 als juiste oorzaak van de werkloosheid vermeldde "medische redenen, zie ook schrijven van 28 januari 2004". Uit voormelde feiten valt af te leiden dat de arbeidsovereenkomst in onderling overleg met de werkgever beëindigd werd wegens overmacht. De werknemer heeft ingeval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingevolge overmacht geen recht op een opzeggingsvergoeding zodat hij onmiddellijk aanspraak kan laten gelden op werkloosheidsuitkeringen. Aangezien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht, sociaalrechtelijke gevolgen heeft indien een vervangingsinkomen wordt gevraagd via het stelsel van de werkloosheid, heeft de gemeenschap het recht een onrechtstreekse controle uit te oefenen teneinde zich te kunnen verweren tegen een oneigenlijk gebruik van het begrip overmacht zoals dit bestaat in de Arbeidsovereenkomstenwet, en dit op het ogenblik dat zij de aanspraken van de gerechtigde dient te onderzoeken. Overeenkomstig vaststaande cassatierechtspraak is de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, ook al is deze van zeer lange duur, geen geval van overmacht dat de arbeidsovereenkomst vermag te beëindigen; wel zal de algehele en definitieve arbeidsongeschiktheid het bedongen werk uit te voeren de overeenkomst doen beëindigen (Cass., 5 januari 1981, R.W. 1980-81, 2401; Cass., 15 februari 1982, R.W. 1982-83, 2209) De rechtspraak vestigt er daarbij terecht de aandacht op dat de onmogelijkheid betrekking moet hebben op de bedongen arbeid (Cass., 13 februari 1989, J.T.T. 1989, 435; Arbh. Antwerpen, 16 februari 1981, T.S.R., 1981, 216, Soc. Kron., 1981, 106; Arbh. Bergen, 18 maart 1982, J.T.T., 1983, 230). Uit volgende gegevens van het administratief dossier blijkt zeer duidelijk dat S. H., in afspraak met haar werkgever, een oneigenlijk gebruik maakte van het begrip overmacht: - aan de hand van de medische controle door de arbeidsgeneesheer en de verklaring van S. H. tijdens het verhoor kan afgeleid worden dat betrokkene een aangifte deed van een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 26 januari 2004 tot en met 30 januari 2004 wegens een beginnende depressie die het gevolg was van een gebrekkige infrastructuur (slechte mangel); - de arbeidsgeneesheer heeft de tijdelijke arbeidsongeschiktheid aanvaard tot en met 28 januari 2004 met tevens de vermelding "overmachtsprocedure hervatten op 29 januari 2004 mits attest"; - S. H. verklaarde tijdens het verhoor: "Hij (= controlege-neesheer) onderzocht mij en verwees mij terug door naar mijn huisarts die op mijn dokterattest 'moest' schrijven dat ik definitief arbeidsongeschikt was (..)."; - in het aan de werkgever voorgelegde attest van haar behandelend geneesheer wordt geen definitieve arbeidsongeschiktheid weerhouden voor het bedongen werk als mangelstrijkster; in dit summier attest wordt enkel zeer algemeen gesteld dat "verdere tewerkstelling schadelijk is voor de gezondheid van mijn patiënte, en dit vanaf 29.01.04 en definitief"; - er werden geen andere medische verslagen voorgelegd en evenmin werd beroep gedaan op de arbeidsgeneesheer teneinde na te gaan of er wel degelijk sprake was van 'overmacht' uit hoofde van medische redenen; - na ontbinding van de overeenkomst wegens medische overmacht is S. H. kort nadien opnieuw voltijds werkzaam als strijkster in een droogkuis te Wilrijk. Uit alle voormelde elementen en overeenstemmende vermoedens dient besloten dat, zoals de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voorhoudt, S. H. een oneigenlijk gebruik maakte van het begrip overmacht daar waar zij in werkelijkheid in gemeen overleg met de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigde. Dergelijke beëindiging staat gelijk met een werkverlating zonder wettige reden. De wettige reden voor werkverlating wegens lichamelijke arbeidsongeschiktheid hangt af van de vaststelling van de ongeschiktheid en niet van het zelfs wettig vertrouwen van de werknemer in die ongeschiktheid (Cass., 20 november 2000, J.T.T. 2001, 94). Aangezien S. H. niet bewijst dat zij een wettige reden had om haar passende dienstbetrekking te verlaten is zij werkloos wegens omstandigheden afhankelijk van haar wil; de eerste rechter heeft dienvolgens ten onrechte de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 23 maart 2004 vernietigd. Bij de bepaling van de uitsluitingsduur heeft de directeur reeds rekening gehouden met het feit dat S. H. in de twee vorige jaren geen uitsluiting heeft opgelopen op grond van artikel 52 of 52bis en dat zij het werk hervatte vanaf 24 maart 2004; er worden thans voor het hof geen nieuwe bijzondere omstandigheden ingeroepen om de uitsluitingsbeslissing gepaard te laten gaan met een volledig uitstel. Het hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 24 mei
  13. Partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 25 oktober 2004 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 365.745), behalve in zoverre de vordering van S. H. ontvankelijk werd verklaard en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld werd tot de gedingkosten. Opnieuw recht doende. Bevestigt de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen van 23 maart 2004, ref. C29/71122/51AZ/TF. Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten van hoger beroep aan de zijde van S. H. op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding. Aan de zijde van appellant worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave werd ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op achtentwintig juni tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050628.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.