← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051219.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051219.7 Rolnummer: 2004-0717 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 03:39 Fiches 1 - 2 De personeelsafgevaardigde heeft door zijn verkiezing definitief de hoedanigheid van kandidaat-personeelsafgevaardigde verloren. In geval van ontslag uit het mandaat herneemt de bescherming niet op grond van het feit dat de personeelsafgevaardigde voor zijn verkiezing kandidaat geweest is. Indien het foutief of niet foutief gedrag van de arbeider bewezen wordt, is het ontslag niet willekeurig. Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONDERNEMINGSRADEN Verbod van ontslag en afwijkingen - beschermde werknemer - wet van 19 maart 1991 - verlies van de bescherming - willekeurig ontslag Wettelijke bepalingen: Wet - 20-09-1948 - 21,§1 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19/03/1991 Inleidende bepalingen - ontslagverbod en afwijkingen - beschermde werknemer - verlies van de bescherming - willekeurig ontslag Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 2,§1 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: Gerangschikt onder IV BIS A - artikel 21, ,§ 2 en onder IV BIS C - artikel 2, ,§ 1 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - noot L. ELIAERTS - 2006(00007,P.397-401) Tekst van de beslissing ARBEIDSARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040717 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF L. J., wonende te, appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mr. J. BUELENS, advocaat te 2018 Antwerpen, tegen : NV, met zetel gevestigd geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mr. B. MERGITS, advocaat te 2018 Antwerpen. Het arbeidshof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 23 november

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 1 februari 2005 en 23 november
  2. I. DE STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 9 september 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 18 november 2004; x de conclusie van de NV, hierna genoemd de NV, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 6 april 2005 waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld; x de beschikking d.d. 2 mei 2005 overeenkomstig artikel 747,§2 Ger.W.; x de conclusie van de heer L.J. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 17 juni 2005; x de aanvullende conclusie, houdende syntheseconclusie, van de heer L.J. ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 9 september
  3. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 28 mei 1999 en in zijn aanvullende conclusie, houdende syntheseconclusie, vorderde de heer L.J. de veroordeling van de NV tot: - een schadevergoeding in natura, zijnde de onmiddellijke reïntegratie van de heer L.J. in het bedrijf onder dezelfde arbeidsvoorwaarden en in dezelfde hoedanigheid als die welke hij had op het tijdstip van zijn ontslag, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 500 EUR per dag bij gebreke van opvolging 24 uur na betekening van het vonnis. - betaling van het gederfde loon vanaf 24 oktober 1998 tot op de dag van zijn reïntegratie zijnde 2.897,69 EUR (116.893 BEF) per maand, te vermeerderen met de 13de maand, de anciënniteitspremie, de anciënniteitsdagen en het vakantiegeld voor deze periode, conform art. 15 Wet Ontslagregeling Personeelafgevaardigden en, deze bedragen te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf hun respectievelijke vervaldatum. Ondergeschikt vorderde de heer L.J. de veroordeling van de NV tot betaling van: - 71.020,70 EUR loon tot aan de volgende sociale verkiezingen met inbegrip van het vakantiegeld over deze periode, - 92.134,95 EUR schadevergoeding gelijk aan 2 jaar loon, - 49.578,58 EUR morele schadevergoeding, deze bedragen te vermeerderen met de vergoedende intrest sedert 24 oktober 1998, de gerechtelijke intrest vanaf 28 mei 1999 en de kosten van het geding. Meer ondergeschikt vorderde de heer L.J. de NV te veroordelen tot - een vergoeding gelijk aan het loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst van 6 maanden wegens willekeurig ontslag ten bedrage van 2.897,69 EUR per maand of 17.386,17 EUR bij toepassing van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet, dit bedrag te vermeerderen met de 13de maand, de anciënniteitspremie, de anciënniteitsdagen en het vakantiegeld voor deze periode; vervolgens de NV te veroordelen tot de betaling van een morele schadevergoeding, begroot op 49.578,58 EUR. De heer L.J. vorderde vervolgens de NV alleszins te veroordelen tot afgifte van de sociale en fiscale bescheiden terzake, één maand na betekening van het tussen te komen vonnis, bij gebreke waaraan een dwangsom verbeurd wordt van 1.000 EUR per dag vertraging. Bij syntheseconclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 24 februari 2004 vorderde de NV de vordering van de heer L.J. ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 9 september 2004 werd de NV veroordeeld tot betaling van 5.000 EUR morele schadevergoeding, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 24 oktober 1998 en de gerechtelijke intrest vanaf 28 mei
  4. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de heer L.J. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen, dienvolgens: - de NV te veroordelen tot een schadevergoeding in natura, zijnde de onmiddellijke reïntegratie van de heer L.J. in het bedrijf onder dezelfde arbeidsvoorwaarden en in dezelfde hoedanigheid als die welke hij had op het tijdstip van zijn ontslag, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 500 EUR per dag bij gebreke van opvolging 24 uur na betekening van het arrest; - de NV te veroordelen tot betaling van het gederfde loon vanaf 24 oktober 1998 tot op de dag van zijn reïntegratie zijnde 2.897,69 EUR (116.893 BEF) per maand, te vermeerderen met de 13de maand, de anciënniteitspremie, de anciënniteitsdagen en het vakantiegeld voor deze periode, conform art. 15 Wet Ontslagregeling Personeelafgevaardigden en, deze bedragen te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf hun respectievelijke vervaldatum. Ondergeschikt vorderde de heer L.J. de veroordeling van de NV tot betaling van: - 71.020,70 EUR loon tot aan de volgende sociale verkiezingen met inbegrip van vakantiegeld over deze periode, - 92.134,95 EUR schadevergoeding gelijk aan 2 jaar loon, - 49.578,58 EUR morele schadevergoeding, deze bedragen te vermeerderen met de vergoedende intrest sedert 24 oktober 1998, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding. Meer ondergeschikt vorderde de heer L.J. de NV te veroordelen tot: - een vergoeding gelijk aan het loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst van 6 maanden wegens willekeurig ontslag ten bedrage van 2.897,69 EUR per maand of 17.386,17 EUR bij toepassing van artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet; dit bedrag te vermeerderen met de 13de maand, de anciënniteitspremie, de anciënniteitsdagen en het vakantiegeld voor deze periode; - een morele schadevergoeding, begroot op 49.578,58 EUR. deze bedragen te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 24 oktober 1998 en de gerechtelijke intrest vanaf 28 mei
  5. De heer L.J. vorderde vervolgens de NV alleszins te veroordelen tot afgifte van de sociale en fiscale bescheiden terzake, één maand na betekening van het tussen te komen vonnis, bij gebreke waaraan een dwangsom verbeurd wordt van 50 EUR per dag vertraging. Bij conclusie ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 6 april 2005 vorderde de NV het hoger beroep van de heer L.J. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en stelt hierbij incidenteel beroep in m.b.t. de morele schadevergoeding en de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat beide ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
  6. De feiten Op 8 mei 1989 trad de heer L.J. in dienst van de NV in de hoedanigheid van chemievakman. Bij de sociale verkiezingen van 1995 werd hij verkozen als personeelsafgevaardigde voor de ondernemingsraad en hij was eveneens syndicaal afgevaardigde. In een brief van 6 maart 1997 werd de heer L.J. in volgende bewoordingen gewaarschuwd naar aanleiding van het niet correct uitvoeren van een opdracht: Tijdens de late shift op vrijdag 21.02.1997 kreeg U rond 20.00 h van uw ploegleider de opdracht om samen met een collega de HCI-leiding naar de oven in te bouwen. Om 21.15 h meldde U bij de ploegleider dat er 6 bouten ontbraken om de taak volledig af te werken. Deze maakte U er opmerkzaam op dat U in het magazijn de ontbrekende bouten moest gaan halen en dat de job verder diende afgewerkt te worden. U hebt dit echter genegeerd en hebt die dag niet meer gewerkt. Samen met een collega kreeg U de volgende dag als enige opdracht ervoor te zorgen dat de hydrolyse goed uitgevoerd werd. Vrijdag was U reeds uitgelegd waarop U speciaal diende te letten, waarom deze opdracht zo belangrijk was (om extra spoelwerk op zondag te voorkomen), dat U een collega diende te verwittigen bij het in dienst stellen en dat steeds één van U beiden ter plaatse moest blijven . De ploegleider ging rond 19.00 h controle uitvoeren op de uitgevoerde werken en moest vaststellen dat de job niet goed was uitgevoerd hoewel U reeds een uur samen met uw collega in de bordzaal zat. Toen de ploegleider meldde dat de hydrolyse niet uitgevoerd was zoals voorgeschreven, bleef U in de bordzaal zitten en hebt U geen enkele aktie genomen om alsnog de fouten recht te zetten of interesse te betonen. Een andere collega heeft dan deze taak, waarvoor jullie een volledige shift tijd hadden, afgewerkt op een kwartier tijd. Wij tillen zwaar aan deze gebeurtenissen alsook aan het feit dat U na het gevoerde gesprek nog onvoldoende bleek te begrijpen dat U bij voornoemde feiten het in U gestelde vertrouwen beschaamd heeft. Wel heeft U beloofd uw job in de toekomst in de perfectie uit te voeren. Wij vertrouwen erop dat het gesprek en dit schrijven er toe zullen bijdragen dat U de taken die door de ploegleider opgedragen worden, correct zult uitvoeren. Indien er zich opnieuw identieke feiten zouden voordoen, zullen wij niet nalaten passende maatregelen te nemen...." (stuk 5 van de NV) De heer L.J. reageerde hierop met een brief van 21 maart 1997, waarin hij meldde dat de feiten niet volledig met de werkelijkheid strookten. (stuk 6 van de NV) Volgens een brief van 25 mei 1998 uitgaande van de NV, werden aan de heer L.J. twee brieven van 12 mei 1998 verzonden die hij geweigerd had voor ontvangst te ondertekenen. De eerste brief luidt als volgt: Wij houden eraan het gesprek dat met U gevoerd werd op 28.04.1998 in het bijzijn van HH. D., V., A. en linksondergetekende (lees: B. V. R.) als volgt samen te vatten. Het gevoerde gesprek had de doelstelling uw functioneren in onze organisatie te bespreken en onze verwachtingen dienaangaande te verduidelijken. Daarom werden volgende afspraken gemaakt: - vermits uw kennis van de eenheid nog onvoldoende is zal U een extra inspanning doen om deze binnen een redelijke termijn, af te spreken met uw ploegleiding, op een normaal peil te brengen en zal uw opleidingsniveau door de ploegleiding geëvalueerd worden; - U zal elke afwezigheid voor een syndicale activiteit tijdig bij uw ploegleiding melden; - U zal de nodige tijd en mogelijkheden geboden worden om uw syndicale taken te vervullen, mits inachtname van de organisatorische mogelijkheden van de dienst (daarom is tijdige melding erg belangrijk). Op onze vraag of U deze afspraken zou nakomen, antwoordde u: 'uiteraard'. Wij hopen dan ook dat wij vanaf nu op een normale samenwerking kunnen rekenen, waarbij al deze afspraken door beide partijen zullen gerespecteerd worden. ...". De tweede brief luidt als volgt: Wij houden eraan het gesprek dat met U gevoerd werd op 28.04.1998 in verband met uw afwezigheid dd. 25.03.1998 als volgt samen te vatten. Op woensdag 25.03.1998 moest U normaal om 6.00u. komen werken. U daagde bij de shiftwissel niet op zonder dat U zich afwezig gemeld had. Hierover aanhoord verdedigde U zich door te zeggen dat uw echtgenote wel naar de controlekamer gebeld had rond 05.30u. Wij hechten hieraan weinig geloof vermits U hierover niets zegde aan uw ploegleider toen die U belde om 06.05u met de vraag waar U bleef, alsook omdat geen enkele medewerker uit de nachtploeg wist dat hij moest doorstaan. Wij gaan ervan uit dat U vanaf nu de algemeen geldende voorschriften in verband met het op tijd melden van afwezigheden, die voor elke medewerker gelden en door U als syndicaal afgevaardigde zeker gekend zijn, zal respecteren. Het is U immers voldoende bekend dat binnen een volcontinuploegensysteem collegialiteit en vertrouwen in elkaar zeer belangrijke houdingen zijn om blijvend goed te kunnen samenwerken. Wij hopen dat voornoemd gesprek er toe zal leiden dat dergelijke gebeurtenissen zich in de toekomst niet meer zullen herhalen. ..." (stukken 7 van de NV) Uiteindelijk verstuurde de NV op 9 september 1998 aan de heer L.J. nog een brief naar aanleiding van twee gesprekken die op 3 en 7 september met hem hadden plaats gehad. De inhoud van die brief luidt als volgt: Samenvatting van de gesprekken dd. 03.09.1998 en 07.09.1998 Geachte Heer, Wij houden eraan de gesprekken, die U op bovenvermelde data gevoerd werden, als volgt samen te vatten. Donderdag 03.09.1998 werd U in het bijzin van dhr. B., syndicaal afgevaardigde, aangesproken over de volgende feiten, die diezelfde dag aan de bedrijfsleiding werden kenbaar gemaakt door de verantwoordelijke van de ploeg. In het weekend van 8 en 9 augustus heeft u, tijdens uw werktijd, privéwerken uitgevoerd. U heeft zonder toelating uit een kunststof buis stukken geslepen met een slijpschijf. Deze buis was opzij gelegd om eventueel later opnieuw gebruikt te worden en had voor de firma nog waarde. Een nieuwe buis kost immers 62000,-BEF. U zegde van oordeel te zijn dat deze buizen bij het afval van het HCL-1 station hoorden en dus als schroot mochten aanzien worden. Volgens u zou dhr. V. dit verklaard hebben, doch deze ontkent formeel enige uitspraak gedaan te hebben betreffende materiaal van de FK-installatie, waartoe deze buizen behoorden. U verklaarde ook maar 20 minuten aan dit werk besteed te hebben dit tijdens uw lunchpauze. Volgens onze informatie vergt dit werk echter minimum 1 uur tijd indien er zeer snel wordt doorgewerkt. Op 02.07.1998 heeft uw ploegleider U aangesproken omdat U had gerookt in het FeSi-magazijn. Dit magazijn bevindt zich in de productie-installatie waar dus om veiligheidsredenen niet mag gerookt worden. U hebt dit toegegeven met de verklaring dat ook anderen hier roken. Het spreekt voor zich dat het gedrag van anderen geen excuus kan zijn voor uw eigen fouten. Dat U veiligheid niet altijd ernstig opneemt blijkt ook uit uw houding op het laatste veiligheidsoverleg dd. 18.08.1998 waar u het te ondertekenen document, dat ter registratie wordt bijgehouden, met de tekst 'vroeger dronken ze bier uit pispotten' uit een weekblad heeft bekleefd. Deze handeling getuigt van weinig respect voor het behandelde onderwerp en het jaaractieplan 'orde en netheid'. Op donderdag 03.09.1998 wilde uw ploegleider met U een evaluatie maken van uw vorderingen bij het leren van de HK-buitenbouw. U weigerde hieraan deel te nemen. Hieruit blijkt nogmaals uw onwil om ons in staat te stellen aan uw opleidingsbehoeften te werken. In de praktijk blijkt immers dat U, zoals reeds gemeld in ons schrijven dd. 12.05.1998, uw taak nog onvoldoende beheerst. In het gesprek op 07.09.1998, in het bijzijn van de Secretaris van het ABVV en meerdere leden van de syndicale afvaardiging, werden voorgaande feiten nogmaals toegelicht. Wij tillen zwaar aan elk van deze gebeurtenissen alsook aan het feit dat U, ondanks onze inspanningen om tot normale arbeidsverhoudingen te komen, door uw handelswijze elke vorm van vertrouwen heeft beschaamd. Bovendien blijven het gebrek aan samenwerking met uw chefs en collega's en uw algemeen negatieve ingesteldheid, waardoor het werken in teamverband onmogelijk is, een probleem vormen (zie hieromtrent o.a. de brief dd. 25.05.1998). Na bespreking werd het volgende overeengekomen: U krijgt nog een kans om binnen een termijn van maximum 3 maanden te bewijzen dat U als een volwaardig medewerker kan functioneren. Deze wordt U geboden binnen de FK-eenheid in uw huidige ploeg. Praktisch betekent dit dat wij verwachten dat U: - de wil toont om de eenheid te leren; - de wil toont om uw deel van de werkzaamheden uit te voeren en dat U zich collegiaal opstelt - de regels van de organisatie zal volgen. Uw meestergast zal samen met U een evaluatie maken van de huidige stand van uw kennis van de functie van buitenman op de FK-eenheid. Deze zal genotuleerd worden op de opleidingsbladen en moet door U afgetekend worden. Regelmatig zullen dan nieuwe evaluaties volgen, waarna uw vorderingen op de opleidingsbladen zullen genoteerd en ondertekend worden. Het moet ook duidelijk zijn dat U zich tegenover uw collega's op de eenheid zodanig moet opstellen dat zij geen reden meer hebben tot het geven van negatieve signalen aan de bedrijfsleiding. Wij vertrouwen erop dat de gesprekken en dit schijven er toe zullen bijdragen dat U zich aan de gemaakte afspraken zal houden. Indien er zich echter opnieuw problemen zouden voordoen, zullen wij niet nalaten de nodige stappen te ondernemen. ..." (stuk 8 van de NV) Op maandag 12 oktober 1998 ging de heer L.J., na contact te hebben opgenomen met de verpleegdienst, tijdens de vroege shift rond 9.00 uur naar huis wegens ziekte. Het wordt niet betwist dat volgens zijn ploegenschema zijn werkplanning voor de volgende dagen als volgt was; dinsdag 13 oktober met de vroege ploeg, waarna hij op woensdag en donderdag thuis was om dan verder de nachtdienst aan te vatten voor 7 nachten vanaf vrijdagavond 16 oktober tot 22 oktober. Volgens twee medische attesten zou hij afwezig blijven tot 22 oktober
  7. Een eerste attest dat betrekking had op de periode van maandag 12 oktober tot vrijdag 16 oktober, werd opgemaakt na een bezoek aan de dokter op 13 oktober. Volgens de NV zou de heer L.J. zijn afwezigheid op dinsdag 13 oktober niet gemeld hebben, maar kwam dit aan de NV pas ter kennis nadat de ploeg hem daarover thuis getelefoneerd had. Het tweede attest werd opgemaakt na een doktersbezoek op maandag 19 oktober en had betrekking op de periode van zaterdag 17 oktober tot donderdag 22 oktober. Volgens twee geschreven verklaringen werd de heer L.J. tijdens zijn ziekteperiode op straat aangetroffen, eenmaal te Antwerpen en een ander maal te Mortsel, hoewel hij volgens het medisch attest de woonst niet mocht verlaten. (stukken 10 en 11 van de NV) Met brief van 22 oktober 1998 gericht aan de NV ter attentie van de voorzitter van de ondernemingsraad, deelde de heer L.J. mee dat hij om persoonlijke redenen zijn mandaat als lid van de ondernemingsraad onmiddellijk stopzette. (stuk 2 van de heer L.J.) Ook de heer B., secretaris van de Algemene Centrale van het ABVV, ontving een brief met dezelfde inhoud. Naar aanleiding van het ontslag van de heer L.J. uit zijn mandaat bracht de heer B. de NV met brief van 22 oktober 1998 op de hoogte van de nieuwe samenstelling van de ondernemingsraad. (stuk 1 van de NV) Eveneens met brief van 22 oktober 1998 deelde de heer B. aan de NV mee dat de heer L.J. hen had gemeld dat hij zijn mandaat van syndicaal afgevaardigde vanaf 22 oktober neergelegde. Met brief van 23 oktober 1998 beëindigde de NV de arbeidsovereenkomst met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan vier weken loon. Diezelfde dag werd tussen partijen volgende overeenkomst gesloten: "De werkgever verbindt er zich toe vanaf 21.11.1998 gedurende 11 opeenvolgende maanden de werknemer maandelijks een aanvulling bovenop de werkloosheidsuitkering te betalen, ten bedrage van 25.000,- BEF bruto voor zover de werknemer effectief werkloosheidsuitkeringen geniet. De werknemer verbindt er zich toe NV onmiddellijk op de hoogte te brengen indien hij een beroepsactiviteit zou aanvatten. Vanaf het ogenblik van de werkhervatting zal het aanvullend voordeel gestopt worden." (stuk 3 van de NV) Eveneens op 23 oktober 1998 kende de NV als vrijgevigheid aan de heer L.J. een vergoeding toe van 370.000 BEF bruto. (stuk 4 van de NV) Met aangetekende brief van 20 november 1998 vorderde de heer L.J. in toepassing van artikel 14 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden de reïntegratie in de onderneming. (stuk 4 van de heer L.J.) Met aangetekende brief van 23 november 1998 deelde de heer L.J. aan de NV mee dat hij inmiddels de berekening had ontvangen samen met het netto bedrag van 194.388 BEF, dat hij onder voorbehoud aanvaardde. Tevens verwees hij naar zijn aangetekende brief van 20 november waarbij hij de reïntegratie had gevorderd. (stuk 6 van de heer L.J.) Met aangetekende brief van 30 april 1999 vorderde de heer L.J. bij monde van zijn toenmalige raadsman de betaling van de vergoedingen als bedoeld in de artikels 16 en 17 ,§ 1 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. (stuk 7 van de heer L.J.) Hierop ging de NV niet in en op 28 mei 1999 dagvaardde de heer L.J. de NV voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen in betaling van de hiervoor sub II vermelde vergoedingen. Met vonnis van 9 september 2004 beslisten de eerste rechters hetgeen is weergeven onder punt II van dit arrest. Tegen dit vonnis stelde de heer L.J. op 18 november 2004 hoger beroep in. Met conclusie van 6 april 2005 stelde de NV op haar beurt incidenteel beroep in.
  8. De beoordeling 2.
  9. De vorderingen gesteund op de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden De heer L.J. is van oordeel dat, aangezien de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden in artikel 2 ,§ 1 (buiten de gevallen bedoeld in artikel 2,§ 6, die hier evenwel niet aan de orde zijn) voorziet dat personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraad slechts kunnen ontslagen worden wegens dringende reden of om een economische reden, en nu de NV geen van beide daarvoor voorziene procedures gevolgd heeft, de vordering prima facie gegrond is. Het arbeidshof oordeelt ter zake als volgt. Artikel 21 ,§ 2 van de Bedrijfsorganisatiewet, dat op beperkende wijze de gevallen opsomt waarin het mandaat van de personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad eindigt, voorziet in 3° dat het mandaat een einde neemt ingeval van ontslagneming. Met ontslagneming wordt bedoeld de ontslagneming als mandataris van de ondernemingsraad. (WANTIEZ, C., Travailleurs protégés, ordre public, conséquences pratiques, J.T.T. 1995, 494) Het einde van het mandaat impliceert ook het einde van de bescherming. (DE GANCK, C., Begin en einde van de ontslagbescherming, in: Het statuut van de beschermde werknemer, Een stand van zaken in het nieuwe millennium, (J. Goemans, ed.), Antwerpen, Intersentia, 2001, 74) Wanneer in artikel 2 ,§ 1 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden is voorzien dat de personeelsafgevaardigde slechts kan ontslagen worden om een dringende reden of een economische reden op de wijze zoals voorzien in die wet, dan wordt, krachtens artikel 1 ,§ 1, 2°, met "personeelsafgevaardigde" bedoeld: het gewoon of plaatsvervangend lid als bedoeld in ,§ 1, 1°. In artikel 1 ,§ 1, 1° zijn vermeld: " ... de gewone en de plaatsvervangende leden die het personeel in de ondernemingsraad ... vertegenwoordigen". Uit die bepaling kan afgeleid worden dat enkel de afgevaardigden en de plaatsvervangende leden van de ondernemingsraad bedoeld zijn, zolang die een mandaat bekleden. In deze heeft de heer L.J. op 22 oktober 1998 ontslag genomen uit zijn mandaat, zodat in de regel zijn bescherming als personeelsafgevaardigde eveneens vanaf dan een einde heeft genomen. De heer L.J. werpt echter op dat, wanneer zoals te dezen, de afgevaardigde van de ondernemingsraad ontslag neemt uit zijn mandaat, hij kan terugvallen op de ontslagbescherming als kandidaat-personeelsafgevaardigde. Het arbeidshof kan die visie evenwel niet delen. Uit de voorbereidende werken van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden blijkt ontegensprekelijk dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad de bescherming te doen herleven wanneer het mandaat van de personeelsafgevaardigde voortijdig een einde heeft genomen ingevolge het feit dat hij in toepassing van artikel 21, ,§ 2, 3°, Bedrijfsorganisatiewet ontslag heeft genomen uit zijn mandaat. Zo verklaarde de Minister van Tewerkstelling onder meer het volgende: "Het mandaat en de bescherming zijn gekoppeld aan het lidmaatschap van een vakbond. Daarover bestaat rechtspraak. Wie zijn mandaat verliest, verliest ook de bescherming. Het is niet wenselijk de bescherming te handhaven na het einde van het mandaat. Het aanvechten van een eventueel ontslag, gegeven na de bescherming, maar om syndicale motieven, blijft altijd mogelijk (rechtsmisbruik, willekeurig ontslag). (Verslag namens de commissie voor de sociale aangelegenheden, Parl. St., Senaat, 1990-1991, 1105/2, 23) In zijn advies bij het wetsontwerp van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden oordeelde de Raad van State dat de bescherming van de kandidaten, georganiseerd in artikel 2, ,§ 3, gewijd is aan de niet verkozen kandidaten. (advies R.v.St., Parl. St., Senaat, 1990-1991, 1105/1, 42) Een verkozen kandidaat is vanaf zijn verkiezing beschermd omdat hij de personeelsafgevaardigde is. Hij was weliswaar een kandidaat-personeelsafgevaardigde, maar is beschermd omwille van zijn mandaat en niet langer omwille van het kenbaar maken van zijn intentie het personeel te vertegenwoordigen. De bestaansreden van de bescherming die aan de kandidaat verleend wordt vervalt immers eens de werknemer als personeelsafgevaardigde verkozen is. (VAN PUYVELDE, I., Cumulatie van statuten en vergoedingen, in Het statuut van de beschermde werknemer, een stand van zaken in het nieuwe millennium, J. Goemans (ed.), Intersentia, 2001, blz. 84, nr. 13; DE GANCK, C., Begin en einde van de ontslagbescherming, ibid., blz. 74-75, nr. 26; Arbh. Brussel, 16 juni 1982, J.T.T., 1982, 297; ELIAERS, L., Het einde van het mandaat van de personeelsafgevaardigde en de weerslag op zijn bescherming, noot onder Arbitragehof, 23 januari 2002, R.W. 2002-2003, 337, nr. 2) Anders dan de heer L.J. meent, staat het openbareordekarakter van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden daaraan niet in de weg. De heer L.J. beroept zich verder op het arrest van 23 januari 2002 van het Arbitragehof waarin voor recht werd gezegd: "Artikel 21, ,§ 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doordat het feit niet langer lid te zijn van de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen niet de bijzondere ontslagbescherming opheft die de wet garandeert aan diegenen die in de wet "kandidaten" worden genoemd ook al zijn ze verkozen, terwijl dezelfde omstandigheid voor de afgevaardigde tot gevolg heeft dat hij niet die ontslagbescherming, maar de bescherming die verbonden is met het mandaat waaraan zij een einde maakt, verliest." (Arbitragehof, 23 januari 2002, R.W. 2002-2003, 335) In deze zaak werd aan het Arbitragehof de vraag voorgelegd of het gelijkheidsbeginsel geschonden werd doordat het verlies van het lidmaatschap van de vakorganisatie leidt tot het einde van het mandaat en van de bescherming als personeelsafgevaardigde, terwijl de kandidaat-personeelsafgevaardigde in dat geval beschermd blijft. In zijn rechtsoverwegingen 5 oordeelde het Arbitragehof het volgende: "De ontslagbescherming waarop een gewezen kandidaat recht heeft, wordt door geen enkele bepaling voorbehouden aan de kandidaat die niet is verkozen. Binnen de logica van het systeem is er weliswaar geen reden om bijzondere bescherming toe te kennen aan een gewezen kandidaat zolang deze die bescherming geniet in zijn hoedanigheid van afgevaardigde; uit geen enkele tekst, noch uit de logica van het systeem kan echter worden afgeleid dat een kandidaat, door zijn verkiezing tot afgevaardigde, definitief, wat er ook gebeurt (eigen onderlijning), de bescherming zou verliezen die gerechtvaardigd is door de risico's die een kandidaat bij de sociale verkiezingen gedurende een bepaalde periode loopt. Die risico's kunnen zelfs groter zijn wanneer de betrokkene geen lid meer is van een vakorganisatie omdat hij zich dan in een geïsoleerde en bijzonder weerloze positie bevindt. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden bijgevolg geschonden zijn indien het feit niet langer aangesloten te zijn bij de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen de personeelsafgevaardigde het voordeel van de bescherming die aan de kandidaat-afgevaardigde is toegekend, zou ontzeggen, zoals de in de vraag gebruikte bewoordingen, "het voordeel van die 'bescherming'", doen veronderstellen.". Het gezag van gewijsde van de arresten van het Arbitragehof is beperkt. Krachtens artikel 28 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof moet het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Arbitragehof. Onder "dezelfde zaak" wordt verstaan de zaak waarin de prejudiciële vraag is gesteld, i.e. tussen dezelfde partijen met hetzelfde onderwerp. (DE VOS, M., Het Arbitragehof en het arbeidsrecht, in Actuele Problemen van het Arbeidsrecht 6, Rigaux, M. en Humblet, P. (eds.), Intersentia 2001, blz. 78, nr. 31; ALEN , A., De prejudiciële vraagstelling aan het Arbitragehof, CBR Jaarboek, 2003-2004, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn, 2004, blz. 81-83) De oplossing die het Arbitragehof vooropstelt reikt naar het oordeel van het arbeidshof niet verder dan de aldaar aan de orde gestelde problematiek, die verschilt van de problematiek in huidige zaak. Naar het oordeel van het arbeidshof kan de beëindiging van het mandaat die het gevolg is van de toepassing van artikel 21, ,§ 2, 4°, Bedrijfsorganisatiewet (wanneer de betrokkene geen lid meer is van de representatieve organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen) niet zonder meer gelijkgesteld worden met de situatie waarin het mandaat een einde neemt ingevolge de toepassing van artikel 21, ,§ 2, 3°, Bedrijfsorganisatiewet (ingeval de betrokkene ontslag neemt). Ingeval van ontslag uit het mandaat herneemt de bescherming niet op grond van het feit dat de personeelsafgevaardigde voor zijn verkiezing kandidaat geweest is. Door zijn verkiezing heeft hij definitief de hoedanigheid van kandidaat-personeelsafgevaardigde verloren. Bij ontstentenis van twee vergelijkbare categorieën kan er evenmin zonder meer worden uitgegaan van de premisse dat een grondwetsconforme interpretatie van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden noodzakelijk leidt tot het tegenovergestelde besluit. Naast de categorie van de personeelsafgevaardigden die hun mandaat neerleggen en daardoor hun bescherming verliezen, ontbreekt een categorie van de kandidaten die ontslag zouden kunnen nemen uit een mandaat en, per hypothese, wel beschermd zouden blijven, waardoor een ongelijke behandeling zou ontstaan. (ELIAERTS, L., Het einde van het mandaat van de personeelsafgevaardigde en de weerslag op zijn bescherming, noot onder Arbitragehof, 23 januari 2002, R.W. 2002-2003, 337-340, nr. 6) Besluitend is het arbeidshof van oordeel dat vanaf het ogenblik dat de heer L.J. ontslag heeft genomen uit zijn mandaat als personeelsafgevaardigde, in casu 22 oktober 1998, hij niet langer de bijzondere bescherming tegen ontslag genoot zoals bedoeld in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Het ontslag dat de dag nadien werd gegeven zonder rekening te houden met bepalingen van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden is dan ook niet van aard om recht te geven op de in die wet bepaalde vergoedingen. Alle vorderingen van de heer L.J. die gesteund zijn op de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden zijn dan ook ongegrond. De overige door de heer L.J. aangevoerde feiten en middelen doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk. 2.
  10. Het willekeurig ontslag en misbruik van (ontslag)-recht 2.2.
  11. De toelaatbaarheid van de eisen Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of een akte aangehaald in de dagvaarding, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Een vordering kan in rechte worden uitgebreid of gewijzigd bij conclusie, indien de feiten waarop die conclusie berust dezelfde zijn als die welke in de dagvaarding worden vermeld, ook al had de eiser daaruit toen geen gevolg afgeleid nopens de gegrondheid van zijn vordering. (Cass. 18 februari 2000, A.C. 2000, 136) In deze maakt de dagvaarding melding van een onmiddellijke onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de NV op 23 oktober 1998, onder aankondiging betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 4 weken loon en werd in hoofdorde de reïntegratie gevorderd alsook de betaling van het gederfde loon vanaf 24 oktober 1998 tot aan de datum van reïntegratie. Ondergeschikt werd betaling gevorderd van de in de artikels 16 en 17, ,§ 1, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bedoelde vergoedingen en een materiële en morele schadevergoeding van 2 miljoen BEF. De eis in betaling van deze schadevergoeding werd door de heer L.J. gemotiveerd vanuit het gegeven dat hij rekening houdend met zijn leeftijd moeilijk ander werk zou kunnen vinden of aan een lager loon, en vanuit het gegeven dat hij zich moreel geschaad voelde nu zijn arbeidsovereenkomst na praktisch 10 jaar van de ene dag op de andere werd verbroken. In de mate dat de heer L.J. bij conclusie van 11 september 2003, hetzij buiten de in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet voorziene eenjarige verjaringstermijn, voor het eerst betaling heeft gevorderd van een vergoeding wegens willekeurig ontslag, stelt het arbeidshof vast dat die eis gesteund is op een feit aangehaald in de dagvaarding, met name de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de NV. De enkele omstandigheid dat de heer L.J. in de dagvaarding niet heeft aangevoerd dat het ontslag willekeurig was in de zin van artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet, heeft niet tot gevolg dat die eis nieuw - en derhalve verjaard - zou zijn. Deze eis is dan ook ontvankelijk, nu de dagvaarding de verjaring stuit voor alle eisen die er virtueel in begrepen zijn. In de mate dat de eis ertoe strekt betaling te bekomen van een morele schadevergoeding, stelt het arbeidshof vast dat de heer L.J. in de dagvaarding reeds betaling had gevorderd van een morele schadevergoeding. De enkele omstandigheid dat die eis gesteund was op de schending van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden doet niets af aan het recht van de heer L.J. om in navolgende conclusies een andere rechtsgrond daarvoor aan te voeren. Ook dit onderdeel van de eis is dan ook ontvankelijk. 2.2.
  12. De (on)gegrondheid van de eisen Krachtens artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt onder willekeurige afdanking begrepen, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden van de onderneming, de instelling of de dienst. Bij betwisting behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van het bestaan van de voor het ontslag ingeroepen redenen. In verband met het gedrag van de werkman brengt het arbeidshof volgende principes in herinnering. Het ontslag waarvan de rechter vaststelt dat het genoodzaakt wordt door het gedrag van de werkman, zelfs al is dat gedrag niet bekritiseerbaar, is niet willekeurig. (Cass. 17 februari 1992, R.W. 1992-93, 124) In dit verband kan worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie, die door dit arbeidshof wordt bijgetreden, waar duidelijk gesteld wordt dat het foutief of niet foutief karakter van het verweten gedrag, op zich beschouwd, geen criterium is voor de beoordeling van de willekeurigheid van het ontslag (Cass. 17 februari 1992, o.c.; Cass. 6 juni 1994, R.W. 1994-95, 996; Cass. 22 januari 1996, R.W. 1996-97, 744). Ook niet foutieve feiten kunnen verband houden met het gedrag als bedoeld in artikel 63 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Met deze rechtspraak heeft het Hof van Cassatie de leer van de legitieme ontslagreden verworpen: de rechter kan niet tegelijkertijd aannemen dat het ontslag steunt op een bepaalde gedraging van de werknemer en niettemin willekeurig is. Het Hof van Cassatie, daarin gevolgd door dit arbeidshof, heeft aldus gekozen voor een letterlijke, neutrale lezing van voormeld artikel 63, die elke vorm van gedraging onder het wettelijk bedoelde "gedrag" begrijpt. Dit houdt in dat enkel in de mate dat niet bewezen wordt dat het ontslag werkelijk op het vastgestelde gedrag steunt, het ontslag desgevallend als willekeurig kan worden aangemerkt. Indien daarentegen bewezen wordt dat het gedrag van de werkman in kwestie ook de ontslagreden vormt (d.w.z. dat het ontslag wel degelijk zijn oorsprong vindt in het foutief of niet foutief gedrag van de werknemer) moet de rechter onvoorwaardelijk tot het besluit komen dat het ontslag niet willekeurig is (Cass. 7 mei 2001, J.T.T. 2001, 407, noot C. WANTIEZ; DE VOS, M., "Het gedrag dat het ontslag van een voor onbepaalde tijd in dienst genomen werkman niet - willekeurig maakt", R.W. 1996-97, 737). In deze wordt de ongeschiktheid voor ploegenarbeid door de NV gemotiveerd vanuit het gegeven dat de heer L.J. niet functioneerde op de wijze zoals van hem mocht verwacht worden en tot staving daarvan verwijst de NV naar de inhoud van de brieven van 6 maart 1997, 25 mei 1998(twee), 9 september 1998 en tenslotte de perikelen met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid die aanvang nam op 12 oktober
  13. In de brief van 6 maart 1997 wordt aan de heer L.J. verweten dat hij een hem op 21 februari 1997 opgedragen taak niet naar behoren had verricht en de instructies van de ploegleider had genegeerd en dat hij de dag nadien een hem opgedragen taak evenmin naar behoren had uitgevoerd. Er werd akte genomen van het feit dat de heer L.J. beloofde in de toekomst zijn job in de perfectie uit te voeren. Hoewel de heer L.J. in zijn antwoordbrief de feiten in een enigszins ander daglicht plaatste, staat het niettemin buiten kijf dat het door de NV gemaakte verwijt, dat blijkbaar gesteund was op het relaas van de ploegleider, verband hield met het niet naar behoren uitvoeren van de opgelegde taken. Op de twee brieven van 12 mei 1998, waarin zijn niet naar behoren functioneren en een gebrek aan stiptheid bij het melden van afwezigheden aan de orde was, heeft de heer L.J. niet gereageerd. De thans door hem aan de feiten gegeven uitleg is dan ook niet geloofwaardig, zodat er kan van worden uitgegaan dat de in de betreffende brieven vermelde feiten aan de werkelijkheid beantwoordden. Voor wat betreft de brief van 9 september 1998 stelt het arbeidshof vast dat de heer L.J. niet betwist dat hij, ondanks het feit dat hij ervan op de hoogte was dat zulks verboden was, gerookt had in een magazijn waar dit niet toegestaan was, dat hij tijdens een vergadering over veiligheidsoverleg het te ondertekenen document had beplakt met een knipsel uit een weekblad met als titel "vroeger dronken ze bier uit pispotten". De omstandigheid dat ook andere werknemers daar gerookt hebben en dat het een zogenaamde traditie was van de bordmannen om krantenknipsels te verspreiden, doet niets af aan het gegeven dat de feiten vaststaan en dat ze, foutief of niet, betrekking hebben op het gedrag van de heer L.J.. De heer L.J. is niet geloofwaardig wanneer hij betwist dat hij geweigerd had met de ploegleider een evaluatie te maken over zijn vorderingen bij het leren van de HK-buitenbouw. Hij heeft immers nagelaten de inhoud van de brief tegen te spreken, hoewel hij dit in het verleden reeds had gedaan. Verder aanvaardt het arbeidshof het aan de hand van de door de NV voorgebrachte geschreven verklaringen (stukken 10 en 11 van de NV) als bewezen dat de heer L.J. tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid werd aangetroffen op de Meir te Antwerpen en hij dus de woonst verlaten heeft, hoewel hem dit door een medisch attest verboden was. De enkele omstandigheid dat die geschreven verklaring op dezelfde dag en meer dan 8 maanden na de feiten werd opgemaakt doet aan de geloofwaardigheid ervan geen afbreuk. Het is bovendien merkwaardig dat de heer L.J. op zich niet betwist dat hij tijdens zijn periode van arbeidsongeschiktheid op 17 oktober 1998 op de Meir te Antwerpen was, terwijl hij volgens het medisch attest van zijn geneesheer de woonst niet mocht verlaten. Die feiten op zich volstaan reeds als bewijs van het feit dat de heer L.J. niet naar behoren functioneerde en dat het ontslag om die redenen werd gegeven. Of de werkgever die feiten nu in verband brengt met het "gedrag" van de werkman dan wel met zijn "geschiktheid" is niet relevant. Van zodra het vaststaat dat het ontslag gegeven is omwille van de aangevoerde feiten die verband houden met het gedrag of de geschiktheid van de werkman, is het ontslag niet willekeurig. Naar het oordeel van het arbeidshof staat het eveneens vast dat het ontslag niet was ingegeven door de syndicale activiteiten van de heer L.J.. De heer L.J. beweert wel dat zulks het geval is, maar geen enkel element van het dossier wijst daarop en de hiervoor vermelde feiten wijzen op het tegendeel. De heer L.J. kan dan ook geen aanspraak maken op de betaling van een vergoeding wegens willekeurig ontslag. Afgezien van de vraag of de heer L.J. naast een vergoeding wegens willekeurig ontslag nog de betaling kan vorderen van een morele schadevergoeding gesteund op de regels van rechtsmisbruik, stelt het arbeidshof vast dat die eis alleszins ongegrond is. De schade die de heer L.J. beweert te lijden is immers een schade die gedekt wordt door de opzeggingsvergoeding die op forfaitaire wijze alle schade dekt, zowel materiële als morele, die voortvloeit uit de onregelmatige beëindiging van de dienstbetrekking. Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding, kan de vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, bijgevolg voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden. (Cass., S 040176 N, 26 september 2005, www.cass.be, op datum) In deze bewijst de heer L.J. niet dat hij een andere schade lijdt dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking en die geacht wordt te zijn vergoed door de compensatoire opzeggingsvergoeding. Het incidenteel beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en als volgt gegrond. Vernietigt het vonnis van arbeidsrechtbank te Antwerpen doch enkel voor zover het de NV heeft veroordeeld om aan de heer L.J. een som van 5.000,00 EUR te betalen, vermeerderd met de vergoedende intrest vanaf 24 oktober 1998, de gerechtelijke intrest vanaf 28 mei 1999 en het de kosten van de rechtspleging ten laste van de NV heeft gelegd. En opnieuw recht sprekend over de eis van de heer L.J. strekend tot betaling van een morele schadevergoeding van 49.578,58 EUR. Verklaart deze eis ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt voor het overige het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 9 september
  14. Legt de kosten van beide instanties ten laste van de heer L.J.. Vereffent deze aan de zijde van de heer L.J. op 118,20 EUR inleidende dagvaarding, op 205,25 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, op 58,25 EUR verzoekschrift hoger beroep en op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van de NV op 205,25 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 19 december 2005 PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051219.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.