← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050902.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 02 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050902.1 Rolnummer: 2004-0588 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-20 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-01 03:23 Fiches 1 - 3 De partij die een argumentatie aanvoert ter ondersteuning van haar vordering moet een individueel belang hebben bij deze argumentatie. Zowel de toepassing van de retroactieve wet als de bescherming van de rechtszekerheid van de burger dringen zich beiden aan de rechter op. Behoort een individueel verworven rechtszekerheid tot de grondslagen van de Belgische Grondwet sensu lato en meer bepaald tot Titel II ervan of is deze rechtszekerheid niet meer dan een algemeen rechtsbeginsel? Prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. Schendt artikel 28 ,§ 1 van de Wet van 13 februari 1998 de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet bij zoverre dit artikel de groep van werkgevers uitsluit van de bijdrageverminderingen R.S.Z., bij wie de personeelstoename het gevolg is van overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat, terwijl, onder de toepassing van hetzelfde artikel, de werkgevers waarbij de personeelstoename zich realiseerde buiten elke vorm van overdracht, van deze bijdrageverminderingen niet worden uitgesloten ondanks het feit dat hun personeelstoename de algemene netto-tewerkstelling evenmin deed toenemen? Prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling - tewerkstellingsakkoorden - terugbetaling van ten onrechte ontvangen voordelen - voorwaarden - retroactieve werking van de wet - conflict met individueel verworven rechtszekerheid - rechtszekerheid - grondwet sensu lato - algemeen rechtsbeginsel - ongelijke behandeling werkgevers. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GRONDWET maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling - tewerkstellingsakkoorden - terugbetaling van ten onrechte ontvangen voordelen - voorwaarden - retroactieve werking van de wet - conflict met individueel verworven rechtszekerheid - rechtszekerheid - grondwet sensu lato - algemeen rechtsbeginsel - ongelijke behandeling werkgevers. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID bijdragen - berekening - maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling - tewerkstellingsakkoorden - terugbetaling van ten onrechte ontvangen voordelen - voorwaarden - retroactieve werking van de wet conflict met individueel verworven rechtszekerheid - rechtszekerheid - grondwet sensu lato - algemeen rechtsbeginsel - ongelijke behandeling werkgevers. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 15 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet - 13-02-1998 - 28§1 - 32 ELI link Pub nr 1998012088 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 2, onder I JN - artikel 10 en onder VII A - artikel

  1. Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak, prejudiciële vragen aan het Arbitragehof Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2040588 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. In de zaak: N.V. C., met zetel gevestigd te 2160 XXX, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer 313.823, met ondernemingsnummer 0456.697.873, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. XXX, advocaat te XXX, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. S. DE KERPEL loco mr. P. DERVEAUX, advocaat te 1930 ZAVENTEM. Na beraadslaging over de zaak, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 8 september 2004, van 6 mei 2005, van 3 juni 2005 en van 17 juni 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 7 juni 2004, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 3 augustus 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 3 augustus 2004; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 17 november 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van verweerder in hoger beroep; x de beschikking van 19 januari 2005 van de heer J. VERHAVERT, raadsheer, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W.; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd op de griffie van het Hof op 28 februari
  2. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 6 mei
  3. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 6 mei
  4. De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat De N.V. C. & C° werd opgericht in januari
  5. De aandeelhouder was en is voor 100% de B.V. Hiram Walker-Allied Vintners (Breda Nederland). Deze B.V. is op haar beurt "eigendom" van de Hiram Walker-Allied Domecq groep. De handelsactiviteiten van de firma zijn: - groothandel in wijnen en sterke dranken voor de horeca, - handel in accijnsvrije producten voor het diplomatiek korps, internationale en militaire organisaties, - distributie, groothandel en commercialisering van de eigen merken (Courvoisier, Ballentine's, Pedro Domecq e.d.). In de periode 1994-1995 nam de Hiram Walker-Allied Domecq groep de beslissing om een deel van haar Belgische activiteiten, nl. de activiteiten voor de niet-groep producten, stop te zetten. Daardoor zou het grootste gedeelte van haar Belgische vennootschap de N.V. C. & C°, ofwel worden verkocht, ofwel gesloten. Naar eigen zeggen werd er op dat ogenblik wel degelijk rekening gehouden met een mogelijk gedwongen collectief ontslag van de personeelsleden, die actief waren in de handelsbranches die zouden worden afgestoten. In deze periode vond er overigens een gevoelige personeelsvermindering plaats ten gevolge van spontane uitdiensttredingen en ontslagen door de firma. Het betrof een vermindering van 19 medewerkers op een totaal van 75 tijdens de periode maart 1995-februari 1996, zijnde een vermindering van 25% over een termijn van 1 jaar. Op 1 februari 1996 nam C. het actief en de stock over van de N.V. C. & C°. Aandelen werden blijkbaar niet overgenomen. Het gedeelte van het overgebleven personeel dat werkzaam was in de afgestoten afdeling ging aan de slag bij C.. Op dezelfde datum van 1 februari 1996 veranderde C. zijn naam om commerciële redenen (naambekendheid) in N.V. C.. Het bedrijf N.V. C. & C° wijzigde zijn naam in N.V. Allied Domecq Spirits and Wine Benelux en verhuisde binnen de twee weken naar een andere exploitatiezetel, te weten naar de Uitbreidingsstraat 11 te Berchem. In het kader van de tewerkstellingsakkoorden 1995-1996 en op grond van de Wet van 3 april 1995 paste de N.V. C. een vermindering toe van sociale zekerheidsbijdragen voor het jaar 1996, zulks voor de personeelsaangroei in de firma ten gevolge van de indienstname van de 39 werknemers. In september 1998 (2 jaar later dus) weigert de R.S.Z. evenwel deze vermindering toe te passen en voert ambtshalve regularisaties door. De terzake opgestelde rekeninguittreksels dateren vervolgens van begin
  6. De N.V. C. betaalt onder voorbehoud van alle rechten het bedrag van 23.100,13 euro (931.857 BEF) op 1 februari
  7. Nadien worden nog aanvullende intresten, voor een totaal bedrag van 66,41 euro (2.679 BEF) berekend, die op 10 februari 2000 worden betaald. Bij dagvaarding van 11 augustus 2000 vordert de N.V. C. bedoelde bedragen terug. Het bestreden vonnis Bij vonnis van 7 juni 2004 wijst de eerste rechter de vordering af als ongegrond. De N.V. C. valt volgens de eerste rechter onder de toepassing van artikel 6, tweede lid van de Wet van 3 april 1995, zoals gewijzigd door de Wet van 13 februari
  8. De raadslieden van partijen bevestigen beiden op de terechtzitting dat het bedoelde vonnis niet werd betekend. Eisen in hoger beroep De N.V. C. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit Hof op 3 augustus
  9. Grief: De eerste rechter heeft niet geantwoord op het argument dat het criterium om een wet te laten terugwerken, namelijk de onontbeerlijke noodzaak daartoe, in casu niet voorhanden is. De N.V. vraagt de retroactieve wet niet van toepassing te verklaren en zij vraagt de veroordeling van de R.S.Z. tot terugbetaling van 23.166,54 euro, te vermeerderen met de intresten sedert 1 februari
  10. De R.S.Z. vraagt om het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. Volgens het recht De N.V. C. steunt haar verdediging op het principe van de niet-retroactiviteit van de wet. Meer bepaald voelt zij zich tekort gedaan door de invoering van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998, houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, en dit met retroactief effect vanaf 1 januari
  11. Door de invoering van dit artikel kwam immers haar recht op vermindering van R.S.Z.-bijdragen tengevolge van nieuw aangeworven personeel op de helling te staan. Zij had deze vermindering van bijdragen toegepast onder het regime van de Wet van 3 april 1995, houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling. Artikel 2, ,§1 van deze Wet van 3 april 1995 bepaalde inderdaad: "De werkgevers die ter uitvoering van een akkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 60, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december 1994, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven ten minste een gelijkwaardig arbeidsvolume aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1994, hebben voor elk nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1994, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van 37.500 fr. per trimester." Blijkbaar betwist de R.S.Z. niet dat de N.V. C. te beschouwen is als een werkgever die valt onder een akkoord, gesloten overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 60, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december
  12. De N.V. C., ex C., stelde in 1994 geen personeel tewerk, zodat de tewerkstelling vanaf de overname in 1996 een netto aangroei betekende enerzijds van werknemers en anderzijds van het arbeidsvolume in vergelijking met
  13. Aldus voldeed de N.V. C. aan de toekenningsvoorwaarden uit voornoemd artikel 2, ,§1 en kon zij in principe voor 1996 genieten van de bijdrageverminderingen. Artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998, houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, bedreigde dit recht op bijdrageverminderingen door te bepalen: "In artikel 6 van de Wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling worden de woorden "het gevolg is van transfers binnen ondernemingen die behoren tot dezelfde groep of dezelfde economische entiteit" vervangen door de woorden "het gevolg is van de opslorping of de fusie van één of meerdere werkgevers of van de overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat." Artikel 30, ,§1 van deze Wet van 13 februari 1998 laat dit artikel 28, ,§1 ingaan vanaf 1 januari
  14. De N.V. C. beklaagt er zich over dat de bepalingen van dit artikel 28 met retroactief effect van toepassing werden. Immers in het oorspronkelijke artikel 6 van de Wet van 3 april 1995 was er enkel sprake van terugbetaling van de bijdrageverminderingen indien de aangroei van de werknemers het gevolg is van transfers binnen ondernemingen die behoren tot dezelfde groep of dezelfde economische entiteit. En dat was volgens de N.V. C. bij haar niet het geval. Onder de retroactieve toepassing echter van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 wordt een bijkomende groep van werkgevers uitgesloten van de bijdrageverminderingen, namelijk zij die personeel overnamen van een werkgever, bij wie deze overname aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafging. In het kader van dit geschil vreest de N.V. C. wél tot deze nieuwe groep van werkgevers te behoren. Het belang Een pleidooi pro het principe van de niet-retroactiviteit van de wet kan niet op een algemene wijze worden gehouden voor een gerecht zoals het Arbeidshof. Het Arbeidshof is een vonnisgerecht dat geroepen is om in een concreet geschil uitspraak te doen. Dit maakt dat de partij die een argumentatie aanvoert ter ondersteuning van haar vordering of van haar verdediging, een individueel belang moet hebben bij deze argumentatie. Binnen het kader van dit geschil moet de N.V. C. dus een individueel belang hebben bij de toepassing van het principe van de niet-retroactiviteit van de wet. Dit individueel belang bij de toepassing van dit principe bestaat als er sprake is van een schending van een toestand van rechtszekerheid, die bij de N.V. C. bestond op het ogenblik van het toepasselijk worden van de gewraakte bepaling, in casu artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari
  15. Om het bestaan van deze toestand van rechtszekerheid te kennen is het nodig te onderzoeken of de N.V. C. inderdaad recht had op de bijdrageverminderingen onder het regime van de Wet van 3 april
  16. De oorspronkelijke versie van artikel 6 van deze Wet van 3 april 1995 bepaalde: "Indien wordt vastgesteld dat akkoorden gesloten met toepassing van deze titel niet zijn nagekomen of indien vastgesteld wordt dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van transfers binnen ondernemingen die behoren tot dezelfde groep of dezelfde economische entiteit, zal de werkgever tot terugbetaling gehouden zijn van het geheel of gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen." Dat er bij de N.V. C. een netto-aangroei is geweest van het aantal werknemers betwist de R.S.Z. niet. Het valt ook niet te betwisten nu het duidelijk is dat de N.V. C. in 1994 geen personeel tewerkstelde. Thans heeft de R.S.Z. wel zijn twijfels of de N.V. C. en de N.V. C. & Co (de actuele N.V. Allied Domecq Spirits and Wine Benelux) inderdaad geen vennootschappen zijn die behoren tot dezelfde groep of tot dezelfde economische entiteit. Zo zouden volgens de R.S.Z. ondernemingen die met elkaar juridisch geen uitstaans hebben ongetwijfeld tot 'dezelfde groep' behoren wanneer zij bijvoorbeeld economische activiteiten ontwikkelen in dezelfde sector. Onafgezien van het feit dat de R.S.Z. met dit argument een brug te ver gaat (operationeel zijn in dezelfde sector betekent geenszins behoren tot dezelfde economische entiteit) stelt het Hof vast dat de R.S.Z. deze argumentatie pas nu naar voren schuift, nu alle kaarten op tafel liggen en de Wet van 13 februari 1998 ondertussen een feit is. Evengoed stelt het Hof vast dat de R.S.Z. 'in tempore non suspecto', d.w.z. in 1996, toen de bijdrageverminderingen door de N.V. C. werden toegepast, of zelfs in 1997, helemaal niet betwistte dat de N.V. C. recht had op deze bijdrageverminderingen, zij het dan onder het oorspronkelijke regime van de Wet van 3 april
  17. De R.S.Z. betwistte de toegepaste verminderingen pas in september 1998, op een ogenblik dat de Wet van 13 februari 1998 van toepassing was. Voor het Hof volgt hieruit duidelijk dat de R.S.Z. het recht op bijdrageverminderingen van de N.V. C. enkel heeft betwist op grond van de (retroactieve) toepassing van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari
  18. Dit betekent meteen dat er moet aangenomen worden de R.S.Z. vóór het van toepassing worden van de Wet van 13 februari 1998 aanvaardde dat de N.V. C. recht had op de bijdrageverminderingen onder het vroegere regime. Vanuit de bescherming van de rechtszekerheid kan de R.S.Z. een werkgever niet in het ongewisse laten gedurende langere tijd nadat de beperkte periode waarvoor een gunstmaatregel werd toegepast, verstreken is. In de huidige omstandigheden moet de R.S.Z. het bewijs leveren dat hij, ook onder het regime van de Wet van 3 april 1995, betwistte dat de N.V. C. recht had op de bijdrageverminderingen. Dit bewijs levert de R.S.Z. niet. Daarom is ook de kwestie niet aan de orde of het belangrijk was dat de Koning bepaalde wat er moest worden begrepen onder de begrippen 'dezelfde groep' of 'dezelfde economische entiteit'. De R.S.Z. heeft in de concrete omstandigheden van deze zaak nooit blijk gegeven van enige nood aan deze nadere bepaling. Hij heeft kortweg aanvaard dat de N.V. C. toen recht had op de bijdrageverminderingen. Aldus oordeelt het Hof dat de N.V. C., in de periode die de toepassing van het nieuwe artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 voorafging, de rechtszekerheid verwierf dat zij terecht aanspraak kon maken op de bijdrageverminderingen uit de Wet van 3 april
  19. Door de komst van de Wet van 13 februari 1998 werd concreet deze rechtszekerheid, die de N.V. C. individueel had verworven, aangetast. Door deze aantasting verkreeg de N.V. C. het individueel belang dat nodig is om de retroactieve werking van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 in vraag te stellen. De retroactieve wet versus de rechtszekerheid In casu is er sprake van een aantasting van de rechtszekerheid die de N.V. C. verwierf onder het regime van de Wet van 3 april 1995 door het invoeren met retroactieve werking van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari
  20. Op het terrein van het recht ontstaat er aldus een botsing, een conflict tussen de toepassing van de retroactieve wet en de bescherming van de rechtszekerheid. Het is de rechter die met dit conflict wordt geconfronteerd. De retroactieve wet dringt zich aan de rechter op omdat ze nu eenmaal een wet is. Maar ook de bescherming van de rechtszekerheid van de burger dringt zich aan de rechter op. De bescherming van de rechtszekerheid van de burger kan zich aan de rechter aandienen vanuit twee verschillende posities die deze rechtszekerheid inneemt binnen het rechtsbestel. Een eerste positie die de rechtszekerheid kan innemen is de positie van "algemeen beginsel." Artikel 2 van het B.W. verwijst naar deze positie. Een tweede positie zou deze kunnen zijn van "pijler van de rechtsstaat" of van "grondwettelijk beginsel." De rechtszekerheid en de grondwet sensu lato Het Belgische grondwettelijk recht bestaat niet alleen uit de artikelen van de geschreven grondwet, maar ook uit onderling samenhangende algemene grondslagen en hoofdgedachten waarvan de grondwetgever is uitgegaan, maar die hij niet in een specifieke grondwetsbepaling heeft opgenomen. Daartoe behoort het beginsel van de rechtsstaat (L.P. Suetens, De retroactiviteit van wetten, decreten en ordonnanties, in T.F.R. 120-121, 1993, blz. 220 nr. 5). Een schragende pijler van die rechtsstaat is de door de burger verworven rechtszekerheid, die bescherming verdient omdat zij voor deze burger voldoende belangrijk is. Indien deze rechtszekerheid, opgevat als een grondslag of als een pijler van onze rechtsstaat, behoort tot onze grondwet sensu lato, dan dringt ze zich aan de rechter met meer nadruk en gewicht op dan een gewone wet. In die hypothese zou het conflict tussen enerzijds een retroactieve (maar gewone) wet en anderzijds de rechtszekerheid als grondwettelijk beginsel moeten worden beslecht in het voordeel van de rechtszekerheid, tenminste wanneer deze geïndividualiseerd is en beschermingswaardig, wat in casu het geval is. De vraag of deze rechtszekerheid tot de grondwet sensu lato behoort en, in het positieve geval, de vraag of artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998, dat deze rechtszekerheid bij de N.V. C. aantastte, geen schending uitmaakt van de grondwet sensu lato, behoren tot de bevoegdheid van het Arbitragehof, ons grondwettelijk hof. Om het Arbitragehof toe te laten gebruik te maken van deze bevoegdheid, wordt een prejudiciële vraag gesteld (cfr. infra). Het Hof begrijpt dat het Arbitragehof zijn (nieuwe) bevoegdheid daartoe moet onderzoeken in het licht van de bijzondere Wet van 9 maart 2003 tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. De niet-retroactiviteit van de wet als algemeen rechtsbeginsel In de hypothese dat de toepassing van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 niet buiten spel moet worden gezet wegens schending van de grondwet sensu lato, dan blijft er het conflict tussen deze retroactieve bepaling en het beginsel dat de wet in de tijd niet mag terugwerken. Het beginsel dat de wet niet terugwerkt in de tijd ter bescherming van de rechtszekerheid van de burger en van diens vertrouwen in de rechtsstaat, werd geformuleerd in artikel 2 B.W., dat een algemene draagwijdte heeft. Er wordt algemeen aanvaard dat dit verbod tot retroactiviteit geldt als een algemeen rechtsbeginsel. Naast de toepassing van de wet, moet de rechter ook de algemene rechtsbeginselen toepassen. In het conflict tussen de toepassing van de (retroactieve) wet of de toepassing van een algemeen rechtsbeginsel zal er moeten gekozen worden in functie van de belangen in het spel: de individuele rechtszekerheid van de burger versus het algemeen belang. In zijn arrest nr. 6/2003 van 22 januari 2003 (rol nr. 2282) (stuk 10 van de R.S.Z.) gaf het Arbitragehof de volgende piste aan: "Los van het geval waarin een bepaling als interpretatief kan worden beschouwd, kan de terugwerkende kracht enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, zoals de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst (overweging B8)." Het Hof sluit zich bij dit oordeel aan. Met de N.V. C. is het Hof het eens dat artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 geen interpretatieve bepaling is. Artikel 28 heeft artikel 6 van de Wet van 3 april 1995 niet uitgelegd of verduidelijkt maar heeft de groep van werkgevers die tot terugbetaling zijn gehouden anders en ruimer ingevuld. Bijgevolg is de terugwerkende kracht die werd verleend aan artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 enkel verantwoord wanneer dit onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Onder de overweging B10 gaf het Arbitragehof in zijn net geciteerde arrest de doelstelling van algemeen belang aan die de Wet van 3 april 1995 ten grondslag lag: "... sectoren en ondernemingen toe te laten tewerkstellingsakkoorden te sluiten die gepaard gaan met een netto-verhoging van de tewerkstelling". Vertaald naar de huidige zaak moet er dus worden onderzocht of artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 mét retroactieve toepassing onontbeerlijk was om de netto-verhoging van de tewerkstelling te bereiken, die de Wet van 3 april 1995 voor ogen had. De vraag die daarbij onmiddellijk rijst, is of deze Wet van 3 april 1995 dan geen adequaat instrument was om deze netto-verhoging van de tewerkstelling te bereiken? De R.S.Z. meent van niet omdat de begrippen 'transfers' en 'ondernemingen die behoren tot dezelfde groep of tot dezelfde economische entiteit' geen eigen technisch juridische betekenis hebben, zodat er nood was aan verduidelijking of nadere bepaling van deze begrippen. Het Hof volgt deze zienswijze van de R.S.Z. niet. Ook al dekken bedoelde begrippen geen exacte lading, toch konden de rechters in de individuele gevallen aan deze begrippen een zinvolle interpretatie geven, waardoor deze begrippen hanteerbaar werden ter realisatie van de wettelijke doelstelling. In tegenstelling tot de opvatting van de R.S.Z. moesten de gewraakte begrippen niet "onontbeerlijk" worden uitgelegd door een nieuw wettelijk initiatief. Maar er is wel een ander probleem met de Wet van 3 april
  21. De groep van werkgevers namelijk die door deze wet werden uitgesloten van het genot van de bijdrageverminderingen was niet ruim genoeg bepaald om een sluitende realisatie van de doelstelling van netto-verhoging van de tewerkstelling te realiseren. De voorbereidende werken van de Wet van 13 februari 1998 omschrijven het probleem in de volgende zin: "Aldus beoogde men "de ongeoorloofde toekenning te voorkomen van bijdrageverminderingen waartoe werd besloten in het kader van tewerkstellingsakkoorden, ingeval ondernemingen fuseren of worden opgeslorpt of ingeval werknemers worden overgeheveld met een vermindering van het arbeidsvolume als gevolg." (Parl. St. Kamer, 1997-1998, nr. 1269/4, p. 46-47) Onder het regime van de Wet van 3 april 1995 zijn er dus werkgevers die niet bijdragen tot een netto-verhoging van de tewerkstelling maar die desondanks toch kunnen genieten van de bijdrageverminderingen die deze netto-verhoging moeten stimuleren. Dus is deze Wet van 3 april 1995 slechts gedeeltelijk adequaat om de doelstelling van algemeen belang, zijnde de netto-verhoging van de tewerkstelling, te realiseren. De volgende vraag in de redenering is dan of artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 de onontbeerlijke remedie is, door de toepassing waarvan de Wet van 3 april 1995 wél voldoende adequaat wordt om haar doelstelling van algemeen belang, met name de netto-verhoging van de tewerkstelling, te realiseren? Het Hof is van oordeel dat dit artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 de groep van werkgevers die onder het regime van de Wet van 3 april 1995 ongeoorloofd bijdrageverminderingen konden toepassen, wel verkleint maar deze groep toch niet geheel neutraliseert. Ook na de invoering van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 blijft er een groep van werkgevers bestaan die zonder een bijdrage te leveren tot de netto-verhoging van de tewerkstelling toch een beroep kunnen doen op de bijdrageverminderingen. Het best kan dit nog geïllustreerd worden met de feitelijke gegevens van de huidige zaak. In de hypothese dat de N.V. C. enkel de activiteit van de N.V. C. & Co zou hebben overgenomen zonder het personeel en om deze activiteit verder te commercialiseren beroep zou hebben gedaan op nieuw personeel en in de bijkomende veronderstelling dat het personeel van de N.V. C. & Co dat aldus niet werd overgenomen door deze laatste zou zijn afgedankt, dan zou er bij deze transactie geen sprake zijn van een netto-verhoging van de tewerkstelling en toch zou de N.V. C., huidige appellante, gerechtigd zijn geweest op de bijdrageverminderingen R.S.Z. omdat er geen sprake was van overdracht van personeel en zij bijgevolg niet viel onder de uitsluitingen van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari
  22. Er is maar sprake van een netto-verhoging van de tewerkstelling wanneer werkgevers nieuwe, bijkomende activiteiten opstarten en daarvoor personeel nodig hebben of wanneer werkgevers bestaande activiteiten intensifiëren of anders organiseren en hiervoor bijkomend personeel nodig hebben. Maar er is geen netto-verhoging van de tewerkstelling wanneer dezelfde activiteit enkel overgaat in andere handen. Deze verhoging is er duidelijk niet wanneer het bestaande personeel bij deze activiteit mee in dezelfde handen overgaat, maar dat is ook niet het geval wanneer het bestaande personeel afvloeit en de overnemer nieuw personeel aanwerft. De omvang van de activiteit zelf is immers altijd dezelfde gebleven. Het feit dat artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 niet op sluitende wijze aan de Wet van 3 april 1995 remedieert, doet een nieuw probleem van ongelijke behandeling van werkgevers ontstaan, namelijk tussen deze werkgevers die onder het regime van de Wet van 3 april 1995 niet maar thans wél worden gevat door de toepassing van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 en de werkgevers die nog steeds, ook onder de remediërende toepassing van artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998, als het ware "vogelvrij" blijven, zoals het bovenstaande voorbeeld illustreert. De vraag is dan of artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998, dat een ongelijke behandeling van werkgevers laat bestaan, geen schending uitmaakt van artikel 10 en 11 van de Grondwet. Deze kwestie brengt het Hof ertoe een tweede vraag te stellen aan het Arbitragehof. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer H. VANDERLINDEN, Substituut-generaal, in zijn mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 6 mei
  23. De raadsman van eiser in hoger beroep werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. De raadsman van geïntimeerde verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Zegt voor recht dat de N.V. C., in de periode die de toepassing van het nieuwe artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998 voorafging, de rechtszekerheid verwierf dat zij terecht aanspraak maakte op de bijdrageverminderingen uit de Wet van 3 april
  24. Zegt voor recht dat de N.V. C. daardoor het vereiste individuele belang had om de bestaanbaarheid van artikel 30, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998, houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, hetzij met de Grondwet sensu lato hetzij met de rechtszekerheid als algemeen beginsel in vraag te stellen. Stelt, alvorens verder recht te doen, achtereenvolgens de twee volgende prejudiciële vragen aan het Arbitragehof: Vraag één: "Behoort een individueel verworven rechtszekerheid tot de grondslagen van de Belgische Grondwet sensu lato en meer bepaald tot Titel II ervan? In het bevestigende geval, houdt de schending van deze individueel verworven rechtszekerheid door de toepassing van artikel 30, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998, houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, een schending in van Titel II van de Belgische Grondwet zelf?" In het geval dat deze eerste prejudiciële vraag door het Arbitragehof negatief wordt beantwoord: Vraag twee: "Schendt artikel 28, ,§1 van de Wet van 13 februari 1998, houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet bij zoverre dit artikel de groep van werkgevers uitsluit van de bijdrageverminderingen R.S.Z., bij wie de personeelstoename het gevolg is van overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat, terwijl, onder de toepassing van hetzelfde artikel, de werkgevers waarbij de personeelstoename zich realiseerde buiten elke vorm van overdracht, van deze bijdrageverminderingen niet worden uitgesloten ondanks het feit dat hun personeelstoename de algemene netto-tewerkstelling evenmin deed toenemen zodat er aldus afbreuk wordt gedaan aan het principe dat het genot van de aan Belgen toegekende rechten zonder discriminatie moet worden verzekerd, met name ten nadele van de werkgevers met een netto personeelsaangroei ten gevolge van een overdracht zoals hoger bepaald?" Verzoekt het Arbitragehof zijn beslissing te laten kennen. Schorst in afwachting de huidige procedure. Gelast de verzending aan het Arbitragehof, overeenkomstig artikel 27, ,§1 van de Bijzondere Wet, van een door de voorzitter en de griffier van dit Arbeidshof ondertekende expeditie van onderhavig arrest tot verwijzing. Houdt de vereffening van de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twee september tweeduizend en vijf, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer M. VAN HOECKE, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer R. CARAEL, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050902.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.