← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051221.25

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051221.25 Rolnummer: 2005-0067 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-06-03 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-07-01 03:39 Fiche Gedragingen die zich situeren binnen de normale gezagsuitoefening vallen niet onder pestgedrag, zelfs niet wanneer ze door de betrokken werknemer als subjectief kwetsend, beledigend, vernederend worden ervaren. Occasionele, aflopende gedragingen, verspreid over een ruime tijdspanne, maken geen pestgedrag uit. Artikel 32 undecies van de Welzijnswet impliceert geen volledige omkering van de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering en bevrijdt het slachtoffer niet volledig van elke bewijslast. Feiten die dateren van voor de inwerkingtreding van de wet van 11 juni 2002, waarvan de feiten die dateren van na de inwerkingtreding van de wet de voortzetting zijn, kunnen mee in aanmerking worden genomen om het bestaan van het pestgedrag aan te tonen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Vrije woorden: Pesterijen - kwalificatie - bewijslast - toepassing van de wet in de tijd - III AB Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32undecies - 00 ELI link Pub nr 1996012650 Annotaties Publicaties: SRK 2008 - Paul Brasseur - speciaal nummer, blz. 732-737 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2050067 OPENBARE TERECHTZITTING VAN EENENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF T. V.D.B., appellant, persoonlijk verschijnend, bijgestaan door mr. H. BUYSSENS, advocaat te Antwerpen, tegen :

  1. D.V.C.,
  2. R.V.A., geïntimeerden, vertegenwoordigd door mr. P. SMEDTS, advocaat te Antwerpen-Berchem. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 5 oktober
  3. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 maart 2005, 5 oktober 2005 en 2 november
  4. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 20 december 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 januari 2005; * de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 18 april 2005 en 18 juli 2005 voor geïntimeerden en op 1 juli 2005 voor de heer V.D.B.; * de beschikking d.d. 18 april 2005 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek; * het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd op de openbare terechtzitting van 2 november 2005; * de schriftelijke repliek van de heer V.D.B. op het advies van het openbaar ministerie, ter griffie van dit Hof neergelegd op 10 november 2005; * de schriftelijke repliek van geïntimeerden op het advies van het openbaar ministerie, ter griffie van dit Hof ontvangen op 15 november
  5. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 28 april 2004, dagvaardde de heer V.D.B. huidige geïntimeerden, de heer V.C. en de R.V.A., voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen en vorderde hij huidige geïntimeerden verbod te horen opleggen elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, binnen of buiten de instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat zijn persoonlijkheid, waardigheid of fysieke of psychische integriteit bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd of in stand gehouden, te uiten of eraan mee te werken en dit op straffe van een dwangsom van 1.000,00 EUR per vastgestelde inbreuk of van een vervangende schadevergoeding van hetzelfde bedrag. Tevens vorderde de heer V.D.B. huidige geïntimeerden te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 5.000,00 EUR, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 5 juli 2004 handhaafde de heer V.D.B. zijn vordering, met dien verstande dat hij in ondergeschikte orde aanbood het bewijs te leveren met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van een aantal feiten. Bij bestreden vonnis van 20 december 2004 verklaarden de eerste rechters zowel de vordering tot staken als de vordering in betaling van een schadevergoeding van de heer V.D.B. ten aanzien van de heer V.C. en de R.V.A. ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelden zij de heer V.D.B. tot de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP In het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 januari 2005, vordert de heer V.D.B. het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, in hoofdorde te akteren dat hij zijn oorspronkelijke vordering tot staking verder preciseert en aflijnt en thans aan eerste geïntimeerde, de heer V.C., verbod wenst te horen opleggen tot: - woede-uitbarstingen en represaillemaatregelen zodra de heer V.C. zijn mening niet doorgedrukt krijgt - lasterlijke uitlatingen tegenover collega's, oversten en elke andere derde zowel op als buiten de werkplaats - het isoleren van de heer V.D.B. - het ondergraven van de inhoud van zijn functie - het verder dwarsbomen van de heer V.D.B. in zijn carrièreverloop d.m.v. degradaties en negatieve evaluaties in ondergeschikte orde hem toe te laten het bewijs te leveren met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van de feiten die in de oorspronkelijke vordering opgelijst zijn onder nrs. 1 t.e.m. 10 de oorspronkelijke vordering tot betaling van een schadevergoeding van 5.000,00 EUR gegrond te verklaren. Bij conclusie van 1 juli 2005 vordert de heer V.D.B. het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtsprekend, geïntimeerden verbod te horen opleggen elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, binnen of buiten de instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat zijn persoonlijkheid, waardigheid of fysieke of psychische integriteit bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd of in stand gehouden, te uiten of eraan mee te werken en dit op straffe van een dwangsom van 1.000,00 EUR per vastgestelde inbreuk of van een vervangende schadevergoeding van hetzelfde bedrag. Minstens vordert hij geïntimeerden het verbod op te leggen tot het stellen van de volgende gedragingen tegen hem: - woede-uitbarstingen en represaillemaatregelen zodra de heer V.C. zijn mening niet doorgedrukt krijgt - lasterlijke uitlatingen tegenover collega's, oversten en elke andere derde zowel op als buiten de werkplaats - het isoleren van de heer V.D.B. - het ondergraven van de inhoud van zijn functie - het verder dwarsbomen van de heer V.D.B. in zijn carrièreverloop d.m.v. degradaties en negatieve evaluaties en dit op straffe van een dwangsom van 1.000,00 EUR per vastgestelde inbreuk of van een vervangende schadevergoeding van hetzelfde bedrag. Verder vordert de heer V.D.B. geïntimeerden te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op 5.000,00 EUR, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten. In ondergeschikte orde, alvorens recht te spreken, hem akte te verlenen van het feit dat hij aanbiedt het bewijs te leveren, met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van de feiten zoals onder punt 2.
  6. van zijn conclusie opgelijst en genummerd van 1 tot en met 10, om nadien te oordelen als naar recht. Bij syntheseconclusie van 18 juli 2005 vorderen geïntimeerden het hoger beroep zowel ten aanzien van de heer V.C. als ten aanzien van de R.V.A. ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen en de vorderingen van de heer V.D.B. zowel ten aanzien van de heer V.C. als ten aanzien van de R.V.A. ongegrond te verklaren. De R.V.A. stelt tevens een tegeneis in tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergende en roekeloze procedure en hoger beroep ten bedrage van 2.000,00 EUR. Ten slotte vorderen geïntimeerden de heer V.D.B. te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
  7. De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie ontwikkeld door partijen in conclusies, aanvaardt het Hof de volgende feiten als bewezen: De heer V.D.B. is statutair ambtenaar en trad in dienst van de R.V.A. op 16 juli
  8. Hij werkte achtereenvolgens in de werkloosheidsbureaus gelegen te Brussel,Vilvoorde, Antwerpen, Mechelen en Turnhout en sedert 1 augustus 1991 opnieuw in het werkloosheidsbureau te Antwerpen. Hij begon zijn dienstperiode als opsteller en klom geleidelijk op tot adjunct-controleur, tot onderbureauchef, tot bestuurschef, tot bestuurssecretaris en tot adjunct-adviseur (10C). Het werkloosheidsbureau te Antwerpen telt ongeveer 260 interne en 50 externe medewerkers. In het werkloosheidsbureau te Antwerpen had hij de leiding over de Dienst Controle-handhavingsbeleid en over de Dienst Tijdelijke Werkloosheid. Concreet was de heer V.D.B. leidinggevende over de R.V.A.-controleurs. In 1994 werd de heer V.C. aangesteld als directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen met als hoofdopdracht de werking van dit bureau te optimaliseren. Het staat niet ter discussie dat de heer V.C. deze doelstelling heeft waargemaakt en er met name voor heeft gezorgd dat de termijnen besteed aan het behandelen van werkloosheidsdossiers en het afleveren van documenten gevoelig daalden. In januari 2003 besliste de heer V.C. om de heer V.D.B. zijn leidinggevende taak te ontnemen en hem verder tewerk te stellen in de dienst langdurige werkloosheid en betwiste zaken. Sedertdien behandelt de heer V.D.B. beroepen van werklozen tegen verwittigingen en staat hij in voor het verhoren van werklozen. Het staat niet ter discussie dat deze wijziging werd doorgevoerd na overleg en met instemming van de administrateur-generaal en de adjunct administrateur-generaal van de R.V.A. en dat de heer V.D.B. hierdoor geen verlies in loon of graad heeft geleden. Op 28 april 2004 werd de functie van berekenaar, welke overeenstemt met de effectief aan de heer V.D.B. toebedeelde taken, officieel aan de heer V.D.B. toegewezen. De heer V.D.B. tekende beroep aan tegen deze functietoewijzing op 5 mei
  9. Dit beroep werd bij beslissing van de directieraad van de R.V.A. dd. 17 mei 2004 afgewezen. Met een aangetekende brief van 25 augustus 2004 diende de heer V.D.B. een verzoek tot schorsing van de beslissing van de directieraad in bij de Raad van State. Op 28 september 2004 adviseerde de auditeur bij de Raad van State om het verzoek van de heer V.D.B. af te wijzen. De heer V.D.B. deed vervolgens afstand van de door hem ingestelde procedure bij de Raad van State, wat werd geakteerd bij arrest van 14 februari
  10. Op 27 juni 2005 verklaarde de heer V.D.B. zich akkoord met zijn toewijzing aan de vakrichting "sociale zekerheid en sociale bescherming". Uit het document dat in dit kader werd opgesteld blijkt dat de heer V.D.B. werd benoemd in de klasse A2, klasse die overigens reeds door de auditeur bij de Raad van State werd aangewezen als de klasse waartoe de heer V.D.B. diende over te gaan bij de inwerkingtreding van het K.B. van 4 augustus
  11. De beoordeling 2.
  12. T.a.v. de hoofdvordering 2.1.
  13. Principes Bij wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (B.S. 22 juni 2002, hierna de wet van 11 juni 2002 genoemd) werd een hoofdstuk V bis toegevoegd aan de Welzijnswet van 4 augustus
  14. Deze wet bevat enerzijds een preventief en informatief luik en anderzijds een repressief luik. In het nieuwe artikel 32, bis, 2° van de Welzijnswet worden pesterijen op het werk als volgt gedefinieerd: "elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd". Volgens deze definitie is er bijgevolg slechts sprake van pesterijen wanneer: - het verweten gedrag onrechtmatig is - een repetitief karakter vertoont - plaatsvindt tijdens de uitvoering van de arbeid - met als doel of gevolg: - de aantasting van de fysieke of psychische integriteit - het in gevaar brengen van de betrekking - het creëren van een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving. Opdat er sprake zou kunnen zijn van pesten in de zin van de Welzijnswet moet het verweten gedrag vooreerst objectief onrechtmatig zijn. (VERHELST, I., "Twee en een half jaar Pestwet: een analyse van de rechtspraak", Or., 2005, 26 en de aldaar geciteerde rechtspraak) Gedragingen die zich situeren binnen de normale gezagsuitoefening vallen bijgevolg niet onder de noemer pestgedrag, ook niet wanneer zij door de betrokken werknemer/ambtenaar subjectief als kwetsend, beledigend, vernederend,...worden ervaren. Het geven van instructies, het toebedelen van taken, negatieve evaluaties etc. zijn slechts objectief onrechtmatig wanneer zij niet in overeenstemming zijn met de terzake geldende expliciete of impliciete normen en gedragsregels. Het vereiste dat het moet gaan om terugkerend gedrag impliceert dat één enkel, zelfs zeer zwaarwichtig feit buiten het toepassingsgebied van de wet van 11 juni 2002 valt. Daarentegen vereist de wet geen herhaling van identieke gedragingen. Pestgedrag kan immers vele vormen aannemen en het is uiteraard niet de bedoeling van de wetgever geweest om slachtoffers van "creatieve pesters", die telkens nieuwe manieren verzinnen om hun slachtoffer te pesten, de bescherming van de wet te ontzeggen. Het volstaat dan ook vast te stellen dat er meerdere onrechtmatige gedragingen zijn geweest die met het door de wet geviseerde doel of gevolg werden gesteld. Anderzijds moet er tussen de ingeroepen, objectief onrechtmatige gedragingen een zekere samenhang bestaan, opdat er sprake zou kunnen zijn van pestgedrag in de zin van de Welzijnswet. Dit is niet het geval wanneer er slechts sprake is van enkele occasionele, aflopende gedragingen, verspreid over een ruime tijdspanne (bvb. 2 beledigende opmerkingen in een tijdspanne van 5 jaar). De werknemer/ambtenaar die meent dat hij het slachtoffer is van pestgedrag in de zin van de Welzijnswet heeft verschillende actiemogelijkheden. Hij kan gebruik maken van een interne procedure door zich te richten tot de vertrouwenspersoon of tot de preventieadviseur, hij kan zich richten tot de met het toezicht belaste ambtenaren en hij kan een vordering instellen voor het bevoegde rechtscollege. Geen enkele bepaling verplicht het vermeende slachtoffer om voorafgaand aan het instellen van een gerechtelijke procedure gebruik te maken van de interne procedure. (vgl. Arbh. Brussel, 16 oktober 2003, Soc. Kron., 2005, 439) Het nieuwe artikel 32 decies van de Welzijnswet bepaalt desbetreffend: "Al wie een belang kan aantonen kan voor het bevoegde rechtscollege een vordering instellen om de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk af te dwingen. Onverminderd de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding, kan het bevoegde rechtscollege het bevel opleggen aan diegene die zich schuldig maakt aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, alsmede aan de werkgever om hieraan, binnen een door hem vastgestelde termijn, een einde te maken." Bij wet van 17 juni 2002 (B.S. 25 juni 2002) werd artikel 578 Ger.W. aangevuld met een 11° lid waardoor aan de arbeidsrechtbanken de bevoegdheid werd verleend om kennis te nemen: "van de geschillen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk die hun oorsprong vinden in hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk". Wat het bewijs van de ingeroepen pesterijen betreft bepaalt het nieuwe artikel 32 undecies van de Welzijnswet: "Wanneer een persoon die een belang kan aantonen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er zich geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk hebben voorgedaan ten laste van de verweerder. Het eerste lid is niet van toepassing of de strafrechtspleging en doet geen afbreuk aan andere gunstigere wetsbepalingen inzake bewijslast." Deze bepaling impliceert geen volledige omkering van de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering en bevrijdt het (vermeende) slachtoffer niet volledig van elke bewijslast. De wet stelt immers een dubbele vereiste vooraleer de omkering van de bewijslast speelt: 1° het vermeende slachtoffer moet feiten aanvoeren (in de Franse tekst établir): dit sluit de geruchten, beweringen en indrukken uit die niet objectiveerbaar zijn noch bewezen kunnen worden. Die feiten moeten voldoende nauwkeurig beschreven zijn (tijdstip, plaats) en betrekking hebben op identificeerbare personen. Het vermeende slachtoffer moet het bewijs of een begin van bewijs leveren van de feiten die hij inroept, een loutere bewering is niet voldoende. 2° die feiten moeten toelaten het bestaan van geweld of pesterijen te doen vermoeden. ( Evaluatieverslag wet van 11 juni 2002, F.O.D. Werkgelegenheid. Arbeid en Sociaal Overleg, 56, http://www.meta.fgov.be/pdf/pd/nldd50.pdf en de aldaar geciteerde rechtspraak) Uit de voorbereidende werken van de wet van 11 juni 2002 blijkt dat de wetgever bij de redactie van artikel 32 undecies van de Welzijnswet de situatie voor ogen stond waarbij gegevens verzameld tijdens de interne procedure het bestaan van pestgedrag aannemelijk maken. (Verslag namens de commissie voor de sociale zaken uitgebracht door de heer Paul Timmermans, Parl. St., Kamer, 2001-2002, Doc 50 1583/005, 35) In de tekst van de wet werd evenwel nergens het "aanvoeren van feiten..." beperkt tot het neerleggen van gegevens verkregen via de interne procedure, zodat ook andere bewijselementen in aanmerking kunnen worden genomen, uiteraard voor zover zij het bestaan van pesterijen aannemelijk maken. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 trad de wet van 11 juni 2002 in werking op 1 juli
  15. Bijgevolg kan in beginsel enkel rekening worden gehouden met pestgedrag dat zich situeert vanaf die datum. Indien er evenwel feiten voorhanden zijn die dateren van na de inwerkingtreding en die feiten kunnen beschouwd worden als het verderzetten van feiten van voor de inwerkingtreding, dan kunnen deze vroegere feiten mee in aanmerking worden genomen om het bestaan van pestgedrag aan te tonen. (VERHELST, I, o.c. 27, en de aldaar geciteerde rechtspraak.) 2.1.2.Toepassing Functiewijziging Uit het geheel van het dossier blijkt duidelijk dat de heer V.D.B. vooral de toewijzing van de functie van berekenaar op 28 april 2004 als problematisch heeft ervaren en het is niet toevallig dat deze gerechtelijke procedure op precies dezelfde dag werd ingeleid. Niets in het dossier laat evenwel toe te besluiten dat de heer V. C. en/of de R.V.A. bij het nemen en communiceren van deze beslissing objectief onrechtmatig hebben gehandeld. Zo blijkt met name niet dat de beslissing om de heer V.D.B. in januari 2003 te ontheffen van zijn leidinggevende taken en hem verder tewerk te stellen in de dienst langdurige werkloosheid en betwiste zaken, waar hij belast werd met het behandelen van beroepen en het verhoren van werklozen, in strijd was met een statutaire of wettelijke bepaling, noch met enige andere norm geldend binnen het werkloosheidsbureau te Antwerpen, net zomin als het feit dat deze beslissing hem mondeling werd ter kennis gebracht. Het blijkt overigens niet en het wordt ook niet ingeroepen dat de heer V.D.B. op dat ogenblik heeft geprotesteerd tegen het feit dat hem andere taken werden toebedeeld. Het blijkt al evenmin dat de nieuwe taken "minderwaardig" waren, inzonderheid dat zij niet in overeenstemming waren met de opleiding, ervaring en beroepsbekwaamheid van de heer V.D.B., noch met de klasse waartoe hij behoort. Het dossier bevat evenmin elementen die erop wijzen dat de heer V.C. en/of de R.V.A. in dit kader onrechtmatig hebben gehandeld, inzonderheid blijkt niet dat de beslissing onredelijk was of werd genomen met de bedoeling om de heer V.D.B. (morele) schade te berokkenen. Anders dan de heer V.D.B. voorhoudt kon hij als leidinggevende binnen het werkloosheidsbureau te Antwerpen immers geen onberispelijke staat van dienst voorleggen. Er zijn incidenten geweest, klachten over bepaalde van zijn uitlatingen, veelvuldige afwezigheden wegens ziekte en er is de problematiek rond het (niet) functioneren van controleur M. (vgl. stukken 2, 9, 18, 19, 20 en 23 dossier geïntimeerden) In die omstandigheden aanvaardt het Hof dat het belang van de dienst aan de basis heeft gelegen van de beslissing om aan de heer V.D.B. een andere taak toe te bedelen, beslissing die - zoals hiervoor reeds aangegeven -ook werd gesteund door de administrateur-generaal en zijn adjunct. De latere "officialisering" van de bestaande situatie door middel van de functietoewijzing op 28 april 2004 vormt in die omstandigheden evenmin een onrechtmatige gedraging, wat ten andere met zoveel woorden werd bevestigd door de auditeur bij de Raad van State in zijn advies van 28 september
  16. Het ontnemen van de leidinggevende taak en het toebedelen van een andere taak heeft een aantal praktische gevolgen met zich mee gebracht, zoals een wijziging van de arbeidsplaats, het niet meer deelnemen aan activiteiten die normaal zijn voorbehouden voor leidinggevenden,... Ook in dit kader is er geen sprake van onrechtmatig gedrag. De door de heer V.D.B. ingeroepen "degradatie", functietoewijzing en de daaruit voortspruitende gevolgen kunnen derhalve noch afzonderlijk noch in samenhang met de overige elementen van het dossier worden gekwalificeerd als pestgedrag. Schrikbewind In dezelfde gedachtegang kan het Hof zich evenmin terugvinden in de door de heer V.D.B. ontwikkelde argumentatie m.b.t. het (beweerd) schrikbewind van de heer V.C.. Vooreerst moet worden opgemerkt dat het "voeren van een schrikbewind" op zichzelf beschouwd een schoolvoorbeeld is van een onvoldoende nauwkeurig omschreven gedrag, dat niet vatbaar is voor bewijs door middel van getuigen en bijgevolg als zodanig niet in aanmerking kan worden genomen. De aan de heer V.C. verweten uitlating bij zijn aanstelling, die dit schrikbewind zou moeten concretiseren en illustreren, is voor velerlei interpretaties vatbaar, doch het Hof ziet niet in wat daaraan onrechtmatig was, a fortiori niet hoe deze uitlating het door de wet van 11 juni 2002 geviseerde doel of gevolg kan hebben gehad. Het betreft bovendien een eenmalige uitlating die zich situeert in
  17. Ook het sub 9 geformuleerde verwijt is onvoldoende nauwkeurig gepreciseerd en laat derhalve niet toe te besluiten of het ressorteert of zou kunnen ressorteren onder pestgedrag. Wat de heer V.D.B. eigenlijk aan de heer V.C. verwijt is dat hij het werkloosheidsbureau te Antwerpen leidt op een autoritaire manier, dat hij geen ruimte laat voor inspraak of overleg en geen kritiek duldt. Een dergelijke manier van leidinggeven vormt, voor zover bewezen quod non, op zichzelf nog geen pestgedrag. In dit verband dient erop gewezen te worden dat het niet aan het Hof toekomt om de heer V.C. in zijn functie van directeur te evalueren en zijn beleidsbeslissingen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Het is uiteraard mogelijk dat de heer V.C. teveel aandacht heeft besteed aan het bereiken van de vooropgestelde doelstellingen en dat hij daarbij onvoldoende aandacht heeft gehad voor de werksfeer, maar een dergelijke problematiek heeft geen uitstaans met deze procedure. Het gaat er met andere woorden in deze procedure niet om te bepalen of de heer V.C. al dan niet een goed manager is, wel om na te gaan of de heer V.C. zich in de uitoefening van zijn functie schuldig heeft gemaakt aan pestgedrag tegenover de heer V.D.B.. Ten slotte ziet het Hof niets onrechtmatigs in de reacties van de heer V.C. op het "incident met de muis" en het "incident rond de cursus conflictbeheersing", integendeel, in beide gevallen betrof het duidelijke tekortkomingen vanwege de heer V.D.B. waarop gepast werd gereageerd. Isolement Het isoleren van een werknemer is bij uitstek een instrument dat door een leidinggevende kan worden gebruikt met het door de wet van 11 juni 2002 geviseerde doel of gevolg. Zoals hiervoor reeds aangegeven kan de heer V.D.B. echter niet volstaan met de loutere bewering dat de heer V.C. tegenover hem een "isolementspolitiek" voert, hij dient deze aantijging te concretiseren. Merkwaardig is in dit verband dat de heer V.D.B. op pagina 17, feit 2 van zijn beroepsconclusie vermeldt dat de heer V.C. de collega's sinds het voorjaar 2000 verbood om nog met hem in contact te treden en hem uitsloot van niveau 1 vergaderingen, terwijl op pagina 21, eveneens handelend over feit 2, van diezelfde conclusie sprake is van de wering en het latere isolement als represaille voor een incident dat plaatsvond tijdens de nieuwjaarsreceptie van 10 januari
  18. Dat de heer V.D.B. werd uitgesloten van vergaderingen voor leidinggevenden nadat hem de hoger vermelde taken in de dienst langdurige werkloosheid en betwiste zaken werden toebedeeld, is niet meer dan het logische gevolg van het feit dat hij niet meer behoorde tot de groep van leidinggevenden. Deze uitsluiting heeft dan ook niets te maken met een isolementspolitiek, a fortiori niet met pestgedrag. Dat hij werd uitgesloten van vergaderingen die hij volgens de heersende regels of procedures wél moest of mocht bijwonen blijkt uit niets. Wat de vergaderingen van 16 en 20 januari 2003 betreft staat als zodanig niet ter discussie dat deze vergaderingen specifiek aan het functioneren van de heer V.D.B. als leidinggevende waren gewijd. Het kan naar het oordeel van het Hof niet aan de heer V.C. verweten worden dat hij, voorafgaand aan de beslissing om de heer V.D.B. met andere taken te belasten, overleg heeft willen plegen met andere kaderleden en leidinggevenden. Het is evenmin onredelijk dat de heer V.C. dit overleg heeft georganiseerd in afwezigheid van de heer V.D.B., teneinde iedereen de mogelijkheid te bieden vrijuit te praten en pijnlijke confrontaties te vermijden. In die omstandigheden kan het weren van de heer V.D.B. van genoemde vergaderingen niet worden gezien als onrechtmatig gedrag met het door de wet geviseerde doel of gevolg. Wat de aan de heer V.C. toegeschreven uitlatingen tijdens de vergadering van 20 januari 2003 betreft moet er vooreerst op gewezen worden dat het bijzonder moeilijk is om zich een juist en volledig beeld te vormen van het verloop van een gesprek of vergadering op basis van enkele uitlatingen. Voor zover de ingeroepen uitlatingen zouden worden bewezen, kan dit enkel tot de conclusie leiden dat de heer V.C. op 20 januari 2003 in een vergadering met een beperkt aantal kaderleden uiting heeft gegeven aan zijn ontevredenheid over het functioneren van de heer V.D.B.. Het Hof wenst daarbij te herhalen dat er zich voordien inderdaad een aantal feiten hebben voorgedaan die de ontevredenheid van de heer V.C. kunnen verklaren en rechtvaardigen. Het staat verder niet ter discussie dat aan de betrokken kaderleden werd gevraagd geen ruchtbaarheid te geven aan de inhoud van deze vergadering. In die omstandigheden maken de verweten uitlatingen het niet aannemelijk dat er langs de zijde van de heer V.C. sprake is geweest van een bewuste beschadigingspolitiek, maar eerder van een eerlijk en open gesprek. Men kan zich de vraag stellen of het verstandig is van een directeur om op een dergelijke manier, zelfs in een besloten vergadering met een aantal kaderleden, zijn mening te ventileren, doch dit feit vormt naar het oordeel van het Hof in de gegeven context geen pestgedrag. Dat de heer V.D.B. na de wijziging van de hem toegewezen taken werd overgeplaatst van een individueel bureel naar een zaal, waar meerdere andere personeelsleden werken, kan bezwaarlijk als een vorm van isoleren worden gezien. Het staat overigens niet ter discussie dat het vroegere bureel van de heer V.D.B. gelegen is bij de dienst handhavingsbeleid, waar de heer V.D.B. sedert 23 januari 2003 niet langer werkzaam was. Dat zijn vroegere bureel werd toevertrouwd aan zijn opvolgster is dan ook niet meer dan een logisch gevolg van de taakwijziging, die -zoals hiervoor reeds aangetoond - niet onrechtmatig was. Ook de bewering dat de heer V.C. verbod zou hebben opgelegd aan niet nader genoemde collega's om de heer V.D.B. op te zoeken tijdens zijn arbeidsongeschiktheid is bijzonder vaag omschreven en volstrekt ongeloofwaardig. Het incident met de muis illustreert ten andere dat de heer V.D.B. tijdens een ziekteperiode daadwerkelijk bezoek heeft gekregen van enkele collega's en het blijkt niet dat desbetreffend aan de betrokken collega's enige opmerking werd gemaakt. Het Hof stelt verder vast dat de heer V.D.B. bijzonder vaag blijft m.b.t. de bewering dat hem begin 2003 de toegang tot de mailbox werd ontzegd en dat hij hierdoor wordt gehinderd in zijn taken. Dit feit wordt nog steeds opgenomen in de lijst van feiten vermeld op pagina's 18 en 19 van de beroepsconclusie, maar wordt verder in de conclusie niet meer hernomen en hiervan wordt in tegenstelling tot de andere feiten ook geen bewijs aangeboden. De heer V.C. en de R.V.A. hebben in dit kader altijd voorgehouden dat de heer V.D.B. nooit toegang tot internet heeft gehad. Het blijkt alleszins niet dat de heer V.D.B. volgens de binnen het werkloosheidbureau geldende regels of gebruiken recht had op een internetaansluiting, zelfs niet dat hij daar ooit om gevraagd heeft en hij verduidelijkt ook geenszins op welke wijze dit hem zou hinderen in de uitoefening van zijn functie. Ten slotte worden onvoldoende gegevens verstrekt m.b.t. het beweerde weren van een vergadering met de uitbetalingsinstelling en de navolgende receptie op 24 januari 2003 om te kunnen vaststellen of in dit verband aan de heer V.C. een onrechtmatig gedrag kan worden verweten. Infosessie ACLVB Ook m.b.t. het feit dat de voorkeur werd gegeven aan mevrouw C. boven de heer V.D.B. om een infosessie te organiseren voor de leden van de ACLVB, blijkt niet dat het gaat om objectief onrechtmatig gedrag. De door de heer V.C. en de R.V.A. in dit kader ontwikkelde en als zodanig niet tegengesproken argumentatie maakt het integendeel bijzonder aannemelijk dat redelijke en objectieve overwegingen aan de basis lagen van de gemaakte keuze. Controle ziekteperiode Dat de heer V.C. een controlearts heeft gestuurd om de arbeidsongeschiktheid van de heer V.D.B. te controleren nadat hij zich vanuit zijn vakantieverblijf in Turkije ziek had gemeld, vormt naar het oordeel van het Hof een volstrekt normale gezagsuitoefening. Het kan bovendien in redelijkheid niet aan de heer V.C. worden verweten dat hij argwaan koesterde t.a.v. een ziektemelding vanuit Turkije met het daartoe geëigende formulier. Dat de heer V.C. uiting gaf aan zijn argwaan is misschien ongelukkig, maar het gaat uiteindelijk om een geïsoleerd feit dat zich situeerde in november 2001, zodat het bezwaarlijk in aanmerking kan worden genomen tot staving van pestgedrag in de zin van de Welzijnswet. Het staat overigens niet ter discussie dat dit de enige maal is dat de ziekteperiode van de heer V.D.B. werd gecontroleerd, niettegenstaande hij, zoals hij zelf beweert, veelvuldig afwezig is geweest wegens ziekte. Incident nieuwjaarsreceptie Uit de door alle partijen ontwikkelde argumentatie blijkt dat zich tijdens de nieuwjaarsreceptie van 10 januari 2003 een pijnlijk incident heeft voorgedaan waarbij 3 personen betrokken waren, de heer V.C., de heer V.D.B. en de heer M., waarbij de heer M. kennelijk de rol van "stokebrand" heeft gespeeld door een negatieve uitlating vanwege de heer V.C. prompt te gaan doorvertellen aan de heer V.D.B.. Frappant bij de beschrijving van dit incident is echter dat de heer V.D.B. hoegenaamd niet geïntimideerd schijnt te zijn geweest door de persoon van zijn directeur, nu niet ter discussie staat dat hij deze verweet nog erger te zijn dan de Taliban. Een dergelijk incident is niets meer dan een spijtig voorval dat zich wel vaker voordoet binnen het arbeidsmilieu en waarbij alle betrokkenen zich wel iets te verwijten hebben. Met pestgedrag in de zin van de Welzijnswet heeft dit echter niets te maken. Verlofkaart/kennisgeving functietoewijzing De aan de heer V.C. toegeschreven bedoeling om de verlofkaart van de heer V.D.B. niet (tijdig) te tekenen in de hoop dat de heer V.D.B. zonder toelating zou vertrekken, is uiteindelijk niet relevant nu niet ter discussie staat dat de bewuste kaart tijdig werd getekend en dat de heer V.D.B. probleemloos vakantie heeft kunnen nemen tijdens de gevraagde periode. Hetzelfde geldt de beweerde bedoeling om de beslissing m.b.t. de functietoewijzing te betekenen vlak voor de vakantie van de heer V.D.B., in de hoop dat hij aldus geen gebruik zou kunnen maken van de beroepsprocedure. De betekening van de toewijzingsbeslissing is immers gebeurd op 28 april 2004, na de vakantie van de heer V.D.B. en laatstgenoemde heeft op een volledig correcte wijze gebruik kunnen maken en ook effectief gebruik gemaakt van de beroepsprocedure. Nog afgezien van de vraag of de heer V.C. inderdaad dergelijke boosaardige intenties heeft gehad, is hij alleszins tijdig tot inkeer gekomen en hebben de beweerde bedoelingen geen enkel effect gesorteerd zodat ook in dit kader geen sprake is van pestgedrag. Besluit Samenvattend en besluitend is het Hof dan ook van oordeel dat de heer V.D.B. er niet in slaagt om feiten aan te voeren die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden en dat het door hem in ondergeschikte orde geformuleerde bewijsaanbod niet van aard is om afbreuk te kunnen doen aan deze besluitvorming, zodat hierop niet moet worden ingegaan. Niettemin kan op basis van de gegevens in het dossier worden vastgesteld dat de samenwerking tussen de heer V.D.B. en de heer V.C. problematisch is en het Hof twijfelt er niet aan dat deze situatie nadelige repercussies heeft voor het psychisch welzijn van de heer V.D.B. in zijn werkomgeving. In die omstandigheden is het bijzonder jammer dat de heer V.D.B. meteen en uitsluitend zijn toevlucht heeft gezocht in een gerechtelijke procedure, die al te veel werkt in termen van "dader", "slachtoffer" en "bewijs" en niet bij machte is om een oplossing aan te reiken voor reële problemen, die buiten het strikte toepassingsgebied van de wet van 11 juni 2002 vallen. Het Hof kan partijen dan ook slechts aanraden om via andere kanalen te trachten om tot een voor alle betrokkenen bevredigende oplossing te komen. 2.
  19. T.a.v. de tegeneis Anders dan de R.V.A. voorhoudt is het Hof van oordeel dat dit dossier geen elementen bevat op basis waarvan kan worden besloten dat de heer V.D.B. bij het instellen en verderzetten van zijn vordering tegen de R.V.A. lichtzinnig heeft gehandeld, noch met de bedoeling de R.V.A. schade te berokkenen. Het loutere feit dat de heer V.D.B. geen gebruik heeft gemaakt van de interne procedure volstaat daartoe niet, net zomin als de vaststelling dat zijn vordering om de hiervoor uiteengezette redenen ongegrond moet worden verklaard. Tevergeefs doet de R.V.A. in dit verband gelden dat zelfs geen concreet pestgedrag tegen hem werd ingeroepen. Wat de heer V.D.B. aan de R.V.A. verwijt is weliswaar niet dat hij zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de ingeroepen feiten, maar wel dat hij de heer V.C. steeds is blijven steunen en niets heeft ondernomen om de als pestgedrag ervaren feiten te voorkomen of te remediëren. In die omstandigheden kan het betrekken van de R.V.A. bij deze procedure geenszins als tergend of roekeloos worden gekwalificeerd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 2 november
  20. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 december
  21. Verklaart de vordering van de R.V.A. in betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en hoger beroep ongegrond. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer V.D.B.. Vereffent deze aan de zijde van de heer V.D.B. op 285,57 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerden op 285,57 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van eenentwintig december tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren : mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer F. LAMBERT, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer F. LINGIER, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051221.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.