← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051124.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051124.1 Rolnummer: 1998-0389 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-12-30 Raadplegingen: 138 - laatst gezien 2026-07-01 03:35 Fiches 1 - 2 Het Hof merkt op dat appellant de verwijlintrest (l'intérêt de retard) aan de intrestvoet van 10 % vordert vanaf 20 januari 1997, terwijl de wettelijke intrestvoet vanaf 1 september 1996 door de wetgever op 7 % werd gebracht (art. 1 K.B. van 04/08/1996, B.S. 15/08/1996, blz. 21613). Het Hof is van oordeel dat analoog met de burgerlijke sanctie van artikel 54, eerste lid, van het K.B. van 28 november 1969 bij niet-tijdige betaling van RSZ-bijdragen, de bijdragevoet 7 % moet bedragen in plaats van de gevraagde 10 % (Arbh. Bergen, 10/05/2002, J.T.T. 2003, 293, onder punt III

(4)). UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Sancties Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN schorsing van het recht op uitkeringen - sancties - hervatting beroepsbezigheid - aangifte werkgever verwijlintrest. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - 64bis,§8 - 01 ELI link Pub nr 1967122103 Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Koninklijk Besluit - 04-08-1996 - 1 - 59 ELI link Pub nr 1996003412 Fiches 3 - 4 Geïntimeerde betoogt dat zij niet gehouden is tot betaling van de gerechtskosten op grond van artikel 1017, tweede lid Ger. W. Het Hof is het hier niet eens mee. Artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582, 1° en 2° Ger. W. terzake van vorderingen ingesteld door of tegen de gerechtigden, steeds in de kosten wordt verwezen, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is. De kosteloosheid kan niet ingeroepen worden als de procedure niet gevoerd wordt tussen een overheid of instelling enerzijds en een gerechtigde anderzijds, maar een werkgever (J. PETIT, o.c. nr. 685; C. PERSYN, Uitspraak en uitvoering van de rechterlijke beslissing in geschillen van sociale zekerheid, in G. VAN LIMBERGEN (e.d.), Sociaal Procesrecht, Antwerpen - Apeldoorn, MAKLU Uitgevers, 1995, p. 307). Appellant is onbetwistbaar een instelling belast met het toepassen van wetten en verordeningen bedoeld in artikel 580 Ger. W., maar de vraag is of geïntimeerde als een gerechtigde kan worden aangezien. De wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers maakt in artikel 39 van het K.B. nr. 50 van 24 oktober 1967 en artikel 64bis van het K.B. van 21 december 1967 een duidelijk onderscheid tussen 'de pensioengerechtigde' en 'de werkgever'. Vermits geïntimeerde hoger als 'werkgever' werd gekwalificieerd, treedt hij in het geding niet op als gerechtigde en kan hij ook niet als gerechtigde worden beschouwd in de zin van artikel 1017, tweede lid Ger. W. Derhalve is de algemene regel van artikel 1017, eerste lid Ger. W. dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen van toepassing en dient geïntimeerde veroordeeld tot de kosten van het geding (cf. Arbeidshof Gent, 11/09/1998, RVP t/ BVBA TERRYN, A.R. 97/381). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Voorrechten - Gerechtskosten Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK hervatting beroepsbezigheid - aangifte werkgever - sancties - gerechtskosten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1017,2elid - 30 Link Justel databank 19671010-30 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Sancties Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN schorsing van het recht op uitkeringen - sancties - hervatting beroepsbezigheid - aangifte werkgever gerechtskosten. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - 64bis,§8 - 01 ELI link Pub nr 1967122103 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 1017, 2de lid en onder VII E - artikel 39 (andere korte inhoud) en onder VII E - artikel 39
(2x). Annotaties Publicaties: SRK - - 2007 - nr. 8 - blz. 492-496 Tekst van de beslissing A.R. 980389 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: R.V.P., Met zetel te B. appellant, verschijnend bij mr. A. SANTENS loco mr. P. COX, advocaat te 3600 Genk. tegen: V.Z.W. H. ST.-A., met zetel te L. geïntimeerde, verschijnend bij mr. R. NEVEN loco mr. L. CHRISTOFFELS, advocaat te 3620 Lanaken. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 14 oktober 1998, waarvan geen betekening voorligt; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof op 10 november 1998. - de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 12 mei 2003 en de conclusies en aanvullende conclusies van geïntimeerde respectievelijk ontvangen ter griffie op 25 oktober 2002 en 10 mei 2005. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 16 juni 2005. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande procedure Mevrouw L.O. werd sedert 18 juli 1990 door geïntimeerde als sanitaire helpster tewerkgesteld in het kader van het "Derde Arbeidscircuit". Ingevolge het overlijden van haar echtgenoot op 30 augustus 1994, vroeg zij op 19 september 1994 haar pensioen aan. (stuk 1, bundel appellant). Bij administratieve beslissing van 13 december 1994, betekend op 15 december 1994, werd haar een overlevingspensioen (loopbaanbreuk 21/23) toegekend met ingang van 1 augustus 1994; zij liet echter weten tot 30 november 1994 uitkeringen wegens werkloosheid te hebben genoten en vanaf 1 december 1994 een beroepsbezigheid uit te oefenen in dienst van geïntimeerde waarvan de inkomsten beperkt werden tot de toegelaten grenzen; het pensioen kon bijgevolg slechts betaalbaar gesteld worden vanaf 1 december 1994. (stuk 2, bundel appellant). Luidens art. 64 bis K.B. 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers dient de pensioengerechtigde die een in artikel 64 beoogde beroepsbezigheid uitoefent en de werkgever, die de pensioengerechtigde tewerkstelt, elk afzonderlijk een verklaring van uitoefening van deze beroepsbezigheid te doen aan appellant; de pensioengerechtigde is er tevens toe gehouden zijn werkgever per aangetekend schrijven in kennis te stellen van zijn pensioentoestand (,§ 2); de beoogde verklaring door de werkgever moet ten laatste de dertigste dag volgend op de datum van verzending van het aangetekend schrijven van de werknemer geschieden (,§ 5). Op 9 januari 1995 stelt mevrouw O., geïntimeerde, per aangetekend schrijven er van in kennis dat zij vanaf 1 december 1994 een pensioen genoot; geïntimeerde liet evenwel na appellant van deze tewerkstelling op de hoogte te brengen. Krachtens art. 64 bis, ,§ 8, van voormeld besluit is de werkgever bij gebrek aan de beoogde verklaring binnen de vastgestelde termijn, ertoe gehouden aan de appellant een forfaitaire vergoeding te betalen waarvan het bedrag gelijk is aan drie maal het gemiddeld minimum maandinkomen, zoals vastgesteld door de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad. Met de administratieve beslissing van 20 oktober 1995 bracht appellant aan geïntimeerde het bedrag van de forfaitaire vergoeding t.b.v. 128.421 BEF ter kennis. (stuk 3, bundel appellant). Bij aangetekend schrijven van 14 november 1995 gericht aan het Beheerscomité van appellant verzocht geïntimeerde af te zien van de forfaitaire schadevergoeding, evenals de verwijlintresten en de kosten. (stuk 3, bundel geïntimeerde). Op 16 november 1995 dagvaardde geïntimeerde appellant voor de Arbeidsrechtbank te Tongeren teneinde de opgelegde sanctie te horen vernietigen. Op 20 december 1996 besliste het Beheerscomité van appellant: - ingevolge dringende redenen van billijkheid en - dringende redenen van gewestelijk of nationaal belang, gedeeltelijk te verzaken aan de inning van de opgelegde vergoeding en de sanctie terug te brengen tot 128.421 BEF x 40 % = 51.368 BEF. (stuk 4, bundel appellant). Bij besluiten neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 1 februari 1996 stelde appellant een tegeneis in om de veroordeling van geïntimeerde te bekomen tot betaling van voormelde herleide forfaitaire schadevergoeding, méér de wettelijke en de gerechtelijke intresten. (stuk 5, rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank). Bij vonnis van 14 oktober 1998 verklaarde de Arbeidsrechtbank de ingestelde vordering ontvankelijk en gegrond, vernietigde de beslissing van 20 oktober 1995 en verklaarde de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond. De eerste rechters oordeelden enerzijds dat iedereen geacht wordt de wet te kennen en dat een rechtsonderhorige geacht wordt zich te informeren bij de bevoegde instantie maar anderzijds beslisten zij om toch een verschoonbare fout in hoofde van geïntimeerde te weerhouden. Volgens de eerste rechters is het niet redelijk om de bereidheid tot tewerkstelling door een dergelijke promotor te sanctioneren met het opleggen van een boete, zeker niet wanneer daar andere officiële instanties mee gemoeid zijn die in de mogelijkheid waren de zaak in de juiste banen te sturen, maar dit blijkbaar ook uit onwetendheid hebben nagelaten. Bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van het Hof op 10 november 1998 stelt appellant hoger beroep in tegen het vonnis. II. De vorderingen in hoger beroep Appellant verzoekt het Hof het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te vernietigen, zijn administratieve beslissing van 20 oktober 1995 te bevestigen, de tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de som van 1.273,38 EUR (51.368 BEF) te vermeerderen met de verwijlintrest van 10 % per jaar te rekenen vanaf 20 januari 1997 en geïntimeerde tevens te veroordelen tot de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger.W. Geïntimeerde daarentegen verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen in alle schikkingen. De tegenvordering van appellant niet toelaatbaar en onontvankelijk te verklaren, minstens deze tegenvordering als ongegrond af te wijzen en appellant te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. (stuk 9, rechtsplegingsdossier). In aanvullende beroepsbesluiten neergelegd ter griffie van het Hof op 10 mei 2005 stelt geïntimeerde dat de tegenvordering van appellant betreffende de verwijlintresten van 10 % per jaar onontvankelijk minstens ongegrond is. Volgens geïntimeerde dient appellant veroordeeld te worden tot betaling van de kosten van het geding overeenkomstig artikel 1017, tweede lid Ger.W. (stuk 20, rechtsplegingsdossier). III. In Rechte 1. Wettelijk kader: Artikel 39 van het K.B. nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden administratieve beslissing, bepaalt het volgende: "De pensioengerechtigde die een beroepsbezigheid voortzet of hervat, alsmede de werkgever die hem tewerkstelt, dienen binnen een door de Koning te bepalen termijn daarvan aangifte te doen. De Koning bepaalt de sancties op het overtreden van de in het vorige lid gestelde verplichting. Zij mogen niet meer door de Rijksdienst voor pensioenen worden uitgesproken na verloop van een termijn van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop de aangiftetermijn is verstreken. De Rijksdienst voor pensioenen kan, overeenkomstig de door de Koning te bepalen modaliteiten, geheel of gedeeltelijk afzien van de in het vorige lid bedoelde sancties." Artikel 64 bis van het Koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers bepaalt het volgende: ",§ 1. De pensioengerechtigde of de echtgenoot van de pensioengerechtigde beoogt in artikel 64, ,§ 3, laatste lid, die een in artikel 64 beoogde beroepsbezigheid uitoefent en de werkgever, die de pensioengerechtigde tewerkstelt, zijn afzonderlijk gehouden tot de verklaring van uitoefening van deze beroepsbezigheid. ,§ 2. De pensioengerechtigde is er tevens toe gehouden zijn werkgever per aangetekend schrijven in kennis te stellen van zijn pensioentoestand. ,§ 3. De in ,§ 1 beoogde verklaring moet gedaan worden op een formulier dat door het gemeentebestuur en de Rijksdienst voor pensioenen te hunner beschikking wordt gehouden en dat overeenstemt met het model goedgekeurd door de Minister die de pensioenen onder zijn bevoegdheid heeft. Zij moet ondertekend en gedagtekend bij een ter post aangetekend schrijven worden toegestuurd aan de Rijksdienst voor pensioenen. ,§ 4. De in ,§ 1 beoogde verklaring door de gerechtigde of door de echtgenoot moet vóór de aanvang van de bezigheid in die hoedanigheid geschieden. Zij wordt eveneens als voorafgaandelijk beschouwd wanneer zij ingediend wordt binnen de dertig dagen volgend op de aanvang van de bezigheid of op de datum van de betekening van de beslissing houdende toekenning van het pensioen. Het in ,§ 2 beoogd schrijven moet binnen dezelfde termijn geschieden. ,§ 5. (...) ,§ 6. (...) ,§ 7. (...) ,§ 8. Bij gebreke aan de in ,§ 1 beoogde verklaring door de werkgever binnen de vastgestelde termijn is deze ertoe gehouden aan de Rijksdienst voor pensioenen een forfaitaire vergoeding te betalen waarvan het bedrag gelijk is aan het drie maal het gemiddelde minimum maandinkomen, zoals vastgesteld door de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad. De Minister die de pensioenen onder zijn bevoegdheid heeft, stelt de voorwaarden en de modaliteiten betreffende de invordering en de betaling van de vergoeding vast. In uitvoering van artikel 64 bis, ,§ 8, tweede lid, bepalen de artikelen 2 en 3 van het ministerieel besluit van 20 december 1993 dat: Art. 2. "De werkgever is ertoe gehouden het hem ter kennis gebrachte bedrag te storten aan de Rijksdienst voor pensioenen binnen een termijn van dertig dagen na de verzending van het aangetekend schrijven, waarvan sprake in het vorig artikel." Art. 3. "Op de bedragen die niet gestort zijn binnen de in het vorig artikel bepaalde termijn, is de werkgever een verwijlintrest verschuldigd van 10 % per jaar, te rekenen van het verstrijken van deze termijn tot op de dag van betaling." (B.S. 12 januari 1994, blz. 552). 2. Onoverkomelijke rechtsdwaling en zorgvuldigheidsnorm:
  1. a)Geïntimeerde erkent dat zij wel degelijk weet had van de wettelijke verplichting van de werkgever om aangifte te doen bij appellant van elke wijziging die zich voordoet in de situatie van een pensioengerechtigde, alleen stelt zij dat zij in casu waar het ging om een tewerkstelling in het kader van het derde arbeidscircuit (D.A.C.) in de overtuiging verkeerde dat zij niet de werkgever was doch slechts de promotor gezien het loon werd uitbetaald door de V.D.A.B. Geïntimeerde argumenteert dat zij een beoordelingsfout heeft gemaakt door ervan uit te gaan dat de V.D.A.B., die zij als werkgever beschouwde, de nodige formaliteiten in orde zou brengen, fout die verschoonbaar dient verklaard in haren hoofde omdat de regelgevende overheid zelf de oorzaak is van deze beoordelingsfout door de ingewikkelde, onduidelijke en verwarrende wetgeving die hij hieromtrent heeft uitgevaardigd. Ten bewijze hiervan verwijst geïntimeerde naar het feit dat de V.D.A.B. in de maand januari 1997 een rondschrijven richtte aan alle promotoren die D.A.C. - werknemers tewerkstellen waarin zij verwittigd worden dat de verklaring van de promotor betreffende de tewerkstelling van een pensioengerechtigde dient overgemaakt te worden aan de Rijksdienst voor Pensioenen. (stuk 5, bundel geïntimeerde). Geïntimeerde verwijst verder naar de regularisatie van het statuut van de D.A.C. - werknemer op 1 januari 2001 waaruit zou blijken dat zelfs de regelgevende overheid voorheen de V.D.A.B. als werkgever beschouwde. (stuk 7, bundel geïntimeerde). Ook verwijst zij naar art. 17 K.B. nr. 25 van 24 maart 1982. Tenslotte wijst geïntimeerde erop dat zij een V.Z.W. is en geen enkele winst of voordeel heeft trachten te halen uit de gegeven situatie.
  2. b)Het Hof onderschrijft de argumentatie van geïntimeerde betreffende de verschoonbaarheid van haar beoordelingsfout ingevolge onoverkomelijke rechtsdwaling en onzorgvuldigheid vanwege de regelgevende overheid niet. Rechtsdwaling is een schulduitsluitingsgrond, indien zij, wat de feitenkwestie betreft, onoverkomelijk is. De onoverkomelijke dwaling moet met enige voorzichtigheid worden gehanteerd, hetgeen blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het louter verkeerd ingelicht zijn, zelfs door een bevoegd persoon, volstaat niet om de onoverwinnelijke dwaling aan te tonen. (Cass. 19 mei 1987, Arr. Cass. 1986/1987 met noot R. Vanderstraeten). De onoverkomelijkheid houdt in dat de dwaling moet zijn veroorzaakt door een externe factor die niet kan worden toegeschreven aan de nalatigheid van de betrokkene. (B. DE SMET, "De onoverkomelijke rechtsdwaling als wapen tegen overregulering en artificiële incriminaties", R.W. 1992/1993, 1295). De goeder trouw is op zichzelf geen schulduitsluitingsgrond en is bovendien onvoldoende als bewijs van het onoverkomelijk karakter van de dwaling. Art. 14 van het K.B. nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van werkgelegenheid in de niet-commerciële sector bepaalt wie in het kader van het Derde Arbeidscircuit werkgevers kunnen zijn; uit dit artikel blijkt duidelijk dat de V.Z.W. die betrokkene tewerkstelt de werkgever is; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de V.D.A.B. het loon betaalde; geïntimeerde kon redelijkerwijze niet twijfelen aan haar hoedanigheid of de op haar rustende verplichtingen. Overigens dient vastgesteld dat geïntimeerde reeds op 10 maart 1995 (stuk 12, bundel appellant), en nogmaals op 19 januari 1996 een verklaring aflegde, waarbij zij zich uitdrukkelijk voorstelde als de werkgever van de pensioengerechtigde; zij had dus geenszins een rondschrijven uit januari 1997 nodig om haar hoedanigheid te kennen; het Hof ziet niet in waarom geïntimeerde zou verondersteld hebben dat zij, t.o.v. dezelfde instelling en met het oog op de toepassing van dezelfde wetgeving, voor de ene verklaring wel en voor de andere niet de werkgever zou zijn. Ook uit het advies van de Administratie van het Ministerie van Werkgelegenheid en Toerisme kan geïntimeerde geen argument putten om haar standpunt te staven nu hierin m.b.t. de vroegere situatie, die in casu voor de beoordeling van huidig geschil nog geldig is uitdrukkelijk gesteld wordt dat alleen voor de aangelegenheden van de lonen en sociale bijdragen de V.D.A.B. als werkgever wordt beschouwd. Voor de andere aangelegenheden zoals verplichtingen inzake pensioen was geïntimeerde werkgever. Hetzelfde geldt voor het door geïntimeerde aangehaalde artikel 17 van het K.B. nr. 25 d.d. 24 maart 1982. De tekst van het betreffend artikel is duidelijk: de R.V.A. wordt enkel als werkgever beschouwd inzake bijdragen en aansluiting alsook inzake fiscale aangelegenheden derhalve niet inzake pensioen. In elk geval is het zo dat indien geïntimeerde toch van mening was dat enige onduidelijkheid zou hebben bestaan over haar verplichtingen, mocht zij niet bij de pakken blijven zitten maar had zij zich door een competente instantie moeten laten informeren; alleen dan had zij zich kunnen beroepen op een onoverkomelijke rechtsdwaling. Immers om te ontsnappen aan de toepassing van de wetgeving, volstaat het niet dat de dwaling verschoonbaar is, zoals de eerste rechters aannemen; zij moet onoverkomelijk zijn; de onwetendheid of de vergissing, zelfs wanneer deze wordt gekoppeld aan de sociale en economische zwakheid van de burger die van sociale uitkeringen geniet en niet over de vereiste intellectuele bagage en logistieke steun beschikt om op de hoogte te zijn van de ingewikkelde reglementeringen, mag niet te wijten zijn aan een onzorgvuldige gedraging van betrokken; een onoverkomelijke dwaling kan niet aangenomen worden wanneer een persoon heeft nagelaten zich te laten adviseren door een competente instantie; van een normaal zorgvuldige huisvader mag verwacht worden dat hij zich alle mogelijke inspanningen getroost om de juiste draagwijdte van de norm te kennen. (DE SMET, B., De onoverkomelijke rechtsdwaling als wapen tegen overregulering en artificiële incriminaties, R.W. 1992-1993, p. 1291). Het Hof stelt vast dat ook geïntimeerde een gedeelte aanhaalt uit bovenvermeld artikel van B. DE SMET en zij het voorstelt alsof dit de mening van de auteur terzake weergeeft doch vergeet de verdere tekst te citeren die luidt als volgt: "Hoewel op het eerste gezicht deze stelling aanvaardbaar lijkt, betekent een te extreme interpretatie onvermijdelijk het einde van een efficiënte bestraffing van misdrijven die niet rechtstreeks voortvloeien uit de moraal. Precies om een dergelijke ondermijning van het bijzonder strafrecht te vermijden, is het noodzakelijk dat aan de justitiabele een algemene zorgvuldigheidsverplichting wordt opgelegd, om hem aan te zetten tot de kennis van het bestaan van de strafwet en van haar correcte interpretatie. In vergelijking met Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk heeft de Belgische rechtspraak een goed evenwicht tussen de verschillende belangen weten te bereiken door de toepassing van de onoverkomelijkheid als voorwaarde voor schulduitsluiting." (ibid., p. 1295). In casu is het verder zo dat de betrokkene (= geïntimeerde) zelfs geen "sociale en economische zwakke burger is die sociale uitkeringen geniet en niet over de intellectuele bagage en logistieke steun beschikt". Geïntimeerde is nl. een V.Z.W. die een bejaardenhuis runt alsook personeel tewerkstelt en waarvan redelijkerwijze mag verwacht worden dat zij een voldoende kennis heeft van de sociale wetgeving. Het maakt ook niet uit of geïntimeerde enige winst of voordeel heeft trachten te halen uit de gegeven situatie. De ratio legis van art. 64 bis, ,§ 8, bestaat erin een specifieke sanctie te creëren om de niet-naleving van de aangifteplicht van de werkgever van een beroepsbezigheid door een gepensioneerde werknemer te beletten en hierdoor "het zwartwerk" te penaliseren. De forfaitaire vergoeding betreft een herstelvergoeding ertoe strekkende de nadelige gevolgen van de vastgestelde nalatigheden in hoofde van de werkgever te vergoeden ten aanzien van de Rijksdienst voor pensioen, die een openbare dienst is en waarvan de financiering in het gedrang komt door de niet-naleving van de aangifteplicht van een beroepsbezigheid door een gepensioneerde. (Cass. 16 februari 1993, Arr. Cass. 1993, nr. 97). Het Hof merkt op dat de pensioengerechtigde, mevrouw O., geïntimeerde op de hoogte bracht van haar pensionering en de formulieren bezorgde die zij als werkgever aan appellant diende toe te sturen; de meest logische reactie van geïntimeerde zou geweest zijn deze formulieren in te vullen en over te maken zoals zij op 10 maart 1995 en 19 januari 1996 deed met de controleformulieren; indien zij inderdaad van mening was dat niet zij maar de V.D.A.B. deze formulieren diende in te vullen, had zij deze moeten doorzenden met het verzoek het nodige te doen; zij heeft zulks echter nagelaten. Tenslotte wijst het Hof er op dat de burger in zijn relatie met het bestuur blijk moet geven voldoende zorgvuldig, alert en coöperatief te zijn; de eisen van behoorlijk bestuur houden niet alleen in dat het bestuur zich t.a.v. de burger zorgvuldig moet gedragen, maar ook het omgekeerde. (VAN DAMME, M., Goede trouw van burger en bestuur, R.W. 1989-1990, p. 1107-1108); de houding van geïntimeerde beantwoordt in casu geenszins aan deze normen. 3. Ten aanzien van de tegenvordering:
  3. a)Ontvankelijkheid: Bij conclusies neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 1 februari 1996 formuleerde appellant een tegeneis die ertoe strekte geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een forfaitaire vergoeding ten bedrage van 128.421 BEF méér de wettelijke en de gerechtelijke intresten. Het is derhalve volstrekt onjuist wanneer geïntimeerde thans stelt dat de tegeneis tot betaling van de verwijlintresten van 10 % per jaar door appellant voor de eerste keer in hoger beroep wordt gesteld en onontvankelijk is.
  4. b)Gegrondheid: Het verschuldigd zijn door de werkgever van een verwijlintrest van 10 % per jaar wordt uitdrukkelijk gestipuleerd in artikel 3 van het ministerieel besluit van 20 december 1993, en appellant steunt zijn tegeneis op voormelde bepaling. Ten onrechte evenwel meent geïntimeerde dat appellant zich hierdoor baseert op een verkeerd ministerieel besluit, met name een uitvoeringsbesluit van het Koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen, en niet voor de werknemers. Het Belgisch Staatsblad nr. 8 van 12 januari 1994 (Err. Staatsblad van 2 juni 1994, blz. 15045) publiceert op bladzijde 552 het "Ministerieel besluit van 20 december 1993 tot uitvoering van artikel 2, ,§ 8 van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1992 tot uitvoering van de artikelen 10, 25 en 30 van het Koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en van artikel 3 van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van de flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van het werknemerspensioen aan de evolutie van het algemeen welzijn." In hetzelfde Staatsblad, maar op bladzijde 550 werd het "Ministerieel besluit van 20 december 1993 tot uitvoering van artikel 2, ,§ 8, van het Koninklijk besluit van 30 oktober 1992 tot uitvoering van artikel 9, ,§ 1, 1° en 30 bis van het Koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen" gepubliceerd, met identiek dezelfde bepalingen. Appellant steunt zich dus wel degelijk op het juiste besluit. Het Hof merkt echter op dat appellant de verwijlintrest ("l'intérêt de retard") aan de intrestvoet van 10 % vordert vanaf 20 januari 1997, terwijl de wettelijke intrestvoet vanaf 1 september 1996 door de wetgever op 7 % werd gebracht. (art. 1, K.B. van 4 augustus 1996, B.S. 15 augustus 1996, blz. 21613). Het Hof is van oordeel dat analoog met de burgerlijke sanctie van artikel 54, eerste lid, van het K.B. van 28 november 1969 bij niet-tijdige betaling van R.S.Z. - bijdragen, de bijdragevoet 7 % moet bedragen in plaats van de gevraagde 10 %. (Arbh. Bergen 10 mei 2002, J.T.T. 2003, 293, onder punt III
(4)). Dit ambtshalve opgeworpen middel schendt niet de rechten van verdediging van partijen, maar is een loutere toepassing van een wettelijke bepaling die door appellant moet worden nageleefd, zodat de debatten hieromtrent niet moeten heropend worden.
  1. Ten aanzien van de gerechtskosten: Geïntimeerde betoogt dat zij niet gehouden is tot betaling van de gerechtskosten op grond van art. 1017, lid 2 Ger.W. Het Hof is het hier niet mee eens. Artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582, 1° en 2° Ger.W. terzake van vorderingen ingesteld door of tegen de gerechtigden, steeds in de kosten wordt verwezen, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is. De kosteloosheid kan niet ingeroepen worden als de procedure niet gevoerd wordt tussen een overheid of instelling enerzijds en een gerechtigde anderzijds, maar een werkgever (J. PETIT, o.c., nr. 685; C. PERSYN, Uitspraak en uitvoering van de rechterlijke beslissing in geschillen van sociale zekerheid, in G. VAN LIMBERGEN (e.d.), Sociaal procesrecht, Antwerpen - Apeldoorn, MAKLU Uitgevers, 1995, p. 307). Appellant is onbetwistbaar een instelling belast met het toepassen van wetten en verordeningen bedoeld in artikel 580 Ger.W., maar de vraag is of geïntimeerde als een gerechtigde kan worden aangezien. De wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers maakt in artikel 39 van het K.B. nr. 50 van 24 oktober 1967 en artikel 64 bis van het K.B. van 21 december 1967 een duidelijk onderscheid tussen "de pensioengerechtigde" en "de werkgever". Vermits geïntimeerde hoger als "werkgever" werd gekwalificeerd, treedt hij in het geding niet op als gerechtigde en kan hij ook niet als gerechtigde worden beschouwd in de zin van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Derhalve is de algemene regel van artikel 1017, eerste lid, Ger. W. dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen van toepassing en dient geïntimeerde veroordeeld tot de kosten van het geding. (cf. Arbeidshof Gent, 11 september 1998, RVP/BVBA Terryn, AR 97/381). Het hoger beroep is gegrond. O P D I E G R O N D E N: Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde kamer, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. NELISSEN, Advocaat-generaal, in zijn gelijkluidend schriftelijk advies neergelegd op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2005, waarop partijen niet repliceerden. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren d.d. 14 oktober
  2. En opnieuw rechtdoende. Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt de administratieve beslissing van appellant d.d. 20 oktober 1995, behalve voor wat het bedrag van de opgelegde forfaitaire vergoeding betreft die door beslissing van 20 december 1996 door appellant werd herleid tot 1.273,38 EUR. En uitspraak doende over de tegeneis van appellant. Verklaart deze ontvankelijk en deels gegrond. Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellant een forfaitaire vergoeding van 1.273,38 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten van 7 % per jaar vanaf 20 januari
  3. Verwijst geïntimeerde in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep, deze in hoofde van appellant vereffend op 91,47 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, en in hoofde van geïntimeerde vereffend op 48,93 EUR dagvaardingskosten, 91,47 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van vierentwintig november tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: Dhr. G. VERSCHUEREN, Kamervoorzitter, Dhr. R. GIJBELS, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, Dhr. W. MOERMANS, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer - bediende, Mevr. L. COLLA, e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051124.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.