← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051125.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051125.4 Rolnummer: 2003-0550 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-01 03:35 Fiches 1 - 4 De conclusies welke worden neergelegd buiten de in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde conclusietermijnen dienen niet ambtshalve uit de debatten te worden geweerd wanneer de houding van de tegenpartij wijst op een impliciete instemming dat deze conclusies in het debat kunnen blijven. Met repliekconclusies neergelegd in antwoord op het schriftelijk advies van het openbaar ministerie dient geen rekening te worden gehouden voor zover zij inhoudelijk verder gaan dan een loutere repliek, vooral omdat daarin verwezen wordt naar nieuwe stukken. Nieuwe stukken dienen overigens uit de debatten geweerd te worden in toepassing van artikel 740 van het Gerechtelijk Wetboek. Het begrip 'technische bedrijfseenheid' waarvan sprake in artikel 117, ,§2 van de Programmawet van 30 december 1988 en waarvan geen definitie wordt gegeven in de wet zelf dient voornamelijk benaderd te worden vanuit de doelstelling van deze wettelijke bepaling, met name een aangroei van de tewerkstelling te bekomen en de druk op de werkloosheidsuitkeringen te verlichten. Bijgevolg dient bij de beoordeling of twee firma's een zelfde technische bedrijfseenheid uitmaken in de zin van deze wet onderzocht te worden of de firma die zich beroept op de bijdragevermindering daadwerkelijk aan extra tewerkstelling heeft gedaan op het werkterrein dat het hare is en niet dat deze firma's economisch, commercieel of technisch in elkaar gevlochten zijn en een eenheid vormen. Tussen twee rechtspersonen kan er slechts sprake zijn van een technische bedrijfseenheid wanneer de overlater en de overnemer van de bedrijvigheid, waaraan de tewerkstelling gekoppeld is, de voortzetting ervan helemaal zelf in handen hebben en enkel zij tot die voortzetting kunnen beslissen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK gerechtelijk privaatrecht - conclusietermijnen - impliciete toestemming - schriftelijk advies - repliek - verwijzing naar nieuwe stukken - ambtshalve wering uit de debatten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 747§2 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 767 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN gerechtelijk privaatrecht - conclusietermijnen - wijziging naar nieuwe stukken - ambtshalve wering uit de debatten - bijdragen - bijdragevermindering "plus-één-plan" - technische bedrijfseenheid - begrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-09-1948 - 14 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING bijdragen - berekening - bijdragevermindering "plus-één-plan" - technische bedrijfseenheid - begrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 15 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet - 30-12-1988 - 117 - 31 ELI link Pub nr 1989021219 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 747 ,§ 2, onder I A - artikel 767, onder IV A - artikel 14 en onder VII A - artikel

  1. Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2030550 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, eiser in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. I. loco mr, advocaat te, tegen : N., met zetel gevestigd.... , ondernemingsnummer....., verweerder in hoger beroep, voor wie verschijnt: mr. ...loco mr..., advocaat te ...... Na beraadslaging over de zaak, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 1 oktober 2003, van 23 april 2004, van 9 september 2005 en van 23 september 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 26 juni 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout; x het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit Hof op 8 september 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 8 september 2003; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 3 maart 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van verweerder in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 11 maart 2005; x de opmerkingen van eiser in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 maart 2005; x de beschikking van 14 april 2005 van de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W.; x de conclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van het Hof op 9 juni 2005; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 23 juni 2005; x de syntheseconclusies voor eiser in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit Hof op 1 augustus 2005; x de conclusies voor verweerder in hoger beroep, ontvangen op de griffie van dit Hof op 19 augustus
  2. x het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie, gelezen en neergelegd op de zitting van 23 september 2005 en ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek op 26 september 2005; x de repliekconclusies voor eiser in hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 oktober 2005 en ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 oktober 2005; x de opmerkingen voor verweerder in hoger beroep per fax ontvangen op de griffie van dit Hof op 12 oktober
  3. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 9 september
  4. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 23 september
  5. De ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat De N. houdt zich bezig met de fabricage, groot- en kleinhandel van chocoladeproducten. De firma stond in feite op non-actief toen ze op 24 juni 1999 activa overnam van de B, die op 15 juni 1999 failliet was verklaard. De curator had daarbij het personeel ontslagen. N. nam achteraf een aantal van deze ontslagen werknemers in dienst, waaronder: P, B en P. Zij paste voor deze werknemers de bijdrageverminderingen R.S.Z. toe in het kader van het plus 1, plus 2 en plus 3 plan. Op 17 december 2001 liet de R.S.Z. aan N. weten dat de tijdelijke bijdrageverminderingen niet konden worden toegekend omdat er sprake was van een technische bedrijfseenheid tussen de B. Er volgde een uitgebreide briefwisseling, waarbij N betwist van één technische bedrijfseenheid te vormen met de firma B en waarbij de R.S.Z. op zijn standpunt blijft. Op 11 april 2002 betaalde N onder voorbehoud aan de R.S.Z. een bedrag van 21.342,95 euro. Op 28 mei 2002 ging zij vervolgens over tot dagvaarding van de R.S.Z. en zij vordert: x te zeggen voor recht dat ze aanspraak kan maken op het plus 1, plus 2 en plus 3 plan voor de werknemers P, B en P x de teruggave van de intussen betaalde 21.342, 95 euro, meer een vergoeding van 10%. Het bestreden vonnis De eerste rechter, bij vonnis van 26 juni 2003, wees de vordering toe, behalve wat de vergoeding van 10% betreft. Op de terechtzitting van 9 september 2005 verklaarden de raadslieden van partijen dat dit vonnis niet werd betekend. Eisen in hoger beroep De R.S.Z. tekende hoger beroep aan tegen het vonnis a quo bij verzoekschrift, ontvangen op de griffie van dit Hof op 8 september
  6. Hij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis ongegrond te verklaren en de N te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. De R.S.Z. blijft van mening dat er sprake is van één technische bedrijfseenheid. Hij vraagt de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren. N vraagt in hoofdorde het hoger beroep als ongegrond af te wijzen. In ondergeschikte orde vraagt zij dat de R.S.Z. zou worden verplicht al zijn onderzoeken en de daaruit voortvloeiende beslissingen zou voorleggen, telkens er in zijn praktijk sprake is geweest van de overname van activa van een failliete onderneming en dit in het kader van de toekenning van bijdragevermindering in het plus 1, plus 2 en plus 3 plan. In haar beroepsbesluiten van 23 juni 2005 vraagt N tenslotte een voorbehoud omtrent het instellen van een vordering wegens tergend en roekeloos geding. Zij herhaalt dit voorbehoud niet in haar synthesebesluiten van 19 augustus
  7. Volgens het recht Conclusies die in aanmerking worden genomen
  8. De beschikking van 14 april 2005 (processtuk 11) voorziet dat de R.S.Z. zijn eerste conclusies in hoger beroep aan zijn tegenpartij moest overleggen tegen 27 mei
  9. Diezelfde beschikking bevatte de aanbeveling aan de partijen om, bij het overleggen van hun conclusies aan hun tegenpartij, tegelijkertijd het origineel ervan neer te leggen ter griffie. De R.S.Z. hield zich niet aan deze aanbeveling want zijn eerste conclusies werden ter griffie pas ontvangen op 9 juni
  10. In de antwoordconclusies van N, neergelegd ter griffie op 23 juni 2005, vraagt zij niet om de conclusies van de R.S.Z. uit de debatten te weren wegens laattijdigheid maar wenst zij integendeel te antwoorden op de argumentatie, die in deze conclusies is terug te vinden. Deze stellingname doet het vermoeden rijzen dat N blijkbaar tijdig de eerste conclusies van de R.S.Z. heeft ontvangen, althans in haar ogen. Deze stellingname is gelijk te stellen met een impliciete instemming van N dat bedoelde conclusies in het debat kunnen blijven.
  11. Dezelfde redenering kan worden gevolgd in verband met de syntheseconclusies van de R.S.Z., die ter griffie pas werden ontvangen op 1 augustus 2005, daar waar de beschikking van 14 april 2005 voorzag dat ze moesten worden overgelegd ten laatste op 15 juli
  12. In haar syntheseconclusies , ter griffie ontvangen op 19 augustus 2005, drukt N opnieuw de wens uit om te antwoorden op de syntheseconclusies van de R.S.Z. Ook deze wens is op te vatten als een instemming met het neerleggen van deze conclusies en het aanwezig blijven ervan in het debat. Overigens deze syntheseconclusies van N zelf werden ter griffie pas ontvangen op 19 augustus 2005, terwijl de beschikking van 14 april 2005 voorzag dat ze moest worden overgelegd uiterlijk op 5 augustus
  13. Op geen enkel moment heeft de R.S.Z. gevraagd om deze laatste conclusies van N uit de debatten te weren wegens laattijdigheid. Het Hof begrijpt dat het vervallen van de conclusietermijnen binnen de gerechtelijke vakantie allicht de oorzaak is van de kleine vertragingen. Het Hof wenst aan deze vertragingen niet zwaarder te tillen dan nodig. Al de omstandigheden, die hogerop werden geschetst, in acht genomen, aanvaardt het Hof de impliciete instemming van de beide partijen met het wederzijds neerleggen van de tot dusver genoemde conclusies, zodat er geen reden is om deze uit de debatten te weren.
  14. Anders ligt het met de repliekconclusies van de R.S.Z. op het advies van het Openbaar Ministerie. Deze conclusies zijn wél tijdig neergelegd ter griffie op 7 oktober 2005 (processtuk 21) maar inhoudelijk gaan ze verder dan louter een repliek, niet in het minst omdat erin wordt verwezen naar nieuwe stukken, die samen met deze conclusies worden neergelegd. Omdat alle stukken, waarvan een partij gebruik wenst te maken, moeten neergelegd zijn uiterlijk vóór het sluiten van de debatten, worden de bedoelde stukken hier uit de debatten geweerd (toepassing van artikel 740 Ger. W.) Met de repliekconclusies wordt evenmin rekening gehouden bij zoverre ze argumenten ten gronde bevatten en niet beperkt zijn tot een loutere repliek op het advies van het Openbaar Ministerie. x x x De grond van de zaak Terzake is de vraag aan de orde of N al dan niet gerechtigd is op de tijdelijke bijdrageverminderingen, die ze toepaste voor haar werknemers P, B en P in de periode 15 juli 1999 t.e.m. 30 september
  15. N is van oordeel van wel en zij steunt zich op de bepalingen van de Programmawet van 30 december 1988 en het Koninklijk Besluit van 14 maart
  16. Het Hof verwijst, met betrekking tot het wettelijke kader van huidige betwisting, graag naar de rubriek "de relevante wettelijke bepalingen" op blz. 4 en 5 van het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie. De R.S.Z. meent dat N geen recht heeft op deze bijdrageverminderingen en hij steunt zich op de regel dat men geen bijdrageverminderingen kan genieten in het kader van het plus-één, het plus-twee en het plus-drie plan als de eerste, tweede of derde in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt, die in de loop van de twaalf kalendermaanden, voorafgaande aan de indienstneming, in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest (o.a. artikel 117, ,§ 2 van voornoemde Programmawet). De R.S.Z. geeft correct aan dat het kernpunt van de betwisting de vraag betreft of de failliete vennootschap, de B en N eenzelfde technische bedrijfseenheid vormen. Zelf bepaalt de Programmawet niet wat er precies moet worden begrepen onder een 'technische bedrijfseenheid'. Sommigen houden voor dat naar de inhoud van dit begrip alsdan moet worden gezocht in andere wetgevingen. Zo is het begrip 'technische bedrijfseenheid' omschreven in artikel 14 van de Wet van 20 september 1948, houdende de organisatie van het bedrijfsleven. Het Hof is het er niet mee eens dat, bij ontstentenis van een definitie van het begrip 'technische bedrijfseenheid' in de Programmawet van 30 december 1988 zelf, men zich zonder meer kan verlaten op de inhoud van dit begrip, zoals het in andere wetten wordt gedefinieerd. De begripsomschrijving van de andere wetten is hoogstens een toetssteen. Het Openbaar Ministerie wijst er terecht op dat de finaliteit van elke wet anders is. Bovendien is er ook rekening te houden met het veranderde tijdsbeeld sinds een bepaalde wet van kracht is geworden. Ter beoordeling van wat een technische bedrijfseenheid is in het kader van deze Programmawet, is het belangrijk dat er gekeken wordt naar de aangroei van de tewerkstelling. Volgens de memorie van toelichting beoogt de tweede paragraaf van artikel 117 te vermijden dat een loutere wijziging van het juridische statuut van de werkgever, zonder dat dit enige schepping van werkgelegenheid meebrengt, recht geeft op het voordeel van de maatregel (Memorie van toelichting, Gedr. St. Kamer, 1988-89, nr. 609/1,58 ) (Cass., 19 april 3003, J.T.T. 2003, 383t/m 386). In dit verband kan ook worden verwezen naar artikel 129 van deze Programmawet, dat bepaalt dat de toename van het aantal werknemers niet mag voortvloeien uit fusie, splitsing, omzetting of opslorping van ondernemingen. De Programmawet is een instrument om de tewerkstelling in de late jaren tachtig aan te zwengelen. Ze wil meteen ook een aanmoediging zijn voor ondernemers om personeel of meer personeel aan te werven. Men wil de druk op de werkloosheidsuitkeringen verlichten. Het is vanuit deze invalshoek dat moet worden onderzocht niet of de firma's achter welke men een bedrijfseenheid vermoedt, economisch, commercieel of technisch in elkaar gevlochten zijn en een eenheid vormen maar wel of de firma die zich beroept op de bijdragevermindering daadwerkelijk aan extra tewerkstelling heeft gedaan op het werkterrein dat het hare is. Het bestaan van een technische bedrijfseenheid kan ten vroegste worden vastgesteld op het tijdstip, waarop de indienstneming van de drie werknemers door N plaatsvond. In casu kwamen B en P in dienst op 15 juli
  17. P vervolgens op 1 september
  18. Het begrip bedrijfseenheid verwijst naar eenheid. Deze eenheid is cruciaal bij de beoordeling. Eenheid vereist het bestaan van minstens twee componenten, twee rechtspersonen in casu, waartussen de eenheid moet bewezen zijn. Eenheid zal slechts voorhanden zijn wanneer de overlater en de overnemer van de bedrijvigheid, waaraan deze tewerkstelling is gekoppeld, de voortzetting ervan helemaal zelf in handen hebben en enkel zij tot die bepaalde voortzetting kunnen beslissen. Slechts in die omstandigheden kan er besloten worden tot het bestaan van een technische bedrijfseenheid, waarbinnen het verplaatsen van de pionnen op het speelbord (lees: het verplaatsen van de werknemers binnen de eigen bedrijfseenheid), geen extra tewerkstelling oplevert. In casu is er het faillissement van de B dat maakt dat de voortzetting van de bedrijvigheid van de B (de fabricage van chocolade) door N niet uitsluitend in handen was van de eigenaars van deze twee firma's en ook niet enkel zij tot die voortzetting hebben besloten. De bedrijvigheid van de B is daarentegen terecht gekomen in een vereffening, die in handen werd gegeven van de curatoren en waarbij de eigenaars van de B geen beslissingsrecht meer hadden. Aldus is het faillissement een externe factor die zich van buitenaf opdringt in het voortzetten van de bedrijvigheid en op die manier de eenheid doorbreekt omdat de oorspronkelijke eigenaars van de bedrijvigheid (de aandeelhouders van deB ) niet kunnen beslissen over het lot van hun bedrijvigheid. Over dit lot wordt beslist door de curatoren die rekening moeten houden met de toepassing van de faillissementswet. De situatie van vereffening waarin de bedrijvigheid terecht komt, betekent juridisch wel een eindpunt. De beste illustratie daarvan is dat de werknemers die de bedrijvigheid levend moesten houden, door de curatoren werden afgedankt. Door dit ontslag gaat de algemene tewerkstellingsgraad achteruit. Het is deze achteruit gegane tewerkstellingsgraad die als referentiepunt dient op het ogenblik dat N, na overname van de activa uit het faillissement, bepaalde werknemers opnieuw werk verschaft. Dit verloop van de eenheid met onderbreking door het faillissement zou anders moeten worden beoordeeld, indien zou blijken dat het faillissement door de oorspronkelijke eigenaars zou zijn georganiseerd om zich aldus te ontdoen van een pakket lastige schulden, om nadien dezelfde bedrijvigheid in een of andere alternatieve vorm weer verder te zetten. Indien een dergelijke realiteit zou zijn aangetoond, zou de bedrijfseenheid vanzelfsprekend bewaard zijn gebleven en zou er geen aangroei van de tewerkstelling bewezen zijn. Belangrijk is dus om na te gaan of de oorspronkelijke eigenaars van de bedrijvigheid bij machte waren om aan hun werknemers het behoud van hun tewerkstelling te garanderen doorheen de reorganisatie die ze hun bedrijvigheid lieten ondergaan. In casu zijn er in de bijgebrachte dossiers geen elementen terug te vinden die er kunnen op wijzen dat het faillissement van de B op een of andere manier werd georchestreerd zodanig dat de bedrijfseenheid tussen deze B en N is blijven bestaan ondanks het faillissement. Dat het faillissement werd uitgesproken op aangifte is geen bewijs van een mogelijke collusie maar is een toepassing van een wettelijke regel. Wie als zakenman opgehouden heeft te betalen, is wettelijk verplicht aangifte te doen van zijn onvermogen. Dat er door N studies werden uitgevoerd naar de bedrijvigheid van de B is een kwestie van tijdsplanning (wanneer wordt de aangifte het best gedaan?) maar is daarom nog geen bewijs van collusie tussen de B en N Zoals de kaarten nu op tafel liggen, bestond er geen juridische mogelijkheid voor de eigenaars van de B om zich van de voortzetting van hun bedrijvigheid te verzekeren. Het faillissement was onafwendbaar. Dit faillissement vormt een breuk tussen de bedrijvigheid van de B en de nieuwe bedrijvigheid van N. Precies omdat beiden, omwille van de onzekere beslissing van de curatoren over het lot van de bedrijvigheid, zich niet van de voortzetting ervan konden verzekeren, konden zij aan de werknemers geen enkele garantie bieden van verdere tewerkstelling. Aldus staat er geen bedrijfseenheid vast tussen de bedrijvigheid van de B, die omwille van een externe factor (het faillissement) teneinde kwam op 15 juni 1999 en de nieuwe bedrijvigheid van N, die slechts het levenslicht kon zien dankzij een externe factor, namelijk de toewijzing door de curatoren aan hen van de activa van de failliete boedel. Deze externe factor, waarvan beide firma's wezenlijk afhankelijk waren, sluit juridisch de voortzetting van de bedrijvigheid uit. Er zijn in het dossier geen andere elementen die tussen beide firma's een bedrijfseenheid aantonen. Er is dan ook niet voldaan aan artikel 117, ,§2 van de Programmawet van 30 december 1988 dat vereist dat de werkzaamheid van de nieuwe werknemers moest plaatshebben binnen dezelfde technische bedrijfseenheid. De onafwendbare stopzetting van de bedrijvigheid door de eigenaars van de B leidde noodzakelijkerwijze tot het opnieuw ter beschikking komen van de werknemers op de arbeidsmarkt. Deze stopzetting leidde tot een verlies van tewerkstelling. Dit verlies was objectief omdat het veroorzaakt werd door een externe factor, namelijk het faillissement. Op het ogenblik dat de drie werknemers in dienst kwamen van N, betekenden zij een netto aanwinst voor de tewerkstelling in het algemeen. N mag immers niet ongelijk worden behandeld tegenover een derde aan wie (per hypothese) de bedrijvigheid door de curatoren zou zijn toegewezen, die andere werklozen dan vroegere werknemers van de B in dienst zou hebben genomen. In dit laatste scenario immers zou de tewerkstelling door die derde van deze andere werklozen wél als een nieuwe tewerkstelling zijn beschouwd, allicht ook door de R.S.Z. Voor het overige zijn de partijen het er over eens dat N voldoet aan de voorwaarden van artikel 117, ,§1 van de Programmawet van 30 december
  19. De verdere argumentatie die de partijen terzake ontwikkelen, beschouwt het Hof als niet dienstig bij de huidige beoordeling. Het hoger beroep van de R.S.Z. is dan ook ongegrond. Het vonnis van de eerste Rechter wordt bevestigd. Er is geen aanleiding om gevolg te geven aan de vorderingen die in ondergeschikte orde zijn ingesteld. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS Substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 23 september
  20. Eiser in hoger beroep legde repliekconclusies neer op de griffie van dit Hof op 7 oktober
  21. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 26 juni
  22. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van N op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 285,57 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van vijfentwintig november tweeduizend en vijf, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer G. GOVAERT, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer O. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051125.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.