id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 02 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050902.2 Rolnummer: 2000-0946 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-20 Raadplegingen: 285 - laatst gezien 2026-07-03 22:34 Fiches 1 - 3 Het komt aan de R.S.Z. toe het positieve bewijs te leveren dat er niet werd voldaan aan het vereiste van openbaarmaking, zoals bepaald in artikel 157 en of artikel 159 van de Programmawet van 22 december
- Om het vermoeden te weerleggen dat, bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters, de deeltijdse werknemers worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, volstaat het te bewijzen dat de deeltijdse werknemer geen arbeid heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN maatschappelijke zekerheid der arbeiders - inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling - openbaarmaking van de werkroosters. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 11bis - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet - 22-12-1989 - 157 - 31 ELI link Pub nr 1989021231 Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSREGLEMENT bekendmaking van het arbeidsreglement - maatschappelijke zekerheid der arbeiders - inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling - openbaarmaking van de werkroosters. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1965040816 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling - openbaarmaking van de werkroosters. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 11bis, onder III G - artikel 15 en onder VII A - artikel 22ter. Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak, heropening der debatten op 21 oktober 2005 om 10 uur Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2000946 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: B.V.B.A. P. met zetel gevestigd te XXX, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. XXX, advocaat te XXX, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. P. VAN RILLAER, advocaat te 2820 BONHEIDEN. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 17 mei 2002, van 2 mei 2003 en van 3 juni 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het tussenarrest van deze kamer van 17 mei 2002 waarbij het getuigenverhoor wordt bevolen, af te nemen door de eerste rechter; x de processen-verbaal van getuigenverhoor van 2 oktober 2003 en van 20 november 2003; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 6 oktober 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit Hof op 3 februari 2005; x het antwoord met tegenvoorstel hierop, ontvangen op de griffie van dit Hof op 17 februari 2005; x de beschikking van de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van 23 februari 2005; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 31 maart 2005; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 19 april
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van verweerder in hoger beroep. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 3 juni
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 3 juni
- Wat voorafgaat Bij tussenarrest van 17 mei 2002 van deze kamer van het Hof werd de B.V.B.A. P. gemachtigd met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, te bewijzen "dat de deeltijdse werknemers in casu wel degelijk tewerkgesteld waren in het kader van een deeltijdse arbeidsovereenkomst". Het afnemen van dit getuigenverhoor werd opgedragen aan de eerste rechter. Het getuigenverhoor werd gehouden op 2 oktober
- De R.S.Z. zag af van het houden van een tegenverhoor. Verdere beoordeling volgens het recht Er bestaat tussen de partijen geen betwisting meer over het uitgangspunt dat hun geschil enkel dient te worden beoordeeld vanuit de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet (Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). De R.S.Z. benadrukt dat naar recht zijn vordering inderdaad gegrond is op dit artikel 22 ter en niet op artikel 171, 2e lid van de Programmawet van 22 december 1989, zoals de eerste rechter voorhoudt. Het Hof beaamt deze stellingname. Artikel 22 ter, ingevoegd bij de Wet van 22 december 1989, art. 181, 005 en in werking getreden op 9 januari 1990, bepaalt: Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De B.V.B.A. P. leest dit artikel verkeerd wanneer zij voorhoudt dat artikel 22 ter enkel van toepassing zou zijn op de situatie waarbij er afwijking zou zijn van het normaal deeltijds werkrooster. Eiser in hoger beroep zoekt het een brug te ver. Ontdaan van de uitzondering, zegt de eerste zin van artikel 22 ter dat de deeltijdse werknemers worden vermoed hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt. Aldus schept de wetgever een verband tussen de theorie (de werkroosters) en de praktijk (de effectieve prestaties). Als de werkroosters op de wettelijk voorgeschreven manier openbaar zijn gemaakt dan worden de werknemers vermoed gepresteerd te hebben conform deze werkroosters. De prestaties kunnen ook afwijken van deze werkroosters. Maar in dat geval moeten deze afwijkingen ofwel worden ingeschreven in de wettelijke daartoe voorziene documenten of moeten ze worden geregistreerd via vervangende apparatuur. In deze zaak is echter de afwijking van de werkroosters niet aan de orde, zodat de uitzondering buiten beschouwing kan worden gelaten. De eerste zin van artikel 22 ter bevat het vereiste van openbaarmaking. En dit vereiste kan niet buiten beschouwing worden gelaten. En precies in verband daarmee voorziet artikel 22 ter in een tweede vermoeden. De tweede zin van artikel 22 ter bepaalt immers dat, wanneer er geen openbaarmaking van werkroosters is conform de wet, de deeltijdse werknemers worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De R.S.Z. beroept zich op het tweede vermoeden van deze bepaling want hij houdt voor dat door de ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters in casu, de betrokken deeltijdse werknemers worden vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. Het eerste wat bijgevolg moet bewezen zijn, is de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters'. Welke openbaarmaking? Deze die werd bepaald in de artikelen 157 tot 159 van de programmawet van 22 december
- Artikel 157 bepaalt: Een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer, schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Artikel 15 van de Wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen laat er geen twijfel over bestaan dat 'de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden' de werkplaats is waar de werknemers zijn tewerkgesteld. In casu is dat de taverne ''t Hoeveke' aan de Hoogveldweg nr. 135 in Lier. Na grondig nazicht van de stukken in het bundel van de R.S.Z. komt het Hof tot de bevinding dat de regularisaties door de R.S.Z. van de verschuldigde bijdragen steunt op de aanvragen tot wijziging van de bijdragen, die door het sociaal secretariaat van de B.V.B.A. P. bij de R.S.Z. werden ingediend. (zie kaft II in het dossier van de R.S.Z.) Uit deze aanvragen komt naar voren dat ze betrekking hebben op zeventien verschillende werknemers en geen elf, zoals de R.S.Z. aangeeft op blz. 9 van zijn syntheseconclusies van 19 april
- Het betreft met name de volgende werknemers: Ismaël Chaldi, Noël Doms, José Kerckhofs, Edwin De Raedt, Monique De Raedt, Koen Van Gorp, Carine De Keersmaecker, Guy Heurbout, Ozturk Onalan, Koen Lauwers, Florent Osier, Farid Chaldi, Dirk Maris, Viviane Bruyndonckx, Stefan Hageman, Tania Beunckens en Laurette Vermeulen. Uit het onderzoeksverslag dat aan de basis lag van de regularisaties met in dit verslag vooral de afgelegde verklaringen hetzij van de zaakvoerder van de B.V.B.A. P., hetzij van Edwin De Raedt (die blijkbaar als vertrouwenspersoon optreedt), blijkt dat voor de meeste werknemers geen schriftelijke arbeidsovereenkomst was opgemaakt conform het voorschrift van artikel 11bis van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, noch enig uittreksel daarvan. Dit geldt voor alle zeventien werknemers behalve voor Koen Van Gorp, Koen Lauwers en Florent Osier. De twee laatsten kwamen volgens Edwin De Raedt (zie zijn verklaring van 18 februari 1997) in dienst op 19 augustus 1996 en werkten met een variabel uurrooster (cfr. infra). Koen Van Gorp is uit dienst gegaan op 4 april 1996, zowat drie maanden vóór dat de controle van 13 juni 1996 plaatsvond. Voor hem werd blijkbaar wél een geschreven arbeidsovereenkomst opgemaakt (zie verslag van de controleur). Er zijn in het dossier geen gegevens voorhanden die toelaten om uit te maken of Koen van Gorp met een vast dan wel met een variabel uurrooster werkte, noch om uit te maken of zijn arbeidsovereenkomst werd bewaard op de plaats van tewerkstelling. Deze onvolledigheid speelt in het voordeel van de de B.V.B.A. P. omdat het aan de R.S.Z. toekomt te bewijzen dat er voor Koen Van Gorp individueel sprake is van een ontstentenis van openbaarmaking in de zin van artikel 157 of 159 van de bedoelde Programmawet. Enige nuttige vaststelling kon de inspectie op 13 juni 1996 niet doen omdat betrokkene reeds uit dienst was. Bij zoverre de vordering van de R.S.Z. betrekking heeft op de regularisatie van de prestaties van Koen Van Gorp, is ze ongegrond. Wat de twee andere werknemers betreft, Koen Lauwers en Florent Osier, die beiden blijkbaar over een geschreven arbeidsovereenkomst beschikten, komt de toepassing van artikel 159 van bedoelde Programmawet om de hoek kijken omdat ze werkten met een variabel werkrooster. Dit artikel bepaalt: Wanneer het werkrooster variabel is, ..., zullen de dagelijkse werkroosters ten minste vijf werkdagen vooraf ter kennis worden gebracht van de werknemers door middel van aanplakking van een bericht, ..., gedateerd door de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, in de lokalen van de onderneming ... Edwin De Raedt geeft in zijn verklaring van 18 februari 1997 toe dat aparte werkroosters nooit werden opgemaakt, zodat, wat deze twee werknemers betreft, ook nooit kon voldaan zijn aan het vereiste van openbaarmaking, zoals voorgeschreven door de Programmawet. De conclusie is dan ook dat er voor zestien van de zeventien opgesomde werknemers inderdaad sprake is van 'ontstentenis van openbaarmaking' in de zin van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet, hetzij omdat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst tijdig werd opgemaakt, hetzij omdat er geen aparte werkroosters waren opgemaakt. Indien dat het geval is, worden deze werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, zo bepaalt immers artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet. x x x Ondertussen is het een uitgemaakte zaak dat dit vermoeden, zoals het in deze zaak geldt, weerlegbaar is. Het volstaat te bewijzen dat de deeltijdse werknemer geen arbeid heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. (zie Cass., 3 februari 2003, A.R. nr. S.02.0081.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12 te consulteren via www.just.fgov.be > welkom > Rechtsbronnen - rechtspraak > invoeren: jurisdictie en datum > aanklikken: lijst > nr. RCO 3234_1). Het bewijs moet worden aangebracht door de werkgever, in casu de B.V.B.A. P.. Daarbij is niet vereist dat de werkgever het bewijs levert dat de betrokken werknemers zich in de materiële onmogelijkheid bevonden om voltijdse prestaties te leveren. In het tussenarrest van 17 mei 2002 werd reeds beslist dat in casu het vermoeden van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet niet werd weerlegd door de reeds voorhanden zijnde elementen, zoals het personeelsregister, de individuele rekeningen en de beweerde materiële onmogelijkheid dat steeds een tiental werknemers aanwezig zouden zijn geweest in de beperkte bedrijfsruimte van + 50m². Het heeft dus geen zin deze elementen thans opnieuw naar voren te schuiven. Trouwens de werkgever moet het positieve bewijs bijbrengen dat zijn werknemers deeltijds werkten. Een afleiding uit een omstandigheid of een materieel gegeven is op zichzelf onvoldoende. In het tussenarrest werd de B.V.B.A. P. gemachtigd om dergelijk positief bewijs bij te brengen via getuigenverhoor. Het rechtstreekse getuigenverhoor vond plaats op 2 oktober 2003 in de raadkamer van de Arbeidsrechtbank te Mechelen. Het Hof beoordeelt soeverein de bewijswaarde van de afgelegde getuigenissen. In concreto toont de R.S.Z. zelf niet aan dat de getuigen die werden verhoord een individueel belang hadden om hun getuigenis vanuit dit eigen belang te kleuren. Als eerste getuige werd José Kerckhofs verhoord. Zij verklaarde dat zij van 1 april 1990 tot 31 maart 2000 in dienst was van de B.V.B.A. P. en in de taverne vooral toogwerk deed. Zij was dus in dienst tijdens de regularisatieperiode die de R.S.Z. hanteert. Zij verklaarde van steeds deeltijdse prestaties te hebben geleverd. Zij verstrekt daarbij geen enkel verder detail: op welke dagen werkte ze? Op welke uren? Waarom werkte ze deeltijds? Deed ze nog iets anders ... In het algemeen verklaren van deeltijds te hebben gewerkt, zonder enige verdere toelichting, volstaat op zichzelf niet als bewijs in het kader van de huidige beoordeling. Ook haar getuigenis in verband met het werkregime van Ismaël Chadli, Noël Doms en Erwin De Raedt (betrokken werknemers) blijft even algemeen. Voor hen bevestigde ze zelfs expliciet dat ze niet meer weet hoeveel uren en op welke dagen ze presteerden. Van een aantal andere betrokken werknemers herinnert ze zich het werkregime zelfs helemaal niet meer. De getuigenis van José Kerckhofs blijft veel te algemeen en te vaag om zelf dienstig te kunnen zijn als een bewijs ter weerlegging van het vermoeden van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet. Als tweede getuige werd Roger Wijns verhoord. Deze verklaarde o.a. het volgende: "Sinds ongeveer 1990 ben ik leverancier van de bvba P. en lever er vlees. Aangaande de tewerkstelling deeltijds of voltijds van de personeelsleden weet ik zeer weinig ." De getuige kan in principe dienstige verklaringen afleggen over de regularisatieperiode die de R.S.Z. in aanmerking neemt. Hij vernoemt als personeelsleden die hij aan het werk zag: Peter Geens, Peter Vleugels en een Peter (?) in de zaal. Geen van deze werknemers komt voor in het lijstje van zeventien (zie hoger) die aan de basis hebben gelegen van de regularisatie. Informatie over deze drie is dan ook niet dienstig. Het enige dienstige personeelslid waarover hij iets verklaarde, is José Kerckhofs. Maar over haar werkregime weet hij niets. De getuigenis van Roger Wijns is niet dienstig. Ze brengt geen bewijs bij. De derde getuige is Louis Jennen. Hij is de medewerker van het sociale secretariaat dat de personeelszaken voor de B.V.B.A. P. voor zijn rekening neemt. In principe moet met de bewijswaarde van deze getuigenis zeer omzichtig worden omgesprongen. Deze getuige is een rechtstreeks betrokken persoon. Hij verleende advies aan de B.V.B.A. P. inzake personeelsaangelegenheden. Hij heeft er alle belang bij dat de zaak afloopt zoals de B.V.B.A. P. dit wenst. De getuige geeft niet aan op welke periode zijn getuigenis slaat. Hij legt zijn verklaring af in oktober 2003 terwijl de vordering van de R.S.Z. dateert van vóór
- Het Hof kan dus niet uitmaken of de verklaring van Louis Jennen de relevante periode bestrijkt, waarop de vordering van de R.S.Z. betrekking heeft. Slechts over één personeelslid uit het lijstje van zeventien legde de getuige een verklaring af: opnieuw José Kerckhofs. Over haar verklaarde hij dat ze een deeltijds arbeidscontract had met een variabel uurrooster. Deze verklaring zelf brengt de B.V.B.A. P. echter geen stap verder. Het is niet omdat iemand een deeltijdse arbeidsovereenkomst heeft dat zij of hij niet voltijds kan werken. Een papieren arbeidsovereenkomst is geen bewijs van de prestaties die effectief werden geleverd. Verder levert deze getuigenverklaring geen dienstige informatie op. In het kader van de huidige beoordeling maakt ze een onvoldoende bewijs uit. Als vierde getuigde Tania Beunckens. Zij is de echtgenote van de zaakvoerder Pascal Scheers en daarom kan zij er belang bij hebben dat de huidige zaak een bepaalde afloop kent. Desondanks komt haar verklaring als spontaan en eerlijk over. Er zit informatie in die de zaak van de B.V.B.A. P. niet dient, zoals de toegeving dat ze niet in de mogelijkheid was vast te stellen wanneer er door de andere personeelsleden werd gepresteerd. Haar getuigenis heeft voldoende bewijswaarde. Zij verklaarde part-time in de zaak te hebben gewerkt van 1990 tot
- Vanaf dan werkte ze blijkbaar nog maximum één avond per week omdat ze in die periode kort na mekaar moeder werd van drie kinderen. Naar tijdsperiode toe is deze verklaring voldoende specifiek om dienstig te zien in het kader van de beoordeling van de huidige vorderingen. Wat de eigen prestaties van Tania Beunckens betreft, is het Hof van oordeel dat voor 1993, vallende in de periode dat ze naar eigen zeggen nog part-time werkte, zij te algemeen blijft. Voor dat jaar levert de verklaring van Tania Beunckens onvoldoende bewijs op van een deeltijdse tewerkstelling. De R.S.Z. voerde voor haar enkel voor het tweede kwartaal van 1993 een regularisatie door. Voor dit kwartaal levert de eigen verklaring van Tania Beunckens dus onvoldoende bewijs op van haar deeltijdse tewerkstelling Wat de andere werknemers betreft, blijft haar verklaring eveneens te vaag. Het moet worden herhaald dat het onvoldoende is te verklaren dat bepaalde personeelsleden deeltijds werkten zonder enige verder uitleg. Daarbij is Tania Beunckens zo eerlijk om te verklaren dat, voor het grootste gedeelte van het tijdvak waarop de vorderingen van de R.S.Z. slaan, zij geen dienstige details kan verschaffen over de aard van de tewerkstelling van de personeelsleden, omdat ze maar maximum één avond per week meer werkte. Aldus levert de verklaring van Tania Beunckens onvoldoende bewijs op in het kader van deze beoordeling zowel met betrekking tot haarzelf als met betrekking tot de andere werknemers. De vijfde getuige is Peter Swiers. Hij verklaarde in dienst te zijn geweest van de B.V.B.A. P. vanaf 1992 tot april
- Hij kan dus dienstige verklaringen afleggen over de relevante periode voor dit geding. Zijn verklaring komt objectief over. Hijzelf komt niet voor op het lijstje van zeventien omdat hij voltijds werkte. Over Ismaël Chadli, Noël Doms, Erwin De Raedt en José Kerckhofs verklaarde hij dat ze deeltijds werkten. Maar opnieuw verstrekt hij geen enkel detail, tenzij als antwoord op de vraag van de raadsman van de R.S.Z. dat hij tijdens zijn aanwezigheid kon vaststellen wanneer zijn collega's werkten. Maar ook dit antwoord laat niet toe zich enig oordeel te vormen over het werkregime, over de concrete en dagelijkse prestaties van deze collega's. De andere informatie in deze getuigenis is niet relevant. Ook de getuigenis van Peter Swiers levert an sich onvoldoende bewijs op van de deeltijdse tewerkstelling van de betrokken werknemers. De zesde getuige is Jef Nees. Hij is gepensioneerde en verklaarde in de periode van 1990 tot 1995 regelmatig de taverne 't Hoeveke als klant te hebben bezocht, zo'n vier à vijf keer per week. Vanaf 1996 kwam hij enkel nog sporadisch. Zijn getuigenis bestrijkt het grootste deel van de tijdsperiode waarop de vorderingen van de R.S.Z. betrekking hebben. Van de zeventien werknemers waarover het hier gaat, vernoemt hij er slechts twee: Tania Beunckens en José Kerckhofs. Hij verklaarde dat hij Tania in het weekend aan de kassa zag. Maar omdat haar prestaties enkel voor het tweede kwartaal van 1993 werden geregulariseerd, blijft deze verklaring veel te vaag om er met zekerheid te kunnen uit afleiden dat ze betrekking heeft precies op dit tweede kwartaal van
- José Kerckhofs zou onregelmatig zijn gekomen, geen ganse dag. Dit wijst inderdaad naar een deeltijdse tewerkstelling van haar maar toch blijft de informatie te vaag en is ze onvoldoende om met zekerheid te weten dat José Kerckhofs slechts deeltijds werkte. Op zichzelf blijft de getuigenis van Jef Nees onvoldoende om het bewijs te leveren dat José Kerckhofs slechts deeltijds werkte. Als laatste getuigde Edwin De Raedt. Hij verklaarde als kelner in 't Hoeveke te hebben gewerkt van 1991 tot
- Zijn verklaring is, naar tijdsperiode toe, zinvol. Hij verklaarde over zichzelf, over Noël Doms en over José Kerckhofs van deeltijds te hebben gewerkt. Hij verklaarde niet te kunnen aangeven hoeveel uren en op welke dagen Noël Doms en José Kerckhofs presteerden. Over José Kerckhofs gaf hij aan dat ze "soms" aanwezig was. Over zichzelf verklaarde hij op weekdagen meestal 's middags te hebben gewerkt op uren die varieerden al naargelang er gereserveerd was. Dit gegeven op zich volstaat niet om met zekerheid te weten dat hij maar deeltijds werkte. Hij zwijgt namelijk over het weekend. In deze drukke periode zijn vele uren arbeid mogelijk in een taverne. Dus ook de getuigenis van Edwin De Raedt op zich genomen levert onvoldoende bewijs op van de deeltijdse tewerkstelling, waarom het in deze zaak draait. Losstaand van mekaar leveren de zeven getuigenissen niet het vereiste bewijs op van de deeltijdse tewerkstelling van de zeventien personeelsleden die de R.S.Z. bij zijn regularisaties betrok. Toch is het Hof van oordeel dat dit bewijs wel voldoende wordt geleverd voor José Kerckhofs, Noël Doms, Ismaël Chadli en voor Edwin De Raedt. Het feit dat verschillende getuigen consequent bevestigen dat deze werknemers deeltijds werkten, wijst allicht op een realiteit. De naam van José Kerckhofs wordt buiten haarzelf door vijf getuigen (Louis Jennen, Tania Beunckens, Peter Swiers, Jef Nees en Edwin De Raedt) positief in verband gebracht met een deeltijdse tewerkstelling. Geen enkele getuige twijfelt aan het deeltijds karakter van haar werkregime. Niemand laat een ander geluid horen. De samenhang tussen deze getuigenissen en het op één lijn zitten ervan maken dat het gegeven voldoende gewicht verkrijgt om enkel hierdoor uit te groeien tot een voldoende bewijs. Een gelijkaardige redenering kan worden gevolgd voor Noël Doms (over zijn statuut zijn de getuigen José Kerckhofs, Tania Beunckens, Peter Swiers en Edwin De Raedt het eensgezind eens), voor Ismaël Chadli (eensgezindheid bij José Kerckhofs, Tania Beunckens, Peter Swiers en Edwin De Raedt in de verklaring die hij op 18 februari 1997 aflegde aan de controleur) en voor Edwin De Raedt (eensgezindheid van de getuigen José Kerckhofs, Tania Beunckens, Peter Swiers en hemzelf). De algemene conclusie is dat voor de zeventien werknemers, waarvan de prestaties door de R.S.Z. in de betrokken periode werden geregulariseerd met toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet, het tweede vermoeden van dit artikel door de B.V.B.A. P. enkel werd weerlegd voor vier van hen, met name: José Kerckhofs, Noël Doms, Ismaël Chadli en Edwin De Raedt. Komt daarbij dat de R.S.Z. niet bewijst dat er voor Koen Van Gorp individueel sprake is van een ontstentenis van openbaarmaking in de zin van artikel 157 of 159 van de Programmawet van 22 december 1989, zoals hogerop in dit arrest werd beslist. De R.S.Z. zal bijgevolg zijn vorderingen moeten bijsturen in die zin dat ze ongegrond zijn bij zoverre ze betrekking hebben op de regularisatie van de tewerkstelling van José Kerckhofs, Noël Doms, Ismaël Chadli, Edwin De Raedt en Koen Van Gorp. Het Hof heropent de debatten om de R.S.Z. toe te laten de regularisatie voor deze vijf werknemers weg te halen uit zijn berekeningen en om een aangepaste herberekening en dito herleiding van zijn vorderingen aan het Hof voor te leggen. De kwestie van de intresten zal na de heropening der debatten en mits voorlegging van de definitieve afrekening worden beoordeeld. Het Hof dringt er op aan dat van deze herberekening onmiddellijk werk wordt gemaakt zodanig dat ze aan de B.V.B.A. P. tijdig en op voorhand kan worden voorgelegd, in die mate dat deze over voldoende tijd beschikt om ze na te kijken en zodanig dat het dossier opnieuw in staat is gesteld tegen de terechtzitting die in het beschikkende gedeelte van dit arrest is aangegeven. Het Hof wenst de zaak op voormelde terechtzitting in ieder geval te weerhouden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer H. VANDERLINDEN, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 3 juni
- De raadsman van eiser in hoger beroep werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. De raadsman van verweerder in hoger beroep verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Recht doende op tegenspraak. Het tussenarrest van 17 mei 2002 verder uitwerkende, Verklaart het hoger beroep reeds in de volgende mate gegrond: Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen van 22 november 2000 bij zoverre de vordering van de R.S.Z. gegrond werd verklaard in de mate dat deze was gesteund op de regularisatie van de tewerkstelling van de werknemers: José Kerckhofs, Noël Doms, Ismaël Chadli, Edwin De Raedt en Koen Van Gorp. Heropent de debatten om hoger vermelde reden. Stelt de zaak na heropening der debatten vast voor pleidooien op de openbare terechtzitting van deze kamer op 21 oktober 2005 om 10 uur. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twee september tweeduizend en vijf, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer M. VAN HOECKE, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer R. CARAEL, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050902.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.