id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051214.5 Rolnummer: 2000-0026 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-01 03:37 Fiches 1 - 2 Artikel 2, ,§2 van het KB van 3 mei 1991 dient voor de berekeningswijze in geval van meervoudige aandoeningen en ongeschiktheden gezien te worden als een bijzondere bepaling die in een afwijkende regeling voorziet ten opzichte van de algemene regels ter evaluatie van de invaliditeit waarnaar verwezen wordt in artikel 2, ,§
- In dat geval primeert immers de "lex specialis" op de "lex generalis". Vanaf de inwerkingtreding van het KB van 3 mei 1991 dient bijgevolg in het geval van meervoudige ongeschiktheden een gewijzigde en beperkte versie van de zogenaamde "Regel van Balthazar", zonder de daarin voorziene forfaitaire verhogingen, gehanteerd te worden, terwijl er eveneens slechts sprak kan zijn van een zeer beperkte toepassing van de zogenaamde "rationele raming", vermits deze laatste slechts kan gebruikt worden bij meervoudige aandoeningen van een zelfde lidmaat of functie. Artikel 20 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest van de sociaal verzekerde" is ook van toepassing op de sociaal verzekerde aan wie uitkeringen uitbetaald worden ter uitvoering van een rechterlijke beslissing waarbij de administratieve beslissing tot weigering van diezelfde uitkeringen wordt vernietigd. De toepassing van voornoemde wetsbepaling, voor zover daarin voorzien wordt dat de uitkeringen van rechtswege interest opleveren vanaf hun opeisbaarheid, kan niet ter zijde geschoven worden in het voordeel van de toepassing van artikel 1153, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek wanneer dit recht op uitkeringen werd geweigerd en vervolgens de datum waarop de prestaties opeisbaar worden mogelijk een andere is dan die welke voortvloeit uit de toepassing van artikel 12 van het "Handvest". Verwijzing naar rechtspraak : In het arrest wordt inzake de toepassing van artikel 20 van de wet van 11 april 1995 verwezen naar de volgende rechtspraak: x Arbitragehof 8 mei 2002, B.S. 10-08-2002, p. 34750-34752; J.T.T. 2002, p. 501; NjW 2002, p. 168-169 met noot x Cass. 10 februari 2003, J.T.T. 2003, p. 172 t/m
- Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . GEWAARBORGDE GEZINSBIJSLAG bedrag en berekening van de gezinsprestaties - bijslag voor minder-validen - verhoogde kinderbijslag evaluatie lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid - meervoudige ongeschiktheid - Regel van Balthazar - gewijzigde versie van K.B. 03/05/1991 - handvest van de sociaal verzekerde - interest van rechtswege - beslissing tot weigering van uitkeringen. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 19-12-1939 - 47 - 01 ELI link Pub nr 1939121901 Koninklijk Besluit - 03-05-1991 - 2,§1en2 - 38 ELI link Pub nr 1991022247 Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE toekenningsprocedure - interest - gezinsbijslag - verhoogde kinderbijslag - evaluatie lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid - meervoudige ongeschiktheid - Regel van Balthazar - gewijzigde versie van K.B. 03/05/1991 - interest van rechtswege - beslissing tot weigering van uitkeringen. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 20 - 44 ELI link Pub nr 1995022286 Nota: Gerangschikt onder VII F - artikel 47 en onder XV - artikel
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00010,P.599-602) Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN AFDELING HASSELT Vierde Kamer Tegensprekelijk eindarrest Art. 580 gezinsbijslag ARREST A.R. 2000026 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RA en LK, in hun hoedanigheid van ouders en wettige beheerders over de persoon en de goederen van hun dochter DA, allen wonende te x, appellanten, verschijnend bij mr. J. SMEETS, advocaat te Genk; tegen : KBL VZW, met zetel te x, geïntimeerde, verschijnend bij mr. J. MINNEKEERE loco mr. L. VANDERPUTTE, advocaat te Maasmechelen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden eindvonnis op 14 december 1999 op tegenspraak uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Tongeren, onder A.R. 3662/98, waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 14 januari 2000 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de conclusies en stavingsstukken voor partijen. Gelet op het tegensprekelijk tussenarrest door deze Kamer van het Hof gewezen op 11 juni 2002, waarbij een heropening der debatten werd bevolen teneinde partijen toe te laten hun standpunt te laten kennen betreffende de volgende vragen in rechte: - de inhoud en toepasselijkheid in deze materie van de rubriek "rationele raming", taxatiemethode weergegeven in het "voorwoord" van het koninklijk besluit tot goedkeuring van de O.B.S.I. (B.S. 04.12.1975, 15368-15423) - de toepasselijkheid van artikel 20 van de Wet tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde van 11 april 1995 inzake de interest verschuldigd op de eventueel nog verschuldigde uitkeringen. Gelet op de processen-verbaal van terechtzittingen. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter terechtzitting van 28 september 2005 van deze Kamer. De rechtens - relevante precedenten, alsook de middelen van partijen werden reeds omstandig uiteengezet in hoger vermeld tussenarrest en behoeven geen herhaling, tenzij hetgeen hierna volgt: PROCESVERLOOP
- Geïntimeerde betekende op 17 februari 1998 zijn administratieve beslissingen, waarbij enerzijds werd aanvaard dat het kind AD vanaf 1 september 1996 tot 30 juni 1997 getroffen was door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van tenminste 66% en een graad van zelfredzaamheid vertoont van 0 tot 3 punten, en anderzijds werd vastgesteld dat vanaf 1 juli 1997 voor onbepaalde duur datzelfde kind geen lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% vertoont. Op de herzieningsaanvraag van laatstgenoemde beslissing door appellanten werd door geïntimeerde negatief gereageerd, in die zin dat met haar administratieve beslissing van 15 juni 1996 zij de eerder genoemde beslissing bevestigde en bijgevolg vaststelde dat de verhoogde kinderbijslag werd geweigerd vanaf 1 juli 1997, omdat het kind AD vanaf deze datum niet meer beantwoordde aan de medische voorwaarden zoals vereist door artikel 2, 1° van het KB van 10 maart 1964, artikel 2, 1° van het KB van 12 november 1987 en artikel 47 van de gecoördineerde wetten op de kinderbijslag.
- De oorspronkelijke vordering van appellanten strekte derhalve tot vernietiging van de administratieve beslissingen van 17 februari 1998 en 15 juni
- De in eerste aanleg aangestelde gerechtsdeskundige kwam in zijn verslag tot het besluit dat de graad van lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van DA 68,5% bedraagt vanaf 1 juli 1997 (categorie 2) en zulks voor de duur van haar schoolse opleiding, terwijl voor de graad van zelfredzaamheid zij eveneens behoort tot de categorie 2 (6 punten).
- Het vonnis a quo volgde dit advies van de gerechtsdeskundige niet en verklaarde de vordering van appellanten ongegrond, omdat volgens de eerste rechter de deskundige ten onrechte geen of een foutieve toepassing heeft gemaakt van de zogenaamde "Regel van Balthazar", daar waar men wel degelijk te maken had met meervoudige letsels en met een samenloop van invaliditeiten.
- Appellanten postuleren de vernietiging van dit vonnis en de toekenning van hun oorspronkelijke vordering, op grond van de overweging dat de deskundige geenszins verplicht was de "Regel van Balthazar" toe te passen, zodat hij zijn advies kon laten afhangen van een "algemene schatting" of de zogenaamde "rationele raming" van de invaliditeit.
- Het tweede discussiepunt betreft het tijdstip vanaf wanneer de wettelijke interesten verschuldigd zijn (Handvest van de sociaal verzekerde). MOTIVERING ARREST - BEOORDELING 1.
- Artikel 47 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (KB van 19 december 1939) voorziet in een verhoogde kinderbijslag voor het kind dat geboren is uiterlijk op 1 januari 1996 en dat getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66%. 1.
- In het KB van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56 septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders worden de regels en criteria voor de evaluatie van de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid en de zelfredzaamheid vastgelegd. In artikel 2, ,§1 wordt bepaald dat de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid wordt begroot aan de hand van de "Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van Invaliditeit" - hierna afgekort O.B.S.I. -, goedgekeurd bij Regentbesluit van 12 februari 1946 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 maart 1975, 2 juli 1975 en 6 januari 1976 en/of aan de hand van de lijst van aandoeningen gevoegd bij het besluit. In artikel 2, ,§2 wordt daar nog aan toegevoegd: "Onverminderd de algemene en bijzondere bepalingen over de aanwending van de schaal bedoeld in ,§ 1, 1° zijn de volgende regels van toepassing voor de uitvoering van ,§ 1: 1° de bepalingen in de schaal inzake het uitsluiten van een aandoening of het verminderen van het ongeschiktheidpercentage dat voortvloeit uit een vroeger verworven of aangeboren staat, zijn niet van toepassing; 2° in geval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschiktheidpercentage berekend op de volgende wijze: in het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich brengt, wordt het ongeschiktheidspercentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening en, voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalende orde van het werkelijk ongeschiktheidpercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten. 3° een rationele ramingswijze wordt aangewend zo meervoudige aandoeningen een lidmaat of een functie aantasten en dat door de berekening van meervoudige ongeschiktheden beschreven onder 2° het percentage dat alzo wordt bekomen voor dit lidmaat of deze functie het verlies overschrijdt dat gelijk is aan het percentage van de totaliteit van het lidmaat of van de aangetaste functie; het bedoelde percentage kan datgene, bepaald voor het totaal anatomisch of functioneel verlies van het desbetreffende lidmaat of de fysiologische functie, niet overschrijden." 1.
- Het "voorwoord" van het koninklijk besluit tot goedkeuring van de O.B.S.I. (B.S. 4 december 1975, 15368-15423) beschrijft een zelfde berekeningswijze voor meervoudige invaliditeiten en samenloop van invaliditeiten als deze terug te vinden in artikel 2, ,§2, 2°, met evenwel dit verschil dat in het voorwoord ook wordt bepaald dat wanneer de eerste invaliditeit ten minste 20% bedraagt, de volgende invaliditeiten verhoogd worden met respectievelijk 5, 10, 15, 20, 25, enz. alvorens hun werkelijke waarde met betrekking tot de overblijvende validiteit wordt vastgesteld. In datzelfde "voorwoord" wordt ook de mogelijkheid voorzien van een "rationele raming" niet alleen bij meervoudige letsels van eenzelfde lid of fysiologische functie, maar ook bij meervoudige letsels van verscheidene ledematen of van verscheidene al dan niet samenhangende functies wanneer dit gerechtvaardigd kan worden door het feit dat de gevolgen van de kwalen of lichaamsgebreken op de fysische integriteit kunnen worden verbonden of versmolten (met maximum van 100%). 2.
- Geïntimeerde argumenteert dat nu in artikel 2, ,§2 van het KB van 3 mei 1991 op precieze wijze wordt beschreven welke berekeningswijze gehanteerd dient te worden in geval van meervoudige ongeschiktheden, deze regeling van de "lex specialis" moet voorrang krijgen op de algemene regel van de "lex generalis" (zoals vervat in het "voorwoord" van de "Inleidende bepalingen bij de Officiële Belgische Schaal voor Invaliditeiten"). Bepaalde rechtspraak hanteert de berekening van de meervoudige ongeschiktheid volgens de bepalingen die kunnen teruggevonden worden in de inleidende bepalingen van de O.B.S.I. (Arbh. Luik 15 februari 1994, J.T.T. 1995, 231; Arbrb. Brussel 13 maart 1995, Soc. Kron. 1996, p. 93-95); het arbeidshof te Brussel anderzijds geeft de voorkeur aan de berekeningswijze bij meervoudige ongeschiktheid zoals voorgeschreven in het KB van 3 mei 1991 (stukken 1 en 2 geïntimeerde). 2.
- Het Hof is in casu van oordeel dat het niet logisch is de berekeningswijze van meervoudige invaliditeiten, beschreven in het KB van 3 mei 1991 en in het Voorwoord van de 'Inleidend bepalingen van de O.B.S.I.', gelijktijdig toe te passen. Artikel 2, ,§2, 2° van het KB van 3 mei 1991 heeft enkel betekenis indien zij als een afwijkende bepaling wordt beschouwd van deze van het Voorwoord van de inleidende bepalingen van de O.B.S.I., vermits, indien dit niet het geval zou zijn, het niet nodig was in eerstgenoemde bepaling de algemene berekeningswijze, exclusief de uitzondering voor het geval dat de eerste invaliditeit ten minste 20% bedraagt, te herhalen. Artikel 2, ,§2 dient in zijn geheel gezien te worden als een bijzondere bepaling die werd uitgevaardigd in uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en die in een afwijkende regeling voorziet voor de berekeningswijze in geval van meervoudige ongeschiktheden ten opzichte van de algemene regeling ter evaluatie van de invaliditeit waarnaar zij verwijst in artikel 2, ,§
- In dat geval primeert de "lex specialis" op de "lex generalis". De ratio legis bestaat er in om een ten opzichte van de algemene regeling iets gewijzigde berekeningswijze van de meervoudige ongeschiktheden in te voeren. Als dit niet de bedoeling zou geweest zijn, had de regelgever zich kunnen beperken tot de eenvoudige verwijzing naar de regelgeving omtrent de evaluatie van de invaliditeit met toepassing van de O.B.S.I. In dat verband kan ook een tekstargument gevonden worden in de uitvoeringsbesluiten van artikel 47 en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, welke van kracht waren tot 1 april 1991 (datum vanaf dewelke het KB van 3 mei 1991 in werking is getreden). In de vorige uitvoeringsbesluiten kan de volgende bepaling teruggevonden worden: "Het kind moet voor ten minste 66 % getroffen zijn door een ontoereikendheid of een vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen. De ontoereikendheid of de vermindering van deze geschiktheid wordt vastgesteld volgens de 'Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit' goedgekeurd bij de koninklijke besluiten van 20 maart 1975, 2 juli 1975 en 6 januari
- Indien het gehandicapte kind getroffen is door meer dan één aandoening wordt zijn ontoereikendheid of vermindering van geschiktheid berekend overeenkomstig de bij voormelde schaal vastgestelde berekeningswijze voor verscheidene aandoeningen." Een vergelijking met de tekst van het KB van 3 mei 1991 bevestigt dat het wel degelijk de ratio legis was om vanaf 1 april 1991 een iets gewijzigde versie van de berekeningswijze in geval van meervoudige ongeschiktheden in te voeren betreffende het recht op verhoogde kinderbijslag. Sinds die datum dient bijgevolg in het geval van meervoudige ongeschiktheden een beperkte versie van de zogenaamde "Regel van Balthazar", zonder de forfaitaire verhogingen van 5, 10, 15 , ..., gebruikt te worden en kan er slechts sprake zijn van een zeer beperkte toepassing van de zogenaamde "rationele raming". Deze laatste kan immers volgens artikel 2, ,§2, 3° slechts ter sprake komen bij meervoudige aandoeningen van eenzelfde lidmaat of functie. 2.
- Het Hof is derhalve, resumerend, van oordeel dat bij veelvuldige letsels of aandoeningen die verschillende ledematen of functies aantasten de zogenaamde "Regel van Balthazar" in de versie van het KB van 3 mei 1991, zonder enige uitzondering, de verplichte berekeningswijze is voor het bepalen van de totale invaliditeit. 3.
- Op basis van het voorliggend deskundig verslag bestaat er tussen partijen geen betwisting over het feit dat bij het kind AD sprake is van meervoudige ongeschiktheden welke verschillende ledematen of functies betreffen, met name: - een ongeschiktheid ingevolge astma - een ongeschiktheid ingevolge oligofrenie - een ongeschiktheid ingevolge partiële epilepsie met veralgemening. 3.
- Bijgevolg dient voor de raming van het globaal invaliditeitspercentage toepassing gemaakt te worden van de "Regel van Balthazar" in de versie van het KB van 3 mei 1991, wat, rekening houdende met de invaliditeitspercentages weerhouden door de gerechtsdeskundige, leidt tot een ongeschiktheid van 63,5% of minder dan de 66%. 3.
- Appelanten argumenteren in graad van hoger beroep dat, voor zover de invaliditeit moet vastgesteld worden op basis van de "Regel van Balthazar", in zijn beperkte versie, de ongeschiktheidpercentages voor de drie handicaps afzonderlijk door de deskundige te laag werden ingeschat, voornamelijk dan met betrekking tot de percentages voor oligofrenie en epilepsie. Appellanten wijzen er tevens op dat de deskundige alvast duidelijk de mening was toegedaan dat de dochter van appellanten als meer dan 66% ongeschikt moest erkend worden. In reactie op deze in ondergeschikte orde opgeworpen argumentatie houdt geïntimeerde voor dat volgens haar de deskundige in eer en geweten deze drie ongeschiktheidpercentages heeft bepaald. 3.4.
- Aangezien het advies van de aangestelde deskundige niet bindend is, behoudt het Hof inzake de evaluatie van de ongeschiktheid van het gehandicapt kind zijn eigen appreciatierecht om aan de hand van de O.B.S.I. de door de deskundige toegekende invaliditeitspercentages te corrigeren. 3.4.
- De invaliditeitsgraad ingevolge astma wordt door de deskundige onder verwijzing naar artikel 381 van de O.B.S.I. geraamd op 30%. In het deskundig verslag wordt vermeld dat de longfunctiemetingen nooit een belangrijke vermindering van de vitale longcapaciteit en geen bronchusobstructie hebben getoond. Volgens de deskundige heeft de astma geen weerslag op de circulatoire toestand in hart en longen. De toets van de medische gegevens van het onderzoek uitgevoerd door de deskundige aan de beschrijving welke gegeven wordt in genoemd artikel 381 laat toe te besluiten dat op de raming van de deskundige geen gegronde kritiek kan uitgebracht worden. 3.4.
- De invaliditeitsgraad ingevolge oligofrenie wordt door de deskundige onder verwijzing naar artikel 665 van de O.B.S.I. geraamd op 25%. De deskundige heeft in zijn verslag aangegeven dat het kind zwak begaafd is volgens een correcte intelligentiemeting en dat gezien haar zwakke persoonlijkheidsstructuur hierdoor duidelijke belemmeringen ondervonden worden in de leerbaarheid, de professionele opleiding en sociale functionering. Artikel 665 van de O.B.S.I. voorziet een invaliditeit van 5 tot 100%, met deze verduidelijking dat een geesteszwakheid gekenmerkt door een vermindering van het doelmatig rendement, maar met regelmatige prestaties op professioneel, huishoudelijk en sociaal gebied geschat wordt van 5 tot 25%, terwijl een meer uitgesproken geesteszwakte met belemmering van professionele en huishoudelijke activiteiten en met duidelijke sociale minderwaardigheden, zal geschat worden op 25 tot 65%. Rekening houdende met de medische vaststellingen van de deskundige zou eerder geopteerd kunnen worden voor een raming tussen 25 en 65%. De door de deskundige weerhouden invaliditeit uit hoofde van oligofrenie van 25% is naar het oordeel van het Hof zeer minimaal. 3.4.
- De invaliditeitsgraad ingevolge epilepsie wordt door deskundige onder verwijzing naar artikel 564 van de O.B.S.I. geraamd op 30%. Hierover zegt de deskundige in zijn verslag dat de epilepsie van het kind van het complex partiële type met secundaire veralgemening is, wat volgens hem betekent dat zowel afwezigheden met bewustzijnsvermindering als grote aanvallen met plotseling verlies van bewustzijn zich voordoen. De deskundige meldt ook dat deze grote aanvallen niet zo frequent zijn, maar wel leiden tot schoolverlet en tot bijzondere maatregelen van toezicht door haar omgeving. Verder stelt de deskundige vast dat het kind meermaals per week afwezigheden doet, gepaard gaande met schemertoestand van haar bewustzijn, waarbij sommige afwezigheden niet eens worden opgemerkt, terwijl de grote aanvallen of de val-aanvallen meer spectaculair zijn en onduidelijk in aantal, maar minder hinderlijk in haar algemeen functioneren dan de afwezigheden. De deskundige voegt er dan ook nog aan toe dat deze afwezigheden haar leerbaarheid en haar algemeen sociaal functioneren thuis of op school belemmeren en de werkprestaties storen. In artikel 564 van de O.B.S.I. wordt voorgeschreven dat afwezigheden, aanvallen van duizeligheid, eenvoudige beneveling en kortstondige schemertoestanden worden geschat analoog met artikel 562 "Veralgemeende niet convulsieve toevallen" (art. 564, a O.B.S.I.). In artikel 562 wordt een onderscheid gemaakt op grond van de frequentie van de afwezigheden of "Petit Mal" . Zo wordt onder meer gesproken van afwezigheden die zich minstens 1x per week (art. 562, c) of gemiddeld 3 tot 4x per week (art. 562, d) voordoen, dan wel frequente dagelijkse- of langdurige afwezigheden met herhaaldelijk vallen die elke bezigheid of werkzaamheid sterk beïnvloeden (art. 562, e), welke aanleiding geven tot een raming van respectievelijk 20 tot 30%, 30 tot 40% en 40 tot 80%. Rekening houdende met het feit dat de deskundige spreekt van afwezigheden die zich meermaals per week voordoen en die haar leerbaarheid, haar algemeen sociaal functioneren thuis en op school en haar werkprestaties sterk belemmeren, moet het Hof concluderen dat de deskundige de invaliditeit ingevolge deze aandoening te licht heeft geraamd in het kader van artikel 564, naar analogie van artikel
- Het is duidelijk dat de raming dient te gebeuren naar analogie van artikel 562, d of zelfs artikel 562, e, in welke optiek ten deze een invaliditeit van 40% moet weerhouden worden. Men mag niet uit het oog verliezen dat de aandoening de bezigheden of de schoolse werkzaamheid van het kind DA beïnvloeden en dat er zich bovendien sporadisch nog grotere aanvallen met volledig bewustzijnsverlies voordoen. 3.
- Wanneer met deze wijzigingen wordt rekening gehouden bij de vaststelling van de globale invaliditeit met toepassing van de "Regel van Balthazar", is het Hof van oordeel dat de graad van invaliditeit bij DA zeker 68,5% bedraagt en is er vanaf 1 juli 1997 uit haren hoofde alleszins recht op verhoogde kinderbijslag. 4.
- een tweede discussiepunt betreft in casu de vraag naar de toepasselijkheid van artikel 20 van de Wet tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde van 11 april 1995 inzake de interest verschuldigd op de nog verschuldigde uitkeringen van verhoogde kinderbijslag in geval van een beslissing waarbij het recht op een uitkering van sociale zekerheid wordt geweigerd. Artikel 20 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest van de sociaal verzekerde" bepaalt: "Onverminderd gunstiger wettelijke of reglementaire bepalingen en de bepalingen van de wet van 25 juli 1994 tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten met het oog op een snellere afwerking van de dossiers, brengen de prestaties, enkel voor de rechthebbenden-sociaal verzekerden, van rechtswege interest op vanaf hun opeisbaarheid en ten vroegste vanaf de datum voortvloeiend uit artikel
- Indien de beslissing tot toekenning genomen werd met een vertraging die te wijten is aan een instelling van sociale zekerheid is de interest evenwel verschuldigd vanaf het verstrijken van de in artikel 10 bedoelde termijn en ten vroegste vanaf de datum waarop de prestatie ingaat". De in artikel 20 bedoelde beslissing wordt in artikel 2, 8°, van dezelfde wet omschreven als: "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een instelling van sociale zekerheid en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer sociaal verzekerden". Artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: "Inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Die schadevergoeding is verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig verlies hoeft te bewijzen. Zij is verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen. Indien er opzet van de schuldenaar is, kan de schadevergoeding de wettelijke interest te boven gaan". 4.
- Het Arbitragehof zegde voor recht dat artikel 20 van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde, geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het wel degelijk van toepassing is op de sociaal verzekerde rechthebbenden wier prestaties worden uitbetaald ter uitvoering van een uitvoerbare rechterlijke beslissing waarbij de administratieve beslissing tot weigering van de erkenning van de verzwaring van de arbeidsgeschiktheid teniet wordt gedaan (Arrest Arbitragehof nr.78/2002 van 8 mei 2002, B.S. 10.08.2002, p. 34750-34752; J.T.T. 2002,
- NjW 2002, 168-169 met noot). Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op de sociaal verzekerde rechthebbenden wier prestaties worden uitbetaald ter uitvoering van een uitvoerbare rechterlijke beslissing waarbij de administratieve beslissing tot weigering van erkenning van de verzwaring van de arbeidsongeschiktheid teniet wordt gedaan. 4.
- Het Hof van Cassatie is van oordeel dat de toepassing van artikel 20, lid 1 van de Wet van 11 april 1995, in zoverre het bepaalt dat de uitkeringen van rechtswege rente opleveren vanaf hun opeisbaarheid, niet ter zijde kan geschoven worden ten voordele van de toepassing van artikel 1153, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek wanneer het recht op uitkeringen werd geweigerd en vervolgens de datum waarop de prestaties opeisbaar worden mogelijk een andere is dan die welke voortvloeit uit de toepassing van artikel 12 van het "Handvest" (Cass. 10 februari 2003, J.T.T. 2003, p. 172-174). 4.
- Het Hof oordeelt bijgevolg dat in casu van rechtswege interest verschuldigd is op de door appellanten gevorderde uitkeringen vanaf hun opeisbaarheid, zijnde vanaf 1 juli 1997 op de respectievelijke data waarop zij uitbetaald hadden moeten worden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het openbaar ministerie vertegenwoordigd door de heer F. S., Substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting 26 oktober
- Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Het tussenarrest van 11 juni 2002 uitwerkend en verder ten gronde uitspraak doende. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 14 december 1999 gewezen onder A.R. nr. 3662/98 behoudens wat kosten betreft en opnieuw recht doende. Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellanten integraal gegrond. Zegt dienvolgens voor recht dat het minder-valide kind van appellanten, DA, geboren op 24.06.1982, vanaf 01.07.1997 recht geeft op de verhoogde bijslag voor minder-valide kinderen. Vernietigt dienvolgens de bestreden administratieve beslissingen van 17 februari 1998 en 15 juni
- Veroordeelt geïntimeerde tot de wettelijke en de gerechtelijke interesten op de ingevolge de nieuwe te nemen beslissing aan appellanten verschuldigde achterstallen, te rekenen vanaf hun vervaldatum (conform het gestelde sub 4.
- van de motivering van dit arrest). Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het geding in hoger beroep; aan de zijde van appellanten vereffend op 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; aan de zijde van geïntimeerde onvereffend latend bij gebreke aan afgifte kostenstaat. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van veertien december tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. M., Kamervoorzitter, de heer G. H., Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer J. V., Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, mevrouw L. K., e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051214.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div