← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051104.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051104.10 Rolnummer: 2004-0163 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-02-13 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 03:32 Fiches 1 - 2 Artikel 14 bis, tweede lid van de Europese Verordening 1408/71 bepaalt dat op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van de lidstaat van toepassing is op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die lidstaat uitoefent. Met woonplaats bedoelt voornoemde bepaling niet de plaats waar de zelfstandige officieel is ingeschreven, maar wel de plaats die ononderbroken zijn normale verblijfplaats is geweest, waar hij het permanente centrum van zijn belangen had. Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT toepassingsgebied - zelfstandigen - werkzaamheden in meerdere lidstaten - toepassing Europese wetgeving - begrip woonplaats. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Koninklijk Besluit - 19-12-1967 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1967121910 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP . SOCIALE-ZEKERHEIDSREGELING - VERORD 1408/71 - 2864 werkzaamheden in meerdere lidstaten - toepassing Europese wetgeving - begrip woonplaats. Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 14-06-1971 - 14bis,2delid - 01 Link Justel databank 19710614-01 Nota: Gerangschikt onder VIII A - artikel 3 en onder IX D 3 - artikel 14bis, 2de lid. Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak (heropening der debatten op 3 februari 2006 om 9.30 uur) vijfde kamer bijdragen zelfstandige ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040163 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF VZW, x, met maatschappelijke zetel gevestigd te x, met ondernemingsnummer x, appellante, vertegenwoordigd door mr. x, advocaat te x, tegen : J.L., in eigen naam en in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de BVBA x, wonende te x geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. x, advocaat te x. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 2 september

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 april 2004, 4 februari 2005, 2 september 2005 en 7 oktober
  2. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 4 november 2002 op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen waarbij de debatten werden heropend,waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het eensluidend verklaard afschrift van het op 30 juni 2003 op tegenspraak gewezen eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift tot hoger beroep, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit Hof op 1 maart 2004; x het incidenteel beroep van geïntimeerden, ingesteld bij conclusie van 21 december 2004; x de beschikking d.d. 22 maart 2005 overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek; x de conclusies voor de VZW ontvangen ter griffie van dit hof op 14 april 2005; x de aanvullende conclusie voor J.L. en de BVBA MKT project management ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 mei 2005; x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie gelezen ter zitting van 7 oktober 2005; x de repliek van dhr. L. ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 oktober 2005; x de repliek van VZW ontvangen ter griffie van dit Hof op 20 oktober
  3. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 29 juni 2000,vorderde de VZW I., hierna de VZW genoemd, de solidaire veroordeling van L. en de BVBA, hierna de BVBA genoemd, tot betaling van 40.119,93 EUR achterstallige regularisatiebijdragen en aanhorigheden voor de vier kwartalen van de jaren 1993,1994,1996 en 1997 en sociale zekerheidsbijdragen voor het 4e kwartaal 1998, het 1e, 2e en 4e kwartaal 1999, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest en de gedingkosten. Bij vonnis van 4 november 2002 werd de vordering ontvankelijk verklaard en werd, alvorens ten gronde te beslissen, de heropening van de debatten bevolen teneinde L. toe te laten bijkomende bewijsstukken voor te leggen waaruit zou blijken dat hij in 1993, 1994 en 1996 zijn zelfstandige beroepsactiviteit enkel in het buitenland heeft uitgeoefend. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 9 mei 2003 stelden L. en de BVBA een tegenvordering in, die ertoe strekte te zeggen voor recht dat de door de VZW gedane toerekening van de verrichte betalingen voor latere kwartalen op de thans afgewezen bijdragen voor 1993, 1994, 1996 en 1997 ongedaan moet worden gemaakt en de VZW te bevelen deze betalingen toe te rekenen op de kwartalen waarvoor zij waren verricht. Bij bestreden eindvonnis van 30 juni 2003 werd de hoofdvordering gedeeltelijk gegrond verklaard, L. en de BVBA werden solidair veroordeeld tot betaling van 10.116,53 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest en tevens tot de gedingkosten. De tegenvordering werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de VZW strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, L. en de BVBA solidair te veroordelen tot betaling van 40.119,93 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest en de gerechtskosten van beide aanleggen en voor het overige het vonnis van 30 juni 2003 te bevestigen in zoverre het de oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk doch ongegrond heeft verklaard. Bij conclusie van 21 december 2004 verklaarden dhr. L en de BVBA incidenteel beroep in te stellen dat ertoe strekt de vordering van de VZW volledig ongegrond te horen verklaren en de VZW te bevelen een accurate afrekening op te stellen, gelet op het feit dat de toerekening van de reeds verrichte betalingen voor latere kwartalen(van 1999 en later) steeds op de thans af te wijzen bijdragen voor 1993,1994,1996 en 1997 berekend zijn geweest zodat appellanten de mogelijkheid wordt geboden tot nazicht van deze herberekening. In conclusie neergelegd ter griffie op 19 mei 2005 verklaart L. dat hij na de sluiting van de vereffening van de BVBA in alle rechten en verplichtingen is getreden van de BVBA. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld zodat zij ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  4. De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke elementen verstrekt door partijen in conclusies aanvaardt het Hof de volgende feiten als bewezen: L. leverde van 1985 tot 1990 arbeidsprestaties in Koeweit, in het kader van een arbeidsovereenkomst. Met het oog op het verkrijgen van een visum en een werkvergunning liet hij zich domiciliëren op het adres van de Belgische ambassade te Koeweit. Het staat niet ter discussie dat hij nooit effectief zijn verblijfplaats heeft gehad op het adres waar hij officieel was ingeschreven in Koeweit. Na het uitbreken van de Golfoorlog verliet L. Koeweit. Hij bleef evenwel officieel gedomicilieerd op het adres van de Belgische ambassade te Koeweit. Bij akte verleden op 18 juli 1991 werd overgegaan tot de oprichting van de BVBA. De oprichtingsakte vermeldt als oprichters L. en B. Volgens diezelfde akte is L. tevens meerderheidsaandeelhouder (hij bezit 99 van de 100 aandelen). Tijdens de buitengewone algemene vergadering, die onmiddellijk aansluitend op de oprichting werd gehouden, werd L. aangesteld als zaakvoerder. Tevens werd beslist dat dit mandaat bezoldigd was, "te be(p)alen door de jaarvergadering". Tijdens de algemene jaarlijkse vergaderingen van de BVBA van 25 juni 1994 en 25 juni 1995 werd beslist geen bezoldiging toe te kennen aan L. voor de uitoefening van zijn mandaat als zaakvoerder. Met een aansluitingsverklaring van 27 september 1991 sloot L. zich aan bij de VZW, waarbij hij vermeldde sedert 18 juli 1991 het zelfstandig beroep van zaakvoerder van de BVBA uit te oefenen. Hij betaalde vervolgens tijdens de jaren 1992-1997 elk kwartaal de minimum bijdragen verschuldigd in het kader van het K.B. nr.
  5. Als werkend vennoot van de BVBA was L. actief in Frankrijk tijdens de jaren 1993, 1994 en
  6. Tijdens deze periode huurde L. een appartement in Frankrijk. De inkomsten die L. tijdens de jaren 1993 en 1994 vanwege de BVBA ontving werden door de Belgische fiscus aanvaard als bezoldigingen als werkend vennoot en belast als in het buitenland behaalde en belaste inkomsten overeenkomstig artikel 156,2° WIB
  7. Het fiscaal bestuur nam deze beslissing onder meer op grond van de overweging dat L., niettegenstaande zijn domiciliëring in Koeweit, zijn feitelijke woonplaats in België had en bijgevolg als rijksinwoner moest worden beschouwd. In de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 16 oktober 2001 werden de beslissingen gepubliceerd tot ontbinding, invereffeningstelling, benoeming van een vereffenaar (L.) en de sluiting van de vereffening van de BVBA (stuk 12 dossier VZW).
  8. De beoordeling 2.
  9. Regularisatiebijdragen 1993 en 1994 Voor de jaren 1993 en 1994 vordert de VZW betaling van regularisatiebijdragen op basis van de voor die jaren door de fiscus weerhouden inkomsten, die L. heeft genoten als werkend vennoot van de BVBA. L. betwist zijn onderwerping aan het K.B. nr. 38 voor de betrokken jaren op grond van de overweging dat hij tijdens die jaren geen beroepsbezigheid als zelfstandige heeft uitgeoefend in België. Hij verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 3, ,§1, eerste lid van het K.B. nr. 38 waarvan de inhoud luidt als volgt: "Onder zelfstandigen in de zin van dit besluit dient daarbij te worden verstaan: ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of een statuut is verbonden". Zoals terecht werd opgemerkt door de VZW dient de mogelijke onderwerping van L. aan het Belgische sociale zekerheidsstelsel eveneens te worden onderzocht in het licht van de Verordening (EG) 1408/71, regelgeving die uiteraard primeert boven de nationale Belgische regelgeving. Bedoelde verordening is luidens haar artikel 2, 1° van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van één of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van één der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van één der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen. Artikel 13, tweede lid, b van de verordening (EG) 1408/71 bepaalt, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot 17 als algemene regel dat op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont. Artikel 14 bis, tweede lid van de verordening (EG) 1408/71 bevat een uitzondering op voornoemde algemene regel en bepaalt dat op degene die gewoonlijk op het grondgebied van twee of meer Lid-Staten werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent, de wetgeving van de Lid-Staat van toepassing is op het grondgebied waarvan hij woont, indien hij een deel van zijn werkzaamheden op het grondgebied van die Lid-Staat uitoefent. De VZW besluit dat L. tijdens de jaren 1992 en 1993 gelijktijdig werkzaamheden anders dan in loondienst heeft uitgeoefend in België en in Frankrijk én dat hij tijdens die jaren in België woonde in de zin van de Verordening (EG) 1408/71, zodat hij voor beide werkzaamheden onderworpen is aan de Belgische wetgeving, inzonderheid het K.B. nr.
  10. Geconfronteerd met deze argumentatie betwist L. dat hij onder het personele toepassingsgebied van de Verordening 1408/71 ressorteerde, dat hij in 1993 en 1994 een werkzaamheid anders dan in loondienst heeft uitgeoefend in België én dat hij tijdens die jaren zijn woonplaats had in België. Alleen al de vaststelling dat L. de Belgische nationaliteit bezit en zijn aansluiting en onderwerping aan het sociaal statuut van de zelfstandigen alleszins tijdens het jaar 1992 niet ter discussie staat volstaat om te besluiten dat L. ressorteert onder het personeel toepassingsgebied van de Verordening (EG) 1408/
  11. Bovendien heeft L. in 1993 en 1994 een activiteit anders dan in loondienst uitgeoefend in Frankrijk waardoor hij in beginsel onderworpen was aan het Franse sociale zekerheidsstelsel voor zelfstandigen. Immers, zoals terecht werd onderlijnd door de VZW moet het begrip "werkzaamheden anders dan in loondienst" worden ingevuld volgens de socialezekerheidswetgeving van de Lid-Staat op wiens grondgebied de beroepsactiviteiten effectief werden uitgeoefend. Uit de neergelegde stukken en de door beide partijen verstrekte feitelijke gegevens blijkt overduidelijk dat L. in 1993 en 1994 werkzaamheden anders dan in loondienst heeft verricht naar Frans recht. Dit werd ten andere met zoveel woorden bevestigd door het verbindingsorgaan C. Dat L. - mogelijk ten onrechte - niet was aangesloten bij het Franse sociale zekerheidsstelsel en geen socialezekerheidsbijdragen betaalde doet daaraan geen afbreuk. Het Hof kan L. evenmin bijtreden waar hij voorhoudt dat hij tijdens de jaren 1993 en 1994 niet woonde in België. Met "woonplaats" doelt artikel 14, bis, tweede lid van de Verordening (EG) 1408/71 niet op de plaats waar de zelfstandige officieel is ingeschreven, hoewel hij daar nooit daadwerkelijk heeft verbleven en hoewel hij ook nooit de intentie heeft gehad om er werkelijk te verblijven. Het is evident en het wordt ook niet betwist dat L. nooit daadwerkelijk zijn verblijfplaats heeft gehad op het adres in Koeweit waar hij officieel was ingeschreven en het staat ook niet ter discussie dat hij sedert zijn vertrek in 1990 nooit meer daadwerkelijk heeft verbleven in Koeweit. Het is dan ook de evidentie zelf dat het domiciliatieadres in Koeweit niet de woonplaats van L. was tijdens de jaren 1993 en
  12. Uit de beschikbare feitelijke gegevens in dit dossier blijkt overduidelijk dat het adres x een constante is gebleven in het privé leven van L. en zijn gezin en dat deze plaats ononderbroken zijn normale verblijfplaats is geweest, waar hij het permanente centrum van zijn belangen had en ook thans nog heeft gevestigd en dit niettegenstaande de officiële domiciliëring in Koeweit en het huren van een appartement in Frankrijk, met het oog op het uitvoeren van zijn werkzaamheden aldaar. Het Hof stelt immers vast dat: - L. voor zijn uitschrijving naar Koeweit, zijn officiële woonplaats had op het adres x en dat hij daar sedert 1997 opnieuw officieel is ingeschreven samen met zijn zoon en echtgenote (zie opzoekingen rijksregister gevoegd bij de inleidende dagvaarding, zie arbeidsovereenkomst stuk 14 b). - L. in zijn aansluitingsverklaring van 27 september 1991 het adres 6 te vermeldde als zijn hoofdverblijfplaats. - de echtgenote van L. in de oprichtingsakte van de BVBA werd vermeld als wonende te en de maatschappelijke zetel van de BVBA, waarvan L. zoals reeds aangegeven meerderheidsaandeelhouder en zaakvoerder was, steeds haar maatschappelijke zetel heeft behouden te - L. erkent dat de woonplaats van zijn echtgenote steeds in België is gebleven (zie aanvullende conclusie p.11). - in de huurovereenkomst die L. in september 1993 afsloot m.b.t. de huur van een appartement in Frankrijk, staat vermeld dat L. verblijft te Z.l in België. - L. - anders dan hij voorhoudt - voor de jaren 1993 en 1994 wel degelijk belastingplichtig was in België. Hij werd immers door de Belgische fiscus beschouwd als rijksinwoner, op grond van de overweging dat zijn feitelijke woonplaats in België was gevestigd en het staat niet ter discussie dat L. geen bezwaar heeft ingediend tegen deze kwalificatie en de daaruit voortspruitende aanslag in België. Het hoeft geen betoog dat er slechts sprake kan zijn van onderwerping van L. aan het K.B. nr. 38 voor zover hij tijdens de jaren 1993 en 1994 ook een zelfstandige activiteit heeft uitgeoefend in België. De VZW besluit tot de uitoefening van een dergelijke activiteit in België op basis van het vennootschapsmandaat van L. in de BVBA. M.b.t. de mandatarissen bepaalt artikel 2 van het K.B. van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij K.B. van 1 juli 1992: "Voor de toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit nr 38 en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5bis van datzelfde besluit wordt de uitoefening van een mandaat in een vereniging of vennootschap naar rechte of in feite die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezig houdt, (op onweerlegbare wijze) vermoed de uitoefening te zijn van een bedrijvigheid die verzekeringsplicht aan het sociaal statuut der zelfstandigen met zich brengt." Voor de wijziging bij K.B. van 1 juli 1992 luidde voornoemd artikel 2 als volgt: "Voor de toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38 en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5bis van datzelfde besluit wordt de uitoefening van een mandaat in een vereniging of vennootschap naar rechte of in feite die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezig houdt, vermoed de uitoefening te zijn van een bedrijvigheid die verzekeringsplicht aan het sociaal statuut der zelfstandigen met zich brengt. Dat vermoeden kan worden weerlegd op voorwaarde dat de kosteloosheid van het mandaat bewezen wordt. Belanghebbende mag dat bewijs leveren door elk rechtsmiddel, uitgezonderd de getuigenis, behalve wanneer de Administratie der Directe Belastingen bedrijfsinkomsten heeft weerhouden uit hoofde van de uitoefening van zijn mandaat." Zoals zeer juist werd opgemerkt door het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies rijst de vraag naar de wettelijkheid van het K.B. van 1 juli 1992, nu dit K.B. kennelijk niet werd voorgelegd voor advies aan de Raad van State. Nu partijen m.b.t. deze problematiek geen tegensprekelijk debat hebben gevoerd komt het gepast voor de debatten te heropenen zoals hierna bepaald. 2.
  13. Regularisatiebijdragen 1996 en 1997 en gewone bijdragen 1998 en 1999 M.b.t. deze jaren staat niet ter discussie dat L. onderworpen en bijdrageplichtig was in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen in België. De gevorderde regularisatiebijdragen voor 1996 en 1997 werden becijferd op basis van de inkomsten van respectievelijk 1993 en
  14. De beoordeling van deze onderdelen van de oorspronkelijke vordering is bijgevolg afhankelijk van de beoordeling omtrent de onderwerping van L. tijdens de jaren 1993 en
  15. Het komt tevens gepast voor ook de uitspraak over de voor 1998 en 1999 gevorderde bedragen aan te houden tot een juiste en volledige afrekening mogelijk is, op basis van alle door L. verschuldigde bijdragen en aankleven en de reeds verrichte betalingen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gelet op het schriftelijk advies van dhr. x, Advocaat-generaal, gelezen ter zitting van 7 oktober
  16. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Beveelt alvorens verder te beslissen de heropening van de debatten teneinde partijen toe te laten in conclusies standpunt in te nemen m.b.t. de mogelijke onwettigheid van het K.B. van 1 juli 1992 en de daaruit voortspruitende gevolgen t.a.v. de onderwerping van L. aan het K.B. nr.
  17. Stelt deze zaak voor verdere behandeling na heropening van het debat op de openbare terechtzitting van deze kamer van 3 februari 2006, om 9.30 uur, in zaal I, eerste verdieping. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vier november 2005, waar aanwezig waren : mevrouw x, Raadsheer, voorzitter van de kamer mevrouw x, Raadsheer, de heer x, Raadsheer in sociale zaken, als zelfstandige, aangewezen door mevrouw x, Raadsheer, Voorzitter van de kamer, die de Eerste Voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer x, Raadsheer in sociale zaken, als zelfstandige, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.), mevrouw x, Adjunct - griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051104.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.