← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050908.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050908.7 Rolnummer: 2002-0397 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-01 03:24 Fiches 1 - 4 Artikel 5, 1ste lid van de Wet van 16 november 1972 (Arbeidsinspectiewet) voorziet dat de sociale inspecteurs van een inspectiedienst de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen kunnen meedelen aan de openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle andere ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen. Evenwel vanaf het ogenblik dat de sociale inspecteur ambtshalve overgaat tot het opstellen van een pro-justitia, hetwelk onmiskenbaar een akte van onderzoek is, stelt hij een handeling die deel uitmaakt van het opsporingsonderzoek en is hij gehouden het geheim karakter van het strafechtelijk onderzoek dat expliciet werd opgenomen in de artikelen 28quinquies, ,§1 en 57 van het Wetboek van Strafvordering te eerbiedigen. Het overmaken door de sociale inspecteurs van de RVA van de gegevens vervat in een P.V., dat de aanzet vormt van een opsporingsonderzoek, aan de directeur van werkloosheidsbureau zonder toestemming van de arbeidsauditeur is een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf. De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen heeft als gevolg dat het hof, bij het vormen van haar overtuiging, dat element noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks mag in aanmerking nemen. Al het bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking genomen worden. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . WETBOEK VAN STRAFVORDERING werkloosheid - inbreuk - PV sociale inspecteurs - mededeling aan directeur - geen toestemming AA of PdK - onrechtmatig verkregen bewijs - gevolgen. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 28quinquies,§1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 57 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn - inbreuk - PV sociale inspecteurs - mededeling aan directeur - geen toestemming AA of PdK - onrechtmatig verkregen bewijs - gevolgen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 45 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: TOEZICHT EN CONTROLE VAN DE SOCIALE WETTEN . ARBEIDSINSPECTIE werkloosheid - inbreuk - PV sociale inspecteurs - mededeling aan directeur - geen toestemming AA of PdK - onrechtmatig verkregen bewijs - gevolgen. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - 5,1elid - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Nota: Gerangschikt onder I D - artikel 28quinquies, ,§ 1, onder I D - artikel 57, onder V AN - artikel 45 en onder XIV - artikel 5, 1e lid. Annotaties Publicaties: RECHTSKUNDIG WEEKBLAD - - 2006

(07)(00003,P.105-107) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2020397 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. M.-C. P., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: J. L., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. R., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.
  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 4 september 2002, 19 oktober 2004, 26 mei 2005 en 9 juni 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 3 juni 2002 (A.R. 335.749); - het verzoekschrift tot hoger beroep van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, neergelegd op de griffie van dit hof op 25 juni 2002; - de conclusies voor J. L., neergelegd op de griffie van dit hof op 15 september 2004; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 9 juni 2005, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3 Ger.W. aan partijen werd verzonden op 9 juni
  2. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van J. L. bestaande uit 4 genummerde stukken, en de bundel van Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bestaande uit 2 arresten van het arbeidshof te Antwerpen. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 26 mei
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 juni 2005 en is de zaak, na repliektermijn van 10 dagen, in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 25 juni 2002, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 3 juni 2002 (A.R. 335.749). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 6 juni
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging J. L. genoot uitkeringen als bruggepensioneerde. Tijdens een controle uitgevoerd door sociale controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op 28 maart 2001 op een bouwwerf gelegen te Grobbendonk, Nederheide 3, werd J. L. werkend aangetroffen. Op verzoek van de sociale controleurs kon hij zijn controlekaart niet voorleggen. J. L. legde op 28 maart 2001 om 9.30 uur ten overstaan van de sociale controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening volgde verklaring af (stuk 5 administratief dossier: formulier C25.2): "Ik ben op de hoogte van mijn rechten. Ik ben heden de WC aan het betegelen bij Van Dijck Christiaan. Zijn bouwwerf ligt te Grobbendonk, Nederheide
  7. Ik ben met brugpensioen, ik kan mijn stempelkaart niet tonen, deze ligt thuis. Ik werk hier gratis, het gaat om een vriendendienst." Het proces-verbaal opgesteld door de sociale controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd per aangetekende post verzonden aan J. L. op 4 april 2001 en per drager in het bezit gesteld van de arbeidsauditeur bij de arbeidsrechtbank te Turnhout op 6 april
  8. Een exemplaar van datzelfde proces-verbaal werd volgens datumstempel ontvangen door het werkloosheidsbureau te Antwerpen op 12 april
  9. Met een schrijven van 18 april 2001 werd J. L. door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening uitgenodigd om gehoord te worden omtrent de feitelijke grondslag van de beslissing en omtrent zijn verweermiddelen. Op 4 mei 2001 legde J. L. volgende verklaring af: "Op 28.3.2001 werd ik werkend aangetroffen op een bouwwerf te Grobbendonk. Ik was de eigenaar v/d woning wegwijs aan 't maken in tegels leggen. Het betrof Kristiaan Van Dijck, de zoon van een kennis. Deze persoon had de aanvraag gedaan bij R.V.A. voor onbezoldigde hulp. Ik was dus in de veronderstelling dat alles in regel was. Daarom had ik ook mijn stempelkaart niet bij. Op 30.3.2001 werd de toestemming gegeven om deze activiteit uit te voeren. Ik ben 64 jaar en dit betrof een vriendendienst." Op 31 mei 2001 besliste vervolgens de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen - in toepassing van de artikelen 44, 45, 71, 139, 142, 144, 154, 158, 169 en 175 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering - : - J. L. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 1 maart 2001 tot en met 28 maart 2001 (artikelen 44, 45 en 71 van het Werkloosheidsbesluit); - J. L. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 4 juni 2001 gedurende een periode van 8 weken (artikel 154 Werkloosheidsbesluit); - de uitkeringen terug te vorderen die J. L. onrechtmatig ontving vanaf 1 maart 2001 tot en met 28 maart 2001 (artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit). Met schrijven van 31 mei 2001 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van zijn beslissing C29 van 31 mei 2001, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 1 maart 2001 tot en met 28 maart 2001 ten bedrage van 836,91 euro terug te betalen (stuk 14 administratief dossier: terugvordering C31). Met verzoekschrift, ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 11 juli 2001, tekende J. L. beroep aan tegen de administratieve beslissing van 31 mei 2001 (met kenmerk: C29/71122/45/DA). Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 3 juni 2002 werd: - de vordering van J. L. ontvankelijk en gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van 31 mei 2001 en de terugvorderings-beslissing van dezelfde datum van de directeur van het werkloosheids-bureau te Antwerpen vernietigd; - voor recht gezegd dat J. L. vanaf 1 maart 2001 verder gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld de achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen in zoverre J. L. voldoet aan alle andere toelaatbaarheids- en vergoedbaarheidsvoorwaarden; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van J. L. begroot op 98,17 euro rechtsplegingsvergoeding en op 4,14 euro aantekenrecht. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 25 juni 2002 tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
  10. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen. J. L. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen; - ondergeschikt, op grond van artikel 169 in fine van het Werkloosheidsbesluit, de terugvordering van 834,68 euro te vernietigen en minstens te beperken tot nihil, uiterst ondergeschikt, minstens enkel de dagen van 26, 27 en 28 maart 2001; - de uitsluiting op grond van artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit te vernietigen, minstens te herleiden naar het minimum van 1 week; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van J. L. begroot op 139,82 euro rechtsplegingsvergoeding, bedrag aan te passen aan de wettelijke verhogingen.
  11. Ten gronde 5.
  12. Situering van het geschil Het voorwerp van het geschil betreft de administratieve beslissing van 31 mei 2001 van de directeur van het Werkloosheidsbureau te Antwerpen waarbij ten aanzien van J. L. een maatregel van uitsluiting, terugvordering en een administratieve sanctie werd opgelegd in toepassing van de artikelen 44, 45, 71, 154 en 169 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit). De bestreden administratieve beslissing is gesteund op de vaststellingen opgetekend in een proces-verbaal van 28 maart 2001 (PV: TU/01/128) door de sociale controleurs van de inspectiediensten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening naar aanleiding van een spontane controle op 28 maart 2001 op een bouwwerf te Grobbendonk. Op verhaal van J. L. vernietigde de eerste rechter de administratieve beslissing wegens het ontbreken van een toestemming van de arbeidsauditeur te Turnhout om het proces-verbaal van 28 maart 2001, waarbij inbreuken werden vastgesteld op de werkloosheidsreglementering, over te maken aan de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen; de eerste rechter oordeelde dat de gegevens die verkregen worden met schending van het geheim van het vooronderzoek niet als bewijsmiddel kunnen gebruikt worden. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat overeenkomstig artikel 5, derde lid van de Wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie de inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts mogen worden meegedeeld mits toestemming van deze laatste; - dat de stukken die de inspectiediensten op eigen initiatief opstellen de gerechtelijke procedure nog niet op gang brengen; zelfs een opsporingsonderzoek van het openbaar ministerie stelt niet automatisch de strafvordering in werking, maar heeft enkel tot doel de gegevens te verzamelen die het mogelijk maken zich over de opportuniteit van de vervolging uit te spreken; enkel vervolgingsdaden uitgaande van het openbaar ministerie brengen de gerechtelijke procedure op gang. - dat in onderhavige zaak het proces-verbaal niet op onregelmatige wijze werd verkregen door de directeur van het werkloosheidbureau omdat het werd verzonden aan de directeur nog voor het aan de arbeidsauditeur werd ter kennis gebracht; bovendien blijkt nergens uit het dossier dat er vervolgingsdaden werden gesteld door het openbaar ministerie zodat de gerechtelijke procedure niet werd aangevat en evenmin werd er een voorafgaandelijke opdracht gegeven door een gerechtelijke instantie aan de controleurs. - dat een eventuele onregelmatigheid ter zake niet leidt tot de nietigheid van de C29; enkel de bewijswaarde van het PV komt in het gedrang in die zin dat daarop geen strafrechtelijke veroordeling meer kan steunen. 5.
  13. Beoordeling Artikel 5, eerste lid van de Wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (hierna Arbeidsinspectiewet) bepaalt dat de sociale inspecteurs van een inspectiedienst, wanneer zij zulks nodig achten, de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen meedelen aan de openbare en de meewerkende instellingen van sociale zekerheid, aan de sociale inspecteurs van de andere inspectiediensten, alsook aan alle ambtenaren belast met het toezicht op andere wetgevingen, in zoverre de inlichtingen deze laatsten kunnen aanbelangen bij de uitoefening van het toezicht waarmee ze belast zijn. Het overmaken van inlichtingen is verplicht wanneer de voornoemde instellingen en diensten erom verzoeken. Deze bepaling heeft vooral tot doel het werk van de sociale inspecteurs efficiënter te maken alsook het aantal bezoeken van de verschillende inspectiediensten bij dezelfde werkgever te verminderen (Memorie van toelichting bij het ontwerp van Programmawet, Parl. St. Kamer 1989-90, 70). Op de mogelijkheid tot uitwisseling van inlichtingen bestaan volgende uitzonderingen: - inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim (artikel 5, vierde lid Arbeidsinspectiewet); - inlichtingen die werden ingewonnen tijdens de uitoefening van plichten voorgeschreven door de rechterlijke overheid mogen slechts worden meegedeeld mits toestemming van deze laatsten (artikel 5, derde lid Arbeidsinspectiewet). In huidig geschil werd het proces-verbaal van 28 maart 2001 (P.V.:TU/01/128) niet opgesteld in uitoefening van een plicht voorgeschreven door een rechterlijke overheid maar wel op grond van artikel 9 van de Arbeidsinspectiewet. Krachtens artikel 9 van de Arbeidsinspectiewet hebben de sociale inspecteurs bij het vaststellen van een misdrijf een optierecht: zij hebben het recht waarschuwingen te geven, voor de overtreder een termijn te bepalen om zich in regel te stellen en processen-verbaal op te maken. Dit optierecht kan enkel uitgeoefend worden voor die inbreuken waarvoor de sociale inspecteur bevoegd is. De bevoegdheid van de inspecteur krachtens artikel 9 van de Arbeidsinspectiewet is een uitzondering op de bepalingen van artikel 29, eerste lid Wetboek van Strafvordering hetwelk bepaalt dat ieder gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdrijf verplicht is daarvoor dadelijk bericht te geven aan het openbaar ministerie en aan die magistraat alle inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen. Slechts indien de vastgestelde inbreuken betrekking hebben op een wetgeving die niet onder de controlebevoegdheid van de sociale inspecteurs vallen moeten laatstgenoemden handelen conform artikel 29 Wetboek van Strafvordering en het openbaar ministerie in kennis stellen (Vr. en Antw, Kamer 1977-1978, 29 november 1977, 247,Vr. 4bis Remacle). Vanaf het ogenblik dat de sociale controleur ambtshalve overgaat tot het opstellen van een proces-verbaal of een pro-justitia, hetwelk onbetwistbaar een akte van onderzoek is, stelt hij een handeling die onder de toepassing valt van de definitie van het opsporingsonderzoek. Artikel 28bis, ,§1 van het Wetboek van Strafvordering omschrijft het opsporingsonderzoek als het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering. Het is dus de beslissing van de sociale inspecteur om een proces-verbaal op te stellen die de breuklijn vormt tussen wat valt onder de geheimhoudingsplicht en wat niet. Zolang het handelen van de inspecteur niet intentioneel gericht is op het opstellen van een proces-verbaal, handelt hij in zijn hoedanigheid van administratieve overheid en kan hij vrij beschikken over de gegevens die hij heeft verzameld in uitvoering van zijn controleopdracht. Echter, vanaf het ogenblik van de vaststelling van een inbreuk door middel van een proces-verbaal geldt het geheim van het strafrechtelijk onderzoek. Het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek werd expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering en met name in artikel 28 quinquies, ,§ 1 en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 28 quinquies en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering bepalen dat, behoudens de wettelijke uitzonderingen, het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek geheim zijn en dat eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek, tot geheimhouding verplicht is en dat hij die dit geheim schendt, gestraft wordt met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. In huidig geschil hebben de sociale inspecteurs beslist een proces-verbaal op te stellen waardoor de zuiver administratieve fase van het handelen van sociale inspecteurs werd overschreden en zij gehouden waren de toestemming te vragen aan de arbeidsauditeur, om de inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee te delen aan de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen. In de voorgelegde overtuigingsstukken waarop het hof vermag acht te slaan bevindt zich geenszins het bewijs dat de bevoegde arbeidsauditeur zijn toestemming zou gegeven hebben aan de sociale controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om het proces-verbaal van 28 maart 2001 (P.V.:TU/01/128) over te maken aan de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen. Met een schrijven van 4 december 2001 bevestigt de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen dat er geen toestemming van de arbeidsauditeur in het dossier aanwezig is (zie stuk 3 bundel geïntimeerde). Het is derhalve duidelijk dat de administratieve beslissing van 31 mei 2001 gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijs aangezien het verkregen werd ingevolge een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf (artikel 458 van het Strafwetboek). De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen heeft als gevolg dat het hof, bij het vormen van haar overtuiging, dat element noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen (Cass. 23 december 1998, R.W. 1999-2000; Cass., 14 oktober 2003, R.W. 2003-2004, 814). De rechtmatigheid van het bewijs wordt aangetast vanaf het moment dat de sociale inspecteurs dit bewijs overmaken aan de directeur van het werkloosheidsbureau, met schending van het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek. Alle bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking genomen worden; dienvolgens kan noch met de vaststellingen van de sociale inspecteurs tijdens de controle van 28 maart, noch met de verklaring die door J. L. werd afgelegd tijdens het verhoor van 4 mei 2001 rekening gehouden worden. Aangezien de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geen andere bewijsstukken voorbrengt waaruit zou blijken dat J. L. tijdens zijn werkloosheid arbeid heeft verricht in de zin van artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit, heeft de eerste rechter terecht de bestreden administratieve beslissing vernietigd. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 juni
  14. Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 3 juni 2002 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 335.749). Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van J. L. op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave werd ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op acht september tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050908.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.