id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.15 Rolnummer: 2003-0307 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 285 - laatst gezien 2026-07-04 15:53 Fiches 1 - 3 Het opnemen van vakantie niettegenstaande uitdrukkelijk verbod van de werkgever is een tekortkoming die niet volstaat als bewijs of aanwijzing van de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Ontslag is een mededelingsplichtige handeling die het ter kennis brengen van de wil tot beëindiging aan de wederpartij veronderstelt. Uitlatingen die de werknemer enkel tegenover derden heeft geuit zonder de bedoeling dat de werkgever er kennis van zou nemen, kunnen niet worden gekwalificeerd als ontslag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Algemeen (arbeid) Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - schorsing van de uitvoering van de overeenkomst - verloven - jaarlijkse vakantie - ontslag - mededelingsplichtige handeling - wil tot ontslag - opnemen van vakantiedagen - uitlatingen tegenover derden en niet tegenover de werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 28 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Algemeen Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - schorsing van de uitvoering van de overeenkomst - arbeidsongeschiktheid - ziekte- of ongeval - ontslag - mededelingsplichtige handeling - wil tot ontslag - opnemen van vakantiedagen - uitlatingen tegenover derden en niet tegenover de werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 31 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: Arbeidsovereenkomsten - algemene regeling - einde van de overeenkomst - ontslag - mededelingsplichtige handeling - wil tot ontslag - opnemen van vakantiedagen - uitlatingen tegenover derden en niet tegenover de werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 38 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: II AAN - gerangschikt onder II AAN - artikel 28, artikel 31 en onder artikel 38 Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 3 - blz. 185-186 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030307 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF B.V.B.A. A., met maatschappelijke zetel gevestigd te appellante, geïntimeerde op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mr. E. BIJNENS, advocaat te 2018 Antwerpen, tegen : R. R., wonende te geïntimeerde, appellant op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mr. H. BUYSSENS, advocaat te 2018 Antwerpen. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 8 juni
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 2 juni 2003 en 8 juni
- I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 maart 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 mei 2003; * de conclusie van de heer R.R. ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 augustus 2004 waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld; * de beschikking d.d. 4 februari 2005 overeenkomstig artikel 747§2 Ger.W.; * de conclusie van de B.V.B.A. A., ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 maart 2005; * de syntheseconclusie van de heer R.R. ontvangen ter griffie van dit Hof op 7 april 2005; * de syntheseconclusie van de B.V.B.A. ontvangen ter griffie van dit Hof op 11 mei
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 22 maart 2002 vorderde de heer R.R. de veroordeling van de B.V.B.A. tot betaling van een saldo opzeggingsvergoeding zijnde een bedrag van 17 757,35 EUR, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten. De heer R.R. vorderde tevens de afgifte van de sociale en fiscale documenten, m.n.: een verbeterd formulier C4, een uittreksel uit de individuele rekening en een fiscale fiche 281.10 onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging en per ontbrekend document. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 27 juni 2002 stelde de B.V.B.A. een tegeneis in en vorderde de heer R.R. te veroordelen tot betaling van een verbrekingsvergoeding van 5 463,80 EUR te vermeerderen met de wettelijke intresten sinds 29 juni 2001 en de gerechtelijke intresten. Bij bestreden vonnis van 12 maart 2003 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen werd de B.V.B.A. veroordeeld tot betaling van 16 391,40 EUR bruto als aanvullende opzeggingsvergoeding, te verminderen met de wettelijke verplichte sociale en fiscale inhoudingen en te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 29 juni 2001 en de gerechtelijke intresten vanaf 22 maart 2001, op het netto opeisbaar gedeelte. De tegenvordering werd ongegrond verklaard. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de B.V.B.A. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de heer R.R. ongegrond te verklaren, de oorspronkelijke tegenvordering van de B.V.B.A. gegrond te verklaren en dienvolgens de heer R.R. te veroordelen tot betaling van 5 463,80 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten sinds 29 juni 2001 en de gerechtelijke intresten. Ondergeschikt biedt de B.V.B.A. aan om met getuigen het bewijs te leveren van volgende feiten: - dat de heer R.R. tegen een ex-collega verklaarde in de periode mei-juni 2001: 'Ik zet daar nooit meer een voet binnen.' - dat de schriftelijke nota van 15 januari 2002 (stuk 10) uitgehangen werd in onder andere het kantoor van de heer R.R. - de heer R.R. begin februari 2001 al verboden werd om zijn vakantie op te nemen in de maand juni 2001 - de heer R.R. vaak in de ochtend al naar de alcohol rook, na 16 uur meestal met een dubbele tong sprak - dat de heer R.R. lui en onbeleefd was tegen klanten, leveranciers en collega's - dat de heer R.R. bij andere potentiële werkgevers rondstrooide dat de B.V.B.A. zich op de rand van een faillissement bevond en dat hij daarom ontslagen werd. Bij syntheseconclusie die de eerdere conclusies van de heer R.R. vervangt, vordert de heer R.R. het hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en het ingestelde incidenteel beroep gegrond te verklaren; dienvolgens de B.V.B.A. te veroordelen tot betaling van 17 757,35 EUR als saldo opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en tot afgifte van een verbeterd formulier C4, een uittreksel uit de individuele rekening en een fiscale fiche 281.10 onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging en per ontbrekend document. De heer R.R. vordert verder de tegenvordering van de B.V.B.A. als ongegrond af te wijzen. Ondergeschikt biedt de heer R.R. aan om met alle middelen van recht getuigen inbegrepen het bewijs te leveren van de volgende feiten: - dat de B.V.B.A. A. op de hoogte was van de door de heer R.R. in juni 2001 geboekte vakantie - dat de schriftelijke nota betreffende de vakantieregeling gedateerd op 15 januari 2001 in werkelijkheid maanden later en meer bepaald na de vrijstelling van prestaties van de heer R.R. op 10 april 2001 in het kantoor werd opgehangen. Bij syntheseconclusie ontvangen ter griffie van dit Hof op 11 mei 2005 handhaaft de B.V.B.A. haar vorderingen en herformuleert de te bewijzen feiten van haar bewijsaanbod als volgt: - dat de heer R.R. aan de heer D. B. in de periode mei-juni 2001 verklaarde dat P. (A.) den boom in kon en dat hij hier (in het bedrijf van de B.V.B.A.) geen voet meer zou binnenzetten - dat de heer R.R. aan de heer M. verklaarde in de periode mei - juni 2001 dat hij weigerde nog een poot uit te steken binnen dat bedrijf. Dat hij zijn opzegperiode zo lang mogelijk zou trachten te rekken door ziekte en allerhande procedures en dat hij in die periode reeds diverse doktersattesten had binnengebracht en enkele controle geneesheren voor de deur had laten staan, dat hij ook zijn GSM onder de kraan had gehouden, de centrale had uitgetrokken en bij klanten was gaan vertellen dat de firma A. niet meer bestond kortweg alles om zich onmogelijk te maken. Dat hij hieraan toevoegde dat ze nog wel zouden zien wie aan het langste eind zou trekken - dat de heer R.R. aan de heer G. R. verklaard in de periode juni 2001 dat hij in zijn opzegperiode bij de firma A. was maar dat hij zich door zijn huisarts ziek had laten verklaren en dat hij daarna nog wat op verlof zou vertrekken en dat hij het dan nog wel wat zou rekken met ziekteverlof tot het einde van het jaar. Dat dit veel geld zou kosten aan de heer A., hij deze zou laten bloeden en hij zeker geen voet meer zou binnensteken in de firma, dat hij dan zijn aangetekende briefjes in zijn ...kon steken. - dat de heer R.R. aan de heer S. C. in mei 2001 verklaarde dat hij zijn opzegperiode bij A. niet zou uitdoen. - dat de heer R.R. aan de heer T. verklaarde dat met nog wel zou zien wie er op verlof zou gaan en dat men hem om hem terug te laten werken, iets vroeger moest opstaan - de heer R.R. bij diverse bedrijven solliciteerde tijdens zijn ziekteperiode - dat de schriftelijke nota van 15 januari 2002 (stuk 10) uitgehangen werd in o.a. het kantoor van de heer R.R. - dat de heer R.R. begin februari 2001 al verboden werd om zijn vakantie op te nemen in de maand juni 2001 - dat de heer R.R. vaak in de ochtend al naar de alcohol rook, na 16 uur meestal met een dubbele tong sprak - dat de heer R.R. lui en onbeleefd was tegen klanten, leveranciers en collega's - dat de heer R.R. bij andere potentiële werkgevers rondstrooide dat de B.V.B.A. zich op de rand van een faillissement bevond en dat hij daarom ontslagen werd. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer R.R. is in dienst getreden van de B.V.B.A. op 1 september 1995 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als bediende. Begin februari 2001 boekte de heer R.R. een reis naar Malaga, voor de periode van 16 tot 30 juni
- (stukken 25 en 26 dossier de heer R.R.) Met een aangetekende brief van 22 februari 2001 betekende de B.V.B.A. een opzeggingstermijn aan de heer R.R. van 6 maanden, ingaand op 1 maart
- Op 10 april 2001 verzond de B.V.B.A. een brief aan de heer R.R. waarvan de inhoud luidt als volgt: "... Bij deze verleent ondergetekende, P. A., in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA A., toestemming aan de Heer R.R. om tijdens zijn opzeggingsperiode niet zijn normale arbeidsactiviteiten te verrichten en dit zonder enig loonverlies. De door de heer R.R. te verrichten activiteiten zullen zich beperken tot de dagen waarop er, mits voorafgaandelijke verwittiging, beroep op hem gedaan wordt door de BVBA A.. Opgesteld te Deurne op 10 april 2001 en getekend voor akkoord door beide partijen. ..." (stuk 3 de heer R.R.) Met een aangetekende brief van 14 mei 2001 werd de heer R.R. verzocht om zich op 16 mei 2001 aan te bieden op het werk. Op 15 mei 2001 meldde de heer R.R. zich ziek. Volgens de gegevens vermeld op het attest van de controle-arts werd een medisch attest afgeleverd door de behandelende geneesheer, dat de arbeidsongeschiktheid van de heer R.R. bevestigde voor de periode van 15 mei tot 1 juni
- (stuk 4 dossier de heer R.R.) De heer R.R. werd onderzocht door de controlearts op 17 mei 2001, die de arbeidsongeschiktheid aanvaardde, maar van oordeel was dat de heer R.R. het werk kon hervatten op 29 mei 2001 "mits schoudersparend werk". De heer R.R. hervatte zijn werkzaamheden niet op 29 mei 2001, maar bezorgde de B.V.B.A. een nieuw medisch attest dat zijn arbeidsongeschiktheid bevestigde van 29 mei tot 15 juni
- De heer R.R. werd opnieuw onderzocht door de controle-arts, die de arbeidsongeschiktheid aanvaardde, maar van oordeel was dat hij het werk kon hervatten op 13 juni 2001 "mits voldoende verbetering". Met een brief van 12 juni 2001 verzocht de vakorganisatie van de heer R.R. betaling van het loon voor de maand mei
- In diezelfde brief werd de B.V.B.A. tevens verzocht een attest van werkhervatting in te vullen en een brief m.b.t. de reeds geboekte vakantie voor akkoord te ondertekenen. De heer R.R. hervatte het werk niet op 13 juni 2001 maar bezorgde de B.V.B.A. een nieuw attest van zijn behandelend geneesheer dat een arbeidsongeschiktheid bevestigde van 13 tot 16 juni
- Deze verlenging van de ziekteperiode werd aanvaard door de controle-arts.(stuk 20 dossier B.V.B.A.) Eveneens op 13 juni 2001 verzond de B.V.B.A. een brief aan de vakorganisatie van de heer R.R. waarin zij onder meer voorhield dat zij nooit had ingestemd met de door de heer R.R. geplande vakantie. Met een aangetekende brief van 18 juni 2001 stelde de B.V.B.A. de heer R.R. in gebreke omdat hij zich die dag niet had aangeboden op het werk met verzoek de reden voor zijn afwezigheid kenbaar te maken uiterlijk woensdag 20 juni
- Met een aangetekende brief van 21 juni 2001 stelde de B.V.B.A. vast dat geen gevolg werd gegeven aan haar eerdere ingebrekestelling en dat de heer R.R. zich nog steeds niet had aangeboden op het werk. In fine van deze brief werd gewaarschuwd dat het uitblijven van een "tegenbericht" zou worden aanzien als een eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst. Met aangetekende brief van 26 juni 2001 stelde de B.V.B.A. vast dat haar eerdere ingebrekestellingen zonder gevolg waren gebleven, dat het uitblijven van een reactie voor 29 juni 2001 zou worden beschouwd als een eenzijdige verbreking en dat zij niet zou nalaten de heer R.R. vanaf die dag om dringende redenen te ontslaan. Met een brief van 29 juni 2001 stelde de B.V.B.A. vast dat de heer R.R. de arbeidsovereenkomst eenzijdig had verbroken.
- De beoordeling 2.
- T.a.v. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst In haar brief van 29 juni 2001 heeft de B.V.B.A. duidelijk en ondubbelzinnig verklaard dat zij de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwde door toedoen van de heer R.R.. Het is bijgevolg de B.V.B.A. die het bewijs moet leveren van een voorafgaande, eenzijdige en onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de heer R.R., bij ontstentenis waarvan zij geacht wordt zelf de arbeidsovereenkomst te hebben beëindigd. In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat de contractuele tekortkoming van een partij aan haar verplichtingen op zichzelf de arbeidsovereenkomst niet doet eindigen. (vgl. Cass., 14 augustus 1980, R.W. 1980-81, 979; Cass., 13 januari 1986, R.W. 1986-87, 58; Cass., 27 oktober 1986, R.W. 1986-87, 1711; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-91, 1437; Cass., 13 mei 1991, Soc. Kron. 1992, 52, Cass., 7 maart 1994, Soc. Kron. 1994, 160) Het ontslag is immers de handeling waarbij een partij aan de andere ter kennis brengt dat zij besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen. (vgl. Cass., 23 maart 1981, R.W.,1981-82, 2481; Cass., 12 september 1988, J.T.T. 1988, 477; Cass., 18 september 1989, T.S.R.,1990, 22) Om te kunnen besluiten dat een partij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd moet derhalve worden aangetoond dat die partij impliciet of expliciet tegenover de andere partij de wil heeft uitgedrukt om de arbeidsovereenkomst niet meer verder te zetten. Zoals de eerste rechters is het Hof van oordeel dat een dergelijke wilsuiting niet wordt bewezen. Het staat niet ter discussie dat de heer R.R. in 2001 recht had op jaarlijkse vakantie en dat hij van 16 tot 30 juni 2001, de reeds in februari 2001 geboekte reis naar Malaga heeft gemaakt. Zelfs aangenomen dat hij hierdoor het uitdrukkelijk verbod van de B.V.B.A. om in juni vakantie op te nemen heeft miskend, vormt deze contractuele tekortkoming niet het bewijs, zelfs geen aanwijzing van de wil van de heer R.R. om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Het feit dat de heer R.R. niet reageerde op de verschillende aangetekende ingebrekestellingen die de B.V.B.A. in die periode verzond, doet daaraan geen afbreuk. De heer R.R. heeft immers slechts na zijn terugkeer uit vakantie kennis kunnen nemen van bedoelde ingebrekestellingen en dus nadat de B.V.B.A. reeds was overgegaan tot vaststelling van contractbreuk. Het uitblijven van een reactie vóór 29 juni 2001 kan in die omstandigheden uiteraard niet worden gezien als een bewijs of aanwijzing van de wil de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Tevergeefs ook meent de B.V.B.A. een argument te kunnen putten uit de verklaringen die de heer R.R. zou hebben geuit tegenover derden tijdens de hem betekende opzeggingstermijn. In dit verband dient er aan herinnerd te worden dat het ontslag een mededelingsplichtige handeling is en het ter kennis brengen van de wil tot beëindiging aan de wederpartij veronderstelt. In casu heeft de heer R.R. de hem verweten uitlatingen enkel geuit tegenover derden en het blijkt zelfs niet dat het zijn bedoeling was dat de B.V.B.A. kennis zou nemen van deze uitlatingen. In die omstandigheden kunnen de aan de heer R.R. toegeschreven uitlatingen aan derden noch afzonderlijk, noch in samenhang met de verweten afwezigheid sedert 16 juni 2001, worden gekwalificeerd als handelingen waardoor de arbeidsovereenkomst tussen partijen werd beëindigd. Het Hof wenst er bovendien op te wijzen dat de heer R.R. ook in de hem toegeschreven uitlatingen aan derden op geen enkel ogenblik duidelijk en ondubbelzinnig te kennen gaf dat hij de arbeidsovereenkomst met de B.V.B.A. wilde beëindigen. In dit verband dient er op gewezen te worden dat de B.V.B.A., zoals zij zelf voorhoudt, zelf heeft voorgesteld om de heer R.R. tijdens de opzeggingstermijn vrij te stellen van prestaties, precies om hem toe te laten zo snel mogelijk een nieuwe betrekking te vinden en in de hoop dat aldus voor het verstrijken van de betekende opzeggingstermijn een einde kon worden gemaakt aan de arbeidsovereenkomst. In die context valt zeker niet uit te sluiten dat de heer R.R. er van uitging dat hij spoedig een nieuw betrekking zou vinden en derhalve de onderneming kon verlaten zonder nog arbeidsprestaties te moeten leveren. Evenzeer tevergeefs meent de B.V.B.A. een argument te kunnen putten uit de afwezigheid van de heer R.R. wegens ziekte. Anders dan de B.V.B.A. voorhoudt blijkt uit de neergelegde stukken afdoende dat deze afwezigheden behoorlijk werden gestaafd door medische attesten afgeleverd door de behandelend geneesheer van de heer R.R. en dat de volledige periode van arbeidsongeschiktheid werd aanvaard door de controle-arts. In die omstandigheden aanvaardt ook het Hof dat de heer R.R. van 15 mei tot 15 juni 2001 arbeidsongeschikt was. Dat hij de woning mocht verlaten, in staat was om tijdens zijn ziekteperiode te solliciteren en op 16 juni 2001 zijn geplande reis kon aanvatten, doet daaraan geen afbreuk. Het feit dat de heer R.R. tijdens zijn ziekteperiode de verplichting naleefde om zijn afwezigheid te staven en zich te laten onderzoeken door een door de B.V.B.A. betaalde controle-arts, illustreert overigens dat hij zijn arbeidsovereenkomst niet wilde beëindigen. Gelet op het voorgaande moet dan ook besloten worden dat de B.V.B.A. faalt in de op haar rustende bewijslast aan te tonen dat de heer R.R. voorafgaand aan de vaststelling van contractbreuk met brief van 29 juni 2001 de arbeidsovereenkomst eenzijdig en onrechtmatig had beëindigd, zodat zij door de onterechte vaststelling van contractbreuk zelf de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd. 2.
- Opzeggingsvergoeding Gelet op de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de B.V.B.A. voor het verstrijken van de betekende opzeggingstermijn heeft de heer R.R. vooreerst recht op een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het nog niet verstreken gedeelte van die termijn. De betekende opzeggingstermijn van 6 maanden is ingegaan op 1 maart
- Overeenkomstig het bepaalde in artikel 38, §2 Arbeidsovereenkomstenwet houdt de door de werkgever betekende opzeggingstermijn op te lopen tijdens de periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst bedoeld in de artikelen 28, punten 1,2 en 5, 29 en 31 van diezelfde Wet. De door de werkgever betekende opzeggingstermijn loopt bijgevolg niet tijdens de dagen waarop de onderneming gesloten is wegens jaarlijkse vakantie en de dagen waarop de werknemer buiten die periode jaarlijkse vakantie neemt evenals tijdens de dagen dat de werknemer arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Zoals reeds aangegeven sub 2.
- was de heer R.R. van 15 mei tot 15 juni 2001 arbeidsongeschikt wegens ziekte, zodat de opzeggingstermijn tijdens die periode was geschorst. Of de heer R.R. al dan niet tijdig medische attesten heeft overgemaakt tot staving van zijn afwezigheid is voor de toepassing van artikel 38, §2 Arbeidsovereenkomstenwet volstrekt irrelevant. Samen met de eerste rechters is ook het Hof van oordeel dat het dossier geen elementen bevat op basis waarvan kan worden besloten dat het de heer R.R. toegelaten was om vakantie te nemen van 16 tot 30 juni
- Het blijkt immers niet dat desbetreffend een collectieve beslissing werd genomen, het blijkt al evenmin dat desbetreffend een individueel akkoord tussen partijen werd gesloten en het blijkt ten slotte ook niet dat het opnemen van vakantie tijdens die periode werd toegestaan door een rechterlijke beslissing. Het Hof meent niet te moeten ingaan op het door de heer R.R. in dit kader geformuleerde bewijsaanbod nu de feiten waarvan het bewijs wordt aangeboden, zelfs indien bewezen, niet volstaan om te kunnen besluiten dat het de heer R.R. wél toegelaten was tijdens die periode vakantie te nemen. In die omstandigheden moeten de afwezigheidsdagen van de heer R.R. sedert 16 juni 2001 worden beschouwd als dagen ongewettigde afwezigheid en niet als jaarlijkse vakantie. Vermits dagen van ongewettigde afwezigheid in de Arbeidsovereenkomstenwet niet werden vermeld als dagen waarop de door de werkgever betekende opzeggingstermijn ophoudt te lopen, is de opzeggingstermijn opnieuw beginnen te lopen op 16 juni
- Op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst waren derhalve reeds 3 maanden van de betekende opzeggingstermijn verstreken. Nu niet ter discussie staat dat het voor de becijfering van de opzeggingsvergoeding in aanmerking te nemen basisjaarloon 32 782,80 EUR, heeft hij voor het resterende gedeelte van de opzeggingstermijn recht op een opzeggingsvergoeding van 8 195,70 EUR. Rest vervolgens de vraag of de heer R.R. ook recht heeft op een aanvullende opzeggingsvergoeding omdat de hem betekende opzeggingstermijn niet voldoende was. Het staat kennelijk niet ter discussie dat de heer R.R. ook op het ogenblik van de opzegging een jaarloon verdiende van 32 782,80 EUR, wat meer is dan de in artikel 82, §2 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde jaarloongrens. De door de B.V.B.A. in acht te nemen opzeggingstermijn moest bijgevolg worden bepaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 82, §3 Arbeidsovereenkomstenwet, dus hetzij bij overeenkomst tussen partijen gesloten ten vroegste op het ogenblik van de opzegging, hetzij door de rechter indien geen dergelijke overeenkomst werd gesloten. Anders dan de B.V.B.A. voorhoudt is het Hof van oordeel dat geen enkel element uit het dossier toelaat te besluiten dat de heer R.R. op enig ogenblik heeft ingestemd met de hem betekende opzeggingstermijn. Het akkoord van de heer R.R. met de vrijstelling van arbeidsprestaties, zoals vervat in zijn brief van 3 april 2001, waarnaar de B.V.B.A. in dit verband verwijst, sluit noch expliciet noch impliciet een akkoord in met de duur van de reeds betekende opzeggingstermijn. Nu niets er op wijst dat tussen partijen een overeenkomst werd gesloten m.b.t. de duur van de opzeggingstermijn is het de rechter die de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn moet bepalen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor de heer R.R. op het ogenblik van de opzegging bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd (51 jaar 6 maanden), zijn functie en zijn jaarsalaris, volgens de gegevens eigen aan de zaak. Mits de juiste waarde toe te kennen aan bovenstaande elementen is ook het Hof van oordeel dat de B.V.B.A. een opzeggingstermijn van 9 maanden in acht had moeten nemen zodat de heer R.R. naast een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het nog niet verstreken gedeelte van de hem betekende opzeggingstermijn ook recht heeft op een aanvullende opzeggingsvergoeding van 8 195,70 EUR. Het recht op deze aanvullende opzeggingsvergoeding was overigens reeds definitief verworven op het ogenblik van de ontoereikende opzegging. (vgl. Cass. 14 april 2003, http://www.juridat.be, S020028N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.9) Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn derhalve niet gegrond 2.
- Oorspronkelijke tegeneis Vermits de arbeidsovereenkomst naar het oordeel van het Hof eenzijdig en onrechtmatig door de B.V.B.A. werd beëindigd heeft de B.V.B.A. uiteraard geen recht op enige vergoeding. het hoger beroep is ook wat dit punt betreft niet gegrond OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 12 maart
- Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de B.V.B.A. A.. Vereffent deze aan de zijde van de B.V.B.A. A. op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van de heer R.R. op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 14 september 2005, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, Voorzitter van de kamer, de heer W. MARTENS, plaatsvervangend Raadsheer in sociale zaken als werkgever, artikelen 383§2 en 390 Ger.W., de heer S. HENS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.15 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div