id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.5 Rolnummer: 2004-0333 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-04 04:20 Fiches 1 - 4 De minderjarige wiens ouders illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven moet kunnen rekenen op maatschappelijke dienstverlening van zodra de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn deze na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie de dienstverlening wordt aangevraagd en dat het centrum er zich van vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken. Het behoort bijgevolg aan het centrum toe om dergelijke dienstverlening toe te kennen op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, ten einde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd. De rechter kan evenwel op het ogenblik van zijn beslissing enkel dienstverlening toekennen voor de toekomst en niet voor de tot dan toe verlopen periode, tenzij de betrokkenen aantonen dat ze op het ogenblik van de rechterlijke beslissing nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid en die de betrokkenen beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het nieuwe artikel 57, ,§2 van de Wet van 8 juli 1976, zoals gewijzigd bij artikel 483 van de programmawet van 22-12-2003, en het KB van 24 juni 2004 voorzien dat een aanvraag dient te gebeuren via het plaatselijke OCMW dat zal meedelen naar welke opvangcentrum de jongere zich dient te wenden tot het verkrijgen van de nodige hulp, nadat zij heeft onderzocht en vastgesteld dat de vreemdeling jonger is dan 18 jaar, dat hij en zijn ouders illegaal in het Rijk verblijven en dat het kind behoeftig is en of de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen dan wel kunnen nakomen. Dit betekent dat op het bevoegde OCMW nog enkel beroep kan gedaan worden voor het onderzoek van deze aanvraag zoals beschreven in het uitvoeringsbesluit, maar niet meer voor het verkrijgen van financiële dienstverlening. De kritiek dat door deze regeling de kinderen noodgedwongen gescheiden moeten worden van hun ouders wat een aantasting inhoudt van het recht op het familiaal leven van het kind dat beschermd wordt door art. 8 EVRM en art. 9 van het Kinderrechtenverdrag kan niet aanvaard worden omdat op grond van de omzendbrief van 16 augustus 2004 van de Minister voor maatschappelijke integratie de mogelijkheid blijft bestaan dat de ouders hun kinderen vergezellen. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . RAAD VAN EUROPA verdrag rechten van de mens - maatschappelijke dienstverlening - illegaal verblijf - minderjarigen - retroactieve toekenning - KB van 24 juni 2004 - opvangcentrum. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 8 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . ORGANISATIE VAN DE VERENIGDE NATIES internationaal verdrag rechten van het kind - maatschappelijke dienstverlening - illegaal verblijf - minderjarigen - retroactieve toekenning - KB van 24 juni 2004 - opvangcentrum. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 3 - 36 Link Justel databank 19891120-36 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 26.1 - 36 Link Justel databank 19891120-36 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - illegaal verblijf - minderjarigen - retroactieve toekenning - KB van 24 juni 2004 - opvangcentrum. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder IX C 3 - artikel 8, onder IX F 9 - artikel 3, onder IX F 9 - artikel 26.1 en onder X E - artikel 57 ,§
- Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00931,P.481-483) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040333 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak:
- S L
- F L wonende te , appellanten, verschijnend bij mr. H. VAN VRECKOM loco mr. J-Y CARLIER, advocaat te Nijvel, tegen : OCMW M, met burelen gevestigd te , geïntimeerde, verschijnend bij de heer J. SCHOUTEDEN, maatschappelijk werker, volmachtdrager. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het tussenvonnis van 28 juni 2004, alsmede het bestreden eindvonnis op 20 oktober 2004 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren, gekend onder A.R. nr. 1028/2004 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 november 2004 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en de stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 25 mei 2005 van deze kamer. PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN Bij inleidend verzoekschrift van 5 februari 2004 tekenden appellanten beroep aan tegen de beslissing van geïntimeerde van 14 januari 2004, waarbij het OCMW besliste niet in te gaan op de vraag om financiële tussenkomst op basis van het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 (nr. 106/2003). Bij tussenvonnis van 28 juni 2004 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk, doch alvorens uitspraak te doen ten gronde gelastte het OCMW met een sociaal onderzoek teneinde na te gaan of: - de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of hiertoe niet in staat zijn; - de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van de vier minderjarige kinderen; - de dienstverlening uitsluitend zal dienen voor die uitgaven. De eerste rechter vroeg dat in het kader van het sociaal onderzoek tevens de financiële toestand van het gezin, waarin de minderjarigen verblijven, en de behoeften van de minderjarigen zelf nader zou worden beschreven. De eerste rechter beval hiertoe een heropening der debatten. Bij eindvonnis van 20 oktober 2004 verklaarde de eerste rechter de vordering gegrond als hierna bepaald; Vernietigde de beslissing van geïntimeerde van 14 januari
- Veroordeelde geïntimeerde om voor de periode van 21 april 2004 tot 11 juli 2004 aan de minderjarige kinderen van appellanten materiële hulp te verstrekken die aangepast is aan de respectievelijke noden van de 4 minderjarige kinderen van appellanten, waarbij deze hulp onontbeerlijk moet zijn voor de ontwikkeling van deze minderjarige kinderen en uitsluitend hiervoor zal worden verleend. Bepaalde dat vanaf 11 juli 2004 deze materiële hulpverlening na doorverwijzing door geïntimeerde verstrekt dient te worden door een overleg met het federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers bepaald federaal opvangcentrum. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellanten postuleren het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Zodoende, de beslissing van geïntimeerde van 14 januari 2004 te vernietigen. In hoofdorde geïntimeerde te veroordelen tot het toekennen aan appellanten van een financiële steun equivalent aan het leefloon voor een gezin met vier kinderen ten laste, evenals de gewaarborgde kinderbijslagen voor vier kinderen ten laste vanaf 30 december
- In ondergeschikte orde geïntimeerde te veroordelen tot het toekennen aan appellanten van een financiële steun die de kosten voor het onderhoud en de ontwikkeling van hun vier kinderen dekken door middel van een gepaste sociale steun overeenstemmend met de noodzaak de school-, medische- en onderhoudskosten van de kinderen van de appellanten te dekken, net als de algemene kosten, zoals gas, elektriciteit, water, huurkosten .... Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de het geding in beide aanleggen. Alsook het tussen te komen arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande cassatieberoep, kantonnement of borgstelling. Geïntimeerde postuleert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. MIDDELEN VAN PARTIJEN Appellanten betogen dat zij en hun kinderen volledig geïntegreerd zijn in Maaseik, waar zij nu al gedurende meer dan vier jaar verblijven. De kinderen gaan er dan ook naar school. Door de opvang in een federaal onthaalcentrum zouden de kinderen worden weggerukt uit hun vertrouwde omgeving. Artikel 483 van de programmawet van 12 december 2003 tot wijziging van het artikel 57, paragraaf 2 van de wet van 18 juli 1976 bepaalt dat de opdracht van het OCMW wordt beperkt tot het vaststellen van de toestand van behoeftigheid ten gevolge van het feit dat de ouders niet of niet in staat zijn om hun verplichting tot onderhoud na te komen ten aanzien van een vreemdeling van minder dan 18 jaar die samen met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft en dat de sociale steun is beperkt tot de noodzakelijke materiële steun voor de ontwikkeling van het kind en enkel toegekend in het kader van een federaal onthaalcentrum conform de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd door de Koning. Het Koninklijk Besluit van 24 juni 2004 legt de voorwaarden en de modaliteiten vast voor het toekennen van materiële steun aan de minderjarige vreemdeling die op illegale wijze bij zijn ouders verblijft in het Rijk (B.S. 1 juli 2004); deze materiële steun kan verkregen worden door de indiening van een aanvraag tot sociale steun bij het OCMW van gewoonlijke verblijfplaats van de minderjarige, waarop Fedasil een open centrum voor onthaal van vluchtelingen kan voorstellen waarin de minderjarige vreemdeling kan worden opgevangen. Deze modaliteit van steun zoals vastgelegd door hoger genoemd KB is niet van toepassing, gelet op strijdigheid ervan met de artikelen 23 van de Grondwet die iedere persoon een leven garandeert conform de menselijke waardigheid, met de artikelen 3 en 26.1 van het Verdrag van New York betreffende de rechten van het kind, volgens hetwelk het hoogste belang van het kind voorrang moet hebben en dat de Lidstaten aan de kinderen het recht moeten toekennen om te genieten van de sociale zekerheid, met inbegrip van de sociale verzekeringen en dat alle nodige maatregelen moeten worden genomen om de volledige realisatie van dit recht te bereiken conform hun nationale wetgeving. In een arrest van 22 juli 2003 herinnerde het Arbitragehof aan het bestaan van het Verdrag betreffende de rechten van het kind in het domein van de sociale steun voor kinderen van vreemdelingen in illegaal verblijf. Dat indien er kan worden gediscussieerd over de rechtstreekse werking van deze bepalingen van het Verdrag betreffende de rechten van het kind, dan moet er op zijn minst worden erkend dat dit Verdrag door de goedkeuringswet van 25 november 1991 een "standstilleffect" heeft verkregen die de wetgever van 1996 die het artikel 59 ,§ 2 van de wet heeft toegevoegd, verhindert om te legifereren voor de kinderen op een wijze dat de toegevoegde normen onder het niveau zouden terechtkomen van het oude artikel 57 van de organieke wet van 1976 betreffende de OCMW'S. In het arrest van 30 juni 2003 bepaalde het Arbitragehof dat een sociale steun enkel kan worden toegekend aan een kind waarvan de ouders zich in illegaal verblijf bevinden en waarbij eveneens moet zijn voldaan aan volgende drie voorwaarden: - de bevoegde overheden moeten hebben vastgesteld dat de ouders aan hun plicht tot onderhoud niet voldoen of kunnen voldoen; - er moet worden bewezen dat de aanvraag noodzakelijke uitgaven betreft voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie deze is ingediend; - het OCMW moet ervoor zorgen dat de steun op exclusieve wijze zal worden besteed in het teken van deze uitgaven. Het doel was om het kind een steun toe te kennen zonder het illegaal verblijf van de ouders te ondersteunen, zelfs op indirecte wijze. Een kind heeft fundamenteel recht om te worden opgevoed en te kunnen verblijven bij de ouders, net zoals het een fundamenteel recht heeft om een menswaardig bestaan te leiden conform artikel 23 van de Grondwet en het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind. Artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003 heeft artikel 57 ,§ 2 van de organieke wet van de OCMW'S gewijzigd door te stellen dat het OCMW als opdracht behoudt de toestand van behoeftigheid van het kind vast te stellen, de onmogelijkheid van de ouders te voorzien in de behoeften van het kind en te beslissen over de toekenning van de steun, maar in tegenstelling tot de oorspronkelijke doelstelling van het Arbitragehof wordt door deze nieuwe wetswijziging het toekennen van een sociale steun toegekend aan de opvangcentra voor asielzoekers en niet meer aan de OCMW'S. De modaliteiten van het toekennen van een materiële steun door deze centra aan minderjarigen zijn vastgesteld door het KB van 24 juni 2004, waarbij eveneens wordt afgeweken van het principe vastgelegd door het Arbitragehof (een individuele steun in natura te modaliseren), want het artikel 4 van het KB van 24 juni 2004 bepaalt dat de steun in natura het aanstellen zal zijn van een huisvesting aan de minderjarige in een onthaalcentrum vastgesteld door het OCMW in overleg met FEDASIL. Ingevolge dit principe moeten de kinderen worden gescheiden van hun ouders en gehuisvest worden in één van de 17 federale onthaalcentra voor vluchtelingen. Verschillende arbeidsgerechten oordeelden dat een dergelijke verbreking van de familieband disproportioneel is ten aanzien van de twee nagestreefde doelen, met name zorg dragen voor het kind (waarbij er moet worden aan herinnerd dat het kind evenveel nood heeft aan de aanwezigheid van zijn ouders als aan een deftige huisvesting) en vermijden dat de steun zou worden gebruikt ten voordele van de ouders. Bij arrest van het Arbitragehof van 27 november 2002 (nr. 69/2) wordt gesteld dat het artikel 57 ter 1 moet worden gelezen in die zin dat het de verplichting inhoudt om een uitzondering toe te kennen op het principe van de ambtshalve inschrijving in een centrum, wanneer de toepassing daarvan tot gevolg zou hebben dat de personen die worden geviseerd, worden verhinderd om samen te leven met verschillende personen waarmee zij een familie vormen en die het recht hebben op een sociale steun in België of die gemachtigd zijn tot een verblijf. De Arbeidsrechtbank te Luik en te Brussel oordeelden volgens appellanten dat het interpreteren van het artikel 4 van het KB van 24 juni 2004 in de zin van een automatische (om niet te zeggen mechanische) scheiding van de kinderen en hun ouders zonder rechtvaardiging door uitzonderlijke omstandigheden, met name in de zin van een afwezigheid van garantie van het houden van de ouders aan de zijde van hun kinderen, zou neerkomen op een onaanvaardbare aantasting van het recht op familiaal leven van een kind dat men beoogt te beschermen, zoals gewaarborgd door het artikel 8 van het EVRM (stuk 1). De eerste rechters oordeelden tevens dat een dergelijke verbreking van de familiale band manifest disproportioneel is ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen, met name zorg dragen voor het kind (dat evenzeer nood heeft aan de aanwezigheid van de ouders als aan een fatsoenlijke huisvesting) en anderzijds vermijden dat de steun zal worden afgewend ten voordele van de ouders die men probeert te verwijderen van het Rijk waar ze zich in illegale toestand bevinden (stuk 1). Appellanten zijn, verwijzend naar hoger geciteerde rechtspraak, van oordeel dat deze rechtspraak ook moet toegepast op het geval van hun kinderen en dat geïntimeerde dient te worden veroordeeld tot het toekennen van een sociale steun die de noden van de vier kinderen van appellanten dekken. Appellanten benadrukken dat tot op heden niet is aangetoond dat de nieuwe wettelijke regeling met succes zou worden toegepast, gelet op het feit dat er een tekort is aan plaatsen in de federale onthaalcentra. Dat indien de wettelijke regeling niet kan worden toegepast, het aan het OCMW toekomt daaraan te verhelpen door het toekennen van financiële steun teneinde het recht op een sociale steun van de minderjarige kinderen van appellanten te garanderen. Niets verhindert de rechter om geïntimeerde te veroordelen tot het ten laste nemen van de concrete kosten noodzakelijk voor de opvoeding en het onderhoud van de minderjarige kinderen van appellanten, rekening houdend met o.a. huisvesting moeten worden betaald, elektriciteits-, water- en gasrekeningen, schoolkosten, voedingskosten, kledij enz. Geïntimeerde schetst de situatie als volgt: Het betrokken gezin werd toegewezen aan het OCMW - T sedert 07.09.
- Derhalve ontvingen ze in het verleden financiële tussenkomsten vanwege het OCMW-T. Tengevolge van een negatief arrest van de Raad van State werden de financiële tussenkomsten stopgezet. Sedert vermelde datum worden betrokkenen geholpen door kennissen en de S-V M. Appellanten hebben een aanvraag ingediend in toepassing van artikel 9, al. 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De dienst vreemdelingenzaken heeft dienaangaande een negatieve beslissing getroffen. Betrokkenen verklaarden schriftelijk op 24.11.2004 dat ze niet wensen opgenomen te worden in een Federaal Opvangcentrum voor asielzoekers (KB 24.06.2004 - B.S. van 01.07.2004). Verder wordt verwezen naar de omzendbrief van het Bestuur van Maatschappelijke Integratie van 09.12.
- De omzendbrief van de Minister van Maatschappelijke Integratie (10.03.2003) bepaalt de wijze waarop de beroepen en de beslissingen worden opgenomen in het wachtregister. De omzendbrief van de Minister van Maatschappelijke Integratie (16.08.2004) bepaalt dat met ingang van 11 juli 2004 de minderjarige vreemdeling die verkeert in het geval bedoeld in artikel 57, ,§ 2, tweede lid van de wet van 08.07.1976, enkel aanspraak kan maken op de voor zijn ontwikkeling onontbeerlijke materiële hulp in een federaal opvangcentrum. (afschriften in bijlage). MOTIVERING ARREST - BEOORDELING
- Het bestreden vonnis dient integraal bevestigd te worden en het Hof verwijst naar de motieven van de eerste rechter waarbij het Hof zich kan aansluiten om de in het aangevochten vonnis ontwikkelde redenen die wij ons eigen maken en zulks zover als nodig en zover deze niet in tegenspraak zijn met onderhavige. 2.
- Appellanten zijn kandidaat politiek vluchtelingen, afkomstig uit Decan - Joegoslavië (Kosovo). Zij hebben vier minderjarige schoolgaande kinderen ten laste. 2.
- Op 22 september 1999 dienden zij een asielaanvraag in, welke bij beslissing van de DVZ op 22 augustus 2000 werd afgewezen. Bijgevolg werd het model 26bis aan hen betekend, waarop zij reageerden door op 21 september 2000 beroep aan te tekenen bij het C.G.V.S. Deze laatste instantie besliste op 24 oktober 2000 dit dringend beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Vervolgens werd door appellanten verhaal ingesteld voor de Raad van State, welke op 7 februari 2002 een arrest van verwerping van de schorsing velde. De kennisgeving van dit arrest gebeurde op 6 maart
- Het gezin was sedert 7 september 1999 toegewezen aan het O.C.M.W. T, daar waar zij steeds woonden te M (nu ..., voorheen ...). 2.
- Op 31 oktober 2001 was door appellanten ook nog een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 9, al. 3 van de wet van 15 december
- De Dienst Vreemdelingenzaken trof echter ook met betrekking tot deze aanvraag een negatieve beslissing. Van zodra de Raad van State een negatieve beslissing had gewezen inzake de procedure betreffende de asielaanvraag van appellanten werd aan het gezin financiële steun geweigerd zowel door het OCMW van T als door geïntimeerde. Sindsdien wordt dit gezin verder geholpen door kennissen en de S-V M. 3.
- Onder verwijzing naar het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 (arrest nr. 106/2003) dienden appellanten op 30 december 2003 een nieuwe aanvraag in tot het bekomen van financiële steun via de bij hen inwonende minderjarige kinderen. Daarbij hielden zij voor dat zij niet in staat waren te voorzien in de meest noodzakelijke behoeften voor hun kinderen, omdat zij niet over een vervangingsinkomen beschikken en zij geen toelating hebben tot tewerkstelling. 3.
- In zijn vergadering van 14 januari 2004 besliste het Bijzonder Comité Sociale Dienst van geïntimeerde om niet in te gaan op de vraag van appellanten met de volgende motivering: "Tot op heden werden door de diensten van het bevoegde ministerie geen concrete richtlijnen inzake bovenvermeld arrest overgemaakt aan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn en is dus derhalve de taak van het O.C.M.W. beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Derhalve blijven de omzendbrieven van staatssecretaris Jan Peeters - 9 december 1998 + Minister van Maatschappelijke Integratie J. Van de Lanotte, 10 maart 2003 verder van toepassing". Het verhaal dat door appellanten tegen deze beslissing werd ingesteld maakt het voorwerp uit van het door het Arbeidshof te beslechten geschil. 4.
- Na het tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren dd. 28 juni 2004 werd door geïntimeerde het gevraagde sociaal onderzoek uitgevoerd. In het sociaal verslag dat op 20 augustus 2004 werd neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Tongeren wordt bevestigd dat betrokkenen over geen inkomsten beschikken, dat zij niet gerechtigd zijn op gewaarborgde kinderbijslagen en dat zij financieel gesteund worden door de S-V, afdeling M. Verder blijkt uit datzelfde verslag dat appellanten vanaf september 2003 een woning betrekken welke hen tijdelijk gratis ter beschikking wordt gesteld door de eigenaar en dat de schoolkosten van de vier minderjarige kinderen ten laste worden genomen door de S-V M. 4.
- Op grond van de gegevens van dit sociaal verslag werd in het vonnis a quo vastgesteld dat appellanten en hun kinderen beantwoorden aan de voorwaarden zoals gesteld in het nieuwe artikel 57, ,§2 van de OCMW-wet en het KB van 24 juni 2004 om aanspraak te kunnen maken op een beperkt recht op dienstverlening dat daarin wordt voorzien voor de minderjarigen wiens ouders illegaal op het grondgebied verblijven. Bijgevolg wordt geïntimeerde veroordeeld om voor de periode van 21 april 2004 tot 11 juli 2004 aan de minderjarige kinderen van appellanten de materiële hulp te verstrekken die aangepast is aan de respectievelijke noden van de 4 minderjarige kinderen, waarbij deze hulp onontbeerlijk moet zijn voor de ontwikkeling van deze kinderen en uitsluitend hiervoor zal worden verleend. Voor de periode vanaf 11 juli 2004 stelt de rechtbank vast dat diezelfde materiële hulp zal moeten verstrekt worden door geïntimeerde na doorverwijzing door een in overleg met het federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers bepaald federaal opvangcentrum. 4.
- Op 24 november 2004 ondertekenden appellanten een verklaring op erewoord waarbij zij bevestigden dat zij niet wensten opgenomen te worden in een Federaal Opvangcentrum voor asielzoekers in toepassing van het KB van 24 juni 2004 om reden van de negatieve invloed van een verhuis op de schoolopleiding van hun kinderen, de verbreking van de bestaande sociale contacten en het eventueel aanleren van een andere taal. 4.
- Hierna werden nog twee beslissingen genomen door het B.C.S.D. van geïntimeerde: - een beslissing genomen in vergadering dd. 8 december 2004 waarbij de financiële steun en de gewaarborgde kinderbijslag werd geweigerd met ingang van 16 november 2004, met als motivering dat op de vraag van betrokkenen niet kan worden ingegaan omdat zij opgenomen kunnen worden in een Federaal Opvangcentrum voor asielzoekers (KB 24 juni 2004 BS 1 juli 2004); - een beslissing genomen in vergadering van 12 januari 2005 waarbij de financiële steun en de gewaarborgde kinderbijslag worden toegekend voor de periode van 21 april 2004 tot en met 11 juli
- 5.
- Met betrekking tot de vordering van appellanten gesteund op het kinderrechtenverdrag en het door de Programmawet van 22 december 2003 gewijzigde artikel 57, ,§2 van de organieke wet van 8 juli 1976 tot het retroactief bekomen van maatschappelijke hulpverlening vanaf de datum van de aanvraag (30.12.2003) overweegt het Hof het volgende: Onder verwijzing naar het kinderrechtenverdrag stellen appellanten dat ze via de omweg van de rechten van hun kinderen gerechtigd zijn op de financiële steun vanwege geïntimeerde. 5.
- Bij arrest van 22 juli 2003 (R.W. 2003-04, 652 met noot V. Staelens; NjW 2004, 160; J.T.T.2003,501) heeft het Arbitragehof geoordeeld: "Artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het, ten aanzien van minderjarigen wier ouders illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven, zelfs de maatschappelijke dienstverlening die zou voldoen aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, uitsluit." Die voorwaarden vermeld onder B.7.7 zijn: "Maatschappelijke dienstverlening moet kunnen worden toegekend onder de drievoudige voorwaarde dat de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en dat het centrum zich ervan vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken. Het staat dus aan het centrum - onder voorbehoud van een optreden van de wetgever die een andere gepaste regeling zou aannemen - een dergelijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd." Principieel zouden appellanten dus via de rechten van hun kinderen aanspraak kunnen maken op dienstverlening. 5.
- Er dient echter ook rekening gehouden te worden met het arrest van het Arbitragehof van 17 september 2003 (B.S. 07.11.2003, p. 54364), waarbij door het Hof werd geoordeeld dat de dienstverlening in feite nooit retroactief kan verleend worden, ook niet door de rechter. Deze rechtspraak van het Arbitragehof werd door dit hof reeds meermaals gevolgd (Arbh. Antwerpen, afd. Antwerpen, 26 januari 2005, A.R. 2030097; Arbh. Antwerpen, afd. Antwerpen, 20 maart 2005 A.R. 2030644). Het Arbitragehof besloot immers: "Doordat het niet bepaalt dat maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend voor de periode die begint te lopen op datum van de aanvraag, schendt artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet" Daarbij overwoog het Arbitragehof het volgende: "B.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het tot de bevoegdheid van het betrokken centrum behoort en, in geval van conflict, tot die van de rechter, om uitspraak te doen over het bestaan van een behoefte aan dienstverlening, over de omvang daarvan en om ' de meest passende middelen voor te stellen om daarin te voorzien'. Er bestaan immers geen wettelijke normen die bepalen in welke mate en in welke vorm bijstand moet worden verleend. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan bijgevolg, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, bijstand verlenen om de op het ogenblik van de beslissing nog bestaande gevolgen te verhelpen van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid, in zoverre die de betrokkene beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. B.
- Ook al neemt de maatschappelijke dienstverlening de concrete vorm aan van de storting van een bedrag gelijk aan het bestaansminimum, toch blijft zij in aard verschillen van het bestaansminimum. Het is niet discriminerend dat de wetgever, wat het bestaansminimum betreft, uitdrukkelijk heeft bepaald dat de beslissing waarbij het wordt toegekend, uitwerking heeft op de datum van de aanvraag terwijl hij, wat de maatschappelijke dienstverlening betreft, niet eenzelfde bepaling heeft aangenomen. Immers, het bestaansminimum kan niet, wegens de forfaitaire aard ervan, door het centrum of de rechter worden aangepast aan de concrete situatie van de begunstigde, terwijl maatschappelijke dienstverlening van nature een instrument is dat moet worden aangepast aan de reële en actuele behoeften van elke begunstigde." Met andere woorden, de rechter kan op het ogenblik van zijn beslissing enkel dienstverlening toekennen voor de toekomst en niet voor de tot dan toe verlopen periode, tenzij de betrokkenen aantonen dat ze op het ogenblik van de rechterlijke beslissing nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid, en die de betrokkenen beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. 5.
- In casu betekent dit dat slechts dienstverlening kan toegekend voor het verleden voor zover aangetoond zou worden dat specifiek voor wat de minderjarige kinderen betreft zij op het ogenblik van het te wijzen arrest nog de negatieve gevolgen zouden ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat zij voorheen hebben geleid. Appellanten tonen dit niet aan zodat ze alleszins voor de periode voorafgaand aan het tussen te komen arrest ook niet via de rechten van hun kinderen aanspraak kunnen maken op enige financiële dienstverlening. 6.
- Gelet op het bovenstaande zouden appellanten alleszins voor de toekomst gerechtigd zijn op enige vorm van dienstverlening gelet op de rechten van hun minderjarige kinderen. De wet- en regelgever heeft inmiddels, zoals ook reeds vastgesteld werd door de eerste rechter, wijzigingen aangebracht in de toepasselijke wetgeving en regelgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. 6.
- Zo werd bij artikel 483 van de programmawet van 22.12.2003 (B.S. 31.12.2003) artikel 57 ,§ 2 van de organieke wet van 8 juli 1976 vervangen door de volgende bepaling: ",§
- In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot: 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning." Deze bepaling werd uitgevoerd door het Koninklijk Besluit van 24 juni 2004, waarbij het 'Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers' werd opgericht. In dit KB worden tevens de voorwaarden bepaald volgens welke de betrokkenen hun aanspraken op hun rechten dienen na te streven. Zo is onder meer bepaald dat de aanvraag dient te gebeuren via het plaatselijke OCMW dat enkel onderzoekt of de vreemdeling jonger is dan 18 jaar, of hij en zijn ouders illegaal in het Rijk verblijven, of het kind behoeftig is en of de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen dan wel niet kunnen nakomen. Wordt aan alle voorwaarden voldaan dan zal het OCMW meedelen naar welk opvangcentrum de jongere zich dient te wenden tot het verkrijgen van de nodige hulp. Conform artikel 2 van dit KB dient deze vorm van steun vooraf aangevraagd te worden. Appellanten noch de minderjarige kinderen, noch iemand voor hen hebben zulke aanvraag gedaan. Meer nog, uit de verklaring op erewoord d.d. 24 november 2004 blijkt dat appellanten duidelijk afstand hebben gedaan van deze vorm van dienstverlening (stuk 6 geïntimeerde). Zowel het gewijzigde artikel 57 ,§ 2 als het uitvoeringsbesluit zijn thans van kracht zodat appellanten enkel voor de procedure zoals beschreven in het uitvoeringsbesluit nog beroep kunnen doen op geïntimeerde en niet meer voor het verkrijgen van financiële dienstverlening. 6.
- Appellanten menen kritiek te kunnen leveren op de nieuwe wetgeving, door vast te stellen dat de aldus ingevoerde regeling tot gevolg heeft dat de kinderen moeten gescheiden worden van hun ouders vermits zij noodzakelijkerwijze gehuisvest worden in een van de 17 onthaalcentra voor vluchtelingen. Bijgevolg houdt dergelijke regeling, steeds volgens appellanten, een aantasting in van het recht op het familiaal leven van het kind dat beschermd wordt door artikel 8 E.V.R.M. en artikel 9 van het Kinderrechtenverdrag. Er dient echter op gewezen te worden dat conform de omzendbrief van 16 augustus 2004 van de Minister voor maatschappelijke integratie (stuk 5 geïntimeerde) de mogelijkheid blijft bestaan voor de ouders om hun kinderen te vergezellen wanneer de ontwikkeling van het kind hun aanwezigheid vereist en dus zeker niet van tevoren uitgesloten wordt.
- Men kan er naar het oordeel van het Hof dus niet a-priori van uitgaan dat deze nieuwe regeling een schending inhoudt van artikel 8 EVRM.
- De vordering van appellanten kan dus evenmin toegekend worden voor de periode vanaf het uit te spreken arrest, nu vastgesteld kan worden dat appellanten zelfs weigeren gebruik te maken van de mogelijkheid voorzien in artikel 57 ,§ 2 van de organieke wet van 8 juli 1976 en het KB van 24 juni
- OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer F. S Substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 8 juni
- Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van 20 oktober 2002 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, gewezen onder A.R. nr. 1028/2004 in al zijn beschikkingen. Verwijst geïntimeerde in de kosten van het geding in hoger beroep; aan de zijde van beide partijen onveffend latend bij gebreke aan afgifte kostenstaten. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div