id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051207.4 Rolnummer: 2004-0409 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-07-04 11:36 Fiches 1 - 4 De werkgever die eenzijdig de functie van de werknemer in belangrijke mate wijzigt beëindigt hierdoor de arbeidsovereenkomst eenzijdig en onregelmatig. Deze eenzijdige beëindiging ressorteert onder de notie ontslag in de zin van de C.A.O. van 9 november 1987 gesloten in het Paritair Comité voor het verzekeringswezen. Wanneer deze eenzijdige wijziging haar oorsprong vindt in omstandigheden van economische aard had de werkgever de in artikel 5 van de C.A.O. van 9 november 1987 voorgeschreven procedure moeten naleven. Door dit niet te doen is hij gehouden tot betaling van de in artikel 15 van deze C.A.O. bedoelde forfaitaire vergoeding. Krachtens de bepalingen van de C.A.O. nr. 32bis moet de anciënniteit opgebouwd bij de vorige werkgever mee in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de door de C.A.O., van 9 november 1987 gestelde anciënniteitsvereiste. De berekeningsbasis voor het bepalen van de forfaitaire vergoeding omvat niet alleen het overeengekomen maandloon in speciën maar alle andere lonen en voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN einde van de overeenkomst - forfaitaire opzeggingsvergoeding - overeenkomt zonder tijdsbepaling - impliciet ontslag - eenzijdige wijziging van de functie - PC verzekeringswezen - werkzekerheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN arbeidsovereenkomst - impliciet ontslag - eenzijdige wijziging van de functie - PC verzekeringswezen werkzekerheid. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 09-11-1987 - 5 Collectieve arbeidsovereenkomst - 09-11-1987 - 15 Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN . NATIONALE ARBEIDSRAAD arbeidsovereenkomst - impliciet ontslag - eenzijdige wijziging van de functie - PC verzekeringswezen werkzekerheid. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 07-06-1985 - 14 - 31 Link Justel databank 19850607-31 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 39, onder IV B - artikel 5 en 15 en onder IV D - artikel
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00006,P.332-336) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040409 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF NV N., met zetel gevestigd te appellante, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. B. MERGITS, advocaat te 2018 Antwerpen, tegen : F. I., wonende te geïntimeerde, appellant op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mr. H. BUYSSENS, advocaat te 2018 Antwerpen. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 9 november
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 juni 2004 en 9 november
- I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 27 april 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 mei 2004; x de conclusie van F.I. ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 augustus 2004; x de conclusie van de NV, voorheen NV N.-M. en hierna genoemd de NV, ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 november 2004; x de aanvullende conclusie tevens syntheseconclusie van F.I. ontvangen ter griffie van dit Hof op 18 februari 2005; x de beschikking d.d. 11 mei 2005 overeenkomstig artikel 747,§2 Ger.W.; x de verbeterende beschikking d.d. 30 mei 2005 overeenkomstig artikel 747,§2 Ger.W.; x de syntheseconclusie van de NV ontvangen ter griffie van dit Hof op 13 juni 2005; x de syntheseconclusie van F.I. ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 juli 2005; x de beschikking d.d. 4 oktober 2005 overeenkomstig artikel 748,§2 Ger.W.; x de beschikking d.d. 21 oktober 2005 overeenkomstig artikel 748,§2 Ger.W.; x de syntheseconclusie van de NV ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 oktober 2005; x de syntheseberoepsconclusie van F.I. neergelegd ter zitting van 9 november
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 16 april 2003, vorderde F.I. de veroordeling van de NV tot betaling van: - 103.522,91 EUR opzeggingsvergoeding - 62.113,74 EUR vergoeding miskenning werkzekerheidsclausule - 2.793,18 EUR enkel verlofgeld overgedragen vakantiedagen te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de datum van eisbaarheid en met de gerechtelijke intrest. F.I. vorderde tevens de afgifte door de NV binnen de maand na betekening van het vonnis van het uittreksel uit de individuele rekening m.b.t. de verschuldigde bedragen en het C4 formulier onder verbeurte van een dwangsom van 250 EUR per dag per ontbrekend document. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 19 september 2003 stelde de NV een tegenvordering in en vorderde hij de veroordeling van F.I. in betaling van 1 EUR provisioneel als opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest vanaf 29 januari
- Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 31 oktober 2003 breidde F.I. zijn vordering m.b.t. het enkel vakantiegeld voor 14 niet opgenomen vakantiedagen uit tot 3.008,04 EUR. F.I. vorderde tevens de tegenvordering in betaling van 1 EUR provisioneel als opzeggingsvergoeding als ongegrond af te wijzen. Bij syntheseconclusie van 30 december 2003 bevestigde F.I. betaling te hebben ontvangen van het met de netto bedragen overeenstemmende achterstallig enkelvoudig vakantiegeld voor 14 niet opgenomen vakantiedagen, zodat dit punt van de vordering als voldaan kon beschouwd worden. Doch gelet op de laattijdige betaling ervan vorderde F.I. nog betaling van de wettelijke intrest op de netto bedragen vanaf de datum van uitdiensttreding tot de datum van betaling zijnde 68,89 EUR. Bij bestreden vonnis van 27 april 2004 werd de NV veroordeeld tot betaling van: - 103.522,91 EUR opzeggingsvergoeding - 62.113,74 EUR vergoeding miskenning werkzekerheidsclausule, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid en de gerechtelijke intrest vanaf 16 april 2003 op het netto opeisbaar gedeelte, de vordering m.b.t. de intrest op vakantiegeld werd zonder voorwerp verklaard. De NV werd tevens veroordeeld tot afgifte binnen de maand na de betekening van het vonnis van het uittreksel uit de individuele rekening m.b.t. de verschuldigde bedragen en een formulier C
- De tegenvordering werd ongegrond verklaard. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de NV, ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 mei 2004, strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen; dienvolgens de oorspronkelijke vordering van F.I. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Bij syntheseconclusie ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 juli 2005 vordert F.I. het hoger beroep als ongegrond af te wijzen, het bestreden vonnis te bevestigen m.b.t. de opzeggingsvergoeding ten bedrage van 103.522,91 EUR en de sanctie miskenning werkzekerheidsclausule ten bedrage van 62.113,74 EUR te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid en de gerechtelijk intrest. Ondergeschikt biedt F.I. het bewijs aan met alle middelen van recht getuigen inbegrepen van het feit dat hij: - lid was van A. B. - de dagelijkse leiding, controle en toezicht had over de regionale zetel van A. B. te Antwerpen - slechts onder het gezag stond van de afgevaardigd bestuurder, die slechts sporadisch aanwezig was op het kantoor te Antwerpen - de leiding en het toezicht uitoefende over 7 werknemers en in die zin de bevoegdheid had interimpersoneel aan te werven, vast personeel te evalueren en mee te beslissen over weddeverhogingen, zeer nauw betrokken was in de finale beslissingen i.v.m. behoud en aanwerving personeel - via post- en bankvolmachten een sturende beslissende, controlerende en leidinggevende bevoegdheid had binnen de transportafdeling van A. - bevoegd was voor het commerciële en administratieve beheer van de volledige portefeuille transporten audiovisuele verzekeringen en om commerciële redenen de technische adviezen van averijcommissaris B. & Co kon herroepen - de finale beslissingsbevoegheid had voor de schaderegeling van transportdossiers - bevoegd was voor het negotiëren en afsluiten van herverzekeringsverdragen, na goedkeuring door de raad van Bestuur - ten aanzien van de Raad van Bestuur exclusief bevoegd was voor de voordracht van planningen en budgetten en het uitwerken van nieuwe productielijnen binnen de transportafdeling - bevoegd was voor de international en de specialised brokers - actief deelnam aan de jaarlijkse strategische vergaderingen op het overkoepelend A.-niveau, waarop strategische plannen en doelstellingen, budgetten, personeelsplanning, enz. werden uitgestippeld en beleidsbeslissingen werden genomen - in zijn hoedanigheid van directielid lid was van B.V.T., B.V.V.O, Antwerpse verzekeringskring, V. V., S. Z., ITB. F.I. vordert tevens de afgifte door de NV van de met de gevorderde bedragen overeenstemmende sociale en fiscale documenten m.n.: het uittreksel uit de individuele rekening en het formulier C4, onder verbeurte van een dwangsom van 250 EUR per dag en per ontbrekend document. F.I. stelt bijgevolg incidenteel beroep in m.b.t. de afwijzing van zijn vordering de afgifte van de gevraagde documenten te bevelen onder verbeurte van een dwangsom. Verder vordert F.I. de kapitalisatie van intresten. Bij syntheseconclusie ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 oktober 2005 vordert de NV het vonnis te vernietigen in zoverre de NV veroordeeld werd tot betaling van een opzeggingsvergoeding en een vergoeding wegens miskenning van de werkzekerheidsclausule, alsook in zoverre de tegenvordering van de NV werd afgewezen; dienvolgens de oorspronkelijke vordering van F.I. ongegrond te verklaren en de tegenvordering in betaling door F.I. van een opzeggingsvergoeding van 1 EUR provisioneel gegrond. De NV stelde bij conclusie een nieuwe tegeneis in en vordert F.I. te veroordelen tot betaling van 1 EUR provisioneel advocatenkosten. Ondergeschikt biedt de NV het bewijs aan met alle middelen van recht getuigen inbegrepen van het feit dat: - F.I. hoofd was van de afdeling transport van A., en zijn taak erin bestond het portefeuille transportverzekeringen van de verschillende maatschappijen door A. vertegenwoordigd naar behoren te beheren - zijn hoofdtaak acceptatie en tariferen was - het schadebeheer uitbesteed was aan B. & Co en dat alle belangrijke dossiers met de heer L. werden besproken - hij in deze taak werd bijgestaan door een assistent onderschijver en door 4 administratieve medewerkers, 2 voor productie en 2 voor schade - in Antwerpen ook een assistent boekhouder werkte die rechtstreeks rapporteerde aan R. S., directeur administratie en financiën in Brussel, er verder ook een kuisvrouw werkzaam was - indien er achterstanden ontstonden het de taak van F.I. was de heer L. hierop te wijzen, en dat na overleg met de heer S. dan door de heer L. de beslissing genomen werd al dan niet en voor hoelang personeel in dienst te nemen - slechts de heer L.bevoegd was om contracten met personeel af te sluiten en de heer S. bevoegd was voor de relaties met interim kantoren, terwijl F.I. de plicht had na te zien dat het werk naar behoren uitgevoerd werd en desgevallend, na bespreking met de heren L. en S., een niet geschikte persoon te laten vervangen door een andere binnen het contract, - F.I. als verantwoordelijke van de afdeling transport betrokken was bij het evaluatieproces van de medewerkers in die afdeling en er, binnen de budgetten, al dan niet rekening gehouden werd met zijn adviezen in verband met salaris aanpassingen - een directiecomité in de zin van grote ondernemingen bij A .niet bestond, maar er wel maandelijks zogenaamde "staff meetings" gehouden werden waar de 4 directeurs en de heer L. elkaar onderling op de hoogte hielden van de situatie van hun afdeling en die van de onderneming - F.I. twee maal per jaar werd uitgenodigd door de Raad van Bestuur om het verslag over de afdeling transport toe te lichten en vragen van de bestuurders te beantwoorden, doch dat zijn aanwezigheid niet vereist was tijdens de ganse vergadering en beslissingen werden genomen door de bestuurders, wat hij niet was - de 4 directeurs en de heer L. informeel éénmaal in het najaar in een rustig conferentie hotel vergaderden voor 1 a 2 dagen. Dit was eigenlijk een uitgebreide "staff meeting" waar men meer tijd had om dieper in te gaan op voorgelegde thema's. De heren S. en L. stelden de agenda op. Beslissingen werden door de heer L. genomen binnen zijn mandaat, indien nodig voorgelegd aan de Raad van Bestuur - de heer L. na enige jaren F.I. het onderhandelen van herverzekeringscontracten had gedelegeerd binnen bepaalde perken die door de heer L. werden vastgelegd. F.I. hield de heer L. doorlopend en in detail op de hoogte hiervan, en het contract werd slechts na het goedkeuren van de heer L. door hem ondertekend - één maatschappij alleen transport over A. deed en het agentuurcontract een aansprakelijkheidsverzekering eiste. Zoals voor herverzekering, had de heer L. F.I. het hernieuwen van deze polis gedelegeerd binnen bepaalde perken - F.I. verantwoordelijk was voor het goede beheer van de transportportefeuilles van A., binnen de verschillende perken en procedures opgelegd door de maatschappijen. Binnen deze grenzen kon hij op polis niveau saneringen doorvoeren en de heer L. adviseren over verdere maatregelen met betrekking tot segmenten van de portefeuilles. Alle belangrijke zaken werden met de heer L. besproken. Ook B. rapporteerde naar de heer L. in die zin - bij A. het "vier ogen principe" geldt voor onder meer financiële transacties. Betalingen werden altijd tegen getekend door de heren S. of L.. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk zijn. V. ART.748, ,§2 LAATSTE LID GER.W. Met verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 14 april 2005 verzocht F.I. bij toepassing van artikel 747, ,§2 Ger.W. in dit dossier termijnen te bepalen voor het neerleggen van conclusies en een pleitdatum vast te stellen. Bij beschikking van 11 mei 2005 werd bevolen dat de NV een syntheseconclusie zou neerleggen uiterlijk op 15 juni 2005, F.I. uiterlijk op 8 juli
- De pleitdatum werd vastgesteld op 27 september
- Met brief van 13 mei 2005 ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 mei 2005 verzocht de raadsman van F.I. de behandeling van de zaak vast te stellen op een andere datum. Met een faxbericht van 19 mei 2005 liet de raadsman van de NV weten geen bezwaar te hebben tegen een nieuwe pleitdatum. Gevolggevend aan het verzoek van F.I. werd de zaak bij verbeterende beschikking van 30 mei 2005 vastgesteld om gepleit te worden op 9 november
- Beide partijen legden tijdig een syntheseconclusie neer ter griffie van dit Hof. Met een verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 22 september 2005 verzocht F.I. om hem bij toepassing van artikel 748, ,§2 Ger.W. nog een termijn toe te kennen van 15 dagen voor het neerleggen van een nieuwe beroepsconclusie. Dit verzoek werd afgewezen bij beschikking van 4 oktober
- Inmiddels had de NV op 3 oktober 2005 op haar beurt een verzoekschrift neergelegd, waarin zij bij toepassing van artikel 748, ,§2 Ger.W. verzocht om haar een nieuwe conclusietermijn te verlenen om te antwoorden op de aangegeven nieuwe argumenten, die F.I. had ontwikkeld in zijn syntheseconclusie en enkele nieuwe stukken die werden overgelegd. Bij beschikking van 21 oktober 2005 werd dit verzoek ingewilligd en werd aan de NV toegelaten om uiterlijk op 7 november 2005 een aanvullende conclusie neer te leggen, die uitsluitend betrekking had op de in het verzoekschrift geciteerde nieuwe argumentatie en nieuwe stukken. Op 28 oktober 2005 legde de NV een vervangende syntheseconclusie neer die haar in eerdere conclusies ontwikkelde argumentatie herneemt en bedoelde nieuwe argumentatie en stukken van F.I. beantwoordt. Samen met F.I. moet het Hof vaststellen dat het antwoord van de NV in haar vervangende syntheseconclusie in belangrijke mate nieuwe elementen bevat en steunt op nieuwe, niet eerder medegedeelde stukken die tot dan geen deel hadden uitgemaakt van het debat tussen partijen. Teneinde het recht van verdediging van F.I. te vrijwaren kan hem in die omstandigheden niet de mogelijkheid worden ontzegd om op zijn beurt deze nieuwe stukken en de daarop geënte argumentatie van de NV te beantwoorden. Ter zitting legt F.I. een derde syntheseconclusie neer, die een herhaling vormt van de in eerdere syntheseconclusie ontwikkelde argumentatie, aangevuld met een antwoord op de hiervoor bedoelde nieuwe stukken en de daarop geënte nieuwe argumentatie van de NV, evenals een argumentatie die ertoe strekt deze conclusie toe te laten tot de debatten. Hierover ondervraagd ter zitting beperkt de NV zich ertoe te eisen dat genoemde derde syntheseconclusie uit de debatten zou worden geweerd. Een verzoek, zij het in ondergeschikte orde, om een uitstel of een bijkomende conclusietermijn om de laatste conclusie van F.I. nog te beantwoorden werd niet geformuleerd. In de hiervoor aangegeven omstandigheden dient de derde syntheseconclusie van F.I. niet uit de debatten te worden geweerd. (vgl. Cass. 2 september 2005, C990347F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050902.5, http://www.cass.be, op datum) Het is dan ook slechts ten overvloede dat het Hof wenst op te merken dat de hierna in dit arrest vermelde overwegingen en besluitvorming onverminderd zouden gelden, zelfs indien geen acht zou worden geslagen op genoemde derde syntheseconclusie van F.I.. VI. TEN GRONDE
- De feiten F.I. solliciteerde bij de NV A. België, hierna A. genoemd, naar aanleiding van een personeelsadvertentie voor een "dynamisch afdelingsverantwoordelijke transportverzekering die autonoom een business unit leidt". In diezelfde personeelsadvertentie werd de aangeboden functie als volgt gekenmerkt: Functie: - rapporteert rechtstreeks aan de Algemeen Directeur - op een autonome wijze, instaan voor de leiding van de afdeling transport, bestaande uit acht medewerkers - de eindverantwoordelijkheid dragen voor de technische resultaten van de verzekeringsportefeuille - verantwoordelijk voor het onderschrijven van transportrisico's en het beheren van de schadedossiers - het leggen en verzorgen van contacten met de makelaardij. (stuk 11 dossier van F.I.) Op 6 juli 1992 sloot F.I. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met A.. In deze overeenkomst werd bedongen dat hij vanaf 16 augustus 1992 in dienst zou treden als verantwoordelijke van de transportafdeling te Antwerpen. Met een brief van 8 december 1995 bracht A. aan F.I. de beslissing ter kennis dat hij werd benoemd tot adjunct directeur, vanaf januari 1999 werd hij bevorderd tot directeur. Op 19 december 2001 sloot A. een agentuurovereenkomst met de NV N. (thans N.), hierna N. genoemd. Deze overeenkomst werd namens A. ondertekend door afgevaardigd bestuurder L. en F.I.. Met een aangetekende brief van 12 december 2002 gericht aan N. protesteerde de raadsman van F.I. de volgens hem aangekondigde wijziging van zijn functie tot underwriter (onderschrijver) voor de "small en local brokers" die door hem als een degradatie werd gekwalificeerd, evenals een beweerd voornemen om hem een aantal in geld waardeerbare voordelen te ontnemen. Met brief van 18 december 2002 ontkende N. dat zij het voornemen had eenzijdig de arbeidsvoorwaarden van F.I. te wijzigen. Op 2 januari 2003 vond tussen A. en N. een overgang plaats van een gedeelte van de onderneming van A.. Ingevolge deze overgang werd F.I. verder tewerkgesteld door N.. F.I. werkte na de overgang nog verder op de zetel van A. te Antwerpen en verhuisde op 20 januari 2003 naar de lokalen van N.. Op 21 januari 2003 werd aan F.I. een nota overhandigd, met een gedetailleerde omschrijving van de organisatie van de afdeling "marine en transport" en van de plaats en de functie die hem binnen deze afdeling werd toebedeeld. F.I. protesteerde deze nota met brief dd. 23 januari 2003 en eiste dat hem een functie op managementsniveau zou worden toegekend, zoals hij die had bij A.. Met een brief van 28 januari 2003 betwistte N. dat de aangeboden functie en bevoegdheden een degradatie zouden uitmaken. Diezelfde dag verzond N. een tweede brief waarin F.I. werd verweten dat hij de voorgeschreven procedure voor het aanvragen van vakantie en missies buitenshuis niet had nageleefd, inzonderheid dat hij had nagelaten voorafgaand toelating te vragen aan een leidinggevende. Met brief van 29 januari 2003 verklaarde F.I. dat N. de bestaande arbeidsovereenkomst eenzijdig had beëindigd.
- De beoordeling 2.
- Beëindiging van de arbeidsovereenkomst De partij die eenzijdig een belangrijke wijziging aanbrengt aan een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, beëindigt die overeenkomst onregelmatig. (Cass. 4 februari 2002, S010103N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.6, http://www.juridat.be, op datum) Dit geldt evenzeer wanneer de wijzigingen kaderen in een overgang van (een gedeelte van) onderneming in de zin van de C.A.O. nr. 32 bis gesloten in de Nationale Arbeidsraad.(art.10 C.A.O. nr. 32bis) Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering is het F.I. die het bewijs moet leveren van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door N., waarop hij de verschillende onderdelen van zijn vordering steunt. Dit bewijs kan door alle middelen van recht worden geleverd. Samen met de eerste rechters is het Hof van oordeel dat uit de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke elementen verstrekt door partijen afdoende blijkt dat N. eenzijdig en in belangrijke mate de functie van F.I. heeft gewijzigd, door inzonderheid zijn takenpakket in belangrijke mate te reduceren en hem tal van bevoegdheden en verantwoordelijkheden te ontnemen. Op het door partijen in ondergeschikte orde geformuleerde bewijsaanbod dient bijgevolg niet te worden ingegaan. Het Hof stelt met name vast dat F.I. vóór de overname door N.: - De leiding had over de transportafdeling van A., ondergebracht in een afzonderlijk kantoor te Antwerpen, met een zestal ondergeschikte medewerkers. Ook de toekenning van de titel "directeur" bevestigt dat hij een leidinggevende functie had, wat uiteraard duidt op beslissingsbevoegdheid en geen louter uitvoerende taak impliceert. Als directeur diende F.I. enkel te rapporteren aan algemeen directeur/afgevaardigd bestuurder Laroye (vgl. stukken 11, 15 dossier F.I. ). - Binnen het kantoor te Antwerpen instond voor het beheer van de A. portefeuille m.b.t. de sectoren transport, audio visuele en muziekinstrumenten-verzekeringen (vgl. stuk 54 dossier F.I., waar voor die sectoren telkens verwezen wordt naar het kantoor te Antwerpen) - Verantwoordelijk was voor het onderschrijven van risico's en het beheren van schadedossiers. Dit stond reeds met zoveel woorden in de personeelsadvertentie die geleid heeft tot de aanwerving van F.I. (stuk 11 dossier F.I. ) maar wordt ook bevestigd door de volmachten verleend door de heer L. (stuk 25, tweede blad dossier F.I., waarin de heer L. aan F.I. onder meer de bevoegdheid verleende d'approuver ou de refuser des dossiers sinistres dans le cadre du département transport - vrij vertaald schadedossiers van de transportafdeling goed te keuren of te weigeren). De bevoegdheden van F.I. m.b.t. schadedossiers worden verder nog bevestigd door de verklaringen van de heer V., risk manager van de Z. groep, voordien de belangrijkste klant van A. (stuk 46 dossier F.I. ) en de verklaring van de heer B. (stuk 45 dossier F.I. ) van wie niet ter discussie staat dat hij gedurende jaren als underwriter (onderschrijver) voor A. heeft gewerkt in de transportafdeling te Antwerpen. Dat het technisch beheer van de schadedossiers grotendeels was toevertrouwd aan averij commissaris B. & Co doet daaraan geen afbreuk. Het Hof aanvaardt op basis van de eerder genoemde stukken als bewezen dat F.I. steeds is blijven beschikken over de bevoegdheid om af te wijken van de door B. & Co voorgestelde schaderegeling. - Beschikte over een ondergeschikte onderschrijver. (syntheseconclusie NV p. 16) Het Hof vindt ook geen enkel element om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de heer B. waar deze stelt dat hij instond voor de meeste tarificaties en dat hij enkel de belangrijkste met F.I. besprak.(stuk 45 dossier F.I. ) - Beschikte over tal van financiële volmachten. (stukken 25 dossier F.I. ) - De heer L. aan F.I. zijn bevoegdheid had gedelegeerd m.b.t herverzekeringen. (stukken 47 dossier F.I., stuk 6 dossier NV) - Bevoegd was voor local brokers (makelaars) én specialized brokers (syntheseconclusie NV p.18). Volgens de nota van 21 januari 2003 zijn specialized brokers makelaars die over een eigen gespecialiseerde afdeling maritieme verzekeringen beschikken, de polissen onderhandelen en opstellen en het schadebeheer verzorgen en betreft het internationaal opererende makelaars met een cliënteel van grote multinationale ondernemingen, hoewel ook minder omvangrijke en minder internationale werking daartoe kunnen behoren. Local brokers zijn makelaars die niet over een gespecialiseerde maritieme afdeling beschikken en waarvan de polisstukken veelal door N. zelf worden opgesteld. - Het belang van de door F.I. binnen A. uitgeoefende functie vindt verder nog bevestiging in een aantal andere elementen, zoals het feit dat hij degene was die besliste over de tarifering van de honoraria van averijcommissaris B. & Co (stuk 50 dossier F.I. ), het feit dat hij samen met de heer L. de agentuurovereenkomst tussen A. en N. ondertekende namens A. (stuk 10 dossier NV), het feit dat de heer L. hem de bevoegdheid had gedelegeerd voor het sluiten van een aansprakelijkheidsverzekering. (stuk 6 dossier NV) Tevergeefs tracht de NV het belang van de taken en bevoegdheden van F.I. binnen A. te minimaliseren, waarbij zij zich hoofdzakelijk steunt op 2 verklaringen van de heer L. en de agentuurovereenkomst die op 19 december 2001 werd gesloten tussen A. en N.. Uiteraard diende F.I. te handelen conform de instructies gegeven door de raad van bestuur of de afgevaardigd bestuurder, had hij in vele aangelegenheden niet de bevoegdheid om alleen te tekenen in naam van A. en vanzelfsprekend diende hij te handelen binnen de voorwaarden die met de onderscheiden principalen van A. werden overeengekomen, doch dit doet geen afbreuk aan de hoger beschreven taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Anders dan de NV wil doen voorkomen heeft ook de agentuurovereenkomst van 19 december 2001 geen einde gemaakt aan de bevoegdheden van F.I. inzake schadedossiers, herverzekeringen en special brokers. Het sluiten van bedoelde agentuurovereenkomst met N. impliceert vooreerst niet dat meteen ook een einde kwam aan de agentuurovereenkomsten van A. met andere principalen, zoals N., K., TTC. en AXA V.. (vgl.brief van N. dd. 28 januari 2003, stuk 6 dossier F.I. ) Uit de als stuk 49 door F.I. neergelegde brief blijkt ten andere dat de samenwerking tussen A., de Z.-groep en TTC. pas werd beëindigd vanaf 1 januari
- Bovendien had de agentuurovereenkomst van 19 december 2001 uitsluitend het onderschrijven van marine verzekeringen tot voorwerp, terwijl de verzekeringsactiviteiten van de transportafdeling van A., zoals hiervoor reeds aangegeven veel ruimer waren. Met name op het gebied van schadedossiers, herverzekeringen en special brokers werd ten andere in de agentuurovereenkomst geen absoluut verbod opgelegd, wel een aantal voorwaarden bvb. in welbepaalde gevallen was het voorafgaand akkoord van N. vereist. Dit gold ten andere ook voor het overschrijden van de bepaalde limieten. Het Hof wenst er in dit verband aan te herinneren dat N. ten tijde van de agentuurovereenkomst uiteraard nog niet de werkgever was van F.I. en het is niet omdat N. in de agentuurovereenkomst als principaal tegenover A. als agent bepaalde beperkingen en controles, zoals bvb. de verplichting om bepaalde limieten niet te overschrijden zonder haar toestemming heeft ingelast, dat F.I. binnen deze grenzen niet autonoom kon handelen ten aanzien van zijn werkgever, A.. Uit de nota met betrekking tot de inhoud van de functie van F.I. die hem op 21 januari 2003 werd overhandigd blijkt dat hem na de overname door N. tal van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden werden ontnomen: - F.I. werd toegewezen aan de afdeling "marine & transport". Deze afdeling wordt geleid door een afdelingsmanager van niveau 2, die rapporteert aan het ondernemingshoofd. Daarnaast bestaat de afdeling uit 8 onderschrijvers of schadebeheerders, kaderleden van niveau 3, die dagdagelijks rapporteren aan de afdelingsmanager en tweewekelijks aan het ondernemingshoofd. Deze kaderleden kunnen beroep doen op de assistentie van administratieve medewerkers. - aan F.I. werd de functie van marine underwriter local brokers toebedeeld, beperkt tot de productlijn cargo-goederenverzekeringen en met uitsluiting van specialized brokers. Het onderschrijven van dergelijke verzekeringen is thans de hoofdtaak van F.I. en als bijkomende taak werd hem het verder versneld uitbouwen van de CMR portefeuille toebedeeld. - wat schadedossiers betreft diende hij enkel nog advies en bijstand te verlenen aan de schadeafdeling en/of experten en mede te onderhandelen om tot een minnelijke regeling te komen. - zijn overige taken situeren zich hoofdzakelijk op het niveau van adviesverlening en ondersteuning. De degradatie van F.I. wordt ten slotte nog treffend geïllustreerd door de schriftelijke verwittiging die hij kreeg met brief van 28 januari 2003 waaruit blijkt dat hij voor het opnemen van vakantiedagen en missies buitenshuis steeds voorafgaand toelating moet krijgen van zijn "leidinggevende" terwijl niet wordt betwist dat F.I. voor de overgang geen verantwoording diende af te leggen over zijn tijdsgebruik. Uit de inhoud van de nota van 21 januari 2003 en de reactie van N. met brief van 28 januari 2003 op de ingebrekestelling door F.I., blijkt duidelijk dat de functiewijziging definitief was. Genoemde brief van 28 januari 2003 besluit ten andere met de woorden: "...Hieruit blijkt duidelijk dat er accentverschuivingen zijn qua functie inhoud (hetgeen bij overnames en fusies altijd het geval is)maar dat het niveau en de verantwoordelijkheden U toegekend (eigen onderlijning) zeker geen degradatie inhouden tegenover wat U voordien deed.". Door deze belangrijke eenzijdige wijziging van de functie van F.I. heeft N. de arbeidsovereenkomst onregelmatig beëindigd, wat door F.I. na ingebrekestelling met brief van 23 januari 2003 terecht kon worden vastgesteld en ook werd vastgesteld met brief van 29 januari
- Het Hof kan zich daarbij geenszins terugvinden in de argumentatie van de NV waar deze uit de verplichting van partijen om hun arbeidsovereenkomst te goeder trouw uit te voeren, zoals vervat in artikel 1134 B.W., een verbod distilleert om hoger vermelde belangrijke eenzijdige wijziging te weigeren en zijn houding in deze maakt hoegenaamd geen vorm van rechtsmisbruik uit. 2.
- Opzeggingsvergoeding Gelet op de eenzijdige en onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door N. heeft F.I. recht op betaling van een opzeggingsvergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 39 Arbeidsovereenkomstenwet. Tussen partijen bestaat kennelijk geen betwisting over het feit dat het jaarloon van F.I. op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst 82.818,33 EUR bedroeg wat meer is dan de in artikel 82, ,§2 Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde jaarloongrens. Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen is het de rechter die de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn moet bepalen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor F.I. op het ogenblik van de beëindiging bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden gelet op zijn anciënniteit, zijn functie, zijn leeftijd (43 jaar 10 maanden) en zijn jaarloon, volgens de gegevens eigen aan de zaak. Mits de juiste waarde toe te kennen aan bovenstaande elementen beslisten de eerste rechters op goede gronden dat de N. een opzeggingstermijn van 15 maanden in acht had moeten nemen, zodat evenzeer terecht een overeenstemmende opzeggingsvergoeding werd toegekend van 103.522,91 EUR. 2.
- Werkzekerheidsbeding Het staat niet ter discussie dat N. (thans N.) ressorteert onder de bevoegdheid van het Paritair Comité van het verzekeringswezen. Binnen dit Paritair Comité werd op 9 november 1987 een C.A.O. gesloten betreffende de vastheid van betrekking, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 30 maart 1988 (B.S. 9 april 1988), hierna de C.A.O. van 9 november 1987 genoemd. Artikel 2 van de C.A.O. van 9 november 1987 bepaalt: "Deze collectieve arbeidsovereenkomst bevat verbintenissen inzake ontslag na een jaar anciënniteit in de onderneming zonder afbreuk te doen aan het principe dat elke beslissing tot ontslag uitsluitend tot de bevoegdheid van het ondernemingshoofd behoort". Deze C.A.O. bevat voor de werkgevers een aantal verplichtingen respectievelijk opgenomen in rubriek III getiteld "Ontslag dat niet gebonden is aan omstandigheden van economische of van technische aard" en rubriek IV getiteld "Ontslag wegens economische of technische redenen". Artikel 15 van deze C.A.O., zoals gewijzigd bij C.A.O. van 31 mei 1989 (K.B. 5 oktober 1989, B.S. 26 oktober 1989) luidt als volgt: " In geval van ontslag zonder dat de in de artikelen 4 en 5 bepaalde procedures zijn nageleefd, alsook in geval van ontslag dat in strijd is met artikel 10, is de werkgever ertoe gehouden de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van 6 maanden voor personeelsleden met een anciënniteit tussen 1 en 5 jaar en een forfaitaire vergoeding die gelijk is aan het loon van 9 maanden voor personeelsleden met een anciënniteit van meer dan 5 jaar, onverminderd de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten". De eerste rechters hebben deze vordering toegekend op grond van de overweging dat de NV klaarblijkelijk niet betwistte de vergoeding verschuldigd te zijn in de door hen bijgetreden hypothese dat zij de arbeidsovereenkomst onregelmatig beëindigde. In graad van beroep ontwikkelt de NV in dit kader de volgende argumentatie: - F.I. heeft zelf de arbeidsovereenkomst beëindigd - F.I. werd niet ontslagen in de zin van de C.A.O. van 9 november 1987 en genoemde C.A.O. viseert niet de situatie waarbij de arbeidsovereenkomst eenzijdig wordt beëindigd ingevolge de belangrijke, eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel door de werkgever - F.I. voldoet niet aan de in de C.A.O. van 9 november 1987 gestelde anciënniteitsvereiste - de voordelen verworven krachtens de overeenkomst moeten niet mee opgenomen worden in de berekeningsbasis van de vergoeding. Deze argumentatie kan niet overtuigen. Om de redenen uiteengezet sub 2.
- is het Hof van oordeel dat de arbeidsovereenkomst eenzijdig werd beëindigd door N.. Deze eenzijdige beëindiging door N. ressorteert onder de notie ontslag, zoals bedoeld in de C.A.O. van 9 november
- De kennisgeving/uitvoering door N. van haar beslissing om eenzijdig een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst in belangrijke mate te wijzigen, is immers meteen ook de uitdrukking van haar wil om de bestaande arbeidsovereenkomst niet verder uit te voeren en deze aldus te beëindigen. In casu staat het gegeven ontslag kennelijk niet in verband met het gedrag van F.I., dit wordt door de NV ook niet ingeroepen. Uit de argumentatie die door de NV in beroepsconclusie werd ontwikkeld ter rechtvaardiging van de doorgevoerde wijzigingen, blijkt echter dat zij zelf omstandigheden van economische aard aanwijst als motief voor de doorgevoerde wijzigingen en als argument ter ondersteuning van haar stelling dat F.I. de doorgevoerde wijzigingen had moeten aanvaarden. Zo verwijst zij in beroepsconclusie onder meer naar het belang van de onderneming en de noodzaak de organisatie van de diensten aan te passen aan de economische noodwendigheden van het ogenblik, alsook het treffen van rationalisatiemaatregelen (p.6), naar het feit dat ingevolge het samengaan van A., N. en M. F.I. terechtkwam in een structuur van 400 werknemers en dat een dergelijke structuur een andere organisatie vereist dan een structuur met 6 werknemers (p.21), naar veranderingen die onvermijdelijk en onmisbaar zijn voor de onderneming om te kunnen leven en groeien (p.23) naar het algemenere belang van de onderneming en naar het afschaffen van de functie van de werknemer om verantwoorde redenen van herstructurering (p.26). Gelet op het voorgaande diende N. de in artikel 5 van de C.A.O. van 9 november 1987 voorgeschreven procedure na te leven. Het Hof stelt vast dat de NV nooit heeft betwist dat N. de in de C.A.O. van 9 november 1987 bepaalde procedures niet heeft nageleefd, zodat F.I. terecht aanspraak maakt op de gevorderde forfaitaire vergoeding. Tevergeefs doet de NV in dit verband gelden dat F.I. niet aan de gestelde anciënniteitsvereiste van een jaar voldeed om aanspraak te kunnen maken op de in artikel 15 van de C.A.O. van 9 november 1987 bedoelde vergoeding. In dit verband dient er op gewezen te worden dat de C.A.O. van 9 november 1987 geen anciënniteit in de sector of in een bepaalde functie vereist, doch enkel een jaar anciënniteit in de onderneming. Zoals hiervoor reeds aangegeven staat niet ter discussie dat op 2 januari 2003 een overgang van onderneming plaatsvond in de zin van de C.A.O. nr. 32 bis tussen A. en N.. Krachtens artikel 20 van de C.A.O.-wet moet, wanneer een onderneming geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen, de nieuwe werkgever de overeenkomst die de vroegere werkgever bond, eerbiedigen totdat zij ophoudt uitwerking te hebben. Deze bepaling strekt enkel tot bescherming van de werknemer bij gehele of gedeeltelijke overdracht van de onderneming en waarborgt hem het behoud van de rechten bepaald in de collectieve overeenkomst die zijn vroegere werkgever bond. Deze bepaling sluit dan ook niet uit dat de nieuwe werkgever gunstigere arbeidsvoorwaarden moet toekennen op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst die voor zijn eigen onderneming geldt. (vgl. Cass. 31 maart 2003, S020084N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030331.5, http://www.cass.be, op datum) Het feit dat A. niet ressorteerde onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het verzekeringswezen doet bijgevolg geen afbreuk aan het feit dat N. de voor F.I. gunstiger bepalingen, inzonderheid deze welke voortspruiten uit de C.A.O. van 9 november 1987, moest naleven vanaf de overgang. Het staat evenmin ter discussie dat ingevolge de overgang van onderneming en bij toepassing van artikel 7 van de C.A.O. nr.32 bis alle rechten en verplichtingen, welke voor A. voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst met F.I. zijn overgegaan op N.. Dit geldt met name voor de bij A. verworven anciënniteit. Bij het bepalen van de rechten van F.I. diende N. dan ook te handelen alsof de dienstperiode bij A. van meet af aan in haar dienst was gepresteerd. Dit geldt ook voor het bepalen van de rechten van F.I. welke voortspruiten, uit collectieve arbeidsovereenkomsten die N. bonden. Voor wat betreft het in aanmerking te nemen loon voor de berekening van de forfaitaire vergoeding, is het Hof van oordeel dat hiervoor hetzelfde loonbegrip moet gehanteerd worden als hetwelk bedoeld is in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Uit niets blijkt dat de ondertekenende organisaties bij het sluiten van de C.A.O. van 9 november 1987, zoals gewijzigd bij C.A.O. van 5 oktober 1989 beoogd hebben voor het bepalen van deze vergoeding een ander loonbegrip te hanteren dan het voor de vaststelling van beëindigingsvergoedingen in het arbeidsrecht gebruikelijke loonbegrip, a fortiori niet dat zij de vergoeding hebben willen beperken tot het overeengekomen maandloon in speciën, met uitsluiting van loon of voordelen in natura, veranderlijk loon, jaarpremies etc. De NV preciseert ten ander niet welke voordelen in casu uit de berekeningsbasis zouden moeten worden gesloten. 2.
- Sociale documenten Het staat als zodanig niet ter discussie dat de NV gehouden is tot afgifte van de gevorderde sociale documenten, zoals toegestaan door de eerste rechters in de door het Hof bijgetreden hypothese dat de vordering van F.I. in betaling van een opzeggingsvergoeding en een forfaitaire vergoeding gegrond is. Zoals de eerste rechters vindt ook het Hof in dit dossier geen elementen die erop wijzen dat het nodig of zelfs maar wenselijk zou zijn de veroordeling tot afgifte van deze documenten uit te spreken onder verbeurte van een dwangsom. 2.
- Kapitalisatie van intresten Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1154 B.W. kunnen vervallen intresten van kapitalen intresten opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minste voor een heel jaar verschuldigd zijn. De neerlegging van een conclusie ter griffie kan gelden als een handeling die gelijkwaardig is aan de bij artikel 1154 B.W. vereiste gerechtelijke aanmaning, wanneer in die conclusie de aandacht van de schuldenaar wordt gevestigd op de kapitalisatie van de intrest. (vgl. Cass. 18 juni 1981, Pas., 1981, I, 1200; Cass. 17 januari 1992, Arr. Cass., 1991-92, 436) De door F.I. in zijn beroepsbesluiten, ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 augustus 2004, gevraagde kapitalisatie kan bijgevolg worden toegestaan. 2.
- Oorspronkelijke tegeneis Gelet op hetgeen uiteengezet werd sub 2.
- kan de NV geen aanspraak maken op betaling van een opzeggingsvergoeding. 2.
- Advocaatkosten Geen enkel element uit het dossier laat toe te besluiten dat F.I. zich schuldig heeft gemaakt aan een fout waardoor de NV verplicht was een beroep te doen op een advocaat, integendeel. De vordering van de NV in betaling van advocaatkosten is dan ook manifest ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 27 april
- Zegt voor recht dat de door de NV verschuldigde intrest, zoals toegekend door de eerste rechters, worden gekapitaliseerd op 10 augustus 2004 en dat de aldus gekapitaliseerde intresten bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw intrest afwerpen. Verklaart de tegenvordering strekkende tot betaling van 1 EUR provisioneel advocatenkosten ontvankelijk doch ongegrond. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de NV. Vereffent deze aan de zijde van de NV op 57,01 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift en op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van F.I. op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 7 december 2005, waar aanwezig waren : mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, Voorzitter van de kamer, de heer F. LAMBERT, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer F. LINGIER, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, mevrouw L. PELEMANS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051207.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030331.5 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050902.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div