← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050922.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050922.5 Rolnummer: 2004-0350 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-08 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-07-01 03:26 Fiches 1 - 3 Het gezag 'erga omnes' van het strafrechtelijk gewijsde geldt slechts voor wat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist. Wanneer uit de motivering van de strafrechtelijke uitspraak blijkt dat de vrijspraak het gevolg is van de vaststelling dat het bijzonder opzet niet bewezen is blijft de arbeidsrechter vrij te oordelen betreffende de niet aangifte van een activiteit en de niet schrapping van de controlekaart. Een activiteit als syndicus van een appartementsgebouw, terwijl de betrokkene eigenaar en bewoner is van een van de appartementen daarvan, moet beschouwd worden als een activiteit die is ingeschakeld in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten. Het is geen activiteit die beperkt is tot het beheer van het eigen patrimonium. Uit de strafrechtelijke vrijspraak kan evenmin afgeleid worden dat de werkloze te goeder trouw was. De term 'goede trouw' van artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit heeft een geëigende betekenis, namelijk de afwezigheid van enige tekortkoming van de werkloze in de concrete relatie met de werkloosheidsregelgeving. Onwetendheid omtrent de werkloosheidsreglementering kan niet aanvaard worden als bewijs van goede trouw. De werkloze kan enkel aanspraak maken op de vaste rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 2, 2° en 4° van het KB van 30 november 1970 - en dus niet op de dubbele rechtsplegingsvergoeding - daar het voorwerp van de betwisting bestaat niet in het bepalen van de juiste omvang van de door de werkloze onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen maar enkel in het bepalen van de periode waarvoor de RVA gerechtigd is een terugvordering te doen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK werkloosheid - strafrechtelijke vrijspraak - relevantie - nevenactiviteit - syndicus - aangifte - terugvordering - goede trouw -gerechtskosten - dubbele rechtsplegingvergoeding. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1022 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Koninklijk Besluit - 30-11-1970 - 3 - 30 ELI link Pub nr 1970113007 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon zijn - strafrechtelijke vrijspraak - relevantie - nevenactiviteit - syndicus - aangifte - terugvordering - goede trouw -gerechtskosten dubbele rechtsplegingvergoeding. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID terugvordering van uitkeringen - strafrechtelijke vrijspraak - relevantie - nevenactiviteit - syndicus - aangifte - terugvordering - goede trouw -gerechtskosten - dubbele rechtsplegingvergoeding. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 169 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 1022, onder V AN - artikel 44 en onder V AN - artikel

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00933,P.496-500) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.543-546) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040350 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: E. N., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. R., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. F. I., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.
  2. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 2 juni 2004, 7 december 2004 en 23 juni 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 29 maart 2004 (A.R. 342.945); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 27 april 2004; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 14 juni 2004; - de conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 30 september 2004; - de aanvullende conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 2 november 2004; - de aanvullende conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 11 april
  3. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen) en de bundel van appellant bestaande uit 6 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 23 juni
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
  5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 27 april 2004, tekende E. N. hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd gewezen door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 29 maart 2004 (A.R. 342.945). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 31 maart
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging E. N. genoot uitkeringen als volledig werkloze. Naar aanleiding van een controle door een sociale controleur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen legde E. N. op 24 juli 2001 volgende verklaring af (C25.2, stuk 5 administratief dossier) : "Ik ben tot op heden nog volledig werkloos en stempel met een oranje stempelkaart. Ik heb van begin maart '99 tot eind april '01 het bijberoep van syndicus uitgevoerd hier in het appartementsgebouw. Ik heb in het begin de boekhouding van de vorige syndicus nagekeken omdat daar problemen mee waren; ook de kwartaalrekeningen heb ik opgesteld; practische zaken : zorgen dat de stickers van de vuilbakken er waren, als er iets stuk was, zorgen dat het hersteld werd (loodgieterij...). Begin mei '01 (eind april '01 eigenlijk) heeft Dhr. Beck het bijberoep van syndicus van mij overgenomen. Gans de periode dat ik hier syndicus was, heb ik hier maandelijks 7.500,-frs netto voor ontvangen van de Gemeenschap van Eigenaars. Ik heb dit bijberoep nooit gemeld op mijn U.I. omdat ik niet wist dat het hoefde. Ik dacht dat terwijl ik voor de Gemeenschap van Eigenaars hier presteerde, het ook een stuk beheer van eigen patrimonium was. De conciërge doet hier het onderhoud, de kuis, het buitenzetten van de vuilbakken. Niet iedereen hier in het gebouw weet dat Dhr. Beck hier als syndicus mijn taken heeft overgenomen vanaf 1/5/'
  8. Als er soms nog bewoners bij mij komen bellen, verwijs ik ze door naar Dhr. Beck die hier ook woont. Vanaf 25/7/'01 neemt Jurimo de taak van syndicus hier over. Dit wordt morgen gemeld op een algemene vergadering. Jurimo is gevestigd Grote Steenweg 127 te Berchem. Ik heb nooit schrappingen geplaatst op m'n stempelkaart als ik het bijberoep van syndicus uitoefende. De som van 7.500,-frs./maand is eigenlijk een onkostenvergoeding die ik ontving voor m'n telefoon- en faxkosten en benzinevergoeding voor de keren dat ik rondreed." Met een schrijven van 30 augustus 2001 werd E. N. door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening uitgenodigd om op 19 september 2001 gehoord te worden in zijn verweermiddelen omtrent "het feit dat u voor de periode van 01.03.1999 tot en met 30.04.2001 een nevenactiviteit heeft uitgeoefend en dat u hiervan nooit enige aangifte deed. U plaatste evenmin schrappingen op uw controlekaart voor de dagen dat u uw nevenactiviteit uitoefende. Bijgevolg heeft u ten onrechte uitkeringen kunnen ontvangen." Op het verhoor van 19 september 2001 werd E. N. bijgestaan door de heer P. S., afgevaardigde ACV, en er werd genoteerd dat betrokkene in overleg met de heer S. zijn schriftelijke verklaring in de loop van volgende week zou neerleggen. De schriftelijke verklaring werd vervolgens door E. N. neergelegd op 3 oktober 2001 (stuk 10 administratief dossier). Op 29 november 2001 besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen - in toepassing van de artikelen 44, 45, 71, 139, 142, 144, 154, 158, 169 en 175 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - : - E. N. uit te sluiten van het recht op uitkeringen van 6 juli 1999 tot 30 april 2001 (artikelen 44, 45 en 71 van voormeld Koninklijk Besluit); - E. N. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 3 december 2001 gedurende een periode van 20 weken (artikel 154 van voormeld Koninklijk Besluit); - de uitkeringen terug te vorderen die E. N. onrechtmatig ontving van 6 juli 1999 tot 30 april 2001 (artikel 169 van voormeld Koninklijk Besluit). De directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 15 administratief dossier): "Wat betreft de uitsluiting op grond van de artikelen 44 en 45 van het voormeld koninklijk besluit De reglementering voorziet dat de werkloze zonder arbeid en zonder loon moet zijn om uitkeringen te kunnen genieten (artikel 44). Wordt onder andere beschouwd als arbeid : de activiteit verricht voor zichzelf die kan worden ingeschakeld in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewoon beheer van het eigen bezit (artikel 45, eerste lid, 1°). Uit een onderzoek door onze controledienst blijkt dat u, terwijl u uitkeringen genoot als volledig werkloze, van 06.07.1999 tot 30.04.2001 een activiteit als syndicus voor uzelf heeft verricht. U werd namelijk tijdens de algemene vergadering van 6 juli 1999 aangesteld om het dagelijks bestuur uit te voeren in het appartementsgebouw, gelegen Belgiëlei 92/5 te Antwerpen, waar u medeeigenaar van bent. Ook is uit de controle gebleken dat u nooit schrappingen plaatste op uw controlekaart tijdens de periode dat u de activiteit uitoefende. Deze activiteit kan worden ingeschakeld in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en is niet beperkt tot het gewoon beheer van uw eigen bezit. De activiteit die u heeft verricht, moet dus worden beschouwd als arbeid in de zin van artikel
  9. Daar u van 06.07.1999 tot 30.04.2001 niet zonder arbeid was, kan u geen uitkeringen genieten voor de voormelde arbeidsperiode. Wat betreft de uitsluiting op grond van artikel 71 van het voormeld koninklijk besluit Om uitkeringen te kunnen genieten, moet de werknemer in het bezit zijn van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich bewaren. Hij moet eveneens vóór de aanvang van een activiteit bedoeld in artikel 45, hiervan melding maken op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt (artikel 71, eerste lid, 1° en 4°). U heeft deze verplichting, die vermeld staat op uw controlekaart, niet nageleefd. U kan dus geen uitkeringen genieten voor de voormelde arbeidsperiode. Wat betreft de vaststelling dat u met bedrieglijk inzicht handelde : U handelde met bedrieglijk inzicht. Dat wordt bewezen door het feit dat u reeds verscheidene jaren werkloos bent en u dus geacht mag worden de werkloosheidsreglementering te kennen. Door het niet aangeven van uw activiteit en het niet correct invullen van uw kaart op de dagen van activiteit, trachtte u aanspraak te maken op uitkeringen waarop u geen recht had. Daar u gehandeld heeft met bedrieglijk inzicht, kan u strafrechtelijk worden vervolgd (artikel 175, 1°, e van voormeld koninklijk besluit). Wat de terugvordering betreft : Elke onrechtmatig en bedrieglijk ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van voormeld koninklijk besluit). Bijgevolg moeten de uitkeringen die u van 06.07.1999 tot 30.04.2001 heeft genoten, worden teruggevorderd. Het totale bedrag dat u moet terugbetalen, de berekeningswijze en de wijze waarop u kan terugbetalen, zullen u later worden meegedeeld. Wat betreft de administratieve sanctie op grond van artikel 154 van het voormeld koninklijk besluit : De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen omdat hij vóór de aanvang van een activiteit bedoeld in artikel 45 hiervan geen melding heeft gemaakt op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt, kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken (artikel 154, eerste lid, 1°). In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op 20 weken aangezien u sedert 1999 aanspraak maakt op uitkeringen in combinatie met een mandaat als syndicus. U diende schrappingen te plaatsen op de dagen waarop u als syndicus werkte." Met schrijven van 22 januari 2002 betekende de directeur van het werkloosheidsbureau Antwerpen, in uitvoering van zijn beslissing C29 van 29 november 2001, een beslissing tot terugvordering met verzoek de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 6 juli 1999 tot en met 30 april 2001 ten bedrage van 17.465,68 euro terug te betalen (stuk 14 administratief dossier: terugvordering C31). Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 1 februari 2002 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 4 februari 2002, tekende E. N. beroep aan tegen de administratieve beslissing van 29 november 2001 (met kenmerk: C29/71122/45/CS). Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 29 maart 2004 werd: - de vordering van E. N. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 29 november 2001 hervormd in zoverre E. N. in toepassing van artikel 154 uitgesloten werd van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor een periode van 20 weken; - voor recht gezegd dat E. N. vanaf 3 december 2001 uitgesloten wordt van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor een periode van 4 weken; - de administratieve beslissing voor het overige bevestigd; - de terugvorderingsbeslissing van 22 januari 2002 bevestigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van E. N. begroot op 102,63 euro rechtsplegingsvergoeding en op 4,21 euro aantekenrecht. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 27 april 2004, tekende E. N. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
  10. Eisen in hoger beroep E. N. (appellant) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis te vernietigen en de beslissing van de gewestelijke werkloosheidsdirecteur van 29 november 2001 volledig te vernietigen; - ondergeschikt, het vonnis a quo en de administratieve beslissing a quo gedeeltelijk te vernietigen en hervormend te zeggen voor recht dat appellant niet kan worden uitgesloten voor de periode van 6 juli 1999 tot en met 19 december 1999 en nadien tussen 20 december 1999 en 30 april 2001 slechts kan worden uitgesloten gedurende 2 dagen per maand, minstens de terugvordering te beperken tot 2 dagen per maand; - de terugvordering ten bedrage van 17.465,68 euro te vernietigen, minstens ondergeschikt te beperken tot nihil voor 1999, een bedrag van 819,60 euro voor 2000 en voor 2001 een bedrag van 276,85 euro, minstens tot de laatste 150 dagen; - de sanctie op grond van artikel 154 van het Werkloosheidsbesluit te vernietigen, minstens ondergeschikt te herleiden naar het minimum van 1 week, uiterst ondergeschikt de door de eerste rechter herleide sanctie van 4 weken te bevestigen; - appellant toe te laten te bewijzen met alle middelen van recht, inclusief getuigen, dat de activiteiten die hij verricht heeft sedert 19 december 1999 zich beperken tot 2 dagen per maand; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellant begroot op 4,21 euro aangetekende zending eerste aanleg, 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 57,02 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 273,67 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond te verklaren; - het vonnis a quo te bevestigen in al zijn beschikkingen; - de kosten ten laste te leggen van appellant.
  11. Ten gronde 5.
  12. De implicaties van de vrijspraak op strafgebied door de correctionele rechtbank te Antwerpen Appellant werd beticht van te Antwerpen tussen 28 februari 1999 en 1 mei 2000: A. Bij inbreuk op de artikelen 1, 48, 133, 134, 153, 175 en 176 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit), een werkloze zijnde, met bedrieglijk inzicht een verplichte verklaring niet of te laat te hebben afgelegd zodat hij onverschuldigde uitkeringen heeft ontvangen, nl. door geen aangifte te hebben gedaan van zijn nevenactiviteiten als syndicus van het appartementsgebouw gelegen te Antwerpen, Belgiëlei 92 B/5; B. Bij inbreuk op de artikelen 1, 45, 71, 154, 175 en 176 van het Werkloosheidsbesluit, een werkloze zijnde, nl. met bedrieglijk inzicht voor de aanvang van de activiteit, bedoeld in artikel 45, hiervan geen melding met onuitwisbare inkt te hebben gemaakt op zijn controlekaart, zodat hij, onverschuldigde uitkeringen heeft of kon ontvangen, met name door geen schrapping te hebben geplaatst op zijn controlekaart voor die dagen waarop hij zijn werkzaamheden als syndicus van het appartementsgebouw gelegen te Antwerpen, Belgiëlei 92 B/5 verrichtte. Bij vonnis van 9 december 2003 van de correctionele rechtbank te Antwerpen werd appellant vrijgesproken voor de tenlasteleggingen A en B omdat de rechtbank vaststelde dat in zijnen hoofde het bijzonder opzet niet bewezen is (stuk 16 administratief dossier). De vraag kan gesteld worden wat de implicaties zijn van dit vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen op onderhavige zaak. Daar waar de arbeidsgerechten het gezag dienen te eerbiedigen van het rechterlijk gewijsde verbonden aan de definitieve uitspraak van de strafrechter over de feiten (J. MATTHIJS, "Het arbeidsgerecht en de strafvordering wegens misdrijven tegen de sociale wetgeving", R.W.1976-1977, kol. 1547; R. NELISSEN, "Sociaalrechterlijke aspecten omtrent de adagia "le criminel tient le civil en état" en "le criminel emporte le civil", R.W. 2004-2005, 1334) geldt dit gezag 'erga omnes' van het strafrechterlijk gewijsde slechts voor wat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist (R. NELISSEN, op cit., 1332; Cass. 7 september 1987, J.T.T. 1988, 140 en Soc. Kron. 1988, 10, met bemerking G. VAN LIMBERGEN; Arbh. Antwerpen 11 maart 2004, www.juridat.be) Uit de motivering van het correctionele vonnis blijkt dat deze vrijspraak niet het gevolg is van de vaststelling dat de feiten niet bewezen zouden zijn, maar wel van de vaststelling dat het bijzonder opzet (vereist in artikel 175 van het Werkloosheidsbesluit) niet bewezen is. De arbeidsrechter blijft dienvolgens vrij te oordelen betreffende de niet aangifte van de zelfstandige activiteit en de niet schrapping van de controlekaart. De correctionele vrijspraak, die uitsluitend gebaseerd is op de vaststelling dat het bedrieglijk inzicht niet is bewezen, houdt in dat in onderhavige geschil niet langer kan voorgehouden worden dat appellant gehandeld zou hebben met bedrieglijk inzicht of te kwader trouw zou geweest zijn. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de werkloze te goeder trouw was. De kwade trouw wordt immers niet vermoed en de goede trouw moet worden bewezen (Arbh. Antwerpen 28 maart 2000, Soc. Kron. 2002, 189) 5.
  13. Met betrekking tot de uitsluiting Overeenkomstig artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Artikel 45, 1° bepaalt dat voor de toepassing van artikel 44 de activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van eigen bezit als arbeid wordt beschouwd. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt: - dat appellant eigenaar is van een appartement in het gebouw 'Residentie Palm Beach' gelegen te Antwerpen, Belgiëlei 92/5; - dat het beheer van dit volledig gebouw, in opdracht van de Gemeenschap van Eigenaars, uitgevoerd werd door de BVBA A.L. Beheer; - dat de BVBA A.L. Beheer, naar aanleiding van een aantal beheersfouten, zijn licentie werd ontnomen en dienvolgens haar activiteiten diende te staken op 9 februari 1999; - dat de Gemeenschap van Eigenaars besliste om vanaf 9 februari 1999 tijdelijk zelf het bestuur in handen te nemen; - dat op de bijzondere algemene vergadering van de eigenaars van 6 juli 1999 appellant (bij eenparigheid van stemmen) aangesteld werd om het dagelijks bestuur uit te voeren van het gebouw Residentie Palm Beach; zijn activiteiten als syndicus bestonden onder meer uit nazicht van de boekhouding van de vorige syndicus, opstellen van kwartaalrekeningen, laten uitvoeren van (dringende) herstellingen in het appartementsgebouw en regelen van de praktische zaken zoals onder meer zorgen voor de aanwezigheid van stickers voor de vuilbakken; - dat appellant voor deze activiteit als syndicus een maandelijks bedrag van 7.500 frank netto ontving van de gemeenschap van eigenaars; - dat appellant geen aangifte deed bij zijn uitbetalingsinstelling van deze activiteit als syndicus en evenmin schrappingen plaatste op zijn controlekaart; - dat vanaf 1 mei 2001 de taak van syndicus overgenomen werd aanvankelijk door de heer P. Beck (voorzitter van de Gemeenschap van Eigenaars) en vanaf 25 juli 2001 door Jurimo, gevestigd te Berchem, Grote Steenweg
  14. De activiteit die appellant heeft uitgeoefend als syndicus is zonder twijfel een activiteit die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten. Bovendien is deze activiteit niet beperkt tot het beheer van het eigen patrimonium vermits het gebouw 18 appartementen omvat waarin appellant slechts een klein aandeel bezit en hij deze activiteit gedurende bijna twee jaar verrichtte. De redenering van appellant dat hij niet meer gedaan heeft dan het beheer van zijn eigen vermogen binnen de wettelijk verplichte structuren van de mede-eigendom kan niet gevolgd worden omdat voor het beheer van het eigen (mede-)bezit de Gemeenschap van Eigenaars bestaat terwijl de syndicus het totale vermogen beheert. In die zin is er dan ook geen sprake van een ongelijke behandeling naar gelang het gaat om eigendom van een gezinswoning of een appartement. Evenmin kan een opsplitsing gemaakt worden tussen de periode van 6 juli 1999 tot 19 december 1999 (door appellant bestempeld als de acute periode) en de periode nadien (van 20 december 1999 tot en met 30 april 2001) vermits appellant vanaf zijn aanstelling als syndicus op 6 juli 1999 zonder twijfel een activiteit heeft uitgeoefend die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten; appellant kan geen enkele reden laten gelden waarom hij geen aangifte heeft gedaan laat staan inlichtingen gevraagd omtrent de bestaanbaarheid van zijn activiteiten met zijn recht op werkloosheid. De stelling van appellant dat hij slechts op bijkomstige wijze de activiteit als syndicus heeft uitgeoefend is evenmin relevant. Immers, zelfs indien appellant het bewijs zou leveren dat zijn activiteiten als syndicus dermate beperkt waren dat zij kon worden uitgevoerd op twee dagen per maand dan nog kan hij geen aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen. In toepassing van artikel 48, ,§1 van het Werkloosheidsbesluit kan de werkloze die op een bijkomstige wijze een activiteit in de zin van artikel 45 uitoefent slechts genieten van uitkeringen op voorwaarde dat hij daarvan aangifte doet bij zijn uitkeringsaanvraag en hij deze activiteit reeds uitoefende terwijl hij tewerkgesteld was als werknemer en dit ten minste gedurende de drie maanden voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag. Vermits appellant niet voldoet aan voormelde voorwaarden van artikel 48, ,§1 van het Werkloosheidsbesluit kan hij geen werkloosheidsuitkeringen genieten. Samenvattend besluit het hof dat appellant niet voldoet aan de toekennings-voorwaarden zoals voorzien in artikel 44 en 45 van het Werkloosheidsbesluit zodat de eerste rechter terecht de administratieve beslissing van 29 november 2001 waarbij appellant werd uitgesloten van het recht op uitkeringen vanaf 6 juli 1999 tot en met 30 april 2001, heeft bevestigd. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.
  15. Terugvordering Artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit voorziet dat elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald. Appellant verzoekt om toepassing van artikel 169, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit hetwelk bepaalt dat de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen werkloosheidsuitkeringen kan beperkt worden tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning wanneer vaststaat dat de werkloze te goeder trouw was. Gelet op het basisprincipe dat elke onrechtmatig ontvangen som dient terugbetaald te worden moet de werkloze bewijzen dat hij te goeder trouw was toen hij onrechtmatig werkloosheidsuitkeringen ontvangen heeft (Cass., 10 september 1984, J.T.T., 1985, 57; Cass., 2 december 1985, T.S.R., 1986, 139). Uit de strafrechtelijke vrijspraak die uitsluitend gebaseerd is op de vaststelling dat het bijzonder opzet niet is bewezen kan niet worden afgeleid dat de werkloze te goeder trouw was. In het kader van de werkloosheidsreglementering en meer bepaald artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit dient nog altijd het bewijs van de goede trouw geleverd te worden door de werkloze die zich daarop wenst te beroepen. De term 'goede trouw' in artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit heeft een geëigende betekenis, namelijk de afwezigheid van enige tekortkoming van de werkloze in de concrete relatie met de werkloosheidsregelgeving. De werkloze moet, op de wijze voorzien in de werkloosheidsreglementering, via zijn uitbetalingsinstelling, aangifte doen van de persoonlijke en familiale toestand en elke wijziging daarvan meedelen aan het bevoegde werkloosheidsbureau. Het formulier C1 bevat de vraag of de werkloze een nevenactiviteit uitoefent. Appellant ondertekende duidelijk de formulieren C1 waarin hij negatief antwoordde op deze vraag. Appellant kan bijgevolg moeilijk beweren dat hij niet tekort geschoten is aan zijn verplichtingen met betrekking tot de regelgeving bij zijn aangiftes en gedurende de periodes waarvoor hij onverschuldigde uitkeringen genoot. Appellant wist of kon alleszins weten dat hij tijdig aangifte diende te doen van de wijzigende gebeurtenissen die een invloed kunnen hebben op zijn recht op werkloosheidsuitkeringen. Immers, op het door hem ingediende formulier C1 van 9 november 2000 en 21 november 2001 (stukken 2 en 3 administratief dossier) staat de volgende formule onmiddellijk voor zijn handtekening: 'Ik bevestig op mijn eer dat deze verklaring echt en volledig is en ik verbind mij ertoe iedere wijziging die zich hierin zou voordoen onmiddellijk (binnen een termijn van 7 dagen) ter kennis te brengen van mijn uitbetalingsinstelling.' Indien appellant niettemin oprechte twijfels had omtrent het feit dat zijn activiteit als syndicus al dan niet als een nevenactiviteit diende beschouwd te worden kon hij ofwel de gewenste inlichtingen inwinnen bij zijn uitbetalingsinstelling of bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Dit hof heeft meermaals overwogen in gelijkaardige betwistingen dat de ingeroepen onwetendheid omtrent de werkloosheidsreglementering niet kan aanvaard worden als bewijs van goede trouw omdat dit zou leiden tot een sociale onrechtvaardigheid; immers, de werkloze die geen aangifte deed van de uitoefening van een nevenactiviteit tijdens zijn werkloosheid en zich na een controle op onwetendheid beroept zou aan een totale terugvordering wegens goede trouw ontsnappen terwijl de werkloze die de verplichtingen getrouw nakomt, het recht op uitkeringen onmiddellijk verminderd ziet. Aangezien appellant niet het bewijs levert van zijn goede trouw kan de terugvordering van de onrechtmatig genoten uitkeringen niet beperkt worden tot de laatste honderd vijftig dagen van onverschuldigde toekenning. In ondergeschikte orde beroept appellant zich op artikel 169 derde lid van het Werkloosheidsbesluit, hetwelk bepaalt: "Wanneer de werkloze die de artikelen 44 of, 48 overtreden heeft, bewijst dat hij alleen arbeid heeft verricht of een zelfstandige heeft geholpen op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes, wordt de terugvordering tot deze dagen of periodes beperkt". Ook voor de toepassing van deze bepaling draagt de werkloze, die zich op voormelde uitzondering wenst te beroepen, de bewijslast. Het bewijs waarvan sprake moet voldoende precies en pertinent zijn (Arbh. Bergen, 6 november 1991, J.T.T. 1992, 381) Het door appellant aangeboden getuigenbewijs van het feit "dat deze activiteiten minstens in de tweede fase niet meer vroegen dan 2 dagen per maand" is echter niet dienstig in het kader van zijn bewijslast dat hij alleen arbeid heeft verricht op bepaalde dagen of gedurende bepaalde periodes zodat het bewijsaanbod verworpen wordt. Aangezien appellant faalt in de op hem rustende bewijslast kan geen toepassing gemaakt worden van het toen van kracht zijnde artikel 169 derde lid van het Werkloosheidsbesluit. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.
  16. Administratieve sancties Bij bestreden administratieve beslissing van 29 november 2001 werd aan appellant, in toepassing van artikel 154, eerste lid, 1° een sanctie van 20 weken opgelegd. De eerste rechter heeft de opgelegde sanctie herleid tot een periode van vier weken. Artikel 154, eerste lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit bepaalt dat de werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen doordat hij vóór de aanvang van een activiteit bedoeld in artikel 45 hiervan geen melding heeft gemaakt op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt, uitgesloten kan worden van de uitkeringen gedurende tenminste 1 week en ten hoogste 26 weken. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat appellant nooit schrappingen heeft aangebracht op zijn stempelkaarten in de periode dat hij het bijberoep van syndicus uitoefende zodat de inbreuk op artikel 71, eerste lid, 4° vaststaat. Rekening houdend enerzijds met de context waarin de feiten gesitueerd kunnen worden - meer bepaald de vaststelling dat er vanuit de Gemeenschap van Eigenaars niemand bereid was om tijdelijk het beheer van het gebouw waar te nemen (zie stuk 10 administratief dossier) en de morele druk van de andere eigenaars tot aanvaarding van de taak van syndicus nadat de vorige syndicus zijn licentie had verloren - en anderzijds dat geen bedrieglijk inzicht kan weerhouden worden is het billijk de opgelegde sanctie van 20 weken te herleiden tot vier weken. Door appellant wordt in graad van hoger beroep geen andere bijzondere omstandigheden aangetoond die van aard zijn om de sanctie te herleiden naar het minimum van 1 week. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. 5.
  17. Rechtsplegingsvergoeding Appellant vordert geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding zoals voorgeschreven in artikel 3, tweede lid van het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en dit zowel voor de procedure voor de arbeidsrechtbank als voor het arbeidshof. Appellant is van oordeel dat hij gerechtigd is op de dubbele rechtsplegings-vergoeding omdat niet enkel het recht op uitkeringen betwist wordt doch ook de hoegrootheid van de terugvordering die thans door geïntimeerde bepaald werd op 17.464,68 euro. Het hof stelt vast dat appellant verhaal aangetekend heeft tegen de administratieve beslissing van 29 november 2001 omvattende een door geïntimeerde opgelegde uitsluiting en terugvordering van het recht op uitkeringen gedurende de periode van 6 juli 1999 tot 30 april 2001 en een opgelegde administratieve sanctie van uitsluiting van het recht op uitkeringen gedurende een periode van 20 weken. Bij een betwisting over een recht op sociale uitkeringen wordt, bij gebreke aan enige waardering van de vordering, een forfaitaire vergoeding in aanmerking genomen. Wanneer de vordering niet enkel een recht, maar tevens de uitkering van een geldsom beoogt, zal het bedrag van de vaste rechtsplegingsvergoeding (artikel 2 koninklijk besluit van 30 november 1970) eveneens berekend worden volgens het toe te kennen bedrag. In casu wordt door appellant enkel een recht op sociale uitkeringen betwist en wordt door geïntimeerde geen enkel bedrag gevorderd. Geïntimeerde heeft immers in de loop van de procedure geen tegeneis ingesteld die ertoe strekt appellant te veroordelen tot betaling van onrechtmatig genoten uitkeringen. Het feit dat in de loop van de administratieve procedure de omvang van het terug te vorderen bedrag door geïntimeerde werd vastgesteld door middel van een formulier C31 - en dat in casu het bedrag van 2.500 euro overschrijdt - doet geen afbreuk aan de vaststelling dat in de gerechtelijke procedure geen enkel bedrag wordt gevorderd. Hoewel geïntimeerde daartoe de mogelijkheid heeft stelt hij geen tegenvordering in tot betaling van het in het formulier C31 bepaalde bedrag. Het voorwerp van huidige betwisting bestaat niet in het bepalen van de juiste omvang van de door appellant onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen maar enkel in het bepalen van de periode waarvoor geïntimeerde gerechtigd is een terugvordering te doen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de door appellant gevorderde dubbele rechtsplegingsvergoeding toe te kennen zodat appellant enkel aanspraak kan maken op de vaste rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 2, 2° en 4° van het koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 23 juni
  18. Appellant werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. Geïntimeerde verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 29 maart 2004 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 342.945). Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van appellant op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en op 57,01 euro uitgavenvergoeding veroekschrift hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave werd ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op tweeëntwintig september tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, G. VANKRUNKELSVEN, raadsheer in sociale zaken als werkgever, A. WOLPUT, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050922.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.