id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051104.9 Rolnummer: 2004-0638 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-02-13 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-07-04 13:32 Fiche Het is onwaarschijnlijk dat een docente die cursussen Frans en Spaans onderwijst in identieke omstandigheden in dezelfde instelling, voor dezelfde opdrachtgever die haar ook instructies gaf die kenmerkend zijn voor en inherent zijn aan de uitoefening van een activiteit in een juridisch ondergeschikte positie, door die opdrachtgever voor de ene taalcursus als zelfstandige werd beschouwd en voor de andere als werkneemster. Wanneer een rechter bij de beoordeling van de aangevoerde gezagsverhouding aan de hand van de overgelegde feitelijke gegevens vaststelt dat die gezagsverhouding in werkelijkheid tussen partijen bestaat, dan moet hij de onjuiste kwalificatie ter zijde schuiven. Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT toepassingsgebied - zelfstandigen - weerlegging van het fiscaal vermoeden - gezagsverhouding. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 3,§1,2delid - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak vijfde kamer Bijdragen zelfstandige ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040638 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF HET R., met maatschappelijke zetel gevestigd te x, doch woonstkiezend op het gewestelijk kantoor te x, appellante, vertegenwoordigd door mr. x, advocaat te x. tegen : M., wonende te x, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. x, advocaat te x. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 2 september
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 november 2004, 2 september 2005 en 7 oktober
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 10 mei 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 september 2004; x de conclusie voor M., ontvangen ter griffie van dit Hof op 7 januari 2005; x de conclusie voor het R., ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 januari 2005; x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie gelezen ter zitting van 7 oktober
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 27 december 2000, vorderde het R. de veroordeling van M. tot betaling van 2.051,22 EUR als bijdragen in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen voor de periode van het eerste kwartaal van 1992 tot en met het vierde kwartaal van 1993 en het tweede kwartaal van 1997, onder voorbehoud van wijzigingen van de bijdragen of van niet ontvangen bijdragen en vermeerderd met een verhoging van 3% per kwartaal op de som van 988,97 EUR vanaf 1 oktober 2000 tot het eind van het kwartaal voorafgaand aan datgene in de loop waarvan de dagvaarding werd betekend en de gerechtelijke intresten op 2.051,22 EUR en op de verhogingen van 3% vanaf 27 december 2000 en de gedingkosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 30 september 2003 verzocht M. de vordering voor wat betreft de gevorderde socialezekerheidsbijdragen voor het jaar 1992 niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en voor het overige de vordering van het R. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het R. te veroordelen tot de kosten van het geding. Bij bestreden vonnis van 10 mei 2004 werd de vordering in betaling van bijdragen en aanhorigheden voor het jaar 1992 onontvankelijk verklaard ingevolge verjaring en voor het overige ontvankelijk, doch ongegrond. Het R. werd veroordeeld tot de gedingkosten. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van het R. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van het R. ontvankelijk en gegrond te verklaren en M. te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Bij conclusie ontvangen ter griffie van dit Hof op 7 januari 2005 vordert M. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie, ontwikkeld door partijen in conclusies, aanvaardt het Hof de volgende feiten als bewezen: M. was van 1985 tot 1995 verbonden aan de VZW Centrum voor Middenstandsopleiding te Antwerpen, hierna Centrum genoemd, waar zij elk jaar van september tot half mei, wekelijks taalcursussen gaf, met name een cursus Frans en een cursus Spaans. Het staat niet ter discussie dat de cursus Frans werd gegeven in het kader van een arbeidsovereenkomst. Het loon dat M. ontving als tegenprestatie voor het geven van de cursus Frans werd betaald door de VZW Instituut voor Voortdurende Vorming van de Middenstand, hierna Vizo genoemd. De maandelijks aan M. afgeleverde prestatiebladen vermeldden het Centrum als werkgever en het Vizo als derde betalende. Het staat verder niet ter discussie dat deze lonen het voorwerp hebben uitgemaakt van bijdragebetaling in het socialezekerheidsstelsel voor werknemers. Voor de cursus Spaans werd M. rechtstreeks betaald door het Centrum. De bedragen die in dit kader aan M. werden betaald werden niet aangegeven aan de R.S.Z. Op 5 oktober 1993 ondertekende M. een verklaring van aansluiting, waarin zij bevestigde een zelfstandige activiteit te hebben uitgeoefend van 1 januari 1988 tot 31 december
- Zij gaf tevens aan dat zij daarnaast een voltijdse beroepsbezigheid uitoefende als bediende/lesgeefster. Naar aanleiding van een niet bij het dossier gevoegd bericht van schrapping, verzond M. een brief aan het R., die werd ontvangen op 2 april 1997, waarvan de inhoud luidt als volgt: "Destijds was ik aangesloten bij uw fonds als zelfstandige met toepassing van artikel 37 (gelijkstelling met bijberoep). Eigenlijk ben ik tot op heden ook zelfstandige gebleven. Ik heb ook steeds mijn inkomsten uit deze zelfstandige activiteit bij de fiscus aangegeven. Nooit heb ik een stopzettingsverklaring ondertekend om alzo mijn dossier bij Uw instelling te laten schrappen. Toch werd mij onlangs meegedeeld dat ik ambtshalve zou geschrapt zijn. Mag ik u daarom vriendelijk verzoeken deze ambtshalve schrapping ongedaan te maken en mijn zelfstandige activiteit als ononderbroken te beschouwen". In een antwoordschrijven van 17 april 1997 meldde het R. dat geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 37 van het K.B. van 19 december 1967 omdat M. haar activiteit had uitgeoefend in bijberoep. Het R. bevestigde tevens dat de stopzetting werd opgeheven en dat M. aangesloten bleef in bijberoep. In een brief van 19 juni 1997 nam M. afstand van haar eerdere brief en verklaarde zij geen beroepsbezigheid te hebben uitgeoefend waardoor zij onderworpen was aan het sociaal statuut van de zelfstandigen. Na bijkomend onderzoek en briefwisseling volhardde het R. in zijn standpunt dat M. ononderbroken onderworpen was geweest aan het sociaal statuut van de zelfstandigen en werd zij aangemaand tot betaling van de bijdragen die het voorwerp uitmaken van deze procedure.
- De beoordeling 2.
- 1992 Overeenkomstig het bepaalde in artikel 16, ,§2 van het K.B. nr. 38 verjaart de vordering in betaling van bijdragen na vijf jaar, te rekenen vanaf de eerste januari volgend op het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn. Behoudens stuiting of schorsing verstreek de verjaringstermijn voor de bijdragen en aankleven m.b.t. het jaar 1992 bijgevolg op 1 januari
- De in artikel 16, ,§2 van het K.B. nr. 38 bedoelde verjaring kan worden gestuit: "1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; 2° met een aangetekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering de door de betrokkene verschuldigde bijdragen opvordert; 3° met een aangetekende brief door het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen verzonden in het raam van de in artikel 21, ,§ 2, 1°, aan dat Instituut toevertrouwde opdracht en waarbij de betrokkene aangemaand wordt aan te sluiten bij een sociaal-verzekeringsfonds." Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2248 B.W. stuit de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt de verjaring. Volgens het R. werd de verjaring van de vordering in betaling van de bijdragen en aankleven voor het jaar 1992 tijdig gestuit door een stilzwijgende schulderkenning vanwege M. Meer concreet verwijst het R. in dit verband naar de aansluitingsverklaring dd. 5 oktober 1993 en de niet gedateerde brief die door het R. werd ontvangen op 2 april
- Het Hof kan dit standpunt niet bijtreden en wel om de volgende redenen: Zoals hiervoor reeds aangegeven verklaarde M. in de aansluitingsverklaring van 5 oktober 1993 meteen ook dat zij haar zelfstandige activiteit had stopgezet per 31 december
- Deze verklaring kan dan ook onmogelijk worden gekwalificeerd als een erkenning van de verschuldigdheid van de thans voor 1992 gevorderde bijdragen. In de niet gedateerde brief die door het R. werd ontvangen op 2 april 1997 stelt M. weliswaar dat zij eigenlijk zelfstandige was gebleven, doch deze brief laat niet toe te besluiten dat M. meteen ook erkende dat zij bijdrageplichtig was, a fortiori niet dat zij gehouden was tot betaling van de thans voor het jaar 1992 gevorderde bedragen. De argumentatie die zij in deze brief ontwikkelde m.b.t. de toepassing van artikel 37 geeft aan dat zij integendeel de mening was toegedaan dat zij geen bijdragen diende te betalen. Nu geen andere daden van stuiting of schorsing worden aangevoerd die zich situeren vóór 1 januari 1998 is de vordering in betaling van bijdragen en aankleven voor het jaar 1992 verjaard. 2.
- 1993 en 2de kwartaal 1997 Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van het KB nr. 38 zijn aan dit besluit onderworpen: "de zelfstandigen en de helpers". Onder zelfstandigen in de zin van dit besluit dient daarbij te worden verstaan: "ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of een statuut is verbonden".(art. 3, ,§1, eerste lid KB nr. 38) Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, ,§1, tweede lid van het KB nr. 38 wordt ieder persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent, die inkomsten kan opleveren bedoeld in artikel 23, ,§1, 1° of 2°, of in artikel 30, 2° of 3° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, geacht, tot bewijs van het tegendeel, een aan het KB nr. 38 onderworpen zelfstandige te zijn. Het Hof wenst er in dit verband op te wijzen dat uit de fiscale gegevens in het dossier van het auditoraat - generaal blijkt dat de Administratie van de Directe Belastingen voor het jaar 1993 geen inkomsten heeft weerhouden zoals bedoeld in artikel 3,,§1, tweede lid van het K.B. nr.
- Naast lonen en wedden, werkloosheidsuitkeringen en ziekteuitkeringen werden voor dat jaar enkel "toevallige winsten of baten" genoteerd. Voor dit jaar speelt bijgevolg het "fiscaal vermoeden" niet en moet het R. het bewijs leveren van de uitoefening van een zelfstandige beroepsbezigheid in de zin van het K.B. nr.
- Voor 1997 werden wél inkomsten als zelfstandige weerhouden, zodat het wat dit jaar betreft M. is die het bewijs moet leveren dat zij geen zelfstandige beroepsbezigheid heeft uitgeoefend. Bovenstaande overwegingen m.b.t. de bewijslastverdeling zijn in casu echter weinig relevant, nu uit de overgelegde feitelijke gegevens blijkt dat M. haar volledige activiteit als lesgeefster aan het Centrum heeft uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst en dit zowel m.b.t. de cursus Frans als m.b.t. de cursus Spaans. Deze besluitvorming steunt op de hierna volgende overwegingen: Het staat niet ter discussie dat M. tegen betaling van een loon cursussen Spaans gaf en dat deze activiteit te beschouwen is als een beroepsbezigheid. De betwisting tussen partijen blijft dan ook beperkt tot de vraag of M. deze activiteit heeft uitgeoefend in een voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende juridische ondergeschiktheid. In dit verband dient er vooreerst op gewezen te worden dat kennelijk geen betwisting bestaat over het feit dat M. steeds in gelijkaardige omstandigheden heeft gewerkt. Het Hof aanvaardt dan ook dat de door M. neergelegde stukken relevante gegevens bevatten voor de ganse periode van haar tewerkstelling als lesgeefster bij het Centrum. Hoewel het R. zulks betwist, blijkt uit de neergelegde stukken, inzonderheid uit de neergelegde prestatiebladen en de door M. voor akkoord ondertekende brief dd. 3 oktober 1991, overduidelijk dat de cursus Frans werd gegeven in uitvoering van een arbeidsovereenkomst gesloten tussen M. en het Centrum, en dat het Vizo daarbij enkel optrad als "derde betaler" van het aan M. verschuldigde loon. M. was bijgevolg voor het geven van beide opdrachten verbonden met dezelfde opdrachtgever, met name het Centrum. Dit maakt het reeds bijzonder onwaarschijnlijk dat M. voor het geven van de lessen Frans onderworpen was aan het gezag van het Centrum, terwijl zij voor het geven van de lessen Spaans de voor een zelfstandige kenmerkende onafhankelijkheid bij de uitvoering van haar taak zou hebben bewaard. De door M. neergelegde stukken (16 en 17) bevestigen haar bewering dat beide cursussen in identieke omstandigheden werden gegeven, dat het Centrum niet alleen bepaalde wanneer en waar M. lessen Frans en Spaans diende te geven, maar dat het Centrum ook inhoudelijke instructies gaf, die kenmerkend zijn voor en inherent zijn aan de uitoefening van een activiteit in een juridisch ondergeschikte positie. Deze stukken bevestigen met name de bewering van M. dat zij voor beide opleidingen een welbepaald leerplan diende te volgen en dat zij verplicht was bij het geven van de lessen het door het Centrum verstrekte lesmateriaal, op de aangegeven manier, te gebruiken. Het staat verder niet ter discussie dat het Centrum voor beide cursussen kon bepalen en ook bepaalde dat M. aanwezig diende te zijn voor het inschrijven van leerlingen, voor contacten met de ouders en dat zij in opdracht van het Centrum pedagogische studiesessies en vergaderingen moest bijwonen. Het is bovendien frappant dat het R., niettegenstaande een uitgebreid onderzoek naar de activiteiten van de lesgevers verbonden aan het Centrum, geen enkel ander concreet onderscheid kan inroepen tussen de beide door M. gegeven cursussen, dan de tussenkomst van het Vizo als derde die het loon betaalde en de verschillende behandeling van de uitbetaalde lonen t.a.v de fiscus en de R.S.Z. De vaststelling dat M. ook voor haar prestaties als lesgeefster van een cursus Spaans onderworpen was aan het gezag van het Centrum, leidt noodzakelijk tot het besluit dat zij ook deze beroepsbezigheid heeft uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst, zodat zij niet ressorteerde onder het personeel toepassingsgebied van het K.B. nr. 38 en uiteraard ook niet bijdrageplichtig was. Het feit dat partijen hun samenwerkingsovereenkomst t.a.v. fiscus, R.S.Z. en R. anders hebben gekwalificeerd, doet daaraan geen afbreuk. De regel volgens dewelke de arbeidsovereenkomst de overeenkomst is waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van de werkgever, is immers van dwingend recht, zodat de partijen hiervan niet kunnen afwijken door aan de arbeidsovereenkomst een andere kwalificatie te geven. (vgl. Cass. 3 mei 2004, S030108N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23, http://www.cass.be, op datum) Wanneer de rechter, zoals in casu, bij de beoordeling van de aangevoerde gezagsverhouding aan de hand van de overgelegde feitelijke gegevens vaststelt dat die gezagsverhouding in werkelijkheid tussen de partijen bestaat, moet hij bijgevolg de onjuiste kwalificatie terzijde schuiven. Het hoger beroep is bijgevolg niet gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gelet op het eensluidend schriftelijke advies van dhr. x, Advocaat-generaal, gelezen ter zitting van 7 oktober
- Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 10 mei
- Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van het R.. Vereffent deze aan de zijde van het R. op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en aan de zijde van mevr. Moreels eveneens op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 4 november 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw x, Raadsheer, voorzitter van de kamer, mevrouw x, Raadsheer, de heer x, Raadsheer in sociale zaken, als zelfstandige, aangewezen door mevrouw x, Raadsheer, Voorzitter van de kamer, die de Eerste Voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer x, Raadsheer in sociale zaken, als zelfstandige, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.), mevrouw x, Adjunct - griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051104.9 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div