← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051208.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051208.4 Rolnummer: 2004-0047 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-01 03:36 Fiches 1 - 3 De rechtmatigheid van het bewijs wordt aangetast vanaf het moment dat de politiediensten de stempelkaarten (of controlekaarten C2) aangetroffen tijdens de huiszoeking naar aanleiding van het gerechtelijk onderzoek inzake verdovende middelen en een agendaboekje, overmaken aan de sociaal controleur van geïntimeerde, met schending van het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek. Alle bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking genomen worden; dienvolgens kan noch met de vaststellingen van de politie tijdens de controle van 16 november 2001 noch met de verklaring die door appellant werd afgelegd tijdens het verhoor van 10 juni 2002 noch met het P.V. van vaststelling dd. 3 maart 2003 van de sociaal controleur van geïntimeerde rekening gehouden worden. Aangezien geïntimeerde geen andere bewijsstukken voorbrengt waaruit zou blijken dat appellant tijdens zijn werkloosheid arbeid heeft verricht in de zin van artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit, dient de bestreden administratieve beslissing vernietigd. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . WETBOEK VAN STRAFVORDERING werkloosheid - procedure - bewijs - onrechtmatig verkregen bewijs - gebruik zonder uitdrukkelijke toestemming O.M. - nietigheid van de hierop gebaseerde administratieve beslissing. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - 28bis,§1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - wordt als arbeid beschouwd - procedure - bewijs - onrechtmatig verkregen bewijs - gebruik zonder uitdrukkelijke toestemming O.M. - nietigheid van de hierop gebaseerde administratieve beslissing. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 45 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: TOEZICHT EN CONTROLE VAN DE SOCIALE WETTEN . ARBEIDSINSPECTIE werkloosheid - procedure - bewijs - onrechtmatig verkregen bewijs - gebruik zonder uitdrukkelijke toestemming O.M. - nietigheid van de hierop gebaseerde administratieve beslissing. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - 6§1 - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Nota: Gerangschikt onder I D - artikel 28bis ,§ 1, onder V AN - artikel 45 en onder XIV A - artikel 6 ,§

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2006(00941,P.125-128) Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Vierde Kamer Tegensprekelijk eindarrest Artikel 580 - Werkloosheid Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2040047 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: K. E., wonende te A. appellant, verschijnend bij mr. F. STRAUVEN loco mr. G. KINDERMANS, advocaat te 3870 Heers. tegen: R. V. A., openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te B. geïntimeerde, verschijnend bij mr. T. LENAERTS loco mr. G. LENAERTS, advocaat te 3680 Maaseik. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 14 januari 2004 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 16 januari 2004 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof op 11 februari 2004; - de conclusies, aanvullende en tweede aanvullende conclusies van appellant respectievelijk ontvangen ter griffie op 18 oktober 2004, 22 april 2005 en 28 september 2005 en de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 22 maart
  2. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 13 oktober
  3. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging Op 16 november 2001 werd door de Rijkswacht van Alken te Borgloon een controle uitgevoerd op de lichte vrachtwagen bestuurd door appellant en eigendom van zijn werkgever, de bouwfirma bvba L. In de laadruimte werd de frigobox van appellant aangetroffen en hierin werd een klein agendaboekje gevonden. Hierin werd vastgesteld dat op data van 13-14-15 en 16 november 2001 een cijfer "8" vermeld was met het geschreven woord "Dop" ernaast. Verder werd 30 x het woord "Dop" alsmede een cijfer aangetroffen. Tenslotte wordt ook nog vastgesteld dat hierin 6 x de letter "D" alsmede een cijfer voorkomt. Geconfronteerd met deze vaststelling geeft appellant spontaan toe dat het woord "Dop" en de letter "D" wijzen op het trekken van werklozensteun en dat het cijfer ernaast slaat op de gepresteerde werkuren van die dag. Van deze vaststelling werd door de verbalisanten Pro-Justitia opgesteld voor sluikwerk gepleegd te Borgloon tussen 1 november 2001 en 16 november
  4. Onder de rubriek "Inlichtingen" noteerden de verbalisanten nog het volgende: "Door ons werden terzake geen onderzoeksdaden verricht. De Dienst Arbeidsinspectie te Tongeren werden telefonisch op de hoogte gebracht van de feiten. Bij een huiszoeking bij E. K. uitgevoerd naar aanleiding van een ander gerechtelijk onderzoek, worden de stempelkaarten van de maanden november - oktober en september 2001 op naam van E. K. aangetroffen. Een kopij van deze kaarten wordt als bijlage aan huidig proces-verbaal toegevoegd. In afwachting van een verdere beslissing van uw ambt wordt het aangetroffen agendaboekje van E. K. voorlopig op de zetel van onze dienst ter beschikking gehouden van de arbeidsinspectie te Tongeren." (stuk 3, administratief dossier). De Pro-Justitia werd op 3 december 2001 door de Rijkswacht overgemaakt aan de Procureur des Konings te Tongeren (datum ontvangst 6 december 2001), welke het dossier op 12 december 2001 onder vermelding TG.69.58 Not.nr. 100.610.01 "ter beschikking inzake R.V.A." overmaakt aan de Arbeidsauditeur te Tongeren. (zie stuk 4, dossier Auditoraat-generaal). Bij kantschrift van 8 februari 2002 verzocht de Arbeidsauditeur te Tongeren de werkloosheidsinspecteur te Tongeren een uitgebreid onderzoek in te stellen betreffende voormeld proces-verbaal en meer bepaald het onderzoek toe te spitsen op het agendaboekje ter beschikking gehouden bij de Rijkswacht van Alken. (stuk 2, administratief dossier). Op 10 juni 2002 werd appellant verhoord door R.V.A. - controleur Hansoul, aan wie hij het volgende verklaarde: "Momenteel volg ik een opleiding informatica via de V.D.A.B. - ik geniet uitkeringen als volledig werkloze. U confronteert mij met het agendaboekje 2001 welk mij toebehoorde. Het agendaboekje werd op 16 november 2001 door de rijkswacht van Borgloon in beslag genomen. Het gebeurde regelmatig dat ik, alsook de andere werknemers, na enkele uren tewerkstelling op een werf, naar huis gingen. Op dergelijke dagen werd werkloosheid aangegeven. In oktober 2001 was ik ziek van 15 tot en met 19 oktober 2001, ook hier werd een ganse week werkloosheid gepunteerd. Het was op bevel van de werkgever dat dit zo gebeurde. Wie niet in dat systeem wou meedraaien en zich hiertegen verzette werd ontslagen. Ik ben trouwens in december 2001 ontslagen na onenigheid met de werkgever dhr. L. Ik voeg eraan toe dat ik nooit ganse dagen gelijktijdig werkte en stempelde." (P.V. van verhoor C25.2). Aan de hand van het agendaboekje stelde de sociaal controleur vast dat appellant gelijktijdig werkte en werkloosheidsuitkeringen ontving op volgende dagen: Januari 2001, 10-11-12-25-26 Februari 2001, 2-5-6-7-8-9-12-23 Maart 2001, 8-9-12-13-15-19-21 April 2001, 4-5-6-9-11-19 Juni 2001, 7-8-11 September 2001, 3-5-7-10-13-14-19-20-21 Oktober 2001, 3-4-5-8-9-23-25 Van 15 tot en met 19 oktober 2001 maakte appellant de vermelding "ziek" in het agendaboekje. Voor deze periode ontving hij eveneens werkloosheidsuitkering nl. op 15, 16, 17, 18 en 19 oktober
  5. Het proces-verbaal van vaststelling van inbreuken op de werkloosheidsreglementering werd opgesteld op 3 maart 2003 en overgemaakt aan de Arbeidsauditeur te Tongeren op 13 maart
  6. (P.V. van vaststelling C25.1 - stuk 8, administratief dossier). Op 18 maart 2003 werd appellant door het Werkloosheidsbureau te Tongeren uitgenodigd om in zijn verweermiddelen gehoord te worden op 1 april 2003 op grond van volgende motieven: "Uit een onderzoek is gebleken dat u werkloosheidsuitkeringen en vergoeding vorst/bouw genoten heeft op dagen dat u werkte en ziek was in de periode van 10 januari 2001 tot en met 25 oktober 2001 doordat u de passende vermelding niet had aangebracht op uw stempelkaarten. U dient de werkloosheidsuitkeringen en vergoeding vorst/bouw terug te betalen die u ten onrechte ontvangen heeft en u kan een uitsluiting opgelegd worden." (stuk 18, administratief dossier). Met brief van 31 maart 2003 laat de raadsman van appellant het volgende weten aan geïntimeerde: "Cliënt werd opgeroepen om aanwezig te zijn op 1 april 2003 om 9.30 uur in uw kantoor te Tongeren. Cliënt is echter verhinderd, vandaar dat ik u huidig schrijven per fax overmaak. Klaarblijkelijk is het onderzoek dat tegen mijn cliënt gevoerd wordt gebaseerd op een agendaboekje van het jaar 2001, dat door de Rijkswacht van Borgloon in beslag werd genomen op 16 november
  7. De in beslagname van dit agendaboekje gebeurde naar aanleiding van een huiszoeking die bij mijn cliënt werd uitgevoerd op last van de procureur des Konings te Tongeren betreffende feiten die niets met sociale wetgeving te maken hebben. Vooreerst dien ik dan ook op te merken dat het lastens mijn cliënt gevoerde onderzoek met nietigheid is aangetast, wanneer u niet aantoont dat uw diensten op wettelijke wijze in het bezit gekomen zijn van dit boekje of kennis gekregen hebben van de inhoud daarvan. Het boekje werd immers in beslag genomen binnen het kader van een gerechtelijk onderzoek, zodanig dat de procureur des Konings op wiens last de huiszoeking bij mijn cliënt gebeurde deze informatie aan uw diensten moet hebben overgemaakt of minstens zijn goedkeuring daarvoor moet hebben gegeven. Alvorens mijn cliënt bijkomende verklaringen desbetreffend mag afleggen, moet dus aangetoond zijn dat u op rechtmatige wijze in het bezit gekomen is van deze informatie. Huidig schrijven wordt u dan ook verzonden onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis." Op 10 april 2003 beslist geïntimeerde: - appellant uit te sluiten van het recht op werkloosheidsuitkeringen en vergoedingen vorst/bouw voor de volgende dagen: Januari 2001, 10-11-12-25-26 Februari 2001, 2-5-6-7-8-9-12-23 Maart 2001, 8-9-12-13-15-19-21 April 2001, 4-5-6-9-11-19 Juni 2001, 7-8-11 September 2001, 3-5-7-10-13-14-19-20-21 Oktober 2001, 3-4-5-8-9-23-25; - hem uit te sluiten van het recht op werkloosheidsuitkeringen en vergoedingen vorst/bouw tijdens de periode van 15 oktober 2001 tot en met 19 oktober 2001 omdat hij arbeidsongeschikt was; - de uitkeringen die hij onrechtmatig ontving terug te vorderen (artikel 169 van het voormeld Koninklijk besluit); - hem uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 14 april 2003 gedurende een periode van 13 weken omdat hij heeft nagelaten vóór het begin van een activiteit die niet-verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van uw controlekaart zwart te maken; - zijn dossier over te maken aan de Arbeidsauditeur die zal beslissen welk strafrechtelijk gevolg moet worden gegeven aan het dossier. De administratieve beslissing is gesteund op volgende motieven: "Overeenkomstig de artikelen 44 en 45 heeft een werknemer geen recht op werkloosheidsuitkeringen indien hij werkt of recht heeft op loon. Uit een onderzoek is gebleken dat u werkte op de volgende dagen waarvoor u ook werkloosheidsuitkeringen en vergoedingen vorst/bouw ontving: Januari 2001, 10-11-12-25-26 Februari 2001, 2-5-6-7-8-9-12-23 Maart 2001, 8-9-12-13-15-19-21 April 2001, 4-5-6-9-11-19 Juni 2001, 7-8-11 September 2001, 3-5-7-10-13-14-19-20-21 Oktober 2001, 3-4-5-8-9-23-
  8. Overeenkomstig de artikelen 60 en 61 heeft een werknemer geen recht op werkloosheidsuitkeringen en vergoedingen vorst/bouw indien hij arbeidsongeschikt is en/of ziektevergoedingen ontvangt. Uit dit onderzoek bleek ook dat u arbeidsongeschikt was tijdens de periode van 15 oktober 2001 tot en met 19 oktober
  9. Tijdens deze periode ontving u ook werkloosheidsuitkeringen en vergoedingen vorst/bouw. U handelde met bedrieglijk inzicht. Dat wordt bewezen door het feit dat u vóór de periode van inbreuk ook al tijdelijk werkloos geweest was en u bijgevolg geacht werd op de hoogte te zijn van de richtlijnen betreffende het invullen en bijhouden van uw controlekaart. Uit uw agenda bleek ook dat u zich ervan bewust was dat u werkloosheidsuitkeringen ontving voor dagen waarop u werkte of arbeidsongeschikt was. De werkloze die gehandeld heeft met bedrieglijk inzicht, kan strafrechtelijk worden vervolgd (artikel 175, 1°, e van voormeld Koninklijk besluit). Uw dossier wordt daarom overgemaakt aan de Arbeidsauditeur die zal beslissen welk gevolg moet worden gegeven aan uw dossier. Elke onrechtmatig en bedrieglijk ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van voormeld Koninklijk besluit). Bijgevolg moeten de uitkeringen (werkloosheid en vorst/bouw) worden teruggevorderd die u voor de volgende dagen heeft genoten: Januari 2001, 10-11-12-25-26 Februari 2001, 2-5-6-7-8-9-12-23 Maart 2001, 8-9-12-13-15-19-21 April 2001, 4-5-6-9-11-19 Juni 2001, 7-8-11 September 2001, 3-5-7-10-13-14-19-20-21 Oktober 2001, 3-4-5-8-9-23-
  10. Het totale bedrag dat u moet terugbetalen, de berekening en de wijze waarop u kan terugbetalen, worden u hierbij betekend. U hebt nagelaten om vóór het begin van een activiteit die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van uw controlekaart zwart te maken. Hierdoor ontving u uitkeringen waarop u geen recht had. De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen omdat hij nagelaten heeft om vóór het begin van een activiteit die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, het overeenstemmende vakje van zijn controlekaart zwart te maken, kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken (artikel 154, eerste lid). De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een sanctie op grond van artikel 153, 154 of 155 (artikel 157 bis, ,§2 en 3). In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op 13 weken aangezien het gaat om 50 dagen van cumulatie van werkloosheidsuitkeringen met arbeid of arbeidsongeschiktheid. Om dezelfde reden(en) beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 157 bis, ,§ 1, lid 1) en voorzie ik de uitsluitingsbeslissing niet van een geheel of gedeeltelijk uitstel (artikel 157 bis, ,§ 2, lid2). Met brief van dezelfde datum wordt appellant in gebreke gesteld het bedrag van 2.760,23 EUR zijnde 57,5 uitkeringen werkloosheid in de periode 10 januari 2001 tot 25 oktober 2001 en 14,5 uitkeringen vergoeding vorst + bouw in de periode 3 oktober 2001 tot 25 oktober 2001 terug te betalen. Op 30 april 2003 nam appellant verhaal tegen voornoemde beslissing bij de Arbeidsrechtbank te Tongeren. Op 3 juni 2003 werd aan appellant een voorstel tot minnelijke schikking wegens "bedrieglijk genot werkloosheidsuitkeringen en geen schrapping controlekaart" ter kennis gebracht. Het voorgestelde bedrag van 200 EUR werd betaald op 9 september
  11. (stuk 2, administratief dossier Auditoraat-generaal). Bij vonnis van 14 januari 2004 oordeelde de Arbeidsrechtbank te Tongeren dat de procedure een normaal verloop heeft gekend en bevestigde ze de administratieve beslissing van 10 april
  12. Bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van het Hof d.d. 11 februari 2004 tekende appellant hoger beroep aan tegen voormeld vonnis. Appellant verzoekt het vonnis a quo teniet te doen en de bestreden administratieve beslissing te vernietigen, in ondergeschikte orde de administratieve sanctie te herleiden en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten. Geïntimeerde postuleert de bevestiging van het vonnis a quo in al zijn beschikkingen. Op de terechtzitting van 10 februari 2005 werd door de raadsman van appellant de nietigheid van de administratieve beslissing van geïntimeerde opgeworpen om reden van schending van het geheim van het strafonderzoek. Appellant betoogde dat de bewuste agenda door de politie van Alken werd overgemaakt aan de diensten van geïntimeerde zonder dat hiervoor toestemming was verkregen door de Procureur des Konings of de Arbeidsauditeur wat strijdig is met art. 125, 1° lid K.B. 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken en art. 6, ,§ 1, laatste lid van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. Het Hof vroeg het openbaar ministerie te informeren bij de lokale politie te Alken naar de juiste omstandigheden waarin het agendaboekje werd aangetroffen bij de controle van de frigobox en dat voorlopig ter beschikking werd gehouden van de arbeidsinspectie; de zaak werd uitgesteld. De lokale politie van het kanton Borgloon stelde op 3 maart 2005 een navolgend proces-verbaal op waarbij volgende inlichtingen werden verschaft aan de Auditeur. "Op 16 november 2001 te 17.10 uur werd te BORGLOON, Heuvelstraat, overgegaan tot de controle van de lichte vrachtwagen VW Caddy met nummerplaat AAM
  13. Het voertuig werd op reglementaire wijze staande gehouden en uit het verkeer gehaald. Bedoeld voertuig, ingeschreven op naam van N.V. H. C., werd bestuurd door E. K. Er waren twee passagiers. Bij de controle van de frigobox van E. K. werd een klein agendaboekje ACV Bouw - Industrie aangetroffen. Bij de controle ter plaatse geeft E. onmiddellijk het sluikwerk toe. Er werden door ons desbetreffende geen verdere onderzoeksdaden verricht. In afwachting van een verdere beslissing van uw Ambt werd het boekje voorlopig bij onze diensten ter beschikking gehouden van de Arbeidsinspectie TONGEREN. Deze vaststellingen zijn vervat in ons aanvankelijk proces-verbaal inzake sluikwerk, TG.69.58.100610/01 d.d. 16 november 2001 waarvan een voor eensluidende kopie in bijlage vervat. Op 9 januari 2002 te 16.00 uur werd bedoeld boekje overgedragen aan Mevr. HANSOUL van de Arbeidsinspectie TONGEREN. Dit ingevolge een kantschrift van uw Ambt aan voornoemde dienst. In navolgend proces-verbaal 100612/01 d.d. 23 november 2001, dossier 76/01 van Onderzoeksrechter D'HOOGHE, werd enkel verwezen naar het bedoelde boekje. Hij verklaart in voornoemd proces-verbaal dat hij er kennis van neemt dat het boekje, voor verder onderzoek, ter beschikking van onze diensten blijft. Een voor eensluidende kopie van dit proces-verbaal is tevens vervat in bijlage. E. K. neemt dan meerdere goederen, bij hem thuis meegenomen tijdens de huiszoeking met bevel, in het kader van een onderzoek naar verdovende middelen, terug in ontvangst. De agenda in kwestie werd dus niet in de woonst van E. K. te ALKEN aangetroffen, doch te BORGLOON in een voertuig van zijn werkgever dat hij bestuurde." In bijlage werd het navolgend P.V. nr. 100612/01 van 23 november 2001 van de federale politie te Alken gevoegd, in uitvoering van het kantschrift van de heer D'Hooghe 76/01, Onderzoeksrechter te Tongeren, waarbij een aantal goederen werden teruggegeven aan appellant, K. E., behalve nog één kleine zakagenda die ter beschikking blijft van uw diensten voor verder onderzoek. Tevens werd een proces-verbaal Nr. 100593/01 van 16 november 2001 navolgend aan het aanvankelijk proces-verbaal Nr. TG.58.60.100440/01 toegevoegd. Het betreft een verhoor van appellant K. E. opgesteld naar aanleiding van een beschikking tot huiszoeking van onderzoeksrechter D'Hooghe te Tongeren. (zie dossier Auditoraat-generaal). Ter terechtzitting van 28 april 2005 wenste het Hof vanwege het openbaar ministerie een antwoord op een aantal vragen betreffende het mededelen van processen-verbaal en het agendaboekje aan de werkloosheidsinspecteur. Bij schrijven van 29 april 2005 verzocht het Auditoraat-generaal de Arbeidsauditeur te Tongeren om antwoord op de volgende vragen: "1) Op welke wijze werd uw ambt in kennis gesteld van het P.V. Nr. TG.69.68.100610/01 van 16 november 2001, opgesteld door de Federale Politie Alken? Rechtstreeks toegezonden door de Federale Politie of via mededeling bij kantschrift van het Parket van de procureur des Konings? (zie vonnis blz. 3) 2) In het navolgend P.V. nr. 100759/05 van 3 maart 2005 ingevolge uw kantschrift nr. 1034/2003 schrijft de inspecteur Marc Bikkembergs dat op 9 januari 2002 te 16.00 uur bedoeld boekje (het agendaboekje) overgedragen werd aan Mevrouw HANSOUL van de Arbeidsinspectie Tongeren, dit ingevolge een kantschrift van uw ambt aan voornoemde dienst. Welke ambt bedoelt de inspecteur? Uw kantschrift (nr. 20011342) om een uitgebreid onderzoek in te stellen met toespitsing op het agendaboekje dateert van 8 februari
  14. Heeft het ambt van de procureur des Konings te Tongeren (of de Onderzoeksrechter) opdracht gegeven het agendaboekje over te dragen aan Mevrouw HANSOUL?" (zie dossier Auditoraat-generaal). Op 13 juni 2005 antwoordt de Arbeidsauditeur op de gestelde vragen als volgt: "1) Het P.V. nr. 69.68.100610/01 d.d. 16 november 2001 van de Federale Politie te Alken werd aan mijn ambt medegedeeld via kantschrift van de procureur des Konings d.d. 12 december 2001 (waarvan kopie in bijlage). 2) Noch de procureur des Konings, noch de onderzoeksrechter, hebben de diensten van de R.V.A. terzake beopdracht, aangezien de zaak aan mijn ambt ter beschikking werd overgemaakt voor wat de R.V.A. - inbreuken betreft. Uit de chronologie der feiten en de aanwezige documenten in het dossier kan niet anders besloten worden dat "het kantschrift van uw ambt" dient geïnterpreteerd te worden als het kantschrift van de Arbeidsauditeur d.d. 8 februari
  15. Zoals blijkt uit bijgevoegd faxschrijven van mevrouw Hansoul en van de heer Bikkembergs kan de juiste datum van overdracht niet meer achterhaald worden. Ter vervollediging deel ik nog mede dat mevrouw Hansoul sociaal controleur is bij de R.V.A. Tongeren en niet bij de Arbeidsinspectie." (stuk 4, administratief dossier Auditoraat-generaal). De bijgevoegde fax d.d. 13 juni 2005 van sociaal controleur Hansoul aan de Arbeidsauditeur van Tongeren bevat volgende inhoud: "Verwijzend naar uw fax van 3 juni 2005 kan ik u meedelen dat ik persoonlijk het boekje ben gaan afhalen bij de Lokale Politie in BORGLOON. Juiste datum van afhaling is niet meer te achterhalen." In zijn fax aan de Arbeidsauditeur stelt de heer Bikkembergs, inspecteur bij de Lokale Politie te Borgloon, het volgende: "In mijn inlichtingsboek werd door mij zelf genoteerd dat het boekje in kwestie op 9 januari 2002 te 16.00 uur werd afgehaald door mevr. HANSOUL van de R.V.A." (bijlagen aan stuk 4, administratief dossier Auditoraat-generaal). II. In Rechte
  16. Appellant werpt de nietigheid van de thans bestreden administratieve beslissing van geïntimeerde op omdat zij gesteund is op inlichtingen en stukken die door geïntimeerde werden verkregen met schending van het geheim van het strafonderzoek. Het sociaalrechtelijk onderzoek is een gevolg van de inbeslagname van een agendaboekje eigendom van appellant tijdens een controle uitgevoerd door de politie van Alken in het kader van een door de Onderzoeksrechter van Tongeren bevolen gerechtelijk onderzoek naar verdovende middelen. Uit deze agenda wordt door geïntimeerde het bewijs gehaald van het feit dat appellant gedurende een aantal dagen tegelijkertijd gewerkt en gestempeld heeft. Appellant stelt nu dat de diensten van geïntimeerde op onrechtmatige wijze in het bezit zijn gekomen van deze agenda m.n. werd deze agenda door de politie van Alken zonder voorafgaande toestemming van de Procureur-generaal of diens ondergeschikte, aan de sociaal controleur van geïntimeerde overhandigd die op grond hiervan appellant is gaan verhoren en proces-verbaal heeft opgesteld dat dan weer de basis is geweest voor de bestreden administratieve beslissing van geïntimeerde d.d. 10 april
  17. Appellant verwijst ter staving van zijn stelling naar art. 125 K.B. 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken en art. 6 ,§ 1, laatste lid van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.
  18. Het Hof onderschrijft het standpunt van appellant. Het geheim van het onderzoek verbiedt de politiediensten de door hen bij het strafonderzoek verzamelde gegevens aan een sociale inspectiedienst mee te delen behoudens uitdrukkelijke machtiging daartoe door het bevoegd openbaar ministerie. Uitdrukking van dit beginsel wordt teruggevonden in artikel 125, eerste lid, van het Koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken en artikel 6 ,§ 1, laatste lid, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. Voormeld artikel 125, 1° lid K.B. 28 december 1950 (B.S. 30 december 1950) bepaalt inderdaad het volgende: "In criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken mag geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de Procureur-generaal bij het Hof van beroep." Artikel 6 ,§ 1 van de wet van 16 november 1972 op de arbeidsinspectie bepaalt: "Alle diensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en van alle rechtscolleges, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, en van de openbare instellingen die ervan afhangen, alsmede van alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, zijn gehouden aan de sociale inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen te geven, alsmede alle boeken, registers, documenten, schijven, banden of gelijk welke andere informatiedragers ter inzage voor te leggen en uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopies of fotokopies ervan te verstrekken die deze laatsten nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgevingen waarmee zij belast zijn. Alle voornoemde diensten, met uitzondering van de diensten van de Gemeenschappen en Gewesten, zijn gehouden die inlichtingen, uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopies of fotokopies kosteloos te verstrekken. Evenwel mogen de akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke toelating van de Procureur-generaal of de Auditeur-generaal." Vanaf het ogenblik dat de politie ambtshalve overgaat tot het opstellen van een proces-verbaal of een Pro-Justitia, hetwelk onbetwistbaar een akte van onderzoek is, stelt hij een handeling die onder de toepassing valt van de definitie van het opsporingsonderzoek. Artikel 28 bis, ,§ 1 van het Wetboek van Strafvordering omschrijft het opsporingsonderzoek als het geheel van handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitvoering van de strafvordering. Vanaf het ogenblik van de vaststelling van een inbreuk door middel van een proces-verbaal geldt het geheim van het strafrechtelijk onderzoek. Het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek werd expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering en met name in artikel 28 quinquies ,§ 1 en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 28 quinquies en artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering bepalen dat, behoudens de wettelijke uitzonderingen, het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek geheim zijn en dat eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het opsporings- en het gerechtelijk onderzoek, tot geheimhouding verplicht is en dat hij die dit geheim schendt, gestraft wordt met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. Welnu van zodra de politiediensten het proces-verbaal hebben opgesteld kunnen zij de inlichtingen waarover zij beschikken of de stukken in hun bezit enkel overmaken aan andere instanties (waaronder de R.V.A.) indien daarvoor vooraf toelating werd verleend door het openbaar ministerie. Indien die inlichtingen en/of stukken toch worden meegedeeld aan derden, zonder toestemming van het openbaar ministerie dan wordt aldus het geheim van het onderzoek geschonden en dienen deze uit het dossier geweerd te worden en mag de ontvangende instantie (in casu de R.V.A.) er geen gebruik van maken. Uit het aanvankelijk proces-verbaal nr. TG.6958.100610/01 van 16 november 2001 kunnen de volgende feitelijkheden gedistilleerd worden m.n.: - dat op 16 november 2001 de federale politie van Alken ambtshalve het misdrijf van "sluikwerk", gepleegd tussen 1 november 2001 en 16 november 2001, vaststelde ten laste van appellant; - dat de vaststelling gebeurde naar aanleiding van een gerechtelijk onderzoek; - dat er een binding bestond met dossier gerechtelijk onderzoek inzake verdovende middelen van Onderzoeksrechter D'Hooghe te Tongeren; - dat de Dienst Arbeidsinspectie te Tongeren telefonisch op de hoogte gebracht werd van de feiten; - dat een huiszoeking uitgevoerd werd bij appellant naar aanleiding van een ander gerechtelijk onderzoek en waarbij stempelkaarten op naam van appellant werden aangetroffen. Kopie van deze kaarten werd als bijlage aan huidig P.V. toegevoegd; - dat in afwachting van een verdere beslissing van het ambt van het openbaar ministerie het aangetroffen agendaboekje van appellant voorlopig op de zetel van de federale politie te Alken ter beschikking werd gehouden van de arbeidsinspectie te Tongeren; - dat het proces-verbaal toegezonden werd aan de Arbeidsauditeur te Tongeren. Uit het navolgend proces-verbaal nr. 100612/01 van 23 november 2001, dat opgesteld werd in uitvoering van het kantschrift 76/01 van de Onderzoeksrechter D'Hooghe te Tongeren in het dossier inzake verdovende middelen, blijkt dat aan appellant een aantal goederen werden teruggegeven, behalve één klein agenda dat voorlopig werd bijgehouden voor verder onderzoek. Dit in het kader van het dossier TG.69.58.100610/01 inzake sluikwerk. In het informatieverslag van 3 maart 2005 vermeldt de verbalisant dat: "Op 9 januari 2002 bedoeld boekje (het agendaboekje) overgedragen werd aan mevrouw Hansoul van de Arbeidsinspectie te Tongeren, dit ingevolge kantschrift van uw Ambt aan voornoemde dienst." Uit het bijkomend onderzoek van het Auditoraat-generaal bij het Hof blijkt dat: - de sociaal controleur, mevrouw Hansoul, persoonlijk het agendaboekje is gaan afhalen bij de lokale politie in Borgloon, en dat zij de juiste datum van afhaling niet meer kan achterhalen. (brieven van 3 en 13 juni 2005 aan de Arbeidsauditeur); - de inspecteur Marc Bikkembergs van de PZ. Kanton Borgloon 5379 steeds heeft voorgehouden dat het boekje in kwestie op 9 januari 2002 te 16.00 uur werd afgehaald door mevrouw Hansoul van de R.V.A. (P.V. 100759/05 van 3 maart 2005, faxen van 3 en 7 juni 2005). Hij verduidelijkt nog dat hij dit in zijn inlichtingsboek zelf noteerde en dat de overdracht op woensdag 9 januari 2002 is gebeurd en het niet 9 februari 2002 kan zijn geweest vermits dit een zaterdag was en dat hij die dag niet heeft gewerkt. (fax van 3 juni 2005); - dat de Arbeidsauditeur te Tongeren op 8 februari 2002 aan de werkloosheidsinspectie de opdracht gaf een uitgebreid onderzoek in te stellen, meer bepaald het onderzoek toe te spitsen op het agendaboekje. Uit de voorafgaande stukken kan het volgende worden afgeleid:
  19. de stempelkaarten (of de controlekaarten C2) werden aangetroffen tijdens de huiszoeking uitgevoerd naar aanleiding van het gerechtelijk onderzoek inzake verdovende middelen, in fotokopie aan het proces-verbaal inzake zwartwerk toegevoegd en overgemaakt aan de sociaal controleur van de R.V.A.;
  20. het agendaboekje werd op 9 januari 2002 overgedragen aan mevrouw Hansoul, sociaal controleur van de R.V.A. terwijl het kantschrift houdende verder onderzoek uit te voeren van de Arbeidsauditeur dateert van 8 februari 2002, d.i. een maand later. Uit het voorafgaande blijkt dat de politiediensten een bewijsstuk (= agenda), dat ter beschikking moest blijven van deze diensten voor verder onderzoek (zie kantschrift Onderzoeksrechter D'Hooghe 76/01), overhandigd hebben aan een sociaal controleur van de R.V.A., zonder toelating van de Onderzoeksrechter zelf of van het openbaar ministerie. Eensluidende rechtspraak (zie Cass. 21 oktober 1991, Soc. Kron., 1992, blz. 143; Arbeidshof Bergen, 25 januari 1989, J.T.T., 1990, blz. 30) handhaaft het principe dat, wanneer de politie in opdracht van de procureur des Konings of de Onderzoeksrechter in een strafonderzoek processen-verbaal opstelt, de overmaking van de in het kader van dat onderzoek verkregen inlichtingen aan de R.V.A., zonder machtiging van het openbaar ministerie of in casu de Onderzoeksrechter een schending uitmaakt van het strafonderzoek. Het is derhalve duidelijk dat de administratieve beslissing van 31 mei 2001 gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijs. Het bewijs wordt onrechtmatig verkregen indien naar aanleiding van de bewijsgaring ofwel een handeling werd gesteld in strijd met een materiële wetsbepaling, ofwel een handeling werd gesteld in strijd met een regel van formeel procesrecht, ofwel een handeling werd gesteld die ingaat tegen de algemene rechtsbeginselen. (Traest, Ph., Het bewijs in strafzaken, Gent, Mys en Breesch, 1992, 285; Cass. 13 mei 1986, Pas., 1986, I, 1107, met conclusie van Advocaat-generaal, J. Dujardin; Cass., 23 december 1998, R.W., 1998). Het bewijs dat geleid heeft tot de beslissing van de directeur van 31 mei 2001 is onrechtmatig omdat het verkregen is ingevolge een handeling die strijdig is met de materiële wet en zelfs door middel van het plegen van een misdrijf. (art. 458 van het Strafwetboek). De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen heeft als gevolg dat het Hof, bij het vormen van zijn overtuiging, dat element noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen. (Cass. 23 december 1998, R.W. 1999-2000; Cass., 14 oktober 2003, R.W. 2003-2004, 814). De rechtmatigheid van het bewijs wordt aangetast vanaf het moment dat de politiediensten dit bewijs overmaken aan de sociaal controleur van geïntimeerde, met schending van het geheim karakter van het strafrechtelijk onderzoek. Alle bewijsmateriaal dat voortvloeit uit het aldus onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan evenmin als regelmatig verkregen bewijs in aanmerking genomen worden; dienvolgens kan noch met de vaststellingen van de politie tijdens de controle van 16 november 2001 noch met de verklaring die door appellant werd afgelegd tijdens het verhoor van 10 juni 2002 noch met het P.V. van vaststelling d.d. 3 maart 2003 van de sociaal controleur van geïntimeerde rekening gehouden worden. Aangezien geïntimeerde geen andere bewijsstukken voorbrengt waaruit zou blijken dat appellant tijdens zijn werkloosheid arbeid heeft verricht in de zin van artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit, dient de bestreden administratieve beslissing vernietigd. (C.T. Liège, 2 juni 1995, Soc. Kron. 1996, 151; C.T. Liège, 2 juni 1997, Soc. Kron. 1998, 131, observations M. A. SWARTENBROEKX; C.T. Liège, 24 juni 2004, J.T.T. 1995, 152; C.T. Mons, 19 december 1991, Soc. Kron. 1992, 144; C.T. Mons, 10 december 2003, Soc. Kron. 2004, 431; Arbh. Antwerpen, afd. Antwerpen, 8 september 2005, A.R. 2020397, R.V.A. t/ J. Lenaerts, niet gepubliceerd). Het hoger beroep is gegrond. O P D I E G R O N D E N: Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde kamer, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. NELISSEN, Advocaat-generaal, in zijn gelijkluidend schriftelijk advies gelezen op de openbare terechtzitting van 27 oktober 2005, waaromtrent partijen niet repliceerden. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren d.d. 14 januari
  21. En opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en gegrond. Vernietigt de administratieve beslissing van geïntimeerde d.d. 10 april
  22. Verwijst geïntimeerde, conform artikel 1017, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep, deze in hoofde van appellant vereffend op 102,63 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Laat deze kosten in hoofde van geïntimeerde onvereffend bij gebreke aan afgifte van een kostenstaat. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van acht december tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: Dhr. G. VERSCHUEREN, Kamervoorzitter, Dhr. R. GIJBELS, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, Dhr. W. MOERMANS, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer - bediende, Mevr. L. COLLA, e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051208.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.