id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051214.4 Rolnummer: 2004-0176 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-04-03 Raadplegingen: 137 - laatst gezien 2026-07-01 03:37 Fiches 1 - 2 Van diegene die aanspraak maakt op financiële hulp en die concreet over de mogelijkheden beschikt om door het opnemen van een voor hem passende arbeid een inkomen te verwerven dat hem in staat stelt een leven te lijden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, kan gevergd worden dat hij werkbereid is en dat hij van die bereidheid op een of andere manier blijk geeft. Ter rechtvaardiging van het niet vervullen van deze verplichting kan de aanvrager zich beroepen op gezondheids- en billijkheidsredenen. De beslissing tot schorsing van het recht op financiële hulp als sanctie wegens niet naleving van de opgelegde voorwaarden wordt genomen op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier. Wanneer een van dit voorstel afwijkende beslissing wordt genomen dient daarvoor ook een gepaste motivatie gegeven te worden. De schorsing van het recht op financiële hulp wegens niet naleving van de opgelegde voorwaarden maakt een administratieve sanctie uit met een beperking in de tijd, zodat zij slechts kan ingaan vanaf het ogenblik dat daartoe beslist werd. Een schorsing welke wordt uitgesproken voor een periode voorafgaand aan de beslissing schendt dan ook het artikel 60, ,§3, 3de lid van de OCMW-wet en het principe dat een administratieve sanctie slechts voor de toekomst gevolgen kan ressorteren. Deze schending heeft de nietigheid van de sanctiebeslissing tot gevolg, zonder mogelijkheid tot substitutie van de rechter. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Taken OCMW - Steun OCMW Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN algemene bepalingen - maatschappelijke dienstverlening - financiële hulp - voorwaarden - werkbereidheid - sancties - beslissing - schorsing van het recht op financiële hulp voor het verleden - geldigheid motivering - substitutierecht van de rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 1,1stelid - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - financiële hulp - voorwaarden - werkbereidheid - sancties - beslissing - schorsing van het recht op financiële hulp voor het verleden - geldigheid - motivering - substitutierecht van de rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 60,§3 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder X E - artikel 1, 1ste lid en onder X E - artikel 60 ,§
- Annotaties Publicaties: SRK 2008 - - nr. 2 - blz. 94-96 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN AFDELING HASSELT Vierde Kamer Tegensprekelijk eindarrest Art. 580 OCMW ARREST A.R. 2040176 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: ZM, wonende te x, appellante, verschijnend bij mr. H. DEFRENNE, advocaat te Antwerpen; tegen : OCMW K met zetel te x, geïntimeerde, verschijnend bij mevr. I. EYCK, juriste bij het OCMW, volmachtdrager. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden eindvonnis op 21 april 2004 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren, in de samengevoegde zaken gekend onder A.R. nrs. 120/2004 en 215/2004 waartegen tijdig en geldig naar vorm hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 mei 2004 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies voor geïntimeerde en de stavingstukken voor partijen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord geïntimeerde in de voordracht van zijn conclusies en gehoord partijen in de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2005 van deze kamer. PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN Inzake A.R. 120/2004 Bij inleidend verzoekschrift, aangetekend gezonden aan de griffie van de Arbeidsrechtbank te Tongeren op 15.01.2004 stelde appellante verhaal in tegen de beslissing van geïntimeerde d.d. 10.12.2003, waarbij het volgende werd beslist: - toekenning vanaf 8.12.2003 van een maandelijkse financiële steun t.b.v. 793,76 EUR; - aan deze beslissing werd de voorwaarde gekoppeld dat appellante vanaf 22.12.2003 wekelijks 2 sollicitatiebewijzen aan het OCMW dient over te maken. Het niet naleven van deze voorwaarde kan de schorsing van de maandelijkse financiële steun tot gevolg hebben. Tevens dient appellante haar rechten op onderhoudsgeld te laten gelden. Inzake A.R. 215/2004 Bij inleidend verzoekschrift, aangetekend gezonden aan de griffie van de Arbeidsrechtbank te Tongeren op 4.02.2004 stelde appellante verhaal in tegen de beslissing van geïntimeerde d.d. 07.01.2004, waarbij het volgende werd beslist: - schorsing van de maandelijkse financiële steun voor de periode 22.12.2003 t/m 04.01.2003 (diende 04.01.2004 te zijn, materiële missing) - handhaving van de voorwaarde, gesteld in de beslissing van 10.12.2003 vanaf 01.01.
- Daarbij vorderde appellante de vernietiging van deze beslissing en verzocht zij de rechtbank te horen zeggen voor recht dat haar recht op financiële steun niet kon worden geschorst voor de periode van 22.12.2003 t/m 04.01.2004 en te zeggen voor recht dat zij vanaf 08.12.2003 recht heeft op maatschappelijke steun ad 793,76 EUR zonder voorwaarden. De eerste rechter voegde de zaken samen; verklaarde de vorderingen ontvankelijk doch ongegrond en verwees geïntimeerde in de gedingkosten. POSTULERINGEN VAN PARTIJEN Appellante postuleert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en verzoekt het Hof, opnieuw recht doende: - de beslissing d.d. 10 december 2003 te vernietigen en te zeggen voor recht dat aan appellante met ingang van 8 december 2003 maandelijkse financiële steun wordt verleend ad 793,76 EUR, zonder daaraan enige voorwaarde te koppelen. Tevens te zeggen voor recht dat de voorwaarde betreffende de twee sollicitatiebewijzen niet kan worden gehandhaafd; - de beslissing d.d. 7 januari 2004 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de aan appellante toegekende financiële steun niet kan worden geschorst voor de periode 22.12.2003 tem 04.01.2003 (vermoedelijk wordt bedoeld 04.01.2004) en haar voor deze periode de financiële steun diende betaald, meer de verwijl- en de gerechtelijke interesten. In ondergeschikte orde de opgelegde voorwaarde aangaande twee sollicitatiebewijzen per week (voor wat betreft de beide beslissingen) af te zwakken in die zin dat appellante maximum twee sollicitatiebewijzen per maand dient voor te leggen en/of een andere haalbare voorwaarde op te leggen die het Hof nuttig acht. Tenslotte geïntimeerde te verwijzen in de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerde postuleert het beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dienvolgens al het gevraagde in het verzoekschrift in hoger beroep, integraal en volledig af te wijzen. Vervolgens te zeggen voor recht dat het bestreden vonnis in alle onderdelen bevestigd wordt en dat de bestreden beslissingen van 10 december 2003 en van 7 januari 2004 ook in alle onderdelen worden bevestigd. Te zeggen voor recht dat geïntimeerde niet veroordeeld wordt in de betaling van de kosten, vermeld in het bestreden vonnis en ook niet van huidig arrest, alsook niet de veroordeling van geïntimeerde uit te spreken om de gevraagde rechtsplegingvergoeding in het bestreden vonnis en van huidig arrest, daar hiertoe geen reden bestaat. Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. MOTIVERING ARREST - BEOORDELING
- Appellante, geboren te Grozny (Rusland) op 1 november 1977, deed op 12 november 2001 een asielaanvraag samen met haar moeder. Op 21 november 2001 werd deze aanvraag ontvankelijk verklaard en werd zij toegewezen aan het OCMW K. Appellante is een alleenstaande moeder met 1 kind (° 12-01-2003) ten laste. De vader, eveneens een kandidaat-vluchteling, verblijft op een ander adres.
- Daar waar appellante vanaf 8 januari 2002 maandelijks financiële steun als samenwonende ontving (366,82 EUR), vroeg zij op 8 december 2003 steun aan als alleenstaande ouder omdat zij sinds 1 december 2003 niet meer samenwoonde met haar moeder. 3.
- Geïntimeerde besliste op 10 december 2003 de hogere maandelijkse financiële steun toe te kennen (793,76 EUR), maar stelde wel vast dat zij naar analogie van de wet op het leefloon evengoed bereid moet zijn een inkomen als arbeidster na te streven en dat zij deze bereidheid ook moet aantonen. Daarenboven was geïntimeerde ook de mening toegedaan dat, daar de maandelijkse financiële steun een residuair recht is, tevens van appellante kon verlangd worden dat zij stappen zou zetten om vanwege de vader een bijdrage te vragen in de kosten van de opvoeding van het kind (onderhoudsgeld). Aldus werd aan de toekenning van maandelijkse financiële steun onder meer de voorwaarde verbonden om wekelijks het bewijs voor te leggen van twee sollicitatiebewijzen. 3.
- Uit het sociaal verslag blijkt dat appellante uitstel had gevraagd voor het voorleggen van de eerste twee sollicitatiebewijzen tot 5 januari 2004 en dat op 6 januari 2004 vastgesteld diende te worden dat zij slechts 2 sollicitatiebewijzen had doorgefaxt. Hierop werd door de maatschappelijke assistente het voorstel gedaan om akkoord te gaan met de vraag van appellante om de sollicitatiebewijzen voor de week van 22 december 2003 uiterlijk op 5 januari 2004 binnen te brengen voor zover zij voor 25 januari 2004 nog het bewijs zou voorleggen dat zij alimentatie heeft gevraagd aan de vader van het kind en haar geen steun toe te kennen voor de periode van 29 december 2003 tot en met 4 januari
- 3.
- Omdat appellante niet voldeed aan de gestelde eisen, nam geïntimeerde op 7 januari 2004 een tweede beslissing waarbij de toegekende maandelijkse steun geschorst werd voor de periode van 22.12.2003 tot en met 04.01.2003 (bedoeld werd 04.01.2004) en waarbij de voorwaarden vermeld in de eerste beslissing hernomen werden.
- Appellante meent dat het recht op maandelijkse steun onvoorwaardelijk dient verleend te worden; alsook dat in rechte dergelijke voorwaarden gesteld kunnen worden bij beslissing van het Comité, maar stelt dat de voorwaarde om het bewijs te leveren van twee sollicitaties per week onbillijk is. Verder meent appellante dat zij ten onrechte werd geschorst van 22.12.2003 tot en met 04.01.
- 5.
- Art. 60, ,§ 3 van de OCMW-wet voorziet dat de financiële hulpverlening bij beslissing van het centrum kan worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, ,§2 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en dat indien deze voorwaarden niet worden nageleefd het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, kan worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand (i.g.v. herhaling binnen het jaar max. 3 maanden). 5.
- Het gaat hierbij om de voorwaarden van: werkbereidheid, het uitputten van het recht op andere uitkeringen, het aanspreken van onderhoudsplichten (eventueel) alsook het afsluiten en het naleven van een contract houdende een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. 5.
- Deze mogelijkheid tot koppeling van de maatschappelijke dienstverlening aan bepaalde voorwaarden uit de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bestaat, sinds de wet van 12 januari 1993, onder een dubbel voorbehoud, namelijk enerzijds kan alleen de financiële dienstverlening onderworpen worden aan bedoelde voorwaarden en anderzijds enkel wanneer het OCMW daartoe beslist of met andere woorden geen automatische toepasselijkheid van die voorwaarden. Hieruit volgt dat het OCMW de toekenning van financiële maatschappelijke hulp kan koppelen aan de voorwaarde dat de betrokkene het bewijs levert van het feit dat hij bereid is te gaan werken, tenzij dit laatste voor hem onmogelijk is om gezondheidsredenen of om redenen van billijkheid (Cass. 28 februari 2000, Arr. Cass. 2000, p. 498-499 nr. 146). 5.
- Appellante betwist niet dat aan de financiële steunverlening voorwaarden kunnen gekoppeld worden en dat de voorwaarde inzake de onderhoudsverplichtingen logisch en billijk is, maar kan zich niet verzoenen met de voorwaarde om per week het bewijs van twee sollicitaties voor te leggen. Dit is volgens haar een onredelijke voorwaarde, gelet op het gebrek aan taalkennis en het probleem van de kinderopvang. 5.
- Aangaande "de verplichting voor appellante om wekelijks twee sollicitatiebewijzen voor te leggen" kan verwezen worden naar artikel 1, 1ste lid van de OCMW-wet dat bepaalt dat maatschappelijke dienstverlening tot doel heeft "eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid". Hieruit volgt dat de allereerste voorwaarde om recht te hebben op dienstverlening is dat de aanvrager "in een zodanige toestand verkeert dat hij niet over de middelen beschikt om een leven te leiden dat met de waardigheid van zijn mens-zijn overeenstemt". Het is in deze context dat de werkbereidheidseis moet gesitueerd worden en dat aangenomen mag worden dat werkbereidheid geldt als voorwaarde voor maatschappelijke dienstverlening, vermits voor het optreden van het OCMW niet het feit dat de aanvrager een leven leidt dat niet beantwoordt aan de menselijke waardigheid van doorslaggevend belang is maar wel het feit dat hij niet over de mogelijkheid beschikt om dit te doen. Van de aanvrager kan aldus gevergd worden dat hij werkbereid is en dat hij van die bereidheid op een of andere manier blijk geeft. Hiervoor wordt wel vereist dat de hulpaanvrager concreet in de realiseerbare mogelijkheid verkeert om door het opnemen van een voor hem passende arbeid een inkomen te verwerven dat hem toelaat menswaardig te leven. De aanvrager moet effectief de aanwijsbare gelegenheid hebben om geschikt werk op te nemen. Op de verplichting blijk te geven van zijn werkbereidheid gelden alleszins de twee uitzonderingen die gelden voor het recht op bestaansminimum of leefloon: gezondheidsredenen en billijkheidsredenen. Deze laatste kunnen allerlei vormen aannemen en kunnen hun grondslag vinden in gezinslast, studie, de zorg voor bejaarde of zieke familieleden, ...... 6.
- Op terechte gronden heeft de eerste rechter naar het oordeel van het Hof geoordeeld dat de opgelegde voorwaarde geenszins als onbillijk kan beschouwd worden. 6.
- Het feit dat appellante geen Nederlands zou spreken is geen geldig argument, vermits er tal van mogelijkheden bestaan om gratis lessen Nederlands te volgen; daarenboven verblijft appellante reeds sinds november 2001 in België, zodat zij ruimschoots de tijd heeft gehad om zich een elementaire kennis van het Nederlands eigen te maken. 6.
- Kinderlast is volgens het Hof evenmin een geldig excuus; in de maatschappij bestaan bepaalde mogelijkheden om dergelijk probleem het hoofd te bieden (kinderdagverblijven, kinderopvangcentra,...), of zijn er andere opties om aan dit probleem te verhelpen. Zowel de moeder van appellante als de vader van haar kind wonen in Antwerpen, zodat met hen afspraken kunnen gemaakt worden inzake opvang van het kind. Het is derhalve niet onredelijk of onverantwoord van iemand die geen gezondheidsproblemen heeft te vragen om minstens tweemaal per week te gaan solliciteren voor werk als arbeidster. Van iedereen die aanspraak maakt op maatschappelijke dienstverlening en die in de mogelijkheid is om te werken, mag gevraagd worden dat zij of hij, zelfs al is zij of hij van vreemde nationaliteit, ernstig en veelvuldig solliciteert en daarvan ook effectief het bewijs levert. 7.
- In de bestreden beslissing werd niet duidelijk gemaakt op grond van welke voorwaarde die niet nageleefd werd door appellante de schorsing gesteund is. Uit het feit dat deze schorsing inging op 22 december 2003, datum vanaf wanneer zij volgens de eerste beslissing wekelijks twee sollicitatiebewijzen moest voorleggen, en liep tot 4 januari 2004, de dag voor dat per fax door appellante twee sollicitatiebewijzen werden bezorgd, zou men kunnen vermoeden dat de schorsing te maken heeft met de voorwaarde inzake werkbereidheid. De vraag moet gesteld worden of de bestreden beslissing de toets doorstaat met de wettelijke bepaling op grond waarvan tot schorsing van het recht op financiële maatschappelijke dienstverlening kan besloten worden (artikel 60, ,§ 3, 3de en 4de lid OCMW-wet). 7.
- Uit het sociaal verslag van 7 januari 2004 blijkt dat de maatschappelijke assistente het voorstel had gedaan om, enerzijds, akkoord te gaan met de vraag van betrokkene om de sollicitatiebewijzen voor de week van 22 december 2003 uiterlijk op 5 januari 2004 voor te leggen, mits zij voor de uitbetalingdatum van 25 januari 2004 nog een bewijs voorlegt dat ze alimentatie heeft gevraagd aan de vader van het kind en, anderzijds, haar geen steun toe te kennen voor de periode van 29 december 2003 tot en met 4 januari 2004 omdat zij zich niet had gehouden aan de gestelde voorwaarde (twee sollicitatiebewijzen per week). Het comité heeft dit voorstel niet gevolgd en heeft, zonder verdere motivering, betrokkene geschorst voor de periode van 22 december 2003 tot en met 4 januari
- Aangezien het comité een van het voorstel van de maatschappelijke assistente afwijkende beslissing neemt, dient naar het oordeel van het Hof daarvoor een gepaste motivatie te worden gegeven. Het Hof stelt vast dat dit in casu niet gebeurde, zodat de bestreden beslissing inzake schorsing op gebrekkige wijze werd gemotiveerd, zowel in feite als in rechte. 7.
- Artikel 60, ,§ 3 van de OCMW-wet toont aan dat de mogelijkheid tot schorsing voor zover de in een eerdere beslissing opgelegde voorwaarden niet worden nageleefd een administratieve sanctie uitmaakt met een beperking in de tijd. Het is dan ook vanzelfsprekend dat een schorsing slechts zal ingaan vanaf het ogenblik dat daartoe beslist wordt. In casu moet vastgesteld worden dat op 7 januari 2004 een schorsing wordt uitgesproken voor het verleden, met name voor de periode van 22 december 2003 tot en met 4 januari
- De bestreden beslissing inzake schorsing schendt naar het oordeel van het Hof artikel 60, ,§3, 3de lid OCMW-wet en het principe dat een administratieve sanctie slechts voor de toekomst gevolgen kan ressorteren, zodat de beslissing van geïntimeerde tot schorsing van het recht op financiële maatschappelijke dienstverlening vernietigd dient te worden. (Een sanctiebeslissing die nietig is wegens bepaalde vormvoorschriften, dan wel wegens schending van materieelrechtelijke bepalingen inzake de inbreuk moet onvermijdelijk leiden tot de vernietiging van de sanctie zonder mogelijkheid tot substitutie voor de rechter; Simoens D., OCMW-Dienstverlening, uitg. Die keure, losbl., blz. 155, nr. 471). OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie vertegenwoordigd door de heer F. S., Substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting 9 november
- Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Hervormt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 21 april 2004 in de samengevoegde zaken, gewezen onder A.R. nrs. 120/2004 en 215/2004, in de mate dat de bestreden beslissing van 7 januari 2004, waarbij het recht op financiële steun van appellante werd geschorst voor de periode van 22 december 2003 tot en met 4 januari 2004, werd bevestigd. Opnieuw recht doende, zegt voor recht dat de aan appellante toegekende financiële steun niet kon worden geschorst voor de periode van 22 december 2003 tot en met 4 januari 2004 en zegt voor recht dat voor deze periode de financiële steun diende betaald. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 21 april 2004 in de samengevoegde zaken, gewezen onder A.R. nrs. 120/2004 en 215/2004 voor het overige. Veroordeelt geïntimeerde in toepassing van artikel 1017, tweede lid, Ger. W. tot de kosten van het geding in hoger beroep; aan de zijde van appellante vereffend op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; aan de zijde van geïntimeerde onvereffend latend bij gebreke aan afgifte kostenstaat. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van veertien december tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. M., Kamervoorzitter, de heer G. H. , Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer J. V., Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, mevrouw L. K., e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051214.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div