← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051109.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051109.6 Rolnummer: 2004-0260 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-01 03:33 Fiches 1 - 2 Het bericht van wijziging der bijdragen, alsook de brieven waarin wordt medegedeeld dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in toepassing van artikel 22 van de Wet van 27 juni 1969 meent te kunnen overgaan tot ambtshalve aangifte van aanvullend verschuldigde of niet aangegeven bijdragen kunnen niet beschouwd worden als bestuurshandelingen zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet van 29 juli

  1. De ambtshalve bepaling van de bijdragen met toepassing van hoger genoemd artikel 22 dient gezien te worden als een louter informatieve of voorbereidende handeling en is geen van rechtswege uitvoerbare beslissing. Ter zake dient wel een onderscheid te worden gemaakt tussen het bericht van wijziging der bijdragen en de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot ambtshalve onderwerping, vermits in het laatste geval wel sprake is van een handeling die onmiddellijk juridische gevolgen genereert voor een bestuurde. Noot Betreffende de beslissing tot ambtshalve onderwerping, zie Arbh. Brussel, 24/12/2003, J.T.T. 2004, blz. 70-
  2. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . ADMINISTRATIEF RECHT bijdrageregeling - bericht van wijziging der bijdragen - motiveringsverplichting. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 1 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING inning en invordering van de bijdragen - aangifte - bijdrageregeling - bericht van wijziging der bijdragen - motiveringsverplichting. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder I L - artikel 1 en onder VII A - artikel
  3. Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Vierde Kamer Tegensprekelijk tussenarrest heropening der debatten Art. 580 bijdragen sociale zekerheid Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2040260 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RSZ, met zetel gevestigd te , appellant, verschijnend bij mr. S. DEKERPEL loco mr. P. DERVEAUX, advocaat te Zaventem, tegen : AI NV, met zetel gevestigd te , geïntimeerde, verschijnend bij mr. G. WILLEMS loco mr. L. PANIS, advocaat te Genk. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden tussenvonnis op 18 juni 2004 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren, gekend onder A.R. nr. 2346/2002 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 augustus 2004 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en de stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 22 juni 2005 van deze kamer. PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN De oorspronkelijke vordering ging uit van geïntimeerde bij exploot van 25 september 2002 ertoe strekkende appellant te veroordelen om te betalen aan geïntimeerde de som van 39.608,52 EUR samengesteld als volgt: - hoofdsom 145.890,33 EUR - 122.865,72 EUR: 22.467,66 EUR - verwijlinteresten op 122.865,72 EUR van 23.06.2000 tot 31.01.2002: 13.831,65 EUR; - verwijlinteresten op 22.467,66 EUR van 23.06.2000 tot 25.09.2002: 3.309,21 EUR. Totaal: 39.608,52 EUR, meer de gerechtelijke interesten tot de dag der volledige betaling. In ondergeschikte orde werd de aanstelling van een gerechtsdeskundige gevraagd teneinde advies te horen verlenen over het correcte bedrag van de door geïntimeerde teveel betaalde sociale zekerheidsbijdragen. Daarenboven vroeg geïntimeerde om haar voorbehoud te verlenen betreffende de correcte berekening van de overige door haar in het exploot vermelde berichten van wijziging en van haar vordering tot terugbetaling van eventueel teveel betaalde sociale zekerheidsbijdragen. De eerste rechter heeft de vordering ontvankelijk verklaard maar stelde, alvorens recht te doen ten gronde, onder voorbehoud van alle rechten, PR aan als deskundige met onder meer als opdracht: "..de rechtbank advies te verlenen omtrent de juiste afrekening tussen partijen voor wat betreft de kwartalen 2/1999, 3/1999 en 4/1999 en na te gaan of eisende partij in het kader van de door haar aangevraagde regularisatie conform schrijven van 23.06.2000 recht heeft op restitutie van RSZ bijdragen en zo ja voor welk bedrag..." POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellant postuleert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo te hervormen. De initiële vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de NV AI te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Uiterst ondergeschikt: - te zeggen voor recht dat de berichten van wijzing der bijdragen in onderhavig dossier, alsook de briefwisseling van de RSZ niet onderworpen zijn aan de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; - de opdracht van de gerechtsdeskundige aan te passen aan wat wettelijk kan en de zaak alsdan te verzenden naar de eerste rechter voor verdere behandeling. Geïntimeerde postuleert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. De zaak bijgevolg terug te verwijzen naar de Arbeidsrechtbank te Tongeren. In het andere geval, en krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep, appellant te veroordelen om aan geïntimeerde te betalen de som van 39.608,52 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke rente tot de dag der volledige betaling. Minstens appellant te veroordelen tot de intresten op het door hem gerestitueerd bedrag van 122.865,72 EUR te rekenen vanaf 23.06.2000 tot de dag van betaling, zijnde 31.01.
  4. In ondergeschikte orde de aanstelling van een deskundige te bevelen met opdracht het Hof te adviseren over het correcte bedrag van de door geïntimeerde teveel betaalde RSZ -bijdragen die bijgevolg door appellant dienen te worden gerestitueerd, vermeerderd met de verwijlintresten. Geïntimeerde akte te verlenen van haar voorbehoud betreffende de correcte berekening van de overige door haar aangehaalde berichten van wijziging en tevens akte te verlenen van haar eis tot terugbetaling van eventueel teveel betaalde RSZ-bijdragen. Tenslotte appellant te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. Het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van kantonnement. MOTIVERING ARREST - BEOORDELING
  5. In 1999 besliste de overheid de sociale zekerheidsbijdragen op algemene wijze te verminderen. In de wet van 26 maart 1999 tot uitvoering van het Belgische actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen werden de fundamenten voor deze lastenverlaging gelegd, beter gekend als de structurele vermindering. Artikel 35, ,§,§ 1 tot en met 4 van de wet van 29 juni 1981 werd in die zin door deze wet vervangen en aangepast (afdeling IV, artikel 22 e.v. van de wet van 26 maart 1999). Principieel gebeurde de vaststelling van het bedrag van de lastenvermindering op basis van het loon voor een voltijds werknemer met voltijdse prestaties met als uitgangspunt de 40-uren week. Evenwel met betrekking tot de uitzendkantoren mocht de berekening van de structurele bijdrageverminderingen gebeuren op basis van een wekelijkse arbeidsduur van 38 uur. Dit laatste werd alleszins door de RSZ schriftelijk bevestigd aan het V.B.O. bij brief d.d. 9 november 1999 (stuk 1 appellant). Met brief d.d. 23 juni 2000 vroeg geïntimeerde aan de RSZ over te gaan tot regularisatie van de eerder ingediende aangiften voor het 2de, 3de en 4de kwartaal
  6. In dit schrijven hield geïntimeerde voor dat de bijdragen welke door haar betaald werden overeenkomstig de oorspronkelijke aangiften voor de drie hoger genoemde kwartalen in totaal 25.795.904 BEF of 639.463,76 EUR bedroegen (8.322.259 BEF - 2de kw 1999 + 7.815.975 BEF - 3de kw 1999 + 9.657.670 BEF - 4de kw 1999). Met brief d.d. 31 mei 2001 gericht aan de RSZ wees de raadsman van geïntimeerde er op dat deze laatste nog steeds geen bericht van wijziging mocht ontvangen. Daarenboven stelde deze raadsman dat rekening houdende met de voor het 2de, 3de en 4de kwartaal van 1999 betaalde bijdragen van 26.886.868 BEF of 666.508,05 EUR en de ingevolge de structurele vermindering nog verschuldigde bijdragen, op basis van de 38-uren week, voor deze kwartalen 21.024.134 BEF of 521.174,67 EUR bedroegen, het door de RSZ te regulariseren bedrag 5.862.734 BEF (i.p.v. 5.826.746 BEF) of 145.333,38 EUR was. Met schrijven d.d. 19 september 2001 bracht diezelfde raadsman van geïntimeerde zijn brief van 31 mei 2001 in herinnering en drong hij aan op regularisatie. Hierop werd door de RSZ geantwoord met brief d.d. 9 november 2001 dat hij eerstdaags zou overgaan tot het opstellen van een bericht van wijziging. Het bericht van wijziging volgde dan op 20 december
  7. In dit bericht wordt melding gemaakt door de RSZ van een te regulariseren - terug te betalen - bedrag van 4.956.391 BEF of 122.865,72 EUR. Uit de briefwisseling die daarna nog werd gevoerd tussen de raadsman van geïntimeerde en de RSZ blijkt dat het verschil tussen het door geïntimeerde geclaimde bedrag van 5.862.734 BEF of 145.333,38 EUR en het door appellant op 31 januari 2002 terugbetaalde bedrag van 4.956.391 BEF of 122.865,72 EUR, grotendeels te wijten zou zijn aan het feit dat in de berekening van geïntimeerde ook arbeiders en bedienden vervat zijn waarvoor reeds de bijdragevermindering van het banenplan was toegepast. Dit werd door de RSZ aangegeven in de brieven van 7 mei
  8. Inmiddels is in de loop van de procedure ook gebleken dat de RSZ naar aanleiding van de initiële aanvraag van 23 juni 2000 van geïntimeerde een onderzoek heeft laten doen dat uiteindelijk geleid heeft tot een bijkomende aangifte van lonen (stukken 13 en 14 appellant).
  9. Motiveringsverplichting: de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen 2.
  10. De eerste rechter oordeelde dat zowel het bericht van wijziging van 20 december 2001 als de brieven van 7 mei 2002 van appellant niet beantwoorden aan de vereisten van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991, zodat zij als nietig en onbestaande dienen te worden beschouwd. 2.
  11. Appellant meent echter dat noch het bericht van wijziging der bijdragen van 20 december 2001, noch de brieven van 7 mei 2002 kunnen beschouwd worden als een bestuurshandeling zodat de wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is. 2.
  12. Artikel 1 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat als bestuur dient beschouwd te worden de administratieve overheden zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Openbare diensten zoals de RSZ vallen onder het toepassingsgebied van de wet. De hoger vernoemde wetsbepaling omschrijft echter ook het begrip "bestuurshandeling" zoals gebruikt in de wet van 29 juli 1991 als volgt: "De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur". 2.
  13. Bijgevolg dient onderzocht te worden of de betrokken handelingen - het opstellen van het bericht van wijziging der bijdragen en de brieven ter verantwoording vanwege de RSZ - wel beschouwd kunnen worden als bestuurshandelingen welke geviseerd worden door de wet van 29 juli
  14. 2.
  15. Niet elke administratieve handeling die door een bestuur wordt gesteld is een rechtshandeling die in het kader van vernoemde wet uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. Het toepassingsgebied van de wet is beperkt tot de "administratieve rechtshandelingen" in de traditionele betekenis, met name deze beslissingen van een of andere administratieve overheid die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkene, rechten of verplichtingen scheppen en daarom eenzijdig verbindend en uitvoerbaar zijn en het "privilège du préalable" genieten (P. Van Orshoven, "De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen", R.W. 1991-92, kol. 489-490; Gedr. St. Kamer, 1990-91, nr. 1595-4, p. 2; Gedr. St. Senaat, B.Z. 1988, nr. 215-3, p. 31). Het moet gaan om een beslissing die direct rechtsgevolgen teweegbrengt en een uitvoerbare kracht heeft, waarbij het bestuur zich kan beroepen op het voorrecht van de directe tenuitvoerlegging en zich niet eerst tot de rechter hoeft te wenden alvorens zijn beslissing te kunnen uitvoeren (J. Vande Lanotte & C. Cerexhe, "De motiveringsplicht van bestuurshandelingen", Die Keure, blz. 23-24). Naar het oordeel van het Hof beantwoorden het bericht van wijziging der bijdragen van 20 december 2001 en de brieven van 7 mei 2002, alsook de daarbij gevoegde berichten van wijziging, geenszins aan deze omschrijving van het begrip "bestuurshandeling". Met het opstellen van dit bericht nam appellant geen van rechtswege uitvoerbare beslissing. Met dit bericht en deze brieven had appellant enkel de bedoeling vast te stellen en mede te delen aan geïntimeerde welk bedrag aan hem, naar de mening van appellant, diende terugbetaald te worden als gevolg van de door de overheid genomen maatregelen strekkende tot algehele bijdragevermindering. 2.
  16. De ambtshalve bepaling van de bijdragen met toepassing van artikel 22 van de Sociale Zekerheidswet dient gezien te worden als een louter informatieve of voorbereidende handeling van de RSZ. Dergelijke handelingen kunnen niet beschouwd worden als bestuurshandelingen in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991(Cass. 25 april 1997, Arr. Cass. 1997, nr. 202, blz. 489 e.v.; Cass. 18 december 2000, Soc. Kron. 2001, 192). Geïntimeerde verwijst naar rechtspraak van het Arbeidshof te Brussel ter ondersteuning van haar standpunt dat deze berichten van wijziging van de bijdragen wel als bestuurshandelingen dienen beschouwd te worden in het kader van de wet van 29 juli 1991 (Arbh. Brussel 24 december 2003, J.T.T. 2004, p. 70 t/m 72). In deze rechtspraak wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het bericht van wijziging der bijdragen en de beslissing van de RSZ tot ambtshalve onderwerping. Deze rechtspraak vertrekt vanuit de vaststelling dat uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie kan afgeleid worden dat als een handeling wel onmiddellijk juridische gevolgen genereert voor een bestuurde, deze wel als een bestuurshandeling dient beschouwd te worden, om vervolgens tot de conclusie te komen dat, in tegenstelling tot het bericht van wijziging, de beslissing tot onderwerping wel juridische gevolgen heeft omdat zij onder meer het statuut van de geviseerde arbeiders wijzigt. Vermits in onderhavige zaak geen sprake is van een beslissing tot onderwerping, maar enkel van een bericht van wijziging der bijdragen welke betrekking heeft op de hoegrootheid van de door geïntimeerde onverschuldigd betaalde bijdragen, beroept geïntimeerde zich tevergeefs op deze rechtspraak. 2.
  17. Er dient besloten te worden dat er geenszins aanleiding toe bestaat om de kwestieuze berichten van wijziging der aangifte te vernietigen wegens schending van de motiveringsplicht voorzien in de wet van 29 juli
  18. Noch het bericht van wijziging der bijdragen, noch de brieven van 7 mei 2002 beoogden rechtsgevolgen te creëren voor geïntimeerde. Deze laatste was immers vrij het standpunt dat ter zake het terug te betalen bedrag aan sociale zekerheidsbijdragen werd ingenomen door de RSZ al dan niet te aanvaarden. Bij gebreke aan akkoord met dit bedrag stond het geïntimeerde volledig vrij zich tot de rechtbank te wenden ten einde haar vordering aldaar aanhangig te maken. Ter zake diende zij enkel rekening te houden met de verjaringstermijnen welke door de wet voorzien worden. 2.
  19. Het eerste vonnis moet alleszins vernietigd worden voor zover daarin beslist werd dat het bericht van wijziging van 20 december 2001 en de brieven van 7 mei 2002, met bijhorende berichten van wijziging van diezelfde datum, niet weerhouden kunnen worden ingevolge schending van de motiveringsverplichting. Daarenboven wijst het Hof er ten overvloede op dat, zelfs indien de berichten van wijziging en de geviseerde brieven van de RSZ niet zouden kunnen weerhouden worden, dit geenszins afbreuk doet aan de bevoegdheid van de arbeidsrechter om uitspraak te doen over een vordering waarbij sociale zekerheidsbijdragen worden gevorderd of teruggevorderd. In toepassing van artikel 580, 1° van het Ger. W. neemt de Arbeidsrechtbank immers kennis van alle geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers tot betaling van de bijdragen voorzien door de wetgeving inzake sociale zekerheid (Cass. 27 oktober 2003, J.T.T. 2003, p. 68 en 69).
  20. Deskundigenonderzoek 3.
  21. Appellant stelt in graad van hoger beroep terecht vast dat de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel strijdig is met artikel 11, 1ste lid en artikel 962 Ger. W. Appellant verwijst hiervoor naar de opdracht welke door de eerste rechter aan de door haar gelaste deskundige werd gegeven, meer in het bijzonder daar waar aan de deskundige gevraagd wordt "... na te gaan of de eisende partij in het kader van de door haar aangevraagde regularisatie conform het schrijven van 23 juni 2000 recht heeft op de restitutie van de R.S.Z.-bijdragen en zo ja voor welk bedrag." Artikel 11 Ger. W. verbiedt de rechter om zijn rechtsmacht over te dragen. Artikel 962 Ger. W. bepaalt dat de rechter ter oplossing van een voor hem gebracht geschil deskundigen kan gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven. De rechter die de deskundige niet alleen belast met het doen van vaststellingen of het geven van technisch advies, maar hem opdraagt over de gegrondheid van de vordering zelf advies uit te brengen schendt, artikel 962 Ger. W. (Cass. 12 december 1985, Arr. Cass. 1985-86, 337; pas. 1986, I, 466) en doet aldus een in strijd met art. 11 Ger. W. overdracht van zijn rechtsmacht (Cass. 14 september 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1099; R.W. 1993-94, 45). 3.
  22. Naar het oordeel van het Hof overschrijdt het door appellant bekritiseerde gedeelte van de opdracht aan de deskundige, zoals verwoord door de eerste rechter, de grens welke getrokken werd in het Gerechtelijk Wetboek inzake de aanstelling van een deskundige. 3.
  23. Indien bijgevolg de aanstelling van een deskundige gehandhaafd zou blijven, dient alleszins de opdracht aan deze deskundige opnieuw geformuleerd te worden in die zin dat het besproken gedeelte van de door de eerste rechter gegeven opdracht wordt geschrapt en beperkt blijft tot de vraag om de rechtbank of het Hof advies te verlenen omtrent de juiste afrekening tussen partijen voor wat de kwartalen 2/99, 3/99 en 4/99 betreft.
  24. Het ingevolge de toegestane bijdragevermindering aan geïntimeerde terug te betalen bedrag 4.
  25. Het twistpunt is in casu gelegen in de berekening van het ingevolge de bijdragevermindering door appellant terug te betalen bedrag aan sociale zekerheidsbijdragen. Het principe dat geïntimeerde recht heeft op een terugbetaling wordt niet betwist. 4.
  26. Uit de brieven van 7 mei 2005 van de RSZ valt op te maken dat het verschil in berekening van het ingevolge de structurele vermindering terug te betalen bedrag aan sociale zekerheidsbijdragen voor het 2de, 3de en 4de kwartaal 1999 door appellant verantwoord wordt door de volgende overwegingen: - de structurele vermindering kan niet meer toegepast worden voor een aantal werknemers waarvoor reeds de vermindering van het banenplan werd toegepast (...) - het bedrag ingevolge de structurele vermindering is minder dan in de aanvraag van geïntimeerde wordt vermeld voor de werknemers MM, PD, KP, KV en VY; - de structurele vermindering kan niet toegestaan worden voor een aantal werknemers (VdM M, BC, MG, MW, JS en GG) waarvoor deze vermindering wel werd toegepast op de aangifte van geïntimeerde. 4.
  27. Het Hof stelt vast met betrekking tot deze redengeving dat enerzijds appellant zeer weinig verklaring geeft bij de laatste twee overwegingen, terwijl anderzijds geïntimeerde zelfs helemaal geen standpunt inneemt. Zo blijft de vraag of zij nu al dan niet betwist dat de structurele vermindering niet zou kunnen toegepast worden voor de werknemers waarvoor volgens appellant al een bijdragevermindering werd toegestaan in het kader van het banenplan. 4.4.
  28. Het debat dat in concreto tussen partijen gevoerd wordt met betrekking tot de berekening van het bedrag dat dient terugbetaald te worden ingevolge de bijdragevermindering lijkt de kern van de betwisting te missen. Partijen moeten de berekeningen die gemaakt worden benaderen vanuit dezelfde invalshoek. Daarvoor is het noodzakelijk te vertrekken van het totaal bedrag dat oorspronkelijk door geïntimeerde voor het 2de, 3de en 4de kwartaal effectief werd aangegeven en betaald aan sociale zekerheidsbijdragen. Uiteindelijk is dit een gegeven in dit dossier dat eenvoudig door middel van boekhoudkundige of financiële stukken kan bewezen worden. Van zodra vaststaat wat aan sociale zekerheidsbijdragen werd betaald door geïntimeerde per betwist kwartaal, kan door elk van de partijen verder, eventueel in detail (werknemer per werknemer), besproken worden welk bedrag aan sociale zekerheidsbijdragen er nog verschuldigd was aan de RSZ rekening houdende met de structurele vermindering. Slechts dan zullen de standpunten van partijen relevant getoetst kunnen worden en zal vastgesteld kunnen worden op welke punten zij van mening verschillen. Slechts dan zal ook een helder en correct debat kunnen plaatsvinden over dit geschil. 4.4.
  29. Nu is het zo dat appellant lijkt voor te houden dat hij wel akkoord gaat met het bedrag dat nog diende aangegeven te worden na de doorgevoerde lastenverlaging, maar niet met het bedrag aan sociale zekerheidsbijdragen dat reeds was aangegeven en betaald door geïntimeerde uit hoofde van de betwiste kwartalen voor de structurele vermindering. Bij de verantwoording van zijn berekening en de bedragen vermeld in het bericht van wijziging der bijdragen van 20 december 2001 benadrukt appellant dat hij wel akkoord kan gaan met de na regularisatie (ingevolge de structurele vermindering) verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen (7.069.081 BEF of 175.237,94 EUR voor het 1ste kw. 1999, 6.730.237 BEF of 166.838,21 EUR voor het 2de kw. 1999 en 7.224.816 BEF of 179.098,51 EUR voor het 4de kw. 1999), maar niet met de voor de toepassing van de structurele vermindering werkelijk aangegeven en betaalde bijdragen welke als vertrekbasis voor de berekening moeten dienen. De verwarring wordt volledig wanneer teruggegrepen wordt naar de berichten van wijziging der bijdragen d.d. 7 mei
  30. De vraag stelt zich wat met deze, weliswaar niet zo belangrijke bedragen, moet gedaan worden in het kader van de afrekening tussen partijen. Moeten deze bedragen uiteindelijk in mindering gebracht worden op het bedrag dat volgens het bericht van wijziging der bijdragen d.d. 20 december 2001 toekwam aan geïntimeerde? Heeft bijgevolg, rekening houdende met de betaling op 31 januari 2002 door de RSZ van een bedrag van 122.865,72 EUR overeenkomstig het bericht van wijziging van 20 december 2001, appellant nog een vordering uit hoofde van het 2de, 3de en 4de kwartaal 1999 op geïntimeerde ten belope van 1.581,02 EUR (185,28 EUR + 64,55 EUR + 1.331,19 EUR)? Zo ja, waarom werd hiervoor reeds een vordering ingesteld door appellant.
  31. Het Hof acht het op grond van deze overwegingen aangewezen, alvorens verder recht te doen, de debatten te heropenen teneinde: Partijen uit te nodigen met betrekking tot de bijdragen verschuldigd uit hoofde van het 2de, 3de en 4de kwartaal 1999 een duidelijk overzicht te geven, vertrekkende vanuit het totaal bedrag aan sociale zekerheidsbijdragen dat door geïntimeerde werkelijk werd aangegeven en betaald voor elk van deze kwartalen voor de doorvoering van de structurele vermindering, in detail en in voorkomend geval werknemer per werknemer van de sociale zekerheidbijdragen die naar hun mening nog verschuldigd waren door geïntimeerde ingevolge deze vermindering en aldus het bedrag van de teveel betaalde bijdragen, zijnde het saldo van de werkelijk betaalde sociale zekerheidsbijdragen verminderd met de na toepassing van de lastenverlaging nog verschuldigde bijdragen, te kunnen vaststellen. Verder partijen toe te laten hun argumenten te laten kennen en een nuttig debat te voeren over die punten van de hoger genoemde afrekening waarover zij op dat ogenblik nog van mening verschillen. Tenslotte appellant toe te laten te verduidelijken wat de reden en bedoeling is van de drie berichten van wijziging der bijdragen van 7 mei
  32. O P D I E G R O N D E N, HET HOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer F. S., Substituut-generaal, in zijn de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 28 september
  33. Na beraadslaging recht doende op tegenspraak. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Alvorens verder recht te doen, beveelt de heropening der debatten teneinde partijen toe te laten nadere informatie bij te brengen, zoals gevraagd en stelt de zaak voor verder behandeling op de openbare terechtzitting van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Maastrichterstraat 100 te 3500 Hasselt van woensdag 8 maart 2006 om 14.30 uur. Houdt inmiddels de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van negen november tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. M., Kamervoorzitter, de heer B. J., Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer J. V., Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, aangewezen bij beschikking d.d. 9 november 2005 door de heer J. M., Kamervoorzitter die de Eerste Voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer T. C., Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.), mevrouw L. K. e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051109.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.