id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.7 Rolnummer: 2004-0271 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 157 - laatst gezien 2026-07-01 03:25 Fiches 1 - 2 Forfaitaire onkostenvergoedingen zijn principieel aanvaardbaar wanneer de werkelijke kosten moeilijk kunnen bepaald worden of wanneer de terugbetaling ervan op basis van stukken op praktische bezwaren stuit om bewijsmoeilijkheden of om het houden van een uitgebreide administratie betreffende kleine bedragen te vermijden. Als de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wil voorhouden dat een door de werkgever als onkostenvergoeding gekwalificeerde betaling in werkelijkheid verdoken loon is, moet de Rijksdienst niet alleen het bestaan van 'loon' in de zin van art. 2 van de Loonbeschermingswet bewijzen, maar ook de niet-toepasselijkheid van art. 19, ,§2, 4° van het uitvoeringsbesluit van de RSZ- Wet. Daarbij mag wel een zekere medewerking van de werkgever verwacht worden op het vlak van de bewijsvoering, maar de ultieme bewijslast en het bewijsrisico liggen bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bij de evaluatie van het onkostenkarakter van de vergoeding mag de rechter zich laten leiden door de houding die de fiscus daartegenover aanneemt. Het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur vereist dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich kan beroepen op redelijk aanvaardbare motieven wanneer hij een ten opzichte van een ander bestuur afwijkend standpunt inneemt betreffende dezelfde onkostenvergoeding. Niets belet dat een forfaitair systeem van kostenvergoedingen gerelateerd wordt aan het gerealiseerde zakencijfer. Wanneer een aantal componenten van het forfait noodzakelijk stijgt bij een toenemende productiviteit, is het logisch dat de kosten progressief toenemen naarmate een hoger zakencijfer wordt gehaald. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . BESCHERMING VAN HET LOON bepaling van het loon - bijdrageregeling - loon - forfaitaire onkostenvergoedingen - reële kosten - bewijslast - houding fiscus - rechtszekerheidsbeginsel. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID bijdragen - berekening - loon - forfaitaire onkostenvergoedingen - reële kosten - bewijslast - houding fiscus - rechtszekerheidsbeginsel. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 19§2,4° - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Wet - 27-06-1969 - 14 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder III H - artikel 2 en onder VII A - artikel
- Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00933,P.500-503) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00005,P.300-304) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040271 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: DE RSZ, met zetel gevestigd te , appellant, verschijnend bij mr. S. DEKERPEL loco mr. P. DERVEAUX, advocaat te Zaventem, tegen : G NV, met zetel gevestigd te , geïntimeerde, verschijnend bij mr. G. WILLEMS, advocaat te Genk. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden eindvonnis op 18 juni 2004 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren, gekend onder A.R. nr. 90/2003 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 1 september 2004 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en de stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 11 mei 2005 van deze kamer. PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN Bij exploot van 23 december 2002 vordert geïntimeerde terugbetaling van de som van 31.789,32 EUR, som die zij aan appellant onder voorbehoud betaalde ingevolge het regularisatiebericht van 2 mei 2002 van appellant. Geïntimeerde vordert tevens betaling van de wettelijke interest vanaf 15 december 2002 en de gerechtelijke interesten, de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en uitsluiting van kantonnement. Bij eindvonnis verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en deels gegrond. Veroordeelde dienvolgens de RSZ in betaling aan G NV de som van 31.789,32 EUR meer de wettelijke interesten van 15.12.2002 en de gerechtelijke interesten vanaf datum van dagvaarding. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad werd afgewezen en de RSZ werd in de gedingkosten verwezen. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellant postuleert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo te hervormen. De initiële vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Geïntimeerde ervan af te wijzen en te veroordelen tot de gedingkosten. Geïntimeerde postuleert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Het bestreden vonnis te bevestigen in al haar beschikkingen. Dienvolgens te bevestigen dat de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond is. Dienvolgens appellant te veroordelen in betaling van een bedrag van 31.789,32 EUR meer de wettelijke interesten vanaf 12.12.2002 tot aan de datum van dagvaarding en de gerechtelijke interesten. Tenslotte appellant te veroordelen tot de gedingkosten in beide aanleggen. MOTIVERING ARREST - BEOORDELING
- Sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op grond van het loon van de werknemer (artikel 14 van de SZ.-Wet van 27 juni 1969; artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid van werknemers). Onder "loon" moet volgens artikel 14, ,§ 2 van SZ-Wet worden verstaan datgene wat door artikel 2 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 als loon wordt beschouwd. 2.
- Artikel 14, ,§ 2 van de SZ-Wet voorziet in de mogelijkheid voor de Koning om het aldus bepaalde loonbegrip te verruimen of te beperken en van deze mogelijkheid werd gebruik gemaakt middels het K.B. van 28 november
- Het KB van 28 november 1969 (uitvoerings-KB van de SZ-Wet) voorziet in artikel 19 in een aantal vergoedingen, waarvan enkele normaal de bescherming van de Loonbeschermingswet kunnen genieten, die niet onder toepassing vallen van het in de sociale zekerheid geldende loonbegrip, zodat er evenmin inhoudingen of bijdragen op verschuldigd zijn. 2.
- In het verleden heeft de rechtspraak, aansluitend bij het door het Hof van Cassatie ingenomen standpunt (Cass. 9 oktober 1989, J.T.T. 1990, 252), het standpunt gehuldigd dat de bepalingen van artikel 19, ,§ 2 (en 19bis) van het KB van 28 november 1969 in feite uitzonderingen op de algemene regel waren en dat ze restrictief moesten worden geïnterpreteerd, te meer nu het een wetgeving betreft die de openbare orde aanbelangt (Cass. 1 februari 1993, Arr.Cass. 1993, 137). 2.
- In functie van dergelijk standpunt volstond het voor de RSZ aan te tonen dat er sprake was van "loon" in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, hetgeen niet zo moeilijk was, waarna het dan aan de werkgever toekwam om aan te tonen dat hij zich op de exceptie van artikel 19, ,§ 2 van het K.B. van 28 november 1969 kon beroepen. Volgens deze stelling berustte de bewijslast bij de werkgever; het kwam aan de werkgever toe om aan te tonen dat de vergoedingen dienden beschouwd te worden als "kosten die ten laste van de werkgever vallen". 2.
- Principearrest 17 mei 1993 (Cass. 17 mei 1993, A.C. 1993, 499, conclusie Bresseleers, J.T.T. 1993, 258, n., R.W. 1993-94, 399, concl. Bresseleers, Soc. Kron. 1993, 305 en T.S.R. 1993, 261; A.C., 1993, p. 499-502; R.D.S., 1993, p. 261; Wantiez, C., Les indemnités de frais: à propos de l'arrêt de la Cour de cassation du 17-05-1993). Het Hof van Cassatie heeft deze tendens bevestigd in een arrest van 6 november 2000 (J.T.T. 2001, 47). In essentie maakt de advocaat-generaal onderscheid tussen twee types van 'kosten die ten laste van de werkgever vallen'. Enerzijds zijn er de kosten die inherent zijn aan de eigenlijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst, dit zijn kosten die nodig zijn om de bedongen arbeid te kunnen uitvoeren. Zij vallen steeds ten laste van de werkgever, ook zonder uitdrukkelijke verbintenis en tenzij partijen uitdrukkelijk het tegendeel hebben bedongen. Daarnaast zijn er anderzijds de kosten die het gevolg zijn van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder inherent te zijn aan die uitvoering. Dit tweede type van kosten zal enkel kunnen worden beschouwd als "kosten ten laste van de werkgever", wanneer deze laatste er uitdrukkelijk toe verplicht is ze ten laste te nemen krachtens een wet, een CAO, een individuele overeenkomst of zelfs de eenzijdige verbintenis van de werkgever. Ook forfaitaire vergoedingen kunnen in aanmerking worden genomen, wanneer de werkelijke kosten moeilijk kunnen worden bepaald of de berekening ervan op praktische bezwaren stuit; het forfait moet in een redelijke verhouding staan tot de grootte van de werkelijke uitgaven. 2.5.
- Het Hof van Cassatie in een recent arrest van 14 januari 2002 verkondigt een andere visie m.b.t. bewijslast en bewijsvoering (Cass. 14 januari 2002, J.T.T. 2002, 105, met concl. van adv.-gen. LECLERCQ; R.W. 2002-2003, 697-699 noot De Vos; Nr. S.00.0193.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020114.5 RSZ / EMBELEC, NV). Wanneer wordt betwist dat bedragen die aan een werknemer worden betaald als terugbetaling voor de kosten die door de werkgever moeten worden gedragen, het karakter van loon hebben, dient de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, aan te tonen dat die bedragen geen terugbetaling van dergelijke kosten zijn. 2.5.
- Deze zienswijze werd hernomen in het arrest van het Hof van Cassatie van 2 februari 2004: "Overwegende dat, krachtens artikel 14, ,§ 2, van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, het begrip loon, dat voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen in aanmerking wordt genomen, bepaald wordt bij artikel 2 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965; dat de Koning evenwel het aldus bepaalde begrip, bij in ministerraad overlegd besluit, kan verruimen of beperken; Overwegende dat artikel 19, ,§ 2, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 bepaalt dat, met afwijking van artikel 2, eerste lid, van de Loonbeschermingswet, niet als loon worden aangemerkt: de bedragen die gelden als terugbetaling van de kosten die de werknemer heeft verricht om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, alsook de kosten die ten laste van de werkgever vallen; Dat, wanneer wordt betwist dat bedragen, die als dusdanig aan de werknemer zijn betaald, het karakter van loon hebben, de instelling die belast is met de inning van de bijdragen dient aan te tonen dat die bedragen geen terugbetaling zijn van kosten die de werkgever moet dragen; Overwegende dat het arrest met betrekking tot de forfaitaire onkostenvergoedingen oordeelt dat verweerder aan de hem opgelegde bewijslast voldoet waar hij aantoont dat de aangerekende vergoedingen in bepaalde mate dubbel gebruik uitmaken of overdreven voorkomen, maar voorts oordeelt dat eiseres in haar incidenteel beroep er niet in slaagt het bewijs te leveren dat de bedoelde vergoedingen, in zoverre niet overdreven of geen dubbel gebruik uitmakend, geen loon zijn; Dat het arrest aldus de aangewezen wettelijke bepalingen schendt;" (Cass. 2 februari 2004 S.03.0095, onuitgegeven).
- Gelet op de inhoud van deze beide arresten, moet de RSZ niet alleen het bestaan van "loon" in de zin van art. 2 Loonbeschermingswet bewijzen (relatief eenvoudig), doch ook de niet-toepasselijkheid van art. 19, ,§ 2, 4° Uitvoeringsbesluit RSZ-Wet, telkens hij bijdragen vordert over bedragen die de werkgever als beweerde kostenvergoedingen toekent. De RSZ dient in die optiek aan te tonen dat de weerhouden bedragen geen beroepskosten (sensu lato of sensu stricto) betreffen of niet (volledig) corresponderen met werkelijke kosten (eventueel dus via inspectiediensten). Het Hof kwam tot deze visie om overeenstemming te bereiken met de fiscale regeling. De rechtsleer schat de praktische consequenties van de leer van het eerste arrest alleszins als zeer verregaand in. "De RSZ zal dus moeten aantonen dat de betwiste bedragen, hetzij geen beroepskosten in beperkte of ruime zin betreffen, hetzij niet (volledig) overeenstemmen met werkelijke kosten. Slaagt de RSZ daarin niet, dan draagt hij het bewijsrisico en zijn geen bijdragen verschuldigd" (DE VOS, M., "Recente ontwikkelingen inzake loonproblematiek en loonbegrip", referaten van de studiedag/-avond van 22 april 2002 inzake "Actualia Arbeidsovereenkomsten", georganiseerd te Antwerpen aan de UIA door het Centrum voor Beroepsvervolmaking in de Rechten, nr. 8 , p. 7).
- Onder verwijzing naar de conclusie van het O.M. mag men wel een zekere medewerking van de werkgever verwachten op het vlak van de bewijsvoering t.o.v. het vaak eigenhandig aangebrachte label "kostenvergoeding", doch de ultieme bewijslast alsook het bewijsrisico liggen bij de RSZ. Het komt aan de RSZ toe te bewijzen: 1) dat er sprake is van loon in de zin van artikel 2 Loonbeschermingswet 2) dat de eventueel betwiste bedragen buiten de toepassing vallen van artikel 19, ,§ 2, 4° van het KB van 28 november 1969, m.a.w. dat het niet gaat om beroepskosten in beperkte of ruime zin en/of dat ze niet (volledig) overeenstemmen met werkelijke kosten.
- In casu kan worden vastgesteld dat de RSZ ten dele teruggrijpt naar de "klassieke", achterhaalde leer, aangezien hij in zekere mate nog voorhoudt dat het geïntimeerde is die hier volledig dient te bewijzen dat de door haar aan haar werknemers betaalde kostenvergoedingen onder het begrip zouden vallen van artikel 19, ,§ 2, 4° van het KB van 28 november
- 6.
- Geïntimeerde beroept zich ten deze op het feit dat de vergoedingen die zij betaalt, reële professionele onkosten dekken of onkosten die het gevolg zijn van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, waarbij de werkgever verplicht is die kosten te dragen krachtens een wet, een CAO, een individuele overeenkomst of zelfs een eenzijdige verbintenis van de werkgever. Alsdan zijn deze vergoedingen vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen. 6.
- In concreto gaat het ten deze om een vergoeding die wordt betaald voor allerhande kleine en volgens geïntimeerde moeilijk te verantwoorden onkosten. 6.
- Het gegeven dat de onkosten die de werkgever ten laste neemt forfaitair worden begroot, schept geenszins een vermoeden dat de vergoeding voor deze onkosten dan een "vermomd loon" uitmaken. Forfaitaire kostenvergoedingen zijn aanvaardbaar wanneer de werkelijke kosten moeilijk kunnen bepaald worden of wanneer de berekening van de kosten op praktische bezwaren stuit. (Van Eeckhoutte, "Het begrip loon in de bijdrageregeling van het sociale zekerheidsstelsel voor werknemers. Algemene beginselen" in Het loonbegrip Die Keure, 1995, p. 57, nr. 92; B. Lietaert, "Forfaitaire kostenvergoedingen en sociale-zekerheidsbijdragen" noot onder Arbrb. Brussel 31 maart 1995, J.J.T. 1994-95, 585). De rechtspraak volgt deze stelling: forfaitaire kostenvergoedingen kunnen als vergoeding eigen aan de werkgever in aanmerking genomen worden wanneer de werkelijke kosten moeilijk kunnen worden bepaald of de berekening of de terugbetaling op praktische bezwaren stuit, om bewijsmoeilijkheden of om het houden van een uitgebreide administratie betreffende kleine bedragen te vermijden. De discussie inzake de gebruikmaking van een kostenforfait lijkt inmiddels beslecht te zijn: in een arrest van het Hof van Cassatie van 14 februari 2000 werd besloten tot de principiële aanvaardbaarheid ervan (Soc. Kron. 2000, 479). 6.
- Indien de RSZ voorhoudt dat bepaalde onkostenvergoedingen verdoken loon vormen, dat moet hij daarvan het bewijs kunnen leveren (toepassing artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Als de RSZ voorhoudt dat een door de werkgever als onkostenvergoeding gekwalificeerde betaling in werkelijkheid verdoken loon is, draagt de RSZ dus een dubbele bewijslast. De RSZ moet bewijzen: 1 - dat er sprake is van loon in de zin van artikel 2 Loonbeschermingswet 2 - dat de betaalde vergoedingen buiten het toepassingsgebied van artikel 19, ,§2, 4° van het K.B. van 28 november 1969 vallen. Dit betekent dat de RSZ moet aantonen dat: a - de onkosten geen enkel verband houden met de tewerkstelling; of b - de werkgever niet verplicht was deze onkosten te vergoeden (op basis van een CAO, een individuele overeenkomst of een eenzijdige verbintenis); of c - de kosten niet in werkelijkheid gemaakt werden. 6.
- De rechter mag zich, naar het oordeel van het Hof, bij de evaluatie van het onkostenkarakter van de vergoeding steunen op de houding die de fiscus daartegenover aanneemt (B. Lietaert, "Forfaitaire kostenvergoedingen en sociale-zekerheidsbijdragen", noot onder Arbrb. Brussel 31 maart 1995, J.T.T. 1994-95, 587; Cass. 5 januari 1987, F.J.F. 1987, N° 87/113). Het rechtszekerheidsbeginsel in het kader van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur vereist dat, wanneer een bestuur afwijkt van dergelijk standvastig beleid van een ander bestuur, de RSZ ook afdoende dient te motiveren waarom hij van deze regels afwijkt. Afwijking van een beleid kan enkel wanneer het bestuur zich daarvoor op redelijk aanvaardbare motieven kan beroepen (A. Van Looveren, "Algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de sociale zekerheid" in "Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht", 5, Die Keure, Brugge, 1999, 255). De bewijslast dienaangaande rust bij het betrokken bestuur. Wanneer een gelijkaardige forfaitaire betaling van kosten, eigen aan de werkgever, wel door de belastingadministratie wordt erkend, dan wekt dit vertrouwen op bij de rechtsonderhorigen dat de RSZ dezelfde - of gelijkaardige - vergoedingen ook voor de sociale zekerheid als onkosten zal beschouwen. Het gaat hier niet op dat - zonder de minste verantwoording en rekening houdend met de verschillende wettelijke regimes - een bepaalde vergoeding voor de ene administratie wél als loon wordt beschouwd terwijl diezelfde vergoeding voor een andere administratie dan weer niet als loon in aanmerking genomen zou worden. 7.
- Geïntimeerde is constructeur van loodsen en metaalconstructies voor stallen, magazijnen, productiehallen, e.d. Daarnaast is zij tevens de leverancier van landbouwproducten. Sedert 4 mei 1990 is GV in dienst van geïntimeerde als technisch handelsvertegenwoordiger voor de regio Luxemburg, Namen en Luik. In de arbeidsovereenkomsten geldig tot 3 oktober 2000 werd een vast maandloon, alsook een commissieloon van 1% en een forfaitaire onkostenvergoeding van 1% op het bedrag van de gerealiseerde verkopen als vergoeding voorzien. In een nieuwe arbeidsovereenkomst werd bepaald dat vanaf 4 oktober 2000, naast het vast maandloon, een commissieloon van 1,2% en een forfaitaire kostenvergoeding van slechts 0,75% op het bedrag van de gerealiseerde verkopen zou verschuldigd zijn. GV kon beschikken over een firmawagen en een GSM. In 1999 werd een onderzoek gedaan bij geïntimeerde door de inspectiediensten van appellant naar de regeling inzake de forfaitaire kostenvergoeding. Daarbij kwam appellant tot het besluit dat deze forfaitaire kostenvergoeding grotendeels als verdoken loon moest beschouwd worden, zodat hij tot een ambtshalve regularisatie overging voor het 1ste kwartaal 1997 tot en met het 4de kwartaal 2001 van het gedeelte van deze vergoeding dat niet als terugbetaling van kosten kon beschouwd worden. Appellant ging er daarbij vanuit dat een bedrag van EUR 9,69 (391 BEF) per dag, als baanvergoeding en van EUR 86,76 (3.500 BEF) per maand, als bureauvergoeding, als billijke kostenvergoeding in aanmerking kon genomen worden (cfr. stuk 11 appellant). De berichten van wijziging der bijdragen opgesteld op 2 mei 2002 en 23 mei 2002 maken aldus gewag van een saldo aan verschuldigde bijdragen voor het 1ste kwartaal 1997 tot en met het 4de kwartaal 2001 van respectievelijk EUR 29 552,83 en EUR 1 382,
- Deze regularisatiebijdragen werden onder voorbehoud van terugvordering betaald door geïntimeerde op respectievelijk 30 mei en 19 juni
- 7.
- Tegen de achtergrond van de overwegingen sub 1 tot en met sub 6 houdt appellant in graad van hoger beroep nog voor: - dat aan de voorwaarden om toepassing te kunnen maken van een forfaitair vastgestelde kostenvergoeding niet is voldaan nu de werkelijke kosten wel gemakkelijk kunnen bepaald worden en de berekening of terugbetaling van de kosten niet op praktische bezwaren stuit; - dat de berekening van deze forfaitaire kostenvergoeding kennelijk onevenredig is met de gemaakte kosten. 7.
- Ten onrechte houdt appellant staande dat de kosten in dit geval zouden verantwoord kunnen worden met bewijsstukken, zodat de begroting van deze kosten via een forfait niet beantwoordt aan de voorwaarden welke hiervoor worden gesteld door de rechtspraak. De eerste rechter argumenteert terecht dat op grond van de vaststellingen dat geïntimeerde nog andere vertegenwoordigers tewerkstelt en tevens internationaal opereert, alsook dat G niet vanaf de hoofdzetel opereert en zijn werk met grote zelfstandigheid organiseert de forfaitaire kostenberekening verantwoorden. De kostenberekening aan de hand van stukken zou immers in dit specifiek geval stuiten op praktische bezwaren, daar het de werknemer en de werkgever zou verplichten tot het houden van een uitgebreide administratie. Wanneer immers voor elke uitgave door de werknemer een factuur of betalingsbewijs zou moeten bijgebracht worden zou dit voor deze werknemer een enorme administratieve rompslomp met zich meebrengen en een grote tijdsinvestering welke uit economisch en commercieel oogpunt veel nuttiger kan besteed worden. Bijgevolg kan geconcludeerd worden dat de forfaitaire kostenberekening in casu, getoetst aan de eerste voorwaarde welke op dat vlak gesteld wordt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie, verantwoord is. 7.
- Appellant steunt zich op verschillende argumenten om voor te houden dat de forfaitaire kostenvergoeding niet in redelijke verhouding staat tot de werkelijke kosten. Een belangrijk deel van deze argumentatie vindt zijn oorsprong in de analyse van de gegevens en stukken welke ontvangen werden ter gelegenheid van het onderzoek dat in het jaar 1999 werd gevoerd, meer in het bijzonder de bewijsstukken betreffende de kosten gemaakt in de loop van de maanden maart en april 1999 en de rechtvaardiging van de onkosten welke door G werd gegeven aan de fiscus met betrekking tot het aanslagjaar 1996 (inkomsten 1995). Appellant meent immers dat de analyse van deze gegevens, zelfs wanneer men kritiekloos de voorgebrachte bewijsstukken zou aanvaarden, tot de conclusie moet leiden dat de vlag geenszins de lading dekt. Appellant heeft daarbij ook veel kritiek op het feit dat het bedrag van de jaarlijkse onkostenvergoeding gerelateerd wordt aan het bedrag van de door de werknemer gerealiseerde verkoopcijfers. Nochtans kan van een forfaitair systeem van kostenvergoedingen gerelateerd aan het gerealiseerde zakencijfer niet ipso facto beweerd worden dat de kostenvergoeding niet in redelijke verhouding zou staan tot de reële kosten. Wanneer een aantal componenten van het forfait noodzakelijk stijgt bij een toenemende productiviteit, is het ook logisch dat de kosten progressief toenemen naarmate een hoger zakencijfer wordt gehaald (Cass. 14 februari 2000, R.W. 2000-2001 (verkort), 1275 met noot; Soc. Kron. 2000, p. 479). De beoordeling of een forfaitaire kostenvergoeding al dan niet beantwoordt aan de werkelijke kosten is sterk afhankelijk van de individuele situatie van de betrokken werknemer. Het is dan ook belangrijk vast te stellen dat G als verkoper voor een groot deel vanuit zijn woonst werkte en dat hij onafhankelijk van de infrastructuur en logistieke hulpmiddelen van zijn werkgever functioneerde. Dit betekent dat een aantal bijkomende kosten gecreëerd werden die het gevolg zijn van de uitvoering van de functie, zoals bijvoorbeeld de kosten voor bureaumateriaal, eigen P.C., ontwikkeling van foto's, fotokopies, kosten van verwarming en elektriciteit, abonnementen vakliteratuur en relatiegeschenken, welke allemaal ten laste vallen van de werknemer in kwestie. Daarnaast is er ook nog de specifieke situatie dat in de branche waarin geïntimeerde actief is, van de verkopers verwacht wordt dat zij met potentiële klanten regelmatig op restaurantbezoek gaan. Vermits G de beschikking had over een firmawagen en een GSM met bijhorend abonnement ontving vanwege zijn werkgever, had hij op het vlak van de verplaatsingen en de communicatie geen bijzondere kosten te dragen. Met al deze aspecten dient rekening te worden gehouden bij de beoordeling of de forfaitaire onkostenvergoeding voorzien voor G al dan niet (gedeeltelijk) als verdoken loon moet beschouwd worden. Naar het oordeel van het Hof laten de dossiergegevens in casu toe te concluderen dat de onkostenvergoedingen welke voor het jaar 1996 werden uitbetaald aan G in alle redelijkheid beantwoordden aan de werkelijk gemaakte kosten. Deze vergoedingen bedroegen op dat ogenblik ongeveer 25% van de totale inkomsten (vast loon + commissielonen), wat gelet op de specifieke situatie van deze werknemer kan aanvaard worden als redelijk. Vanaf het jaar 1997 kan evenwel een bruuske stijging van het door G gerealiseerde verkoopscijfer vastgesteld worden, wat ook een bruuske stijging van de onkostenvergoeding tot gevolg heeft gehad. De kostenvergoeding in 1997 werd aldus verhoogd met meer dan 200% ten opzichte van de vergoeding betaald het jaar voordien. In 1997 beloopt deze vergoeding aldus meer dan 50% van het totale loon dat door G werd genoten. Zelfs de overweging dat een hogere productiviteit ook hogere kosten met zich meebrengt, kan zulke belangrijke verhoging van de onkosten onmogelijk verantwoorden. De betrokken partijen hebben dit ook ingezien en hebben op eigen initiatief in een nieuwe arbeidsovereenkomst met ingang van 4 oktober 2000 voorzien dat een commissieloon van 1,2% op het bedrag van de gerealiseerde verkopen (i.p.v. 1% voorheen) zou verschuldigd zijn, terwijl de te betalen forfaitaire kostenvergoeding nog slechts 0,75% van datzelfde bedrag zou belopen. Bijgevolg kan geconcludeerd worden dat vanaf 1997 de forfaitaire onkostenvergoeding op basis van 1% van het gerealiseerde verkoopscijfer niet langer in redelijke verhouding staat met de werkelijk gemaakte kosten. Vervolgens stelt zich dan de vraag wat vanaf 1997 wel als een aanvaardbare forfaitaire kostenvergoeding kan beschouwd worden. Het standpunt van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat deze vergoeding moet begroot worden a rato van 391 BEF per gewerkte dag en van 3.500 BEF per maand kan door het Hof niet bijgetreden worden, omdat hierbij onvoldoende rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van G. Een baan- en maaltijdvergoeding van 351 BEF beantwoordt zeker niet aan de werkelijke uitgaven welke op dat vlak gedragen werden door G, mede gelet op de vereiste om als verkoper regelmatig op restaurantbezoek te gaan met de klanten. Ook de bureauvergoeding van 3.500 BEF per maand volstaat niet, omdat het 'bureau' van waaruit G werkte bij hem thuis was gevestigd, zodat hij ook niet te onderschatten kosten, welke met de infrastructuur van zo een kantoor gepaard gaan, zelf moest bekostigen. In deze specifieke situatie van G lijkt een onkostenvergoeding welke berekend wordt op grond van de volgende forfaitair vastgestelde bedragen het Hof billijk: - een baan- en maaltijdvergoeding ten bedrage van 1.500 BEF of 37,18 EUR per gewerkte dag; - een bureauvergoeding ten bedrage van 7.000 BEF of 173,53 EUR per maand. Aldus bekomt men een maandelijkse kostenvergoeding van ongeveer 41.000 BEF of 1.028,76 EUR per maand. Op jaarbasis betekent dit een onkostenvergoeding van 444.000 BEF of 11.006,47 EUR, zijnde ongeveer 30% van het jaarlijks inkomen. Het Hof is van oordeel dat een forfaitaire onkostenvergoeding aldus berekend wel kan beantwoorden aan de werkelijk gemaakte kosten. 7.
- Bijgevolg is de regularisatie welke ambtshalve door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werd doorgevoerd slechts gedeeltelijk gegrond.
- Alleszins zal door de RSZ een herberekening moeten gebeuren van de verschuldigde regularisatiebijdragen, alvorens over de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde uitspraak kan gedaan worden. Ten dien einde zullen de debatten heropend dienen te worden.
- Appellant laat terecht gelden dat hij er niet toe gehouden kan zijn op de door geïntimeerde gevorderde bedragen in hoofdsom verwijlintrest te betalen vanaf 15 december 2002, zijnde de datum van betaling onder voorbehoud van de regularisatiebijdragen door laatstgenoemde. De rechtsgrond voor deze vordering van geïntimeerde is immers de onverschuldigde betaling. Op grond van artikel 1378 B.W. is enkel de ontvanger te kwader trouw intrest verschuldigd vanaf de dag van betaling. In casu kan niet voorgehouden worden dat de RSZ moet beschouwd worden als een ontvanger te kwader trouw. Het is geïntimeerde die het initiatief heeft genomen om tot betaling over te gaan van datgene waarop appellant in haar visie en interpretatie van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen meende aanspraak te kunnen maken. Bij gebreke aan kwade trouw in hoofde van appellant kan slechts intrest toegekend worden op grond van artikel 1153 B.W. vanaf de aanmaning om voor terugbetaling van het onverschuldigde zorg te dragen. Bij gebreke aan dergelijke ingebrekestelling is in onderhavige zaak bijgevolg slechts intrest verschuldigd door appellant vanaf de datum van de dagvaarding, zijnde 23 december
- O P D I E G R O N D E N, HET HOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer F. S., Substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 8 juni
- Na beraadslaging recht doende op tegenspraak. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Alvorens verder recht te doen over de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde, heropent de debatten teneinde appellant, de RSZ, toe te laten een nieuwe berekening te maken van de verschuldigde regularisatiebijdragen, rekening houdende met datgene dat inzake de in aanmerking te nemen forfaitaire onkostenvergoeding werd uiteengezet onder de redenen sub 7.
- in het motiverend gedeelte van dit arrest aangegeven. Het Hof beveelt te dieneinde de heropening der debatten en stelt de zaak voor verder behandeling op de openbare terechtzitting van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Maastrichterstraat 100 te 3500 Hasselt van woensdag 8 februari 2006 om 14.30 uur. Houdt inmiddels de uitspraak over de kosten aan. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050914.7 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020114.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div