← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.6 Rolnummer: 2004-0765 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-01 03:25 Fiches 1 - 2 Bij arrest nr. 5/2004 d.d. 14 januari 2004 vernietigde het Arbitragehof artikel 3, 3°, 2de streepje, van de RMI-Wet wegens strijdigheid met artikelen 12 en 17 van het EU-Verdrag in zoverre het EU-onderdanen van het toepassingsgebied van de wet uitsluit wanneer zij de toepassing van verordening nr. 1612/68 niet genieten. Het feit dat de vreemdeling niet ingeschreven is in het bevolkingsregister doch enkel in het vreemdelingenregister, is irrelevant. Een vrouw van de Nederlandse nationaliteit, die geen migrerend werknemer is, en die in het vreemdelingenregister is ingeschreven, kan beroep doen op de RMI-Wet. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - leefloon - nationaliteitsvoorwaarde - EU-onderdaan die niet valt onder de EEG-verordening 1612/68 - gevolgen arrest arbitragehof nr. 5/2004 Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 60,§1 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . RECHT OP BESTAANSMINIMUM . RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE Leefloon - nationaliteitsvoorwaarde - EU-onderdaan die niet valt onder de EEG-verordening 1612/68 - gevolgen arrest arbitragehof nr. 5/2004 Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 3 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Nota: Gerangschikt onder X E - artikel 60 ,§ 1 en onder X GN - artikel 3 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00004,P.216-217) Tekst van de beslissing A.R. 2040765 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak van: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mevrouw A.B., consulent rechten, volmachtdraagster, tegen: mevrouw R.H.Z., geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. P.V.L., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 12 januari 2005, 25 mei 2005 en 8 juni

  1. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 15 november 2004 uit-gesproken door de veertiende kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan het O.C.M.W. van Antwerpen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 17 november 2004; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 december 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 9 december 2004; x de conclusies voor het O.C.M.W. van Antwerpen, neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 mei 2005; x de conclusies voor R.H.Z., neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 mei 2005; x het verzoekschrift overeenkomstig artikel 772 e.v. Ger. W. van R.H.Z., ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 augustus 2005, aan het O.C.M.W. van Antwerpen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 773 Ger. W. op 5 augustus
  2. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 25 mei 2005 en 8 juni
  3. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 december 2004, tekende het O.C.M.W. van Antwerpen hoger beroep aan tegen een vonnis van 15 november 2004 (A.R. 368.198 en A.R. 370.170, samengevoegd onder het A.R. nr. 368.198) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. De machtiging daar-toe werd verleend door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn op 22 april
  4. Het vonnis werd aan het O.C.M.W. van Antwerpen ter kennis gebracht over-eenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 17 november
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk. R.H.Z. stelde bij conclusies van 24 mei 2005 incidenteel beroep in voor wat de ingangsdatum van het gevraagde leefloon en maatschappelijke dienstverlening betreft. Dit incidenteel beroep is ontvankelijk.
  6. Verzoek tot heropening der debatten Bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 augustus 2005, vraagt R.H.Z. de heropening der debatten op grond van beweerde nieuwe feiten. Zij voegt een doktersattest. Dit is gedateerd op 30 juni 2005, nà de sluiting van de debatten, en het bestatigt dat R.H.Z. "momenteel" niet in staat is fysieke arbeid te verrichten. Dit is geen nieuw stuk van overwegend belang, zoals voorgeschreven bij artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek. Het attest brengt niets bij over de betwiste periode en zegt hoogstens dat R.H.Z. op de dag van 30 juni 2005 niet kon werken. Verder verwijst zij naar het feit dat haar partner recentelijk strafvermindering zou hebben gekregen voor het Hof van Beroep te Antwerpen. Daargelaten het gegeven dat het betrokken arrest niet wordt voorgebracht, ziet het Hof niet in hoe een beweerde tijdens het beraad bekomen strafvermindering van de partner van invloed kan zijn op de beoordeling in huidige procedure. Dat deze straf-vermindering "misschien toch (tot) een meer genuanceerde inschatting van hui-dige problematiek met verzoekster (dient) te leiden" is een gratuite opmerking en snijdt geen hout. Er bestaat derhalve geen aanleiding om de debatten te heropenen.
  7. Feiten en voorafgaande procedure Volgende feiten blijken uit de sociale verslagen (dossier O.C.M.W.): R.H.Z., geboren op 4 maart 1960 in Paramaribo (Suriname), draagt de Nederlandse nationaliteit. Zij heeft twee minderjarige, schoollopende kinderen ten laste. Haar Belgische vriend en biologische vader van de kinderen, P.V.L., bevindt zich sedert 19 september 2003 in de gevangenis wegens zware drugsdelicten en witwaspraktijken. De man heeft in de loop van het jaar 2000 in Nederland, in ruil voor strafvermindering, tegen zijn kompaan D.B., in een grootschalig overzees cocaïnesmokkelproces, getuigd. P.V.L. werd veroordeeld in Nederland tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 7 maanden en vluchtte naar België. Het gerecht nam verscheidene riante villa's in het Antwerpse en een Rolls Royce en een Ferrari in beslag. Op 17 oktober 2003 deed R.H.Z. een eerste aanvraag om financiële steun. Deze werd afgewezen. Er werd geen beroep ingesteld. Op 11 februari 2004 werd de steun opnieuw afgewezen. Ook hiertegen werd geen verhaal aangetekend. Op 7 mei 2004 kreeg R.H.Z. een bevel om het grondgebied te verlaten. Hiertegen tekende ze verhaal aan. Ze werd in het bezit gesteld van een bijlage 35 en staat in het vreemdelingenregister ingeschreven. Op 16 maart 2004 diende R.H.Z. opnieuw een aanvraag om financiële steun in. Het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand besliste op 14 april 2004 R.H.Z. het leefloon als éénoudergezin te weigeren vanaf 16 maart 2004, met als motivering: "Alleen Belgen, EG-onderdanen, erkende vluchtelingen en staatlozen hebben recht op deze hulpverlening." Deze beslissing werd aan R.H.Z. ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven op niet gekende datum. R.H.Z. tekende hiertegen verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 21 mei 2004 (A.R. 368.198). Het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand besliste vervolgens op 22 juli 2004 opnieuw R.H.Z. het leefloon als éénoudergezin te weigeren met als reden: "U put uw rechten niet uit. De informatie die u ons verschaft, stelt ons niet in de mogelijkheid een duidelijk inzicht te krijgen op uw situatie." Deze beslissing werd aan R.H.Z. ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven op niet gekende datum. R.H.Z. tekende hiertegen verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 18 augustus 2004 (A.R. 370.170). Ondertussen werd het O.C.M.W. van Antwerpen bij bevelschrift van 12 augus-tus 2004 in kort geding opgelegd actief tussen te komen bij het zoeken en vin-den van een geschikte woongelegenheid voor R.H.Z. en haar twee kinderen vanaf 1 september 2004 tot de datum van de beslissing van de arbeidsrecht-bank ten gronde, en de nodige financiële middelen te verstrekken om deze woongelegenheid te bekostigen; het bevelschrift werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. R.H.Z. was in de loop van augustus 2004 uit haar woning gezet ingevolge vonnis van de vrederechter van 11 mei
  8. Zij wees de mogelijkheid tot tijdelijke opvang in een tehuis af en verhuisde naar huidig adres. Ze heeft geen aantoonbare schulden. Het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand besliste op 25 augustus 2004 de eventuele kosten van een opvangtehuis ten laste te nemen, een tussenkomst in de huur van september en oktober 2004 en in de huurwaarborg op zich te nemen en aan R.H.Z. een sociale tewerkstelling voor te stellen. R.H.Z. weigerde zowel de opname in een opvangtehuis als een sociale tewerkstelling. Voor dit laatste riep ze medische redenen in. Ze werd echter arbeidsgeschikt verklaard op 3 september 2004 door de bedrijfsgeneeskundige dienst bij het O.C.M.W. Zelf kon ze geen medische attesten, die haar beweerde ongeschiktheid zouden staven, voorleggen. Na beide beroepen te hebben samengevoegd, verklaarde de eerste rechter, op andersluidend advies van het openbaar ministerie, in haar vonnis van 15 no-vember 2004 de vorderingen ontvankelijk en gegrond; zij vernietigde de beslis-singen van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand van 14 april 2004 en 22 juli 2004 en zegde voor recht dat R.H.Z. vanaf 16 maart 2004 gerechtigd was op een leefloon als éénoudergezin en op een bedrag gelijk aan de gewaarborgde kinderbijslag, verminderd met de ontvangen steun ingevolge de beschikking in kort geding van 12 augustus
  9. Het O.C.M.W. van Antwerpen tekende tegen dit vonnis verhaal aan met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 8 december
  10. Waarborg verpleging en verzorging in de ziekenhuizen van het O.C.M.W. werd toegekend.
  11. Eisen in hoger beroep Het O.C.M.W. van Antwerpen vordert het hoger beroep ontvankelijk en ge-grond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en te zeggen voor recht dat R.H.Z. niet gerechtigd is op een leefloon, noch op een financiële maatschappelijke dienstverlening. R.H.Z. vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen, behoudens wat de aanvangsdatum van het te verlenen leefloon betreft, zijnde 9 december 2003; bijgevolg de vernietiging te bevestigen van de bestreden beslissingen tot weigering van het leefloon, ondergeschikt van de tegemoetkoming gelijk aan het levensminimum als éénoudergezin met twee kinderen ten laste en hierop recht doende, het O.C.M.W. van Antwerpen te verplichten haar tussenkomst te verlenen; het O.C.M.W. te veroordelen tot het betalen met ingang vanaf 9 december 2003 van het leefloon voor een alleenstaande met twee kinderen ten laste, voorlopig be-groot op 793,76 EUR, geheel ondergeschikt, maatschappelijke dienstverlening van financiële aard toe te kennen gelijk aan voormeld leefloon, plus de gewaar-borgde gezinsbijslag voor de twee minderjarige kinderen ten bedrage van 276,83 EUR; het O.C.M.W. tevens te verplichten om haar actief zijn mede-werking te verlenen voor het vinden van een geschikte woning voor een éénou-dergezin met twee kinderen ten laste, en desgevallend ook haar financiële tus-senkomst te verlenen voor de storting van de gebruikelijke huurwaarborg.
  12. Ten gronde 5.
  13. Toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie R.H.Z. vordert een leefloon en aankleven met ingang van 9 december
  14. Door haar Nederlandse nationaliteit is R.H.Z. een E.G.-burger. Ze verblijft op wettige basis in het Rijk. Artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bepaalt: "Om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, moet de per-soon tegelijkertijd en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij deze wet worden gesteld:
  15. zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben in de door de Koning te bepalen zin;
  16. meerderjarig zijn of hiermee gelijkgesteld zijn overeenkomstig de bepa-lingen van deze wet;
  17. behoren tot één van de volgende categorieën van personen: - hetzij de Belgische nationaliteit bezitten; - hetzij het voordeel genieten van de toepassing van de verorde-ning (E.E.G.) nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap; - hetzij als vreemdeling ingeschreven zijn in het bevolkingsregis-ter; - hetzij staatloos zijn en onder de toepassing vallen van het Ver-drag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960; - hetzij vluchteling zijn in de zin van artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het O.C.M.W. van Antwerpen houdt voor dat het arrest van het Arbitragehof van 14 januari 2004 artikel 3, 3°, tweede streepje, van de wet van 26 mei 2002 vernietigde, zodat R.H.Z. aan de daaropvolgende voorwaarde, met name ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, diende te voldoen. Vermits R.H.Z. ingeschreven was in het vreemdelingenregister viel zij, volgens het O.C.M.W., buiten het toepassingsgebied van de wet van 26 mei
  18. Het Hof volgt deze stelling niet. Bij arrest nr. 5/2004 van 14 januari 2004 (B.S. 27 februari 2004) heeft het Ar-bitragehof artikel 3, 3°, tweede streepje, weliswaar vernietigd, doch in zoverre het de vreemdelingen, die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Europese Unie en effectief en op regelmatige wijze op het grondgebied verblijven, maar die de toepassing van de verordening (E.E.G.) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeen-schap niet genieten, van het toepassingsgebied van de wet uitsluit. Het Arbitragehof oordeelt ter zake dat een bepaling, die het recht op maatschap-pelijke integratie voor vreemdelingen, die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Unie, onderwerpt aan de voorwaarde dat zij de toepassing van de voormelde verordening 1612/68 genieten, in strijd is met de artikelen 12 en 17 van het Ver-drag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Hieruit vloeit voort dat de Europese onderdanen van die categorie op verschillende wijze behandeld wor-den en dat de artikelen 12 en 17 van het Verdrag uitsluiten dat dit verschil kan worden verantwoord (B.5.3.). Alhoewel R.H.Z. geen migrerende werknemer is, kan ze alzo toch beroep doen op de wet van 26 mei
  19. Zij kwam naar België als partner van een Belg, die ruim in haar onderhoud voorzag totdat hij gearresteerd werd. Aangezien artikel 3, 3°, van deze wet voorschrijft dat slechts aan één van de ge-stelde voorwaarden moet voldaan worden, is in casu de inschrijving van R.H.Z. in het vreemdelingenregister ontdaan van elke relevantie. 5.
  20. Ingangsdatum - incidenteel beroep R.H.Z. stelt incidenteel beroep in voor wat de ingangsdatum van het gevraagde leefloon en maatschappelijke dienstverlening betreft. Zij vordert de toekenning van het leefloon met ingang van 9 december 2003, in plaats van 16 maart
  21. Er wordt geen enkele zinnige verklaring gegeven op grond waarvan het Hof op deze vraag zou moeten ingaan. R.H.Z. deed weliswaar reeds vóór 16 maart 2004 een aanvraag, doch deze werd telkens door het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand geweigerd. Tegen deze beslissingen stond beroep open, maar R.H.Z. liet dit na, om welke reden dan ook. De beslissingen over de periode voorafgaand aan de ingangsdatum weerhouden in de eerste bestreden beslissing zijn derhalve definitief geworden en er kan dus niet meer op worden teruggekomen. Het incidenteel beroep is ongegrond. 5.
  22. Werkbereidheid Artikel 3 van de wet van 26 mei 2002, betreffende het recht op maatschappe-lijke integratie, bepaalt dat, om recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, de persoon tegelijkertijd en onverminderd aan de bijzondere voor-waarden die bij deze wet worden gesteld moet voldoen, onder meer: 4° niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven (...); 5° werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is; Artikel 60, ,§3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, schrijft voor dat de financiële hulpverle-ning bij beslissing van het centrum onderworpen kan worden aan de voorwaar-den vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, ,§2 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. De bewering van R.H.Z. dat de voorwaarden van behoeftigheid en werkbereidheid niet vermeld staan in de bestreden beslissingen en dat daardoor het Hof er zich niet mee hoeft bezig te houden, raakt kant noch wal. Wanneer het Hof op grond van een definitieve beslissing van weigering vast-stelt dat R.H.Z. geen recht heeft op leefloon of maatschappelijke dienstverle-ning, weliswaar om andere redenen dan deze aangehaald in de bestreden beslissingen, dan wordt het voorwerp van de vordering niet gewijzigd, noch ultra petita beslist. (Cass., 18 juni 1984, A.C., 1984-85, 1367). Het voorwerp van de vordering is immers gelegen in de aanspraak op het recht op uitkeringen lastens het O.C.M.W. op grond van de bepalingen van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en, voor het aankleven, op de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Deze wetten zijn van openbare orde. Indien het recht op uitkeringen ter discussie staat, dan mag dit recht niet erkend worden wanneer uit de elementen van het dossier, waarvan partijen kennis heb-ben kunnen nemen, blijkt dat de aanvrager niet voldoet aan alle wettelijke ver-eisten om op de uitkering recht te hebben. (Cass. 26 februari 1975, A.C., 1975, 734; Cass. 15 januari 1996, J.T.T., 1996, 105). Het Hof leidt uit de feiten af dat R.H.Z., tot op heden, niet de minste werkbereidheid vertoont. Het volstaat niet om zich louter in te schrijven bij de VDAB en bij interim-kantoren. Er dient onomstotelijk aangetoond te worden dat zij daadwerkelijk naar een dienstbetrekking zocht, ten einde in haar eigen onderhoud en dat van haar kinderen, zij het zelfs maar gedeeltelijk, te pogen te voorzien. R.H.Z. was slechts één dag tewerkgesteld (stuk 14 Z.) en heeft slechts driemaal schriftelijk gesolliciteerd, gespreid over de ganse betwiste periode (stukken 15, 31 en 32 Z.). Medische, noch billijkheidsredenen zijn voorhanden. Ondanks de loutere en ongestaafde bewering van R.H.Z. dat ze werkonbekwaam zou zijn, werd ze door de bedrijfsgeneeskundige dienst bij het O.C.M.W. op 3 september 2004 arbeidsgeschikt bevonden. Het tegendeel wordt niet bewezen. Kinderlast kan evenmin een obstakel zijn, want de kinderen gaan naar school. De medische getuigschriften van dr. B. (stukken 17 en 18 Z.) hebben betrekking op een periode voorafgaand aan de periode die in betwisting is en zijn dus niet van nut. Uit de sociale verslagen blijkt tevens dat R.H.Z. het aanbod van een sociale tewerkstelling afwees op beweerde, maar niet bewezen medische gronden. 5.
  23. Informatieplicht en behoeftigheid Artikel 19, ,§1, van de wet van 26 mei 2002, betreffende het recht op maat-schappelijke integratie, bepaalt dat, met het oog op de toekenning van maat-schappelijke integratie in de vorm van een leefloon, of een tewerkstelling, met het oog op de herziening of de intrekking van een beslissing dienaangaande of met het oog op een beslissing tot schorsing van de uitbetaling van het leefloon, het centrum een sociaal onderzoek verricht. Voor het sociaal onderzoek moet het centrum een beroep doen op maatschappelijk werkers, volgens de kwalifica-tievoorwaarden bepaald door de Koning. In zijn paragraaf 2 bepaalt dit artikel dat de aanvrager ertoe gehouden is elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven. Artikel 60, ,§1, van de O.C.M.W.-wet van 8 juli 1976 bepaalt: "De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een so-ciaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het be-staan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest pas-sende middelen voorstelt om daarin te voorzien. De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toe-stand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend. Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappe-lijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat be-treft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend. (...)." Zo'n sociaal onderzoek heeft tot doel na te gaan of de aanvrager van leefloon of maatschappelijke dienstverlening voldoet aan de wettelijke voorwaarden om er aanspraak op te maken. Te dien einde moet een duidelijk inzicht in de bestaans-middelen waarover de aanvrager beschikt worden verkregen. De aanvrager heeft de plicht om hieraan voluit mee te werken en volledige en juiste informatie te verschaffen, die vervolgens ook controleerbaar moet kunnen zijn door het O.C.M.W. Uit de sociale verslagen blijkt dat R.H.Z. naliet de nodige informatie te verschaffen op grond waarvan besloten kon worden of er nood was of niet. Over te veel elementen was R.H.Z. zwijgzaam of gaf ze onvoldoende of tegenstrijdige informatie. Ze vertelde verhalen over haar verleden die ze niet kon of kan staven. Ze verleende niet de nodige medewerking aan het sociaal onderzoek. Over de behoeftigheid van R.H.Z. heeft het Hof overigens zijn twijfels. Er blijken geen openstaande schulden te zijn opgebouwd. Dat de behoeftigheid van R.H.Z. zou vastgesteld zijn door de heer N. van de Federale Politie kan nergens voor vaststaand afgeleid worden. Deze politieman werd gecontacteerd door de maatschappelijk werker en hij uitte slechts een vermoeden dat R.H.Z. mogelijk zonder bestaansmiddelen zou kunnen zijn. De maatschappelijk werker bleek ook in nauw contact te staan met de Jeugd-brigade van de locale politie. Deze gaf te kennen zich geen zorgen te maken over het gezin. Nergens blijkt dat de Jeugdbrigade de behoeftigheid van R.H.Z. en haar kinderen vaststelde. De tijdelijke steun van een of andere caritatieve organisatie of van "vrienden" overtuigt het Hof ook al niet van de staat van behoeftigheid van R.H.Z.. Uit het op verzoek van het Hof ingesteld sociaal onderzoek op 27 mei 2005 blijkt dat R.H.Z. voorhoudt gesteund te worden door een zekere mevrouw N. Het enige dat R.H.Z. over deze persoon wenst mee te delen is dat deze bedrijvig is in de horeca. Voor verdere informatie verwijst zij, om niet gekende redenen, naar haar raadsman. Uiteraard is R.H.Z. gehouden die informatie zelf te geven. Tevens blijkt dat R.H.Z. tegenstrijdige verklaringen aflegt over haar partner, P.V.L. Op 27 mei 2005 beweert ze hem nog steeds op te zoeken in de gevangenis, drie dagen later verklaart ze niets meer met haar man te maken te hebben. Ten overvloede kan naar de bizarre vaststelling van de maatschappelijk werker verwezen worden ter gelegenheid van het huisbezoek op 27 mei
  24. Zij merkte op dat op de brievenbus van R.H.Z., naast haar eigen naam, de naam stond van D.L. Naar zeggen van de raadsman betreft het hier een agent van de Federale Politie, die ingeschreven is op het adres. Er zijn vijf kamers in het pand en er zijn vijf personen ingeschreven. Er zijn zes brievenbussen en zes bellen aanwezig. Waarom D.L. het nodig achtte zijn naam op de brievenbus van R.H.Z. te zetten in plaats van op zijn eigen bus, wordt niet zinnig verklaard. Of er eventueel sprake zou zijn van een samenwoonst van R.H.Z. met D.L. is niet geweten. Alvast werd vastgesteld door de maatschappelijk werker dat de kamer van R.H.Z. eerder op een opslagplaats leek. Aangezien R.H.Z. om bovenvermelde redenen geen rechten kan doen gelden op leefloon, noch op maatschappelijke dienstverlening, dienen de bestreden beslissingen te worden bevestigd, zij het enigszins op andere gronden. Het internationaal verdrag betreffende de rechten van het kind legt enkel ver-plichtingen op aan staten die partij zijn, zodat het niet rechtstreeks kan worden ingeroepen door een procespartij voor rechterlijke instanties. (Cass., 31 maart 1999, J.L.M.B., 1999, 1432). Het hoofdberoep is gegrond. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend mondeling advies, uitgebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, op de openbare terechtzit-ting van 8 juni
  25. Mr. V.L. wordt gehoord in zijn opmerkingen over het advies. Mevrouw B. verklaart geen opmerkingen te hebben over het advies. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Zegt dat er geen aanleiding toe bestaat om de debatten te heropenen, en willigt het verzoek daartoe van R.H.Z. niet in. Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond. Doet het vonnis van 15 november 2004 (A.R. 368.198 en A.R. 370.170, samen-gevoegd onder het A.R. nr. 368.198) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen teniet, behalve wat de ontvankelijkheid van de vorderingen, de voeging en de kosten betreft. Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vorderingen ongegrond en bevestigt de bestreden beslissingen van het Bijzonder Comité voor Sociale Bij-stand van 14 april 2004 en 22 juli 2004, zij het enigszins op andere gronden. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Legt de kosten van de procedure in hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Ant-werpen, door R.H.Z. begroot op 2 x 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het Hof vereffend op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van het O.C.M.W. van Antwerpen worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op veertien septem-ber tweeduizend en vijf. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.