← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051025.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051025.6 Rolnummer: 2004-0028 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-07-01 15:52 Fiche In toepassing van de wet van 26 juni 2002 kunnen in principe de intresten op het bruto-bedrag van het loon worden toegerekend, in zoverre het recht op betaling van dit loon is ontstaan vanaf 1 juli

  1. Op loon waarvan het recht op betaling voor 1 juli 2005 is ontstaan, zijn enkel intresten toerekenbaar op het netto-bedrag van dit loon. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . BESCHERMING VAN HET LOON Wettelijke intresten - arbeidsovereenkomsten - loon - intresten Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 10 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Annotaties Publicaties: LIMBURGS RECHTSLEVEN - - 2006(P.49-53) Tekst van de beslissing Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2040028 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIJF. In de zaak: NV M., Met zetel te x appellante, verschijnend bij mr. M. loco mr. D., advocaat te Tongeren; tegen : R. B., Wonende te x geïntimeerde, verschijnend bij mr. G. M., advocaat te Tongeren. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 20 september
  2. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 maart 2004, 14 februari 2005 en 19 april 2005, 14 juni 2005 en 20 september
  3. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 4 december 2003 en waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 28 januari 2004; - de conclusies van geïntimeerde, inhoudende incidenteel beroep, ontvangen ter griffie op 13 april 2004; - de beschikking dd. 8 november 2004 overeenkomstig artikel 747 ,§2 Ger. W.; - de conclusies van appellante ontvangen ter griffie op 8 november 2004; - de samenvattende conclusies van geïntimeerde, inhoudende incidenteel beroep, ontvangen ter griffie op 5 januari
  4. II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL BEROEP Met een verzoekschrift, op 28 januari 2004 ontvangen ter griffie van dit Hof, tekende appellante hoger beroep aan tegen een vonnis (A.R. 1582/2002) van 4 december 2003 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. Het incidenteel beroep, ingesteld bij beroepsbesluiten, is eveneens ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  5. De heer R. B., huidige geïntimeerde, trad met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur op 16 januari 2001 als bediende in dienst van de NV M., huidige appellante. Op 20 juli 2001 diende geïntimeerde een aanvraag tot loopbaanonderbreking in, aanvraag welke echter geweigerd werd door appellante. Geïntimeerde meldde zich daarop arbeidsongeschikt via de toezending aan appellante van een doktersattest van de hand van dr. D., waarop een afwezigheid wegens ziekte geattesteerd werd van 13 augustus 2001 tot en met 25 augustus
  6. Appellante liet een controle-onderzoek uitvoeren door een controlegeneesheer (van GECOLI Hasselt). Nadat een controlegeneesheer een vruchteloos huisbezoek aflegde bij geïntimeerde op 17 augustus 2001 (geïntimeerde was blijkbaar niet thuis), gaf geïntimeerde gevolg aan de oproep van de controle-arts om zich op 20 augustus 2001 op een geneeskundige controle te Hasselt aan te bieden. Na onderzoek meldde GECOLI Hasselt, onder de aanduiding "Melding resultaten van controles uitgevoerd op 20/08/01", het navolgende aan appellante (stuk 3 appellante): "B. R. -/- Heeft zich gemeld op consultatie in centrum te Hasselt. Overlegprocedure ingezet, arbeidsgeschikt vanaf 21/08/01." Op 20 augustus 2001 (om 17h39') verzond de huisarts van geïntimeerde, dr. D., een fax-bericht aan appellante, waarbij de huisarts, verwijzend naar het gegeven dat de controlegeneesheer van GECOLI geïntimeerde werkbekwaam had bevonden vanaf 21 augustus maar dat hij geen kennis zou hebben gehad van alle medische antecedenten van geïntimeerde. Dr. D. stelde voorts, onder verwijzing naar soortgelijke vaststellingen door neuroloog dr. V. D., dat geïntimeerde verder werkonbekwaam was "tot einde deze week en verdere onderzoeken ter plaatse" (stuk 5 appellante). In het door appellante bijgebrachte dossier van overtuigingsstukken bevindt zich een bericht van GECOLI, gericht aan appellante, onder de aanduiding: "Melding resultaten van controles uitgevoerd op 21/08/01", luidend als volgt (stuk 4 appellante): "B. R. -/- Geen controle, enkel informatie: Na contact behandelende arts, arbeidsgeschikt vanaf 21/08/
  7. na tel contact dr d. met dr v. d. dd 210801 blijft de beslissing hervatten op
  8. Er wordt niet overgegaan tot arbitrage." Op 21 augustus 2001, bij de postdiensten voor ontvangst afgestempeld om 18 uur (datumstempel aangebracht op het afgiftebewijs), verzond appellante navolgende aangetekende brief aan geïntimeerde (stuk 6 appellante): "Beste R., Na onderzoek door Gecoli dien je het werk binnen m. l., Dorpsstraat 25, 3665 As, te hervatten op 21 augustus
  9. Wij stellen vast dat je dd. 21 augustus onwettig afwezig bent en spoedig werk dient te hervatten. Onze arbeidsreglement inzake onwettige afwezigheid wordt bijgevolg uitgevoerd. Met vriendelijk groet (-/- getekend)". Geïntimeerde reageerde klaarblijkelijk niet. Met een aangetekende brief van 24 augustus 2001 ging appellante over tot het ontslag om dringende reden van geïntimeerde. In de ontslagbrief werd verwezen naar het feit dat geïntimeerde werd aangemaand om het werk op 21 augustus 2001 te hervatten, zonder dat hieraan gevolg werd verleend en zonder dat aan appellante een melding van een nieuwe arbeidsongeschiktheid werd verstuurd, zodat geïntimeerde - althans zo verwoordt appellante het in de ontslagbrief - sedert 21 augustus 2001 onwettig afwezig was.
  10. Middels een dagvaarding van 25 juli 2002 startte geïntimeerde een procedure tegen appellante bij de Arbeidsrechtbank van Tongeren, erop gericht: - de ingestelde vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren: - appellante te horen veroordelen tot de betaling aan geïntimeerde van de som van 8.225,10 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 augustus 2001 en de gerechtelijke intresten tot volledige voldoening; - appellante tevens te horen veroordelen tot de kosten van het geding. Bij vonnis van 4 december 2003 van de Arbeidsrechtbank van Tongeren werd: - de vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard; - appellante veroordeeld in betaling van: - een opzeggingsvergoeding t.b.v. 6.902,74 EUR, meer de vergoedende intrest vanaf 24 augustus 2001; - een eindejaarspremie pro rata berekend op een tewerkstelling van 7 maanden en 1 week, meer de vergoedende intrest vanaf 24 augustus 2001; - appellante veroordeeld tot betaling van de gerechtelijke intrest vanaf datum van dagvaarding op 25 juli 2002 tot datum van betaling. De intresten dienen berekend op het netto-opeisbare deel van voormelde brutobedragen; - appellante veroordeeld tot de gerechtskosten.
  11. Tegen dit vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren stelde appellante hoger beroep in bij dit Hof. IV. EISEN IN HOGER BEROEP
  12. Appellante vordert om: In hoofdorde: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; In ondergeschikte orde: - de persoonlijke verschijning als getuige te bevelen van dr. Van Deun, teneinde van hem te vernemen of hij al dan niet met dr. Dunon besloot tot arbeidsgeschiktheid van geïntimeerde met ingang van 21 augustus 2001; Meer ondergeschikt: - de bedragen te herleiden; - het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - geïntimeerde tot de gerechtskosten te veroordelen.
  13. Geïntimeerde vordert om: - het ingesteld beroep onontvankelijk en ongegrond te verklaren en de veroordelingen in het bestreden vonnis op de hoofdvordering te bevestigen en te zeggen dat er geen ontslag om dringende redenen gegrond is noch bewezen wordt door de werkgever; - akte te verlenen aan de bij deze besluiten ingesteld beperkt incidenteel beroep - op tegeneis - te zeggen voor recht dat de vergoedende, de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf 24 augustus 2001 zullen gerekend worden op de brutobedragen i.p.v. op het netto-opeisbare deel en dit tot volledige voldoening; - akte te verlenen aan geïntimeerde dat hij aanbiedt te bewijzen met alle middelen van recht, vermoedens en getuigen inbegrepen dat hij als bediende van universitair niveau en belast met de boekhouding, bureelwerk, en hoofdzakelijk computerwerk vanaf 21 december 2003 verder dan 66% arbeidsongeschikt was voor de uitvoering van zijn werk; - appellante aanvullend te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. V. BEOORDELING V.a. Evaluatie van de dringende reden voor ontslag
  14. Ter discussie staat of appellant al dan niet terecht is overgegaan tot het ontslag om dringende reden van geïntimeerde, conform hetgeen daarmee bedoeld wordt in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli
  15. Als zodanig staat het niet ter discussie dat het ontslag formeel geldig werd gegeven, m.a.w. dat de wijze waarop het werd gegeven aan de wettelijk bepaalde vormvereisten en tijdigheidsvereisten voldeed. Tussen partijen bestaat er wel discussie over de (inhoudelijke) 'rechtmatigheid' van het gegeven ontslag. Specifiek bestaat er betwisting over het aspect of er te dezen wel sprake was van tekortkoming, die van zodanig zwaarwichtige aard was dat erdoor onmiddellijk en definitief een einde vermocht te worden gesteld aan de tussen partijen bestaande professionele samenwerking. Appellante roept desbetreffend in dat er wel degelijk sprake was van een dergelijke aan geïntimeerde verwijtbare tekortkoming doordat geïntimeerde zonder verwittiging en/of rechtvaardiging op het werk afwezig bleef op 21 augustus 2001 en de daarop volgende dagen. Geïntimeerde van zijn kant houdt voor dat zijn afwezigheid gewettigd was, aangezien zijn behandelende geneesheer in die zin een tijdig bericht had verstuurd aan appellante.
  16. Dat geïntimeerde, ondanks de op 21 augustus 2001 aangetekend verstuurde aanmaning van appellante op het werk afwezig bleef de gedurende de daaropvolgende dag(en), is duidelijk en staat vast. Of het daarbij dan ging om een "onwettige (ongewettigde)" of ongerechtvaardigde afwezigheid van geïntimeerde is echter al veel minder duidelijk. Uit het geheel der beschikbare feitelijke elementen, waarvoor het kan volstaan met te verwijzen naar de hogervermelde weergave (zie hoger, punt III.1.), weerhoudt het Hof dat er op 21 augustus 2001 twijfel en onzekerheid bestond over het feit of geïntimeerde al dan niet arbeids(on)geschikt was. Enerzijds liet de door de werkgever (appellante) aangestelde controlegeneesheer (dr. D.), verwijzend naar een telefonische contactname met de neuroloog die geïntimeerde had onderzocht (dr. V. D.), op 20 en 21 augustus 2001 aan de werkgever weten dat geïntimeerde vanaf 21 augustus 2001 arbeidsgeschikt was. Anderzijds was er het door de behandelende geneesheer van geïntimeerde, dr. D., opgestelde medisch attest waarbij een arbeidsongeschiktheid geattesteerd werd tot en met 25 augustus 2001, en daaropvolgend, na het door de controlegeneesheer bij geïntimeerde uitgevoerde onderzoek, zijn aan de werkgever gericht schrijven (van 20 augustus 2001 's avonds) waarbij hij, eveneens verwijzend naar dr. V. D., stelde dat geïntimeerde tot het einde van de week - daarmee refererend aan de datum van 25 augustus 2001 - werkonbekwaam was. Wat er in dergelijke dubbelzinnige situatie dient te gebeuren om uit te maken of er al dan niet sprake is van een werkonbekwaamheid van de werknemer en/of de werknemer in geval van afwezigheid al dan niet recht heeft op een gewaarborgd loon, en of het initiatiefrecht voor de organisatie van een eventuele scheidsrechtelijke procedure bij de ene partij dan wel bij de andere berust, is in de gegeven omstandigheden niet decisief of bepalend voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag om dringende reden. In de hypothese dat het initiatiefrecht voor de organisatie van een arbitrage hier al bij geïntimeerde zou hebben berust (hetgeen niet vaststaat), dan nog neemt dit niet weg dat appellante als werkgever op 21 augustus 2001 toch duidelijk kennis had van de discussie en bestaande twijfel over de werkbekwaamheid/werkonbekwaamheid van geïntimeerde en van de daaromtrent tussen de betrokken artsen bestaande verschillende zienswijzen. Door in die omstandigheden toch na enkele dagen zonder meer over te gaan tot het ontslag om dringende reden van geïntimeerde, is - en steeds in de veronderstelling dat er sprake was van een aan geïntimeerde verwijtbare tekortkoming - de door appellante aan de dag gelegde handelwijze niet in proportie met de mogelijke nalatigheid van geïntimeerde. De toegepaste sanctie staat hier op geen enkele wijze in verhouding met de aan geïntimeerde toegeschreven tekortkoming; de aan geïntimeerde verweten tekortkoming was hier in de gegeven omstandigheden onvoldoende zwaarwichtig en volstond niet om het ontslag om dringende reden te kunnen rechtvaardigen. Hetgeen dus impliceert dat het ontslag om dringende reden niet rechtmatig gegeven werd.
  17. De andersluidende argumentatie van appellante faalt en wordt door het Hof verworpen. Niet dienend bij deze beoordeling is de discussie die er nadien aan de hand van posterieur opgestelde stukken kennelijk gevoerd werd over hetgeen aan de controlearts door de behandelende geneesheren van geïntimeerde wel of niet zou zijn gezegd, of waarover tussen hen wel of niet een akkoord zou zijn bereikt. Dit is een na de feiten te situeren en veeleer door de betrokken geneesheren gevoerde discussie die hier als zodanig de grond van de zaak, bestaande in het gegeven dat appellante op het ogenblik van de afwezigheid van geïntimeerde en op het ogenblik van het ontslag wist dat er nog onduidelijkheid bestond over de vraag of geïntimeerde al dan niet arbeidsongeschikt was, niet raakt en die als zodanig de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de aangevoerde dringende reden niet wezenlijk beïnvloed. De door appellante voorgestelde onderzoeksmaatregel, bestaande in een persoonlijke verschijning van dr. V. D., komt het Hof derhalve niet nuttig of dienstig voor, en het Hof gaat er bijgevolg niet op in.
  18. Het feit dat in de tussen partijen afgesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst bepaald stond dat elke niet gerechtvaardigde afwezigheid gedurende 3 opeenvolgende werkdagen beschouwd kon worden als een dringende reden voor ontslag, doet evenmin afbreuk aan de voorgaande beoordeling door het Hof. De beoordeling van de ernst van de feiten wordt namelijk niet aan het oordeel van de rechter onttrokken door de vermelding of opsomming ervan in de arbeidsovereenkomst (vgl. Cass. 4 november 1960, T.S.R. 1962, 134; Cass. 22 september 1961, T.S.R. 1962, 102; Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 10 mei 2005, A.R. nr. 2040197, J. t/ T.B.S.O.L.O.B. NV, onuitgegeven). Te dezen is het Hof, zoals hoger reeds gezegd, van oordeel dat de feiten onvoldoende ernstig zijn om als dringende reden voor ontslag te kunnen worden bestempeld.
  19. En het door appellante aangevoerde feit dat geïntimeerde op 25 augustus 2001 mogelijk aanwezig was bij de openingsreceptie van een door hem samen met een vriend uitgebaat café, is te dezen evenmin dienend. Het betreft hier een posterieur feit dat niet in de ontslagbrief als ontslagreden werd vermeld (en derhalve op zich buiten beschouwing moet worden gelaten), en dat zich bovendien situeert na het op 24 augustus 2001 door appellante gegeven ontslag, zijnde dus een feit dat niet van aard is om retroactief de reden voor ontslag nog te kunnen beïnvloeden. Uit de aanwezigheid van geïntimeerde op zaterdag 25 augustus 2001 's avonds - zijnde op een tijdstip buiten de gebruikelijke arbeidsuren - kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat geïntimeerde zich in de voorafgaande dagen ziek gemeld heeft om zich bezig te houden met de opening van genoemde drankgelegenheid. Dergelijke suggestieve doch niet bewezen argumentatie van appellante faalt en is hier niet terzake dienend.
  20. Rest er nog op te merken dat het Hof niet ingaat op het in ondergeschikte orde door geïntimeerde geformuleerde (getuigen)bewijsaanbod. In toepassing van artikel 35, laatste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet ligt de bewijslast namelijk volledig bij degene die de dringende reden inroept, hier appellante. Krachtens artikel 1352, lid 1 B.W. is ingevolge dit wettelijk vermoeden degene in wiens voordeel het bestaat, hier geïntimeerde, ontslagen van ieder bewijs (vgl. Cass. 17 november 1997, AR S960129N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971117.6, www.juridat.be). Het Hof gaat bijgevolg niet in op het door geïntimeerde geformuleerde bewijsaanbod aangezien deze hier de bewijslast niet draagt, en temeer nu het (eventuele resultaat van-) bedoeld bewijsaanbod niet van aard is om enig dienend gegeven te verstrekken dat van aard zou zijn om enige wijziging te brengen in de door het Hof hoger reeds toegepaste beoordeling. V.b. Vergoedingsregeling
  21. Gelet op het onrechtmatig en zonder naleving van een opzeggingstermijn gegeven ontslag kon/kan geïntimeerde lastens zijn ex-werkgever aanspraak maken op een compenserende beëindigingsvergoeding (opzeggingsvergoeding). De door geïntimeerde toegepaste begroting van de opzeggingsvergoeding op 6.902,74 EUR komt het Hof correct (in overeenstemming met de wettelijke norm en met de beschikbare loongegevens) voor en werd overigens op cijfermatig vlak door appellante niet betwist. De door geïntimeerde toegepaste begroting van de opzeggingsvergoeding wordt derhalve aanvaard. Het vonnis a quo wordt m.b.t. dit aspect door het Hof bevestigd.
  22. Appellante betwist dat geïntimeerde gerechtigd is op een eindejaarspremie maar wordt in dit standpunt door het Hof niet gevolgd. Gelet op het feit dat appellante onder het P.C. nr. 218 ressorteerde (cf. het C4-document, stuk 2 geïntimeerde), zijn inzake eindejaarspremie de conventionele bepalingen van toepassing van de binnen het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de Bedienden (P.C. nr. 218) vigerende C.A.O. van 29 mei 1989 betreffende de loonen arbeidsvoorwaarden (K.B. van 6 augustus 1990, B.S. 31 augustus 1990). Nu er sprake was van een onrechtmatig om dringende reden gegeven ontslag en nu geïntimeerde op het ogenblik van het ontslag een anciënniteit van minstens 6 maanden had bij appellante, heeft hij in toepassing van artikel 5, lid 5 van genoemde C.A.O. recht op een eindejaarspremie naar rato van de prestaties van het jaar 2001, zelfs nu geïntimeerde (zoals in casu) de onderneming verlaten heeft vóór de normale uitbetalingsdatum van de premie. Het andersluidende standpunt van appellante faalt. Het vonnis a quo, dat voorzag in de toekenning van een geproratiseerde eindejaarspremie aan geïntimeerde voor het jaar 2001, verdient ook op dit vlak te worden bevestigd. V.c. Incidenteel beroep. De intresten
  23. In het vonnis a quo werd appellante eveneens veroordeeld tot de betaling aan geïntimeerde van de vergoedende intrest vanaf 24 augustus 2001, evenals de gerechtelijke intrest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van betaling, deze intresten te berekenen op het netto-opeisbare deel van de brutobedragen tot betaling waarvan appellante veroordeeld was. Bij wijze van incidenteel beroep postuleert geïntimeerde thans om voor recht te horen zeggen dat "de vergoedende, de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf 24 augustus 2001 zullen gerekend worden op de brutobedragen i.p.v. op het netto-opeisbare deel en dit tot volledige voldoening".
  24. Geïntimeerde maakt bij de formulering van deze eis melding van een 'tegenvordering'. Het Hof merkt op dat het hier echter geen 'tegenvordering' betreft, maar wel een uitbreiding van de oorspronkelijke bij de Arbeidsrechtbank ingestelde vordering van geïntimeerde. Dit terzijde.
  25. Deze vordering van geïntimeerde schijnt gesteund te zijn - althans zo blijkt uit de door geïntimeerde in samenvattende beroepsbesluiten weergegeven motivering - op "een evolutie in de rechtspraak", met een verwijzing naar een uitspraak door het Arbeidshof van Gent van 9 februari
  26. Dergelijke uitspraak van het Arbeidshof van Gent kan volgens het Hof bezwaarlijk worden onderkend als een "evolutie in de rechtspraak", van zodanige aard dat dit Hof zich erdoor gebonden zou weten. Het Hof verwijst hier op dienende wijze naar gevestigde cassatierechtspraak, en het treedt deze rechtspraak bij, waarbij geoordeeld werd dat onder het begrip loon, waarop van rechtswege intrest verschuldigd is vanaf de eisbaarheid ervan, enkel begrepen wordt het loon waarop de werknemer aanspraak kan maken ten aanzien van de werkgever, zijnde dus het nettoloon. Behoudens tegenstrijdig beding heeft de werknemer niet het recht om het bedrag van de bedrijfsvoorheffing of van zijn sociale zekerheidsbijdrage op te eisen, zodat op deze beide bedragen geen intrest verschuldigd is aan de werknemer (cf. Cass. 10 maart 1986, Soc. Kron. 1986, 101; Cass. 17 november 1986, Soc. Kron. 1987, 91; Cass. 16 maart 1987, R.W. 1987-88, 327; Cass. 8 november 1993, J.T.T. 1994, 143).
  27. Het Hof vestigt de aandacht op het feit dat door artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (B.S. 9 augustus 2002) bepaald wordt dat het loon van de Loonbeschermingswet waarop van rechtswege rente verschuldigd is, het loon betreft vooraleer er de fiscale bedrijfsvoorheffing en de sociale zekerheidsbijdrage (werknemer-) op wordt ingehouden. Deze wetswijziging komt erop neer dat in principe de intresten op het brutobedrag van het loon zouden moeten worden toegerekend. Uit de overgangs- en slotbepalingen van deze wet van 26 juni 2002 blijkt evenwel dat de wetgever het aan de Koning heeft overgelaten om te bepalen wanneer dit artikel 82 in werking treedt. Dit is dan gebeurd bij K.B. van 3 juli 2005 ('betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen' - B.S. van 12 juli 2005). In dit K.B. werd bepaald dat artikelen 81 en 82 van genoemde wet in werking treden op 1 juli 2005 (artikel 1 K.B.), met die specificatie dat in artikel 2 van het K.B. bepaald wordt dat artikel 1 van toepassing is: "op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005". Toegepast op de gegevens van onderhavige casus leidt dit tot de conclusie dat er hier, rekening houdende met de ondertussen gewijzigde wettelijke bepalingen, evenmin intresten op het brutoloon verschuldigd zijn, aangezien het in onderhavige zaak enkel gaat om "loon" waarvan het recht op betaling duidelijk is ontstaan voorafgaand aan de toepasselijke datum van inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke bepalingen, 1 juli
  28. Er zijn geen valabele redenen te onderkennen op grond waarvan in onderhavige zaak een retroactieve toepassing van de wet van 26 juni 2002 moet overwogen worden. Ook rekening houdend met de nieuwe wettelijke bepalingen zijn in onderhavige zaak enkel intresten toerekenbaar op het nettobedrag van het "loon" (de weerhouden vergoedingen).
  29. De eisuitbreiding en het incidenteel beroep van geïntimeerde is bijgevolg ongegrond. Het Hof merkt wel op dat de van rechtswege toekenbare intresten op de weerhouden bedragen als zodanig het karakter hebben van verwijlintresten, in plaats van vergoedende intresten, en dat er zich op dit vlak een hervorming van het vonnis a quo opdringt. -oOo- In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds in aanmerking genomen en beantwoord werden, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het Hof toegepaste beoordeling; het Hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing. -oOo- O P D I E G R O N D E N, Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede Kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt, zij het gesteund op andere overwegingen, het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 4 december 2003, met die correctie dat de vanaf 24 augustus 2001 toekenbare intresten niet het karakter hebben van vergoedende intresten, maar wel van verwijlintresten. Verwijst appellante overeenkomstig de bepalingen van artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek in de gerechtskosten van de beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van appellante op 279,82 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 279,82 EUR rechtsplegings-vergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in de buitengewone openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051025.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971117.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.