← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051109.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051109.7 Rolnummer: 1999-0045 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-01 03:33 Fiches 1 - 2 De exceptie van nietigheid van de dagvaarding wegens een vormgebrek, zijnde het niet of onjuist vermelden van het onderwerp of de korte samenvatting van de middelen van de vordering, raakt niet de openbare orde en maakt geen deel uit van de verzuimen of onregelmatigheden opgesomd in artikel 862, ,§1 Ger.W., zodat zij dient opgeworpen te worden voor elk verweer aangaande de zaak zelf. Het middel van de verjaring moet beschouwd worden als een middel van onontvankelijkheid. Het is evenwel geen procedurele exceptie van ontvankelijkheid, zodat zij in elk stadium van het geding kan opgeworpen worden. Het voor een onderneming bevoegde paritair comité wordt bepaald aan de hand van de werkelijke ondernemingsactiviteit, zijnde de activiteit die het bestaan van de onderneming of de organisatie rechtvaardigt en die niet kan worden afgestoten zonder de aard van de onderneming te wijzigen. Het ressort van een paritair comité wordt in principe bepaald door de hoofdactiviteit van de onderneming, tenzij uit het oprichtingsbesluit een ander criterium blijkt, zoals de gewone of normale activiteit van de onderneming. Bij meerdere activiteiten binnen een zelfde onderneming kan de regel dat 'de bijzaak de hoofdzaak volgt' toegepast worden. Het advies van de Dienst voor collectieve arbeidsbetrekkingen bindt noch de werkgever, noch de arbeidsrechter. Dit geldt eveneens wanneer de werkgever mocht nagelaten hebben ten gepaste tijde bezwaar aan te tekenen tegen dit advies. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK gerechtelijk privaatrecht - vormgebrek van dagvaarding - exceptie van nietigheid - in limine litis - verjaring - middel van onontvankelijkheid - voordracht van elke stand van het geding. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 864,1stelid - 30 Link Justel databank 19671010-30 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN . PARITAIRE COMITES CAO-wet - bevoegdheid PC - ondernemingsactiviteit - hoofdactiviteit - advies DCAB - gelding - rechtsmacht arbeidsrechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 05-12-1968 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 864, 1ste lid en onder IV C - artikel 35. Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Vierde Kamer Tegensprekelijk tussenarrest Heropening der debatten Art. 580 bijdragen sociale zekerheid Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 990045 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: T.T.I. met maatschappelijke zetel gevestigd te , appellante, verschijnend bij mr. L. KEUNEN, advocaat te Kermt-Hasselt, tegen : W.S F.T., met zetel gevestigd te , geïntimeerde, verschijnend bij mr. H. STEENNOT loco mr. B. NECKEBROUCK, advocaat te Aalst, en in aanwezigheid van: S.L. P. BVBA, met zetel gevestigd te , vrijwillig tussenkomende partij, verschijnend bij mr. P. CARLIER, advocaat te Hasselt en veneens hebbende als raadsman mr. L. KEUNEN, advocaat te Kermt-Hasselt. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden tussenvonnissen op 21 januari 1998 en 24 juni 1998, alsmede het bestreden eindvonnis op 16 december 1998 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Hasselt, onder A.R. nr. 972482 waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 februari 1999 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusie en de stavingstukken voor partijen. Gelet op het verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 december 2004, uitgaande van BVBA SLP en strekkende tot vrijwillige tussenkomst in deze procedure. ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPAAL HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP Het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist, zodat beide vorderingen ontvankelijk dienen te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 8 juni 2005 van deze kamer. PROCESVERLOOP - PRECEDENTEN Bij dagvaarding d.d. 16 mei 1997 werd door geïntimeerde de betaling gevorderd vanwege appellante van het bedrag van 5.702.491 BEF of 141.361,06 EUR, meer de gerechtelijke intresten op de som van 5.184.083 BEF of 128.510,06 EUR, meer ook de gerechtskosten. Deze vordering had betrekking op de bijdragen verschuldigd voor het 1ste kwartaal 1994 tot en met het 3de kwartaal 1996, vermeerderd met de bijdrageverhoging. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank d.d. 21 januari 1998 werd deze vordering ontvankelijk verklaard, maar werden alvorens verder recht te doen de debatten heropend ten einde aan de toenmalige verwerende partij, huidig appellante, toe te laten een aantal gegevens nuttig voor de beoordeling van het geschil bij te brengen. Bij besluiten neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 14 april 1998 stelde appellante een tegenvordering in wegens tergend en roekeloos geding ten einde de oorspronkelijk eisende partij, huidig geïntimeerde, te horen veroordelen tot betaling van de som van 900.000 BEF of 22.310,42 EUR, meer de gerechtelijke intresten. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank d.d. 24 juni 1998 werden nogmaals de debatten heropend. Bij eindvonnis van de Arbeidsrechtbank d.d. 16 december 1998 werd de hoofdvordering gegrond verklaard en werd appellante veroordeeld om aan geïntimeerde de som van 5.702.491 BEF of 141.361,06 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten op de som van 5.184.083 BEF of 128.510,06 EUR te betalen, terwijl de tegenvordering ontvankelijk, maar ongegrond werd verklaard. Dit vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling maar wel met eventuele mogelijkheid tot kantonnement. Met verzoekschrift dd. 4 februari 1999 heeft appellante hoger beroep ingesteld, waarbij zij vraagt dat de in eerste aanleg gewezen vonnissen zouden vernietigd worden en dat in hoofdorde de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde als niet ontvankelijk, minstens ongegrond zou worden afgewezen, terwijl de tegenvordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard. Ondergeschikt vraagt zij te zeggen voor recht dat de aansluiting onder het P.C. 120 en 151 slechts kan ingaan vanaf het in kracht van gewijsde getreden vonnis omtrent de toepasselijkheid van het P.C. Meer ondergeschikt vraagt zij alvorens uitspraak te doen ten gronde een bijkomend onderzoek te bevelen naar het toepasselijk P.C. In beroepsconclusies handhaaft appellante grotendeels deze vordering. Zij vraagt uiteindelijk in ondergeschikte orde een plaatsopneming te bevelen in aanwezigheid van partijen, dan wel te bevelen dat een omstandig verslag wordt opgemaakt door de Inspectie van Sociale Wetten, waarbij met alle aspecten om de ondernemingsactiviteit te bepalen rekening wordt gehouden en dat een prejudiciële vraag zou gesteld worden aan het Arbitragehof. In volledig ondergeschikte orde vordert zij dat vooraleer de vordering gegrond zou verklaard worden qua bedragen er voor recht zou gezegd worden dat conversie en compensatie dient te gebeuren, alsook te bevestigen dat appellante gerechtigd is de R.S.Z.-bijdragen welke zij betaald heeft op de eindejaarpremies terug te vorderen. Wat de oorspronkelijk door appellante ingestelde tegeneis betreft, vraagt zij akte te nemen van de uitbreiding daarvan en de aldus uitgebreide vordering ook ontvankelijk en gegrond te verklaren. In beroepsconclusies wordt door geïntimeerde in graad van hoger beroep een incidentele vordering ingesteld strekkende tot betaling door appellante van een schadevergoeding van 5000 EUR wegens tergend en roekeloos handhaven van de tegeneis. Met verzoekschrift d.d. 10 december 2004, heeft de BVBA SLP, een zusterbedrijf van appellante dat eveneens geleid wordt door TE, akte gevraagd van haar vrijwillige tussenkomst in het geding, teneinde het tussen te komen arrest aan haar gemeen te horen verklaren. In beroepsconclusies herhaalt de vrijwillig tussenkomende partij deze vraag, met dien verstande dat zij zich volledig aansluit bij datgene wat door appellante wordt gevorderd. MOTIVERING ARREST - BEOORDELING 1. Sinds einde 1992 bestaat er discussie omtrent het Paritair Comité onder wiens bevoegdheid de N.V. TTI zou ressorteren. Blijkbaar werd reeds in december 1992 een onderzoek gedaan door de Inspectie van de Sociale Wetten met het oog op het uitbrengen van een advies ter zake. Met brief d.d. 19 januari 1993 wordt door deze inspectiedienst aan appellante gemeld dat men van oordeel is dat de onderneming ressorteert onder het NPC nr. 126 voor de stoffering en de houtbewerking voor de arbeiders en het NPC nr. 218 voor de bedienden. Hiertegen wordt door appellante bezwaar aangetekend, daar zij van mening is dat zij zoals voorheen onder de bevoegdheid thuishoort van het NPC nr. 151 voor de arbeiders en het ANPC nr. 218 voor de bedienden op grond van de motivering dat haar bedrijvigheid in hoofdzaak bestaat uit de productie van waterbedden, waarbij de houtbewerking en de stoffering van ondergeschikt belang is. Naar aanleiding van dit bezwaar wordt door de Inspectie van de Sociale Wetten een aanvullend onderzoek verricht (stukken 4, 5 appellante). Op basis daarvan komt de Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen (hierna aangeduid met DCAB) tot het besluit dat de ondernemingsactiviteit bestaat uit de fabricage van watermatrassen en verleent deze dienst op 14 juli 1993 het advies dat de onderneming ressorteert onder het PC voor de textielnijverheid en het breiwerk voor de arbeiders (PC nr. 120) en voor de bedienden (PC nr. 214). Tegen dit door de DCAB verleende advies werd door appellante eerst met brief d.d. 8 oktober 1993 bezwaar aangetekend. Daarbij wordt nogmaals het standpunt herhaald dat appellante de mening is toegedaan dat zij op basis van haar ondernemingsactiviteit thuishoort in het aanvullend paritair comité nr. 151 voor de arbeiders en nr. 218 voor de bedienden. Met brief d.d. 28 oktober 1993 meldt de DCAB dat het bezwaarschrift zou worden onderzocht. Met brief dd. 29 december 1993 meldde de DCAB dat het eerder gegeven advies behouden bleef. In deze brief verwijst deze dienst ook naar de motieven waarop dit advies gesteund is. 2. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid deelde met brief d.d. 10 maart 1994 mee aan appellante dat de NACE - code 52122 (niet gespecialiseerde kleinhandel), welke in het verleden aan haar was toegekend, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1993 werd gewijzigd in de code 25240 (o.a. vervaardigen van watermatrassen). Tevens werd gemeld dat de controlediensten voor de betrokken kwartalen de wijzigende berichten zouden opmaken. Met brief d.d. 5 mei 1994 laat appellante aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid weten dat zij niet akkoord kan gaan met deze wijziging. 3. Op 6 november 1996 verhoort de I.S.W. TE opnieuw in het kader van een onderzoek betreffende het bevoegde PC en het standpunt dienaangaande van appellante (stuk 12 appellante) 4. Met brief d.d. 22 april 1997 van de RSZ (stuk 2 appellante) wordt geïntimeerde in kennis gesteld van het advies van de DCAB van 14 juli 1993. Uit dit schrijven blijkt eveneens dat appellante reeds geruime tijd bij de RSZ is ingeschreven onder de werkgeverscategorie 000 voor de fabricage van watermatrassen (PV nr. 120 voor de handarbeiders en PC nr. 214 voor de hoofdarbeiders). In opvolging van deze mededeling werden door geïntimeerde op 23 april 1997 de debetnota's nrs. 9440955, 9510954, 9520952, 9530951, 9540944, 9610946, 9620939, 9630915, 9640910, 9710898 en 9720883 met betrekking tot de bijdragen verschuldigd voor het 1ste kwartaal 1994 tot en met het 3de kwartaal 1996 opgesteld en verzonden aan appellante. Appellante protesteerde deze nota's met haar brief van 25 april 1997. 5. Vervolgens ging geïntimeerde over tot dagvaarding in betaling van deze bijdragen voor de bevoegde Arbeidsrechtbank. 6.1. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering 6.1.1. De dagvaarding zou gesteund zijn op onrechtmatig verkregen gegevens Appellante houdt voor dat de initiële vordering onontvankelijk is omdat het bedrag van de bijdragen waarvan betaling wordt gevraagd werd berekend aan de hand van gegevens die op onrechtmatige wijze werden verkregen. De wijze waarop de vordering door geïntimeerde begroot werd kan echter geen gevolgen hebben op de ontvankelijkheid daarvan. De discussie betreffende de begroting van deze vordering raakt de grond van de zaak. Van zodra een beslissing is genomen over de principiële gegrondheid van de vordering, kan slechts een nuttig debat gevoerd worden over de berekening van de verschuldigde bijdragen. De beoordeling of de oorspronkelijk eisende partij (geïntimeerde) al dan niet op rechtmatige wijze in het bezit is gekomen van bepaalde gegevens waarop zijn berekening van de bijdragen is gesteund is naar het oordeel van het Hof van secundair (niet ondergeschikt) belang. Wanneer geoordeeld wordt dat appellante onder de bevoegdheid valt van het paritair comité van de textielnijverheid en het breiwerk, staat het vast dat principieel de niet verjaarde bijdragen verschuldigd zijn en behoort het aan partijen het bewijs aan te brengen omtrent de basis waarop de berekening van de hoegrootheid van deze bijdragen dient te gebeuren. Wanneer op dat ogenblik wordt aangetoond dat bepaalde bewijselementen in dat verband op onregelmatige wijze werden verkregen dan kan dit gesanctioneerd worden door deze gegevens als bewijsmiddel te weren uit het debat. Dit heeft evenwel niet tot gevolg dat de ontvankelijkheid van de vordering als dusdanig daardoor aangetast zou worden. 6.1.2. Het voorwerp van de dagvaarding is de betaling van de bijdragen en de vraag of appellante al dan niet ressorteert onder het PC van de textielnijverheid en het breiwerk Appellante houdt voor dat volgens de inleidende dagvaarding het voorwerp van de vordering de betaling van een bepaald bedrag aan bijdragen is. Daar waar duidelijk is gebleken dat in eerste instantie aan de rechter de vraag dient gesteld te worden of appellante al dan niet ressorteert onder het PC van de textielnijverheid en het breiwerk, werd in deze dagvaarding het onderwerp van de vordering, steeds volgens appellante, niet of onjuist omschreven. Dit maakt dan een schending uit van artikel 702, 3° Ger.W., waarin bepaald wordt dat het exploot van dagvaarding op straffe van nietigheid het onderwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering dient te bevatten. Het betreft bijgevolg een exceptie van nietigheid van de dagvaarding wegens een vormgebrek, een zogenaamde procedurele exceptie die in principe moet voorgedragen worden 'in limine litis' of 'tegelijk en voor enig ander middel' (art. 864, 1ste lid Ger. W.). Dit principe geldt alleen niet indien de exceptie de openbare orde raakt zoals bij bepaalde bevoegdheidsregels of indien het een verzuim of onregelmatigheid betreft zoals bedoeld in artikel 862 Ger. W. (art. 854 en 864, 2de lid Ger. W.). Het eventuele vormgebrek, bestaande in het niet of onjuist vermelden van het onderwerp of de korte samenvatting van de middelen van de vordering, raakt niet de openbare orde en maakt geen deel uit van de verzuimen of onregelmatigheden opgesomd in artikel 862, ,§ 1 Ger. W. De hierop gesteunde exceptie van nietigheid diende bijgevolg opgeworpen te worden voor elk verweer aangaande de zaak zelf. Dit laatste is niet gebeurd, vermits deze exceptie pas werd opgeworpen door appellante na het tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt dd. 21 januari 1998 en dus nadat zij reeds ten gronde had geconcludeerd tot het ontvankelijk, maar ongegrond verklaren van de vordering van geïntimeerde. Deze exceptie van nietigheid van de dagvaarding dient derhalve verworpen te worden op grond van artikel 864 Ger. W. Ten overvloede moet er ook op gewezen worden dat de rechtsvordering strekkende tot betaling van bijdragen op grond van de wettelijke bepalingen die gelden voor de werkgevers die ressorteren onder het PC van de textielnijverheid en het breiwerk op zichzelf ook tot voorwerp heeft te horen zeggen voor recht dat de gedagvaarde onderneming ook effectief onder de bevoegdheid van dat PC valt. Dergelijke vordering heeft ook tot doel de rechtbank te vatten betreffende het eventueel geschil inzake het voor deze werkgever bevoegde paritair comité. 6.1.3. Het gebrek aan hoedanigheid en belang Appellante houdt ook voor dat de vordering onontvankelijk is omdat geïntimeerde noch de vereiste hoedanigheid, noch het vereiste belang had om de rechtsvordering in te stellen. Artikel 17 Ger. W. voorziet inderdaad dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Artikel 18 van datzelfde wetboek voegt daar nog aan toe dat het belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn en dat de rechtsvordering kan worden toegelaten indien zij zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen. Volgens appellante heeft geïntimeerde niet de vereiste hoedanigheid omdat bij betwisting over het bevoegde PC het aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toebehoort om een rechtsvordering in te stellen ten einde hierover uitspraak te horen doen. Hiervoor steunt zij zich op de redenering dat wanneer ter zake door de DCAB een advies werd verstrekt (waartegen op zich geen rechtsvordering mogelijk

  1. is)de RSZ hieraan gevolg zal geven door het met dit advies overeenstemmende inschrijvingsnummer aan de werkgever toe te kennen, wat een individueel geschil tussen deze openbare instelling en de werkgever tot gevolg kan hebben waaromtrent zowel door de ene als de andere betrokken partij een rechtsvordering kan ingesteld worden. Deze redenering is juist indien daaraan wordt toegevoegd dat het in eerste instantie de RSZ zal zijn die als openbare instelling geconfronteerd kan worden met betwisting inzake het bevoegde PC waarover hij zich tot de arbeidsrechtbanken kan wenden om hierover een uitspraak te doen. Daarbij mag ook niet vergeten worden dat ook de betrokken werkgever op dat ogenblik deze mogelijkheid heeft. Dit belet echter niet dat de betwisting inzake het bevoegde PC zich ook als een individueel geschil kan voordoen in een later stadium tussen bijvoorbeeld een Fonds voor bestaanszekerheid en de werkgever. Wanneer, zoals in casu, zowel de RSZ als de werkgever in geval van betwisting geen initiatief nemen om de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde arbeidsrechtbank, wordt immers het ingevolge het advies van de DCAB bevoegd geachte Fonds voor Bestaanszekerheid geconfronteerd met een werkgever die weigert de verschuldigde bijdragen te betalen. Artikel 2 van de wet van 7 januari 1958 voorziet dat de Fondsen voor Bestaanszekerheid rechtspersoonlijkheid genieten en dat hun statuten door de paritaire comités worden vastgesteld en bindend verklaard in de bij artikel 1 van deze wet bepaalde vormen. In artikel 6 van diezelfde wet wordt verder bepaald dat wanneer de statuten voorschrijven dat het Fonds zelf de inning en de invordering van de bijdragen verzekert, zij ook de termijn bepalen binnen welke de betrokken werkgevers de verschuldigde bijdragen moeten betalen, alsook dat in de statuten de bijslag en de rente bepaald kunnen worden welke verschuldigd zijn wanneer die termijn niet in acht wordt genomen. Artikel 7 van deze wet voorziet tenslotte dat de statuten ook kunnen bepalen dat de bijdragen geïnd of ingevorderd worden door een van de instellingen belast met de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid. In artikel 3 van de statuten van het Fonds voor bestaanszekerheid voor de textielnijverheid en het breiwerk (CAO van 9 april 1981 algemeen verbindend verklaard bij KB van 5 juni 1981) wordt bepaald dat het Fonds tot doel heeft de bijdragen nodig voor zijn werking te innen, de aanvullende sociale voordelen aan de arbeiders van de ondernemingen welke ressorteren onder het PC voor de textielnijverheid en het breiwerk toe te kennen en de uitkering van deze voordelen te verzekeren. Artikel 16 van diezelfde statuten voorziet dat de bijdragen door het Fonds voor bestaanszekerheid voor de textielnijverheid en het breiwerk worden geïnd, dat zij om het kwartaal door de werkgevers verschuldigd zijn en dat de sommen die voor elk vervallen kwartaal verschuldigd zijn door de werkgever moeten gestort worden op de postrekening van het Fonds binnen de termijn bepaald voor de betaling van de sociale zekerheidbijdragen. Het is bijgevolg de taak van geïntimeerde om zorg te dragen voor de inning van de bijdragen die verschuldigd zijn door de werkgevers die ressorteren onder het PC voor de textielnijverheid en het breiwerk. Geïntimeerde heeft dan ook ongetwijfeld de vereiste hoedanigheid om de rechtsvordering tot betaling van deze bijdragen in te stellen. Uit het voorgaande volgt eveneens dat geïntimeerde evenzeer het vereiste eigen belang heeft. Ten onrechte wil appellante dit in twijfel trekken met haar redenering welke grotendeels gestoeld is op het artikel 11 van de hoger reeds vermelde statuten. Het nakomen door geïntimeerde van haar eigen verplichtingen ten opzichte van de werknemers staat los van de verplichtingen die appellante heeft ten aanzien van het Fonds ingevolge de voor haar geldende C.A.O.'s gesloten in het PC voor de textielnijverheid en het breiwerk. Bijgevolg heeft geïntimeerde wel degelijk een persoonlijk en rechtstreeks belang bij de rechtsvordering tot recuperatie van de in deze CAO's voorziene bijdragen en meer in het bijzonder bij de rechtsvordering die er toe strekt te horen zeggen voor recht dat appellante op grond van haar ondernemingsactiviteit onderworpen dient te worden aan het PC voor de textielnijverheid en het breiwerk. Appellante betaalde ten deze de verschuldigde bijdragen aan de RSZ, welke deze betalingen ook zou aanvaard hebben. Appellante formuleert in dat verband een pertinente rechtsvraag hoe het kan dat, indien appellante niet aangesloten is en ressorteert onder PC nr. 120, geïntimeerde dan de hoedanigheid kan hebben om de bijdragen te innen, nu precies als voorwaarde wordt gesteld dat de werkgever "ressorteert" onder dat bewuste PC. Vraag is volgens appellante hoe men bijdragen kan innen van een werkgever die men niet eens als "aangesloten" beschouwt, terwijl men de werknemers zeker niet als "aangesloten, ressorterend onder" beschouwt. 6.1.4. De onontvankelijkheid van de vordering wegens gebrek aan voorafgaande bemiddelings- en verzoeningspoging Appellante houdt ook voor dat de vordering onontvankelijk moet verklaard worden bij gebreke aan voorafgaande poging om tot een minnelijke regeling te komen. Nu geïntimeerde in feite vrij laat werd ingelicht over het advies van de DCAB en het standpunt van de RSZ inzake het voor appellante bevoegde PC en het feit dat in die visie deze laatste bijdragen verschuldigd was aan haar, diende het Fonds wel alert te reageren, rekening houdende met de verjaringstermijn van haar vordering. Het is dan ook begrijpelijk dat geïntimeerde, eens in het bezit van het schrijven waarin appellante nogmaals duidelijk stelde dat zij van oordeel was niet te ressorteren onder het PC voor de textielnijverheid en het breiwerk, zo vlug mogelijk is overgegaan tot dagvaarding ten einde deze zaak te brengen voor de enige instantie die over dit geschil een definitieve uitspraak kon doen. Appellante laat overigens na te preciseren op welke wettelijke bepaling zij zich steunt om voor te houden dat bij gebreke aan voorafgaande poging tot verzoening of bemiddeling onderhavige rechtsvordering onontvankelijk zou moeten verklaard worden. 6.1.5. De exceptie van verjaring van de vordering De eerste rechter hield terecht voor dat het middel van verjaring dat door appellante werd en nog steeds wordt opgeworpen betreffende de bijdragen verschuldigd uit hoofde van het 1ste en 2de kwartaal 1994 beschouwd dient te worden als een middel van onontvankelijkheid. Het betreft hier evenwel geen procedurele exceptie van ontvankelijkheid, zijnde een exceptie die er toe strekt de procedure op zich of bepaalde proceshandelingen onregelmatig te verklaren of de loop van de procedure te vertragen, zodat zij, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de hoger onder sub 6.1.2 behandelde exceptie, wel in elk stadium van het geding kan opgeworpen worden. Zij kan enkel, voor zover zij althans niet van openbare orde is, niet voor de eerste maal worden opgeworpen in cassatie. Artikel 21 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid voorziet dat de vordering tegen een werkgever wegens het niet-betalen van de bijdrage verjaart drie jaar na de datum waarop deze bijdrage eisbaar wordt. Zoals hoger reeds gesteld bepaalde het toen geldende artikel 16 van de statuten van het Fonds voor de textielnijverheid en het breiwerk, in uitvoering van artikel 6 van de wet van 7 januari 1958, dat de bijdragen om het kwartaal verschuldigd waren en dat zij betaald moesten worden binnen de termijn bepaald voor de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen. Dit betekent dat de bijdragen eisbaar waren de eerste dag van de maand volgend op het kwartaal waarop zij betrekking hadden. Vermits eerst op 16 mei 1997 werd gedagvaard in betaling door geïntimeerde en niet wordt voorgehouden, noch bewezen dat rekening moet gehouden worden met een vroegere daad van stuiting van de verjaring, is de vordering in betaling van de bijdragen verschuldigd uit hoofde van het 1ste kwartaal 1994 alleszins verjaard en niet toelaatbaar. 7. De onderwerping aan het Paritair Comité voor de textielnijverheid en het breiwerk 7.1. Een onderneming ressorteert in beginsel onder één enkel paritair comité. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal een onderneming onder twee of meer paritaire comités ressorteren. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer verschillende soorten van werk worden verricht binnen dezelfde onderneming zonder dat deze enig verband met elkaar hebben en in afzonderlijke en van elkaar verwijderde lokalen worden uitgevoerd, met personeel dat uitsluitend voor één welbepaald soort werk wordt ingezet. Een andere reden om een uitzondering op hoger genoemde regel toe te laten, is dat hiervoor geldige, bijvoorbeeld door de traditie of een oude gewoonte ingegeven argumenten, kunnen worden aangevoerd (H. Bocksteins - H. Buyssens, "Afbakening en bevoegdheden van de paritaire comités" in CAO-Recht, losbl., Ced. Samsom, P.C.-7.3/19, blz. 757, nr. 1290). Hoewel er geen algemeen arbeidsrechtelijk beginsel bestaat volgens hetwelk een onderneming slechts ressorteert onder één paritair comité (Cass. 17 februari 1992, J.T.T. 1992, 223), wordt het ressort van een paritair comité in beginsel bepaald door de hoofdactiviteit van de betrokken onderneming, tenzij uit het oprichtingsbesluit een ander criterium blijkt, zoals de gewone of normale activiteit van de onderneming (Cass. 14 januari 1991, J.T.T. 1991, 176-177; Cass. 9 september 1991, R.W. 1991-92, 881; Cass. 17 juni 1996, R.W. 1996-97, 917). Bij meerdere activiteiten binnen eenzelfde onderneming kan de regel dat 'de bijzaak de hoofdzaak volgt' worden toegepast. 7.2. Het bepalende criterium tot vaststelling van het bevoegde paritair comité is dan ook de werkelijke of effectieve ondernemingsactiviteit, ongeacht het beroep, de taken of de functies van de werknemers die tewerkgesteld worden in het kader van deze activiteit. De ondernemingsactiviteit is de activiteit die het bestaan van de onderneming of de organisatie rechtvaardigt en die niet kan worden afgestoten (uitbesteed) zonder de aard van de onderneming te wijzigen. Hiermee wordt die activiteit bedoeld die uitgeoefend wordt met het oog op de verwezenlijking van winst in economische ondernemingen of met het oog op het nastreven van het gestelde doel in non-profit organisaties. Naast de ondernemingsactiviteit, is binnen de onderneming sprake van de bedrijfsfuncties, waarmee dan de verschillende deelactiviteiten bedoeld worden waarvan de samensmelting leidt tot de uitoefening van de ondernemingsactiviteit. Er kan ook alleen met de werkelijke ondernemingsactiviteit rekening gehouden worden als criterium om het bevoegde paritair comité aan te duiden. Dit betekent dat in concreto dient nagegaan te worden wat de ondernemingsactiviteit(
  2. en)is (zijn) van het bedrijf in kwestie (Arbh. Bergen 7 juni 1985, J.T.T. 1986, 261). Voor de bepaling van het bevoegde paritair comité voor een onderneming met meervoudige bedrijvigheden geldt het principe "de bijzaak volgt de hoofdzaak" voor: - ondernemingen met meerdere economische activiteiten maar met een polyvalente tewerkstelling van het personeel; - ondernemingen met één economische activiteit in het kader waarvan verschillende bedrijfsfuncties worden uitgeoefend. De hoofdactiviteit vormt ook niet altijd het criterium dat bepaalt tot welk paritair comité een onderneming behoort. Voor bepaalde economische bedrijfstakken geldt de normale activiteit van een onderneming als criterium dat bepaalt tot welk paritair comité een onderneming behoort (bijvoorbeeld: het paritair comité voor het bouwbedrijf). De normale activiteit van de onderneming sluit de occasionele activiteit uit, maar vormt niet noodzakelijk de hoofdactiviteit. 7.3. Over de discussie onder welk paritair comité een welbepaalde onderneming ressorteert kan het advies ingewonnen worden van de Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het toenmalige Ministerie van Tewerkstelling (nu FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg). Het advies van deze Dienst voor collectieve arbeidsbetrekkingen is niet bindend voor de arbeidsgerechten aan wie de beoordeling van de toepasselijkheid van een geldende CAO wordt voorgelegd, ook niet wanneer de werkgever verwaarloost op dit advies opmerkingen te maken zodat dit advies in feite definitief geworden is (Arbh. Gent 23 februari 1989, T.S.R. 1989, 206). De adviezen, uitgebracht door de Dienst van collectieve arbeidsbetrekkingen na een onderzoek en op grond van bepaalde criteria, binden de rechter niet en binden evenmin de werkgever (J. Petit, "De CAO-Wet: overzicht van rechtspraak en rechtsleer (1968-2002), T.S.R. 2002, nr. 89, blz. 206; Arbh. Antwerpen 15 december 2004, www.juridat.be). 7.4. Artikel 1, ,§1 van het KB dd. 5 februari 1974 tot oprichting van sommige paritaire comités en tot vaststelling van hun benaming en bevoegdheid voorziet dat een Paritair Comité voor de textielnijverheid en het breiwerk (nr. 120) wordt opgericht voor de werknemers die hoofdzakelijk handenarbeid verrichten en hun werkgevers van onder meer die ondernemingen wiens activiteit omschreven kan worden als "het ineenwerken en afwerken van rubber- of van soortgelijke stoffen vervaardigde matrassen, en van andere niet metalen matrassen, tenzij dit geschiedt in meubelfrabrieken". In artikel 1, ,§2 van datzelfde KB wordt bepaald dat een paritair comité (nr. 214) voor de textielnijverheid en het breiwerk wordt opgericht voor de werknemers die hoofdzakelijk hoofdarbeid verrichten en hun werkgevers van al de ondernemingen die voor hun arbeiders ressorteren onder het paritair comité voor de textielnijverheid en het breiwerk. 7.5. In casu dient onderzocht te worden of de ondernemingsactiviteit van appellante beschouwd kan worden als "het ineenwerken en afwerken van rubber- of van soortgelijke stoffen vervaardigde matrassen, en van andere niet metalen matrassen, tenzij dit geschiedt in meubelfabrieken" en dient enkel nagegaan te worden of appellante al dan niet ressorteert onder de bevoegdheid van het paritair comité voor de textielnijverheid en het breiwerk. De door geïntimeerde gevorderde bijdragen kunnen slechts verschuldigd zijn wanneer vastgesteld wordt dat appellante ressorteert onder de bevoegdheid van hoger genoemd PC. 7.6.1. Geïntimeerde is de mening toegedaan dat appellante als watermatrassenfabricant door haar activiteiten ressorteert onder de bevoegdheid van het paritair comité voor de textielnijverheid en het breiwerk en meent zich daarvoor grotendeels te kunnen beroepen op het definitief advies van de Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid d.d. 14 juli 1993 en de brief van diezelfde Dienst d.d. 29 december 1993 waarin op gemotiveerde wijze het eerder genoemde advies werd bevestigd. Zij meent zich ook te kunnen steunen op de brief van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid d.d. 22 april 1997 waarin wordt bevestigd dat rekening houdende met het advies van Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen van 14 juli 1993 de werknemerscategorie 000 voor de fabricage van watermatrassen (PC 120 voor de handarbeiders - PC 214 voor de hoofdarbeiders) behouden blijft. 7.6.2. Op basis hiervan stelt geïntimeerde dat de hoofdzakelijke ondernemingsactiviteit van appellante bestaat in het vervaardigen van watermatrassen, welke activiteit perfect beantwoordt aan één van de omschrijvingen welke gegeven wordt in artikel 1, ,§1,
  3. a)van het KB van 5 februari 1974, meer in het bijzonder "het ineenwerken en afwerken van rubber- of van soortgelijke stoffen vervaardigde matrassen en van andere niet-metalen matrassen". 7.6.3. Appellante betwist dit en houdt voor dat de fabricage van watermatrassen ondergeschikt is aan de hoofdzakelijke activiteit welke bestaat in de fabricage, commercialisering en verkoop van volledige waterbedsystemen. Waterbedden kunnen niet gelijk worden gesteld (volgens appellante) met "klassieke" matrassen, die een behandeling vergen die aansluit op de traditionele activiteiten en vaardigheden, die men vaststelt in bedrijven, onderworpen aan het PC voor de textielnijverheid en het breiwerk. De hoofdzakelijke activiteit bestaat hier uit fabricage, commercialisering en verkoop van "volledige" waterbedsystemen, waarbij cijfermatig de commercialisering en verkoop het hoofdbestanddeel van de activiteit uitmaakt. Appellante is hieromtrent zeer duidelijk: - appellante fabriceert en verkoopt volledige slaapsystemen (bedden, achterwanden, nachttafels) en dit sedert het begin van haar activiteit; - de fabricage van waterbedden is precies de activiteit die het bestaan van de onderneming rechtvaardigt en die niet kan worden uitbesteed; - appellante hoeft zelfs geen matrassen te maken; deze kunnen perfect worden uitbesteed of ingevoerd (vb. uit China); - voor het enkel fabriceren van matrassen is geen markt en kan overigens niet geconcurreerd worden tegen landen als China; - appellante heeft een patent genomen op de bedden, niet op de matrassen, hetgeen voldoende aantoont dat de fabricage van volledige slaapsystemen de activiteit is die het bestaan van de onderneming rechtvaardigt. Het Hof stelt in casu vast dat de Inspectie van Sociale Wetten op grond van een onderzoek d.d. 05.12.1992 eerst van oordeel was dat de bedrijvigheid van appellante bestond uit fabricage van waterbedden, zodat volgens de Inspectie appellante ressorteerde onder PC nr. 126 voor wat de arbeiders betreft, om enkele maanden later van oordeel te zijn dat de activiteit bestond in de fabricage van watermatrassen met het gevolg dat appellante ressorteert onder PC nr. 120. De inschrijving onder de werkgeverscategorie 000 heeft niet tot noodzakelijk gevolg dat appellante sowieso ressorteert onder PC 120. De werkgeverscategorie verwijst niet naar een bepaald PC wél dat betalingen van bijdragen welke voordien via de RSZ dienden te gebeuren, vanaf dat ogenblik dienen betaald aan en geïnd door een Fonds voor Bestaanszekerheid. Nu de RSZ de betalingen aanvaardt onder categorie '000' kan worden gesteld dat appellante aan de RSZ betaalde "voor rekening van wie het behoort". Indien de RSZ van oordeel was dat appellante ressorteerde onder PC 120 hadden zij de door appellante betaalde bijdragen dienen over te maken aan het Waarborgfonds hetgeen zij blijkbaar nooit heeft gedaan, zo blijkt tenminste uit de voorliggende gegevens. De reden waarom de RSZ de betalingen aanvaardde is mogelijk omdat appellante nooit en tot op heden nog steeds niet aangesloten is bij geïntimeerde. Appellante kan geen bijdragen verschuldigd zijn aan geïntimeerde zolang zij niet is aangesloten bij dat Fonds. 7.6.4. Hieruit blijkt dat er discussie bestaat over de hoofdzakelijke ondernemingsactiviteit welke bepalend is voor de aanduiding van het voor de onderneming bevoegde paritair comité. 8.1. In dit dossier zijn de onderzoeken van de ISW, waarnaar verwezen wordt in de adviezen van de Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen, blijkbaar niet in het bezit van de gedingvoerende partijen. Minstens worden deze niet voorgelegd. 8.2. Naar het oordeel van het Hof zijn de objectieve gegevens welke normalerwijze verstrekt worden in deze onderzoeksverslagen van de ISW van belang voor de beoordeling van een geschil inzake de bevoegdheid van een PC. In casu dient vastgesteld dat de ISW in eerste instantie adviseerde dat appellante ressorteerde onder PC 126 (hout - 1992) om later van oordeel te zijn dat het PC nr. 120 (textiel) diende te zijn. Bovendien, voor wat Sleep Line Productions betreft, werd op basis van de onderzoeken van ISW nog in 1999 PC nr. 126 geadviseerd, dat nadien

(2003)werd gewijzigd in PC
  1. Het Hof acht het derhalve zeker opportuun om in te gaan op de suggestie, geformuleerd in het ter zitting van 28 september 2005 gelezen en neergelegd schriftelijk advies, om via het Auditoraat-generaal opdracht te geven aan de Inspectie van de Sociale Wetten om alle reeds bestaande verslagen van onderzoek van deze inspectiediensten betreffende deze onderneming, aangevraagd door de Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen, voor te leggen en een nieuw onderzoek in te stellen bij appellante ten einde vaststelling te doen van alle relevante en nuttige elementen noodzakelijk voor de bepaling van het voor deze onderneming bevoegde paritair comité. 8.
  2. Het komt nadien partijen toe eventueel bijkomend standpunt in te nemen, na kennisname van de verslagen. 8.
  3. Na kennisname van alle onderzoeksverslagen, kunnen eventueel nog verdere dienstige onderzoeksmaatregelen, zo nodig, bevolen worden (plaatsopneming enz...) of eventueel een bijkomend onderzoek aan de Inspectie van de Sociale Wetten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer F. S., Substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 28 september
  4. Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en reeds deels gegrond in de volgende beperkte mate. Zegt voor recht dat de vordering tot betaling van de bijdragen verschuldigd voor het eerste kwartaal 1994 verjaard is. Alvorens verder recht te doen, beveelt de heropening der debatten teneinde de heer Advocaat-generaal toe te laten bijkomende inlichtingen in te winnen zoals hoger omschreven onder sub 8.
  5. en stelt de zaak voor verder behandeling op de openbare terechtzitting van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Maastrichterstraat 100 te 3500 Hasselt van woensdag 8 maart 2006 om 14.30 uur. Houdt inmiddels de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van negen november tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. M., Kamervoorzitter, de heer B. J., Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer J.V., Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, aangewezen bij beschikking d.d. 9 november 2005 door de heer J.M., Kamervoorzitter die de Eerste Voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer T. C., Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.), mevrouw L. K., e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051109.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.