← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051118.19

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051118.19 Rolnummer: 2003-0726 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-01 03:35 Fiches 1 - 3 De beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om de door de werkgever in zijn vrijwillige aangifte toegepaste bijdrageverminderingen te verwerpen is geen bestuurshandeling in de zin van de Wet van 29 juli

  1. Het toepassingsgebied van deze wet is immers beperkt tot deze beslissingen van een of andere administratieve overheid die gezagshalve, zonder de toestemming van de betrokkene, rechten of verplichtingen scheppen en daarom eenzijdig verbindend en uitvoerbaar zijn en het "privelège du préalable" genieten. Het bericht van wijziging der bijdragen ingevolge een ambtshalve doorgevoerde regularisatie heeft geen onmiddellijke rechtsgevolgen en is in se niet uitvoerbaar vermits de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij gebreke aan vrijwillige betaling de aldus verschuldigde bijdragen moet invorderen door te dagvaarden voor de arbeidsrechtbank. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur verweten worden wanneer hij niet onmiddellijk of binnen korte termijn gereageerd heeft op de vrijwillige aangifte van de werkgever waarbij deze de bijdragevermindering van het 'plus-één-plan' toepaste. In het systeem van vrijwillige aangifte door de werkgever dat in de R.S.Z.-wetgeving wordt gehanteerd heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een passieve een aanvaardende rol met weliswaar de mogelijkheid van controle binnen de wettelijk bepaalde verjaringstermijn. Het begrip 'technische bedrijfseenheid' waarvan sprake in artikel 117, ,§2 van de Programmawet van 30 december 1988 en waarvan geen definitie wordt gegeven in de wet zelf dient voornamelijk benaderd te worden vanuit de doelstelling van deze wettelijke bepaling, met name een aangroei van de tewerkstelling te bekomen en de druk op de werkloosheidsuitkeringen te verlichten. Bijgevolg dient bij de beoordeling of twee firma's een zelfde technische bedrijfseenheid uitmaken in de zin van deze wet onderzocht te worden of de firma die zich beroept op de bijdragevermindering daadwerkelijk aan extra tewerkstelling heeft gedaan op het werkterrein dat het hare is en niet dat deze firma's economisch, commercieel of technisch in elkaar gevlochten zijn en een eenheid vormen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . ADMINISTRATIEF RECHT motivering van bestuurshandelingen - toepassingsgebied wet 27/07/1991 - bestuurshandeling - begrip - beginselen van behoorlijk bestuur - schending. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 1 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN motivering van bestuurshandelingen - begrip - beginselen van behoorlijk bestuur - schending - bijdrageregeling - bijdrageverminderingen 'plus-één-plan' - technische bedrijfseenheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-09-1948 - 14 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING inning en invordering van de bijdragen - aangifte - bijdrageregeling - bijdrageverminderingen 'plus-één-plus' - technische bedrijfseenheid - begrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet - 30-12-1988 - 115en117 - 31 ELI link Pub nr 1989021219 Nota: Gerangschikt onder I L - artikel 1, onder IV A - artikel 14 en onder VII A - artikel
  2. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2006(00941,P.122-125) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - noot - 2006(00005,P.290-293) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2030726 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: B. met zetel gevestigd te ..... met ondernemingsnummer ....., eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr....., advocaat te ..... tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr......, advocaat te...... Na beraadslaging over de zaak, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 7 januari 2004, van 27 mei 2005, van 24 juni 2005 en van 9 september 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 23 juni 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 12 december 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 15 december 2003; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 10 mei 2004; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 4 juni 2004; x de aanvullende en syntheseconclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit Hof op 14 oktober 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 750, ,§2 van het Ger.W. van verweerder in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 januari 2005; x de opmerkingen van eiser in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 februari 2005; x de beschikking van de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, in toepassing van artikel 750, ,§2 van het Ger.W. van 23 februari 2005; x de aanvullende en syntheseconclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 februari 2005; x het advies van het Openbaar Ministerie, gelezen en meegedeeld aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3 eerste lid van het Ger.W. op 12 september 2005; x de laattijdige repliekconclusies voor eiser in hoger beroep. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 27 mei
  3. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 9 september
  4. De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat De B. was gespecialiseerd in de import, de export en de verkoop van tuinbenodigdheden, waarbij de verkoop en de levering van polyester zwembaden en de erbij horende tuinaanleg een belangrijke activiteit was. Deze firma werd bestuurd door D. Haar echtgenoot M was in dienst van de B.V.B.A. als werknemer. Bij overeenkomst van 24 oktober 1998 werd het handelsfonds van D. overgenomen door de B., toen nog in oprichting, voor de prijs van 2.500.000 BEF. Deze overeenkomst bepaalt onder artikel 6 uitdrukkelijk dat de koper geen sociaal passief overneemt van de verkoper. De koper kan naar eigen inzicht personeelsleden aanwerven. Uit het administratief dossier dat later werd opgemaakt door de inspectiediensten van de R.S.Z. blijkt dat de vier werknemers die voorheen waren tewerkgesteld bij D tenslotte door B. werden aangeworven. B. paste voor de arbeider J. het plus 1 plan toe. Voor E., ook arbeider, werd vervolgens het plus 2 plan toegepast. D ging failliet op 12 augustus
  5. Ondertussen was X., de zaakvoerder, overleden op 26 april
  6. Op 30 oktober 2000 ontving B. controle van de inspectiediensten van de R.S.Z. Als gevolg van deze controle stuurde de R.S.Z. een bericht van wijziging, opgesteld op 12 juni 2001, dat gemotiveerd was als volgt: "regularisatie van de verminderingen plus 1 plan en plus 2 plan wegens dezelfde technische bedrijfseenheid, ingevolge grondig nazicht van de elementen in ons dossier". Hiermee expliciteerde de R.S.Z. zijn intentie om de toegepaste bijdrageverminderingen te annuleren en bood hij de rekening aan voor een bedrag van 10.652,43 euro over het vierde kwartaal 1998 tot en met het eerste kwartaal
  7. De raadsman van de B. vroeg om meer uitleg in een brief van 25 juli
  8. Uiteindelijk ging de R.S.Z. over tot dagvaarding op 12 november 2001 voor een bedrag van 6.961,57 euro. Het bestreden vonnis De eerste rechter bij vonnis van 23 juni 2003 was van oordeel dat D en B inderdaad één technische bedrijfseenheid uitmaakte zodat B. ten onrechte bijdrageverminderingen had toegepast voor haar twee werknemers en hij veroordeelde haar tot een bedrag dat ondertussen was teruggebracht tot 5.571,88 euro, te vermeerderen met de intresten. Op de terechtzitting van 27 mei 2005 bevestigen de raadslieden van beide partijen dat dit vonnis niet werd betekend. Eisen in hoger beroep B. tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit Hof op 12 december
  9. Grieven: - de eerste rechter oordeelde ten onrechte dat de beslissing van de R.S.Z. behoorlijk en afdoende was gemotiveerd; - de eerste rechter ging voorbij aan de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; - ten gronde ging de eerste rechter voorbij aan het gegeven dat M niet de zaakvoerder was van D. en dat hij enkel omwille van zijn stielkennis werd aangeworven door B. B vraagt om het eerste vonnis te vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. als ongegrond af te wijzen. De R.S.Z. vraagt om het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. Volgens het recht De uitdrukkelijke motivering B. blijft van oordeel dat de R.S.Z. zijn beslissing waarmee hij de bijdrageverminderingen, die zij had toegepast, annuleerde, onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij verwijst naar de toepassing van de Wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het Hof is echter van oordeel, in navolging van het Openbaar Ministerie, dat de beslissing waarmee de R.S.Z. de bijdrageverminderingen, die door B waren toegepast, annuleerde geen bestuurshandeling is in de zin van de Wet van 29 juli
  10. Het Hof kan zich aansluiten bij de argumentatie op dit punt, die het Openbaar Ministerie laat gelden in zijn schriftelijke advies van 9 september 2005, die luidt als volgt: B neemt aan dat een dergelijk bericht van wijziging der bijdragen beschouwd dient te worden als een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden. Zij stelt dat dit bericht van wijziging der bijdragen in feite en in rechte onvoldoende gemotiveerd is en dat daarenboven dit gebrek aan feitelijke en juridische overwegingen niet kan hersteld worden door te verwijzen naar het administratief dossier dat slechts wordt meegedeeld in de loop van de procedure. Artikel 1 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat als bestuur dient beschouwd te worden de administratieve overheden zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het kan niet betwist worden dat openbare diensten zoals de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid onder het toepassingsgebied van de wet vallen. De vraag stelt zich echter of de betrokken handeling - het opstellen van het bericht van wijziging der bijdragen - wel beschouwd kan worden als een bestuurshandeling welke geviseerd door de wet van 29 juli
  11. De hoger vernoemde wetsbepaling omschrijft het begrip "bestuurshandeling" zoals gebruik in de wet van 29 juli 1991 als volgt: "De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur." Immers niet elke administratieve handeling die door een bestuur wordt gesteld is een rechtshandeling die in het kader van vernoemde wet uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. Het toepassingsgebied van de wet is beperkt tot de "administratieve rechtshandelingen" in de traditionele betekenis, met name deze beslissingen van een of andere administratieve overheid die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkene, rechten of verplichtingen scheppen en daarom eenzijdig verbindend en uitvoerbaar zijn en het "privelège du préalable" genieten. (P. Van Orshoven, "De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen", R.W. 1991-92, kol. 489-490; zie ook Gedr. St., Kamer, 1990-91, nr. 1595-4, p. 2; Gedr. St., Senaat, B.Z., 1988, nr. 215-3, p. 31). Het moet bijgevolg gaan om een beslissing die direct rechtsgevolgen teweegbrengt en een uitvoerbare kracht heeft, waarbij het bestuur zich kan beroepen op het voorrecht van de directe tenuitvoerlegging en zich niet eerst tot de rechter hoeft te wenden alvorens zijn beslissing te kunnen uitvoeren. (J. Vande Lanotte & C. Cerexhe, "De motiveringsplicht van bestuurshandeling", uitg. Die Keure - 1992, blz. 23-24). De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bepaalt, krachtens artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, ambtshalve het bedrag van de (nog) verschuldigde bijdragen aan de hand van alle reeds voorhanden gegevens, of na alle daartoe nuttig geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever die verplicht is ze te verstrekken, en stelt vervolgens de werkgever van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering bij aangetekende brief in kennis daarvan. Overeenkomstig artikel 40, eerste lid, van voornoemde wet kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, onverminderd zijn recht om voor de rechter te dagvaarden, de bedragen die hem verschuldigd zijn eveneens bij wijze van dwangbevel invorderen. De litigieuze handeling bestaat in een met toepassing van voornoemd artikel 22 opgemaakt bericht tot wijziging van de verschuldigde bijdragen. Dergelijk bericht heeft geen onmiddellijke rechtsgevolgen en is derhalve niet uitvoerbaar, aangezien eiser de hem verschuldigde bijdragen ofwel moet invoeren bij wijze van dwangbevel ofwel de bijdragen moet invorderen door te dagvaarden voor het arbeidsgerecht. Het bericht van wijziging der bijdragen van 12 juni 2001 beantwoordt bijgevolg niet aan de in de wet van 29 juli 1991 gehanteerde omschrijving van het begrip "bestuurshandeling". Met het opstellen van dit bericht nam eiser geen van rechtswege uitvoerbare beslissing. Met dit bericht had eiser enkel de bedoeling vast te stellen welk bedrag verweerder, naar de mening van eiser, nog verschuldigd was op dat ogenblijk en dat de intentie bestond om dit bedrag zo nodig gerechtelijk in te vorderen, ten einde overigens een uitvoerbare titel te verkrijgen. De ambtshalve bepaling van de bijdragen met toepassing van artikel 22 van de Sociale Zekerheidswet en dus ook het bericht van wijziging der bijdragen zelf dient daarom gezien te worden als een louter informatieve of voorbereidende handeling voor de door eiser voorgenomen gerechtelijke vervolging, dit alles ten gevolge van het door eiser ingenomen standpunt wat betreft het aanvullend verschuldigd zijn van bijdragen en aankleven. Dergelijke handelingen kunnen niet beschouwd worden als bestuurshandelingen in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli
  12. (cfr. Cass. 25 april 1997, Arr. Cass. 1997, nr. 202, blz. 489 e.v., Cass. 18 december 2000, Arr. Cass. 2000, 2023 t/m 2025; Arbh. Antwerpen 4de K, 11 februari 2005, A.R. nr. 2040079, www.juridat.be; Arbh. Brussel 27 mei 2004, J.T.T. 2005, 2)." Ten onrechte is B van oordeel dat het Openbaar Ministerie een té beperkende interpretatie geeft aan het begrip bestuurshandeling. Het is immers duidelijk dat de R.S.Z. de rechtsgevolgen van zijn beslissing in het rechtsverkeer niet kan verwezenlijken zonder eerst bij de rechter te passeren, die grondwettelijk de plicht heeft om zijn beslissing, die op dezelfde feiten betrekking heeft, uitdrukkelijk te motiveren. Bovendien stelt het Hof vast dat B, in haar conclusies niet uitwerkt wat de precieze weerslag op het huidige geschil zou zijn van het gegeven dat de R.S.Z. zijn beslissing onvoldoende motiveerde. Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur B beklaagt er zich over dat de R.S.Z. haar geen bijkomende inlichtingen heeft gevraagd toen zij haar eerste personeel tewerkstelde en dat hij niet reageerde toen zij de bijdrageverminderingen uit het +1 en +2 plan is gaan toepassen. Evenmin heeft de R.S.Z. haar bij de aanvang de nodige inlichtingen verschaft over de concrete toepassingsvoorwaarden van het +1 en +2 plan. Bovendien heeft de R.S.Z. zijn beslissing genomen, aldus B zonder haar de mogelijkheid te hebben geboden om zich te verdedigen B besluit in de volgende zin: "Het is derhalve duidelijk dat geïntimeerde niet zorgvuldig te werk is gegaan en dat zij gehandeld heeft op een wijze die op een onevenredige en ontoelaatbare wijze de rechten en belangen van concluante schendt. Geïntimeerde heeft door haar eigen onzorgvuldig handelen van bij de aanvang van de bijdrageverminderingen, concluante op heden in een onevenredig verzwaarde positie gebracht waarin zij zich niet zou hebben bevonden mocht geïntimeerde van bij de aanvang haar huidige beslissing kenbaar hebben gemaakt." Aldus heeft de R.S.Z. de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, aldus Het Hof kan in eerste instantie verwijzen naar het advies van het Openbaar Ministerie waarbij er op gewezen wordt dat het systeem dat door de R.S.Z.- wetgeving wordt gehanteerd een systeem is van vrijwillige aangifte door de werkgever, waarbij de R.S.Z. een passieve en aanvaardende rol speelt. De R.S.Z. kan wel via zijn controlebevoegdheid nagaan of de aangiften door de werkgever correct gebeuren, maar er bestaat geen wettelijke verplichting voor de R.S.Z. om systematisch elke aangifte die bij hem binnenkomt te controleren. Als voorwaarde tot een dergelijk systeem, waarbij de werkgever op eigen risico aangifte moet doen bij de R.S.Z., is er de kennis bij de werkgever van wat de wet toelaat en wat niet. Met andere woorden, het komt de werkgever toe om, alvorens gebruik te maken van een opportuniteit die de wet hem verschaft, zoals in casu, zich duidelijk en volledig te informeren over de juiste voorwaarden waaronder hij van deze opportuniteit gebruik kan maken. Zeker in dit geval van bijdrageverminderingen, die voor B niet meer waren dan een gunstmaatregel, ligt de bal niet zozeer in het kamp van de R.S.Z., die zelf niet aan de basis ligt van het tot stand komen van deze maatregel, maar wel in het kamp van de werkgever, B in dit geval, die als goede huisvader zichzelf de juist toepassingsvoorwaarden van de maatregel moet eigen maken. Eigenlijk is de R.S.Z. een toeschouwer bij het in praktijk brengen door de werkgevers van tewerkstellingsbevorderende maatregelen die de wetgever heeft uitgevaardigd. Het enige wat de R.S.Z. hierbij kan doen is door middel van controles nagaan of de werkgevers deze maatregelen correct in praktijk brengen. Is dat niet zo, dan kunnen zij ingrijpen. Maar als toeschouwer rust er op de R.S.Z. stricto sensu geen voorafgaande informatieverplichting, geen hoorplicht en geen te respecteren timing, tenzij het respecteren van de verjaringstermijn. Met dit systeem voor ogen heeft de R.S.Z. de beginselen van behoorlijk bestuur in casu niet geschonden. De grond van de zaak: de technische bedrijfseenheid Om te kunnen genieten van de bijdrageverminderingen die B toepaste, moest zij vallen onder de toepassingsvoorwaarden van de Programmawet van 30 december
  13. Wat betreft de toepasselijke wetgeving en de historiek ervan, verwijst het Hof naar de uiteenzetting van de R.S.Z. op blz. 8 en 9 van zijn aanvullende en synthesebesluiten van 14 oktober 2004 en sluit het zich daarbij aan. De bepalingen van deze Programmawet van 30 december 1988 betreffende de vermindering van werkgeversbijdragen, hadden als voornaamste doel de bestaande regelingen van het Koninklijk Besluit nr. 111 van 15 december 1982 en van het Koninklijk Besluit nr. 498 van 31 december 1986 samen te brengen en te harmoniseren. Het Koninklijk Besluit nr. 111 was vooral van toepassing op nieuwe werkgevers die hun eerste werknemer in dienst namen en het Koninklijk Besluit nr. 498 gold voor werkgevers die hun personeelsbestand verhoogden door het in dienst nemen van jonge of langdurige werklozen. Artikel 115 van deze Programmawet voorziet een bijdragevermindering voor de werkgever die een nieuwe werknemer in dienst neemt slechts bij zoverre deze nieuwe werknemer een netto aangroei van het personeelsbestand uitmaakt. Overeenkomstig artikel 117, ,§1 van deze Programmawet wordt de vereiste netto aangroei geacht gerealiseerd te zijn, indien de werkgever: a) ofwel nooit is onderworpen geweest aan de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969, b) ofwel sedert ten minste twaalf ononderbroken kalendermaanden die de indienstname voorafgaan, niet meer aan deze wet onderworpen is geweest. Volgens artikel 117, ,§2 geniet deze in ,§1 bedoelde werkgever niet van de bepalingen indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden, voorafgaand aan de indienstname, in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest. Deze uitzondering was in het oorspronkelijke Koninklijk Besluit nr. 111 niet voorzien. Volgens de memorie van toelichting beoogt de tweede paragraaf van artikel 117 te vermijden dat een loutere wijziging van het juridische statuut van de werkgever, zonder dat dit enige schepping van werkgelegenheid meebrengt, recht geeft op het voordeel van de maatregel (Memorie van toelichting, Gedr. St. Kamer, 1988-89, nr. 609/1,58 ) (Cass., 19 april 3003, J.T.T. 2003, 383t/m 386). In dit verband kan ook worden verwezen naar artikel 129 van deze Programmawet, dat bepaalt dat de toename van het aantal werknemers niet mag voortvloeien uit fusie, splitsing, omzetting of opslorping van ondernemingen. x x x In dit dossier beroept de R.S.Z. zich op de toepassing van artikel 117, ,§2 van voornoemde Programmawet en houdt hij voor dat de D en B eenzelfde technische bedrijfseenheid vormden. Zelf bepaalt de Programmawet niet wat er precies moet worden begrepen onder een 'technische bedrijfseenheid'. Sommigen houden voor dat naar de inhoud van dit begrip alsdan moet worden gezocht in andere wetgevingen. Zo is het begrip 'technische bedrijfseenheid' omschreven in artikel 14 van de Wet van 20 september 1948, houdende de organisatie van het bedrijfsleven. Het Hof is het er niet mee eens dat bij ontstentenis van een definitie van het begrip 'technische bedrijfseenheid' in de Programmawet van 30 december 1988 zelf, men zich zonder meer kan verlaten op de inhoud van dit begrip, zoals het in andere wetten wordt gedefinieerd. De begripsomschrijving van de andere wetten is hoogstens een toetssteen. Het Openbaar Ministerie wijst er terecht op dat de finaliteit van elke wet anders is. Bovendien is er ook rekening te houden met het veranderde tijdsbeeld sinds een bepaalde wet van kracht is geworden. Ter beoordeling van wat een technische bedrijfseenheid is in het kader van deze Programmawet, is het belangrijk dat er gekeken wordt naar de aangroei van de tewerkstelling. De Programmawet is immers een instrument om de tewerkstelling in de late jaren tachtig aan te zwengelen. Ze wil meteen ook een aanmoediging zijn voor ondernemers om personeel of meer personeel aan te werven. Men wil de druk op de werkloosheidsuitkeringen verlichten. Het is vanuit deze invalshoek dat moet worden onderzocht niet of de firma's achter welke men een bedrijfseenheid vermoedt, economisch, commercieel of technisch in elkaar gevlochten zijn en een eenheid vormen maar wel of de firma die zich beroept op de bijdragevermindering daadwerkelijk aan extra tewerkstelling heeft gedaan op het werkterrein dat het hare is. Dit is in casu niet het geval. De vraag is of de tewerkstelling van J. en E., bij B het volume van de globale tewerkstelling kwam vergroten. Werd de globale werkloosheid door deze tewerkstelling verminderd? Het antwoord hierop is negatief omdat de bedrijvigheid die door deze werknemers mede in stand werd gehouden werd overgenomen door B van D. B bevestigt dat zij de werknemers van D in dienst nam omdat zij gespecialiseerd waren in hun job. B maakte het leveren en het onderhouden van polyester zwembaden tot zijn hoofdactiviteit. Deze bedrijvigheid was voorheen in handen van D. Zij werd gerealiseerd door de tewerkstelling o.a. van J. en E.. Onder meer omwille van de gezondheidstoestand van DD. werd de bedrijvigheid vanaf 24 oktober 1998 ondergebracht bij een andere persoon, B. De eenheid tussen D en B is klaar omdat uit de elementen van het dossier duidelijk naar voren komt dat de echtgenoot van DD, M., de man is die de bedrijvigheid van het leveren en onderhouden van de zwembaden gestalte geeft. Hij deed dat bij D en hij doet dat bij B. Aldus is er in de bedrijvigheid zelf geen verandering gekomen: ze werd voorheen (D) en ze wordt nu (B) gestalte gegeven door M die zich voorheen liet en zich nu laat bijstaan o.a. door J en E. Dat er allerlei randvoorwaarden werden veranderd, zoals het onderbrengen van de bedrijvigheid in een nieuwe vennootschap, het veranderen van adres en het afstoten van bijbehorende activiteiten, zoals het plaatsen van de zwembaden en het aanleggen van tuinen, doet geen afbreuk aan de bedrijfseenheid of de eenheid van bedrijvigheid tussen D en B. Er is geen sprake van een nieuwe bedrijvigheid die voor nieuwe tewerkstelling zorgde. De uitbating bleef verder lopen, de eraan verbonden tewerkstelling ook. Afgewogen tegen de graad van globale tewerkstelling en/of globale werkloosheid was er geen verandering maar een status quo. Ook de andere elementen, waarnaar het Openbaar Ministerie in zijn advies verwijst ondersteunen de technische bedrijfseenheid tussen D en B. Er is door B nooit ontkend geweest dat de twee bedoelde werknemers voorheen tewerkgesteld waren bij D. Het is dan ook duidelijk dat hun tewerkstelling bij B hun tewerkstelling bij D verving. Er is dus sprake van een technische bedrijfseenheid tussen D en B, zodat deze laatste geen recht had op de bijdrageverminderingen. De gevorderde bedragen zijn niet betwist. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 9 september
  14. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 23 juni
  15. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van B. Vereffent de kosten aan de zijde van de B. op 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 99,95 euro dagvaarding, 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van achttien november tweeduizend en vijf, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer L. DE WINTER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer J. VAN DEN EYNDE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051118.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.