id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051007.4 Rolnummer: 2004-0022 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 03:28 Fiches 1 - 3 Onverschuldigde betaalde kinderbijslag doet een gemeenschappelijke schuld ontstaan in de zin van artikel 1408 B.W. Die gemeenschappelijke schuld kan overeenkomstig artikel 1414 B.W. verhaald worden op het eigen vermogen van de echtgenoten, alsook op het gemeenschappelijk vermogen. Dat één van de echtgenoten het kind niet heeft erkend of geadopteerd of de kinderbijslag niet heeft ontvangen is niet relevant. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK kinderbijslag zelfstandigen - terugvordering - gemeenschappelijke schuld van de echtgenoten. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1408 - 36 ELI link Pub nr 1804032156 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1414 - 36 ELI link Pub nr 1804032156 Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN GEZINSBIJSLAG - band vereist tussen de rechthebbende en de rechtgevende - welke kinderen - kinderbijslag - terugvordering - gemeenschappelijke schuld van de echtgenoten. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 08-04-1976 - 15§1,1° - 01 ELI link Pub nr 1976040801 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1408, onder I B - artikel 1414 en onder VIII C - artikel 15, ,§ 1, 1°. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00010,P.610) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak vijfde kamer kinderbijslag zelfstandige ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040022 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: V.Z.W., Sociaal Verzekeringsfonds, voorheen genaamd de V.Z.W. x, met zetel gevestigd te x, appellante, verschijnend bij mr. loco mr., advocaat te Antwerpen, tegen: R.V., wonende te x, geïntimeerde, verschijnend bij mr., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gehoord de uiteenzetting van de middelen van partijen op de openbare terechtzitting van 3 juni 2005, waarna de debatten werden gesloten. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie gegeven op de openbare terechtzitting van 2 september 2005, waarop partijen niet repliceerden.
- Stukken van de rechtspleging. Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het voor eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis d.d. 16 februari 1998, gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 12 januari 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op dezelfde datum; x de conclusie voor de heer V., neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 augustus
- x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie gelezen ter openbare terechtzitting van 2 september
- Feiten en voorafgaande procedure Het staat als zodanig niet ter betwisting dat de V.Z.W. A.S.K.Z. (thans de V.Z.W. Sociaal Verzekeringsfonds), hierna genoemd, ten onrechte kinderbijslag heeft uitbetaald voor N.C., zijnde de stiefdochter van de heer V.. Uit een door VZW gevoerd onderzoek blijkt inderdaad dat N.C. op 11 november 1988 de school had verlaten, zodat het recht op kinderbijslag verviel op 1 december
- Het staat evenmin ter betwisting dat de kinderbijslag werd uitbetaald aan mevrouw C., de echtgenote van de heer V.. Met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 25 januari 1995, vorderde VZW de veroordeling van de heer V. tot terugbetaling van ten onrechte uitgekeerde kinderbijslagen over de maanden december 1988 en april, mei en juni 1989, ten bedrage van een saldo van 20.932 BEF (518,89 EUR), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Met vonnis van 16 februari 1998 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen verklaarden de eerste rechters de vordering van VZW ontvankelijk maar ongegrond.
- Eisen in hoger beroep. VZW vordert het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en de heer V. te veroordelen tot betaling van de som van 518,89 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. De heer V. vordert het hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en VZW te veroordelen tot de kosten van het geding.
- Ontvankelijkheid. Overeenkomstig het bepaalde van artikel 1051 van het Ger.W. is de termijn om hoger beroep aan te tekenen een maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid. Bedoeld artikel 792 van het Ger.W. bepaalt dat de griffier het vonnis binnen de acht dagen bij gerechtsbrief ter kennis brengt van partijen, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid van het Ger.W. Onderhavige betwisting behoort manifest tot de in artikel 704, eerste lid van het Ger.W. opgesomde aangelegenheden. In het dossier van de rechtspleging voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen is geen spoor te vinden van het feit dat het bestreden vonnis aan partijen werd toegezonden bij gerechtsbrief. Bij gebrek aan kennisgeving bij gerechtsbrief is de termijn voor het instellen van hoger beroep niet ingegaan, zodat het door VZW op 12 januari 2004 ingesteld hoger beroep ontvankelijk dient te worden verklaard.
- Ten gronde. Uit de door de heer V. ingevulde vragenlijst, waarvan de in te vullen gegevens zich uitstrekken over de periode van 1 oktober 1988 tot 30 september 1989 blijkt dat zijn stiefdochter N.C. deel uitmaakt van het gezin V-C. Zoals reeds aangehaald in de feitelijke uiteenzetting staat het als zodanig niet ter discussie dat voormelde partijen gehuwd zijn. Overeenkomstig het bepaalde van artikel 15, ,§ 1, 1° K.B. van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van zelfstandigen doet V. in zijn hoedanigheid van rechthebbende het recht op kinderbijslag ontstaan ten gunste van de kinderen van zijn echtgenote. Artikel 15, ,§ 1,1° van voornoemd K.B. vereist niet dat het kind ( van de echtgenote) deel moet uitmaken van het gezin, een voorwaarde die wel wordt gesteld voor artikel 15, ,§1, 6°, 7° en 8°, maar die evenwel niet van toepassing is op onderhavig geschil. De onverschuldigde betaalde kinderbijslagen werden betaald aan de moeder -bijslagtrekkende, mevrouw C., doch vallen - volgens het wettelijk huwelijksvermogensstelsel, waarvan de toepassing in deze zaak niet betwist wordt - in het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, nu kinderbijslag in essentie bestemd is om de onderhoudskosten van het kind te helpen dragen. Dergelijke onderhoudsuitkeringen behoren niet tot het eigen vermogen van een der echtgenoten, maar zijn te aanzien als inkomsten van het gemeenschappelijk vermogen in de zin van artikel 1405 van het B.W. Zo worden zij aanzien als een aanvulling van het beroepsinkomen, zoals bepaald onder punt 1 van artikel 1405 van het B.W. (cfr. H. CASMAN en M. VAN LOOCK in Huwelijksvermogensrecht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, losbl., III.4.-4 en 5). Nu het niet ter betwisting staat dat de kinderbijslag in deze onverschuldigd werd uitbetaald, is de terugbetaling ervan te aanzien als een gemeenschappelijke schuld in de zin van artikel 1408 van het B.W. Een dergelijke gemeenschappelijke schuld kan verhaald worden op het eigen vermogen van elk der echtgenoten, alsook op het gemeenschappelijk vermogen ( cfr. artikel 1414 van het B.W.). Aldus staat niets eraan in de weg dat VZW haar vordering in terugbetaling van de onverschuldigde kinderbijslagen instelt tegen de heer V.. Op grond van bovenstaande overwegingen is de omstandigheid dat V. zijn stiefdochter niet heeft erkend of heeft geadopteerd zonder enige relevantie voor de beoordeling van dit geschil, net zoals de argumentatie dat de echtgenoot van V. de kinderbijslag heeft ontvangen. Ook de feitelijke bewering van de heer V. - in zoverre bewezen - dat mevrouw C. in kwestieuze periode een afzonderlijk verblijf had, is irrelevant, vermits niet wordt aangetoond dat partijen op het ogenblik van de feiten uit de echt gescheiden waren. Het hoger beroep van VZW is derhalve gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer x, Advocaat-generaal, in zijn schriftelijk advies gelezen ter openbare terechtzitting d.d. 2 september 2005, waarop partijen niet repliceerden. Rechtsprekend op tegenspraak en na beraadslaging. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van 16 februari 1998 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, behalve in zoverre het de vordering van VZW ontvankelijk verklaarde en uitspraak deed over de kosten en hervormend: Veroordeelt de heer V. tot betaling van 518,89 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 25 januari
- Verwijst V.Z.W. in de kosten van het hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van V.Z.W. VZW op nihil en aan de zijde van R.V. op 95,19 EUR, rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zeven oktober tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: Raadsheer, voorzitter van de kamer, Raadsheer, Raadsheer in sociale zaken, als zelfstandige, adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051007.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div