← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050915.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050915.2 Rolnummer: 2004-0670 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-20 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-01 03:25 Fiche Wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, bepaalt de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden gegevens, of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, die verplicht is ze te verstrekken. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID inning en invordering van de bijdragen - aangifte - ambtshalve aangifte. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2040670 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: B.V.B.A. H.L., met zetel gevestigd te XXX, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder nummer 76.077, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: XXX, XXX, bijgestaan door mr XXX, advocaat te XXX. tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. XXX, advocaat te XXX. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 1 december 2004 en van 16 juni 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 23 september 2004, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 22 oktober 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 22 oktober 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit Hof op 7 februari 2005; x de beschikking van de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van 9 maart 2005; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 mei

  1. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 16 juni
  2. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 16 juni
  3. De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. De conclusies voor de R.S.Z. werden ter griffie ontvangen op 26 april 2005, dit is buiten de termijn die voor het neerleggen van deze conclusies werd bepaald in de beschikking van 9 maart 2005 (stuk 6 in het dossier van de rechtspleging). De B.V.B.A. H.L. stemt niet in met het neerleggen van deze conclusies en zij verzoekt het Hof deze conclusies uit de debatten te weren. Met toepassing van artikel 747 in fine Ger. W. worden deze conclusies uit de debatten geweerd. Feiten en wat voorafgaat De B.V.B.A. H.L. baatte op de markt in Geel het café-restaurant 'H.L.' uit. Op 16 oktober 2000 om 6.15 uur 's morgens voerde de Sociale Inspectie en de Inspectie van de Sociale Wetten een controle uit en op dat moment troffen ze er Marcella (Mia) Vanlaton aan, die bezig was met de zaak te poetsen. Zij verklaarde aan de inspectiediensten op dat ogenblik dat zij dit werk al deed gedurende de afgelopen twee jaar, vijf dagen per week van 6 uur tot 9 uur 's morgens. Wanneer de zaakvoerder van de B.V.B.A., Frans Braekmans, met deze verklaring werd geconfronteerd op 31 oktober 2000, legde hij de volgende verklaring af: "Ik ben zaakvoerder van de B.V.B.A. H.L. Markt 51 te Geel. Vanlatem Marcella is voor mij beginnen werken omdat zij nog een schuld bij mij moest aflossen. Wij zijn overeengekomen dat zij in ruil voor mij zou werken als poetsvrouw. Zij is op 15/10/00 voor mij beginnen werken en heeft op 17/10/00 na uw controle ontslag genomen. Ik heb haar op 15/10/00 in het personeelsregister ingeschreven en een deeltijdse arbeidsovereenkomst met haar afgesloten." Ondertussen verstuurde Mia Vanlaton op 17 oktober 2000 een aangetekende brief aan de inspectiediensten, waarin ze verklaart dat ze door de inspectie helemaal van slag was gebracht, dat ze niet meer weet wat ze aan de inspectie verklaarde, dat ze deze verklaring herroept, dat ze slechts twee dagen in H.L. werkzaam is geweest en dat ze haar ontslag indient. Een brief van dezelfde datum met een ontslag bij onderling akkoord, wordt bijgevoegd. Gelet op deze tegenstrijdigheden, ondervroeg de inspectie Mia Vanlaton op 31 mei 2001 een tweede maal. Deze keer legde zij de volgende verklaring af: "Ik herinner mij nog goed dat er op 16/10/2000 een controle plaatsvond in H.L., Markt 51 te Geel. Toen u uw controle aanvatte was ik aan het poetsen. Ik verklaarde toen dat ik sedert 2 jaar, 5 dagen per week, 3 uren per dag poetste van 6.00 uur tot 9.00 uur en hiervoor 200 Fr. netto per gewerkt uur ontving. Ik blijf bij mijn verklaring wat betreft periode en frequentie van tewerkstelling en betaling. Na 16/10/2000 heb ik niet meer in H.L. gewerkt. Ik heb nooit enige loonbriefjes ontvangen i.v.m. mijn tewerkstelling, noch een fiscale of enig ander document. Ik heb nooit moeten tekenen voor ontvangst van loon, dit werd altijd contant in de hand betaald door Françis Braekmans. Wij noemden hem 'patroon' of 'Cis'. Op 23 augustus 2001 volgt een controlebezoek in H.L.. In het personeelsregister wordt Van Latem Marcella vermeld, datum in dienst 15/10/2000, datum uit dienst 17/10/
  4. Op de individuele rekeningen worden er voor oktober 2000, 9 arbeidsdagen - 27 uren en 8.026 Fr. brutoloon vermeld en voor november 2000: 2 arbeidsdagen, 6 uren en 1.784 Fr. Volgens de heer Braekmans werd deze individuele rekening foutief opgemaakt en dienen er enkel prestaties te worden vermeld van 15/10 - 17/10/
  5. Wanneer Francis Braekmans met al deze tegenstrijdigheden wordt geconfronteerd, weigert hij nog enige verdere verklaring af te leggen. De R.S.Z. gaat vervolgens tot regularisatie over op basis van artikel 22 van de R.S.Z.-wet : - een formulier F33 wordt opgemaakt op 16 oktober 2001 - een ingebrekestelling op 7 januari 2002, waarin wordt aangegeven dat de regularisatie betrekking heeft op de periode vierde kwartaal 1998 - vierde kwartaal
  6. Enkel de deeltijdse tewerkstelling wordt geregulariseerd - een bericht van wijziging op 19 maart
  7. Er volgt een dagvaarding op 16 december 2002, met aangehecht een rekeninguittreksel afgesloten op 8 oktober 2002 voor een bedrag van 6.755,98 euro. Het bestreden vonnis De eerste rechter steunt zich op de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet en hij kent bij vonnis van 23 september 2004 de vordering toe. Eisen in hoger beroep De B.V.B.A. tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit Hof op 22 oktober
  8. Hij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Grieven: - de eerste rechter steunde zijn beslissing ten onrechte op de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet - er speelt geen vermoeden en de R.S.Z. moet zijn vordering bewijzen - de R.S.Z. bewijst zijn vordering niet o.a. wegens een tussengekomen faillissement van de B.V.B.A. Volgens het recht De R.S.Z. is voortgegaan op de beide verklaringen van Mia Vanlaton om ertoe te besluiten dat deze in dienst van de B.V.B.A. H.L. heeft gewerkt van 17 oktober 1998 tot en met 14 oktober 2000, aan vijf dagen per week, aan 3 uren per dag. Omdat deze arbeidsprestaties bij hem niet waren aangegeven, heeft de R.S.Z. ze ambtshalve aangegeven tegen het minimumloon van het paritair comité van de horeca. Hierbij maakte de R.S.Z. toepassing van artikel 22 van de R.S.Z.-wet dat het volgende bepaalt: "Wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, bepaalt de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden gegevens, of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, die verplicht is ze te verstrekken." De R.S.Z. heeft aldus een voor hem verdoken deeltijdse tewerkstelling geregulariseerd. Daarbij heeft hij zich geen vragen gesteld bij de regelmaat van het deeltijds karakter van deze tewerkstelling, hij heeft dit gewoon aanvaard. De toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet is daarbij nooit aan bod geweest. Ten onrechte heeft de eerste rechter zijn beslissing op de toepassing van dit artikel geheel of gedeeltelijk laten steunen. Binnen het kader van artikel 22 van de R.S.Z.-wet komt er geen wettelijk vermoeden de R.S.Z. ter hulp bij het leveren van het bewijs van de geleverde prestaties en dit in tegenstelling met artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet. De stelling van de B.V.B.A. H.L. klopt dat de R.S.Z. het bewijs moet leveren dat Mia Vanlaton gedurende de periode die hij weerhoudt, de prestaties leverde die hij voorhoudt en die hoger in dit arrest nader zijn aangeduid. Zoals gezegd, vindt de R.S.Z. dit bewijs terug in de verklaringen die Mia Vanlaton aflegde de eerste maal bij de controle van 16 oktober 2000 en een tweede maal op 31 mei 2001 op initiatief van de sociale controleur, die bij het onderzoek werd geconfronteerd met tegenstrijdige informatie. Deze twee verklaringen bevestigen dezelfde gegevens: een tewerkstelling van Mia Vanlaton van twee jaren aan vijf dagen per week en aan drie uren per dag. De B.V.B.A. H.L. voert aan dat deze verklaringen worden tegengesproken door: - het personeelsregister - de schriftelijke verklaring van Mia Vanlaton van 17 oktober 2000 - de verklaring van Francis Braekmans, zaakvoerder van de B.V.B.A. H.L. - de loonbrief voor oktober 2000 en de individuele rekening 2000 - de brief van 13 oktober van het sociale secretariaat van de B.V.B.A. H.L.. Het personeelsregister Het onderzoeksverslag (zie administratief dossier) vermeldt dat er op de dag van de controle van 16 oktober 2000 geen personeelsregister kon worden voorgelegd. Bij een controlebezoek van 23 augustus 2001 vermeldt het personeelsregister Mia Vanlaton in dienst op 15 oktober 2000 en uit dienst op 17 oktober
  9. De mogelijkheid bestond dat dit personeelsregister later is ingevuld in het besef van de gevolgen van de controle van 16 oktober 2000 en met aanpassing aan de verklaringen die ingevolge deze controle zijn afgelegd. Het Hof acht de gegevens die op 23 augustus 2001 door de controleurs in het personeelsregister werden vastgesteld niet betrouwbaar omdat ze pas ten tonele verschijnen na de aanvankelijke controle en omdat ze door andere elementen van de personeelsadministratie worden tegengesproken (cfr. infra). De schriftelijke verklaring van Mia Vanlaton van 17 oktober 2000 Deze verklaring staat lijnrecht tegenover de beide andere verklaringen die Mia Vanlaton aflegde aan de inspectiediensten. Voor het Hof is het duidelijk dat deze schriftelijke verklaring onder druk van de B.V.B.A. H.L. is tot stand gekomen. De verklaring die zij aflegde aan de inspectie op het moment zelf van de controle op 16 oktober komt spontaan en eerlijk over. Hetzelfde kan gezegd worden van de verklaring van 31 mei
  10. Deze werd afgelegd op een ogenblik dat Mia Vanlaton reeds meer dan zeven maanden niet meer in dienst was van de B.V.B.A. H.L. en zij dus weer vrijuit kon spreken. De verklaring van 17 oktober 2000 echter is tot stand gekomen in volle crisis rond de controle van de dag ervoor. In principe was Mia Vanlaton op dat ogenblik nog in dienst van de B.V.B.A. H.L. en kon er op haar de nodige druk worden uitgeoefend. Ook de regeling rond haar ontslag was nog een bijkomend drukkingmiddel in de hand van de B.V.B.A. H.L. om een verklaring te laten opmaken en tekenen die enkel de belangen van de B.V.B.A. diende. Het Hof aanvaardt de bewijskracht van de geschreven verklaring van 17 oktober 2000 niet. De verklaringen van de zaakvoerder Aan de objectiviteit ervan mag ernstig worden getwijfeld. Hij weet wat er voor de B.V.B.A. op het spel staat en hij heeft er alle belang bij om de tewerkstelling van Mia Vanlaton voor de B.V.B.A. H.L. te minimaliseren. Als hij nadien geconfronteerd wordt met de tegenstrijdigheid tussen de gegevens van het personeelsregister en de gegevens in de andere personeelsdocumenten, weigert hij nog verdere verklaringen af te leggen. Voor het Hof is dit het beste bewijs dat Francis Braekmans onbetrouwbaar was: hij stond letterlijk met zijn mond vol tanden en verkoos dan maar te zwijgen. Zijn verklaringen wegen in ieder geval niet op tegen de verklaringen van Mia Vanlaton. De loonbrief voor oktober 2000 en de individuele rekening 2000 Deze loonbrief vermeldt dat Mia Vanlaton in dienst kwam op 15 oktober 2000 en uit dienst ging op 6 november
  11. Dit gegeven is in tegenstrijd met wat Francis Braekmans altijd zo hardnekkig volhield, namelijk dat Mia Vanlaton uit dienst ging op 17 oktober
  12. Ook met de datum van het ontslag klopt het niet. De individuele rekening vermeldt prestaties zowel in oktober als in november 2000 wat ingaat tegen het gegeven dat Mia Vanlaton uit dienst is gegaan op 17 oktober
  13. Deze tegenstrijdigheid tussen deze loondocumenten en de ontslagbrief enerzijds en de beweringen van Francis Braekmans anderzijds maken al deze bewijselementen onbetrouwbaar. Ze zijn niet dienstig als bewijs. De brief van 13 oktober van het sociale secretariaat van de B.V.B.A. H.L. Deze brief zou zogezegd dateren van vóór de controle van 16 oktober 2000 en dus objectief zijn. De brief is niet ondertekend. Geen enkel element in het dossier laat toe te besluiten dat de datum van 13 oktober een vaste datum is. De informatie uit de brief laat niet toe af te leiden dat het gaat om Mia Vanlaton. Evenmin bevat deze brief nuttige gegevens over het tijdstip van de tewerkstelling van deze laatste. Deze brief is geen dienstig bewijselement. Conclusie: De bewijselementen die de B.V.B.A. H.L. naar voren schuift om de bewijskracht van de verklaringen van Mia Vanlaton aan te tasten, slagen niet in dat opzet. Ze zijn onbetrouwbaar omdat ze een eenzijdig karakter hebben, omdat niet transparant is door wie, wanneer en hoe ze zijn opgemaakt en omdat ze tegenstrijdig zijn met elkaar. De R.S.Z. mocht zich terecht steunen op de verklaringen van Mia Vanlaton die aan de inspectie werden afgelegd. Geen enkel objectief element in het dossier tast hun geloofwaardigheid aan. De R.S.Z. heeft op het ogenblik van de controle weinig andere mogelijkheden om het verleden te reconstrueren dan voort te gaan op verklaringen. Deze kunnen pas opzij worden gezet als er objectieve andere elementen aanwezig zijn. Er kan niet worden ingegaan op subjectief gecreëerde anti-bewijselementen. De verklaringen van Mia Vanlaton zijn voor het Hof ook een voldoende bewijs. Daarom moet er niet worden ingegaan op het aanbod tot tegenbewijs in de vorm van een getuigenverhoor, dat de B.V.B.A. H.L. in ondergeschikte orde doet. Wat de afrekening zelf betreft, houdt de R.S.Z. rekening met een periode van staat van faillissement van de B.V.B.A. H.L. tussen 30 juni 1999 en 1 november
  14. De B.V.B.A. H.L. toont niet aan dat deze periode langer heeft geduurd, zodat de aanpak van de R.S.Z. kan worden aanvaard. Verder brengt de B.V.B.A. H.L. geen gegronde opmerkingen bij met betrekking tot de afrekening van de R.S.Z. Het beroep is ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter kan worden bevestigd, zij het op andere gronden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. Dekeersmaeker, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 16 juni
  15. De raadsman van eiser in hoger beroep werd gehoord in haar opmerkingen over het advies. De raadsman van verweerder in hoger beroep verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 23 september 2004, zij het op andere gronden. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de B.V.B.A. H.L.. Vereffent de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de B.V.B.A. op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en 58,25 euro uitgavenvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend en vijf, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer L. DERIJCKE, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer I. VERREYT, Raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050915.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.