id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051222.8 Rolnummer: 1998-1103 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-01 03:40 Fiche Wanneer de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een vroegere beslissing, waarbij de werkloze toelaatbaar werd verklaard, wenst te herroepen omdat hij het statuut van werknemer in de loop van de wachttijd niet langer aanvaardt, rust op de rijksdienst de taak om het bewijs te leveren dat de betrokkene niet in ondergeschikt verband heeft gewerkt. Het bekleden van een mandaat als bestuurder in een vennootschap sluit de uitoefening van een andere functie onder het gezag van een orgaan of van een aangestelde van de vennootschap niet uit. Vermits uit de gegevens van het dossier enkel valt af te leiden dat betrokkene ook de functie uitoefende van algemeen directeur onder het gezag van de raad van bestuur van de vennootschap, vervult de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet de op hem rustende bewijslast ten einde zijn eerdere beslissing om betrokkene toelaatbaar te verklaren te herzien. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID werkloosheidsvergoeding - toelaatbaarheidsvoorwaarden - wachttijd - arbeid in loondienst - toepassingsgebied - arbeidsprestaties in ondergeschikt verband - bewijslast - gedelegeerd bestuurder - van dit mandaat te onderscheiden functie. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 30 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.511-512) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 981103 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: L. N., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. W. D., loco mr. C. V. V., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. D. H., loco mr. G. V. D., advocaat te 2800 Mechelen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 2 december 1998, 11 december 2003, 21 september 2004, 22 september 2005 en 24 november 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 8 oktober 1998 (A.R. 68.862); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 5 november 1998; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 12 oktober 1999; - de conclusies voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 4 november 2003; - de "syntheseconclusies" voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 3 december 2003; - de "tweede conclusies in hoger beroep" voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 15 juni
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stukken 1 t/m 13 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit 20 stukken en de bundel van de raadsman van geïntimeerde bestaande uit 5 stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 24 november
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 5 november 1998, tekende L. N. hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 8 oktober
- Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 14 oktober
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De Directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening te Mechelen besliste op 16 oktober 1997, - in toepassing van de artikelen 30, 37, 38, 142, 143, 144, 146 en 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering -: - L. N. uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 31 januari 1996; - de uitkeringen terug te vorderen die L. N. sedert 31 januari 1996 heeft ontvangen. De Directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 2 administratief dossier): "Op 31.01.1996 werd u toegelaten tot het recht op uitkeringen op basis van uw prestaties bij N.V. J. B. te Antwerpen, die u in een referteperiode overeenkomstig uw leeftijdscategorie diende te bewijzen, (art. 30, 37 en 38 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Uit een ingesteld onderzoek werd vastgesteld dat u zaakvoerder was van voornoemde firma. Op het verhoor d.d. 23.09.1997 sprak u deze vaststelling tegen, u verklaarde dat u steeds in ondergeschikt verband heeft gewerkt. U zou hiervoor bewijzen leveren aan de hand van aanvullende stukken. De bewijslast te werken in ondergeschikt verband, d.w.z. onder gezag van een werkgever, berust op de werknemer. Tot op heden mochten wij dit bewijs van ondergeschikt verband tijdens de ganse referteperiode niet ontvangen. U verklaring op het verhoor is geen bewijs van het bestaan van een ondergeschikt verband. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 3.07.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Uw arbeidsdagen bij de N.V. J. B. kunnen niet in aanmerking genomen worden om uw toelaatbaarheid te bewijzen waardoor u ten onrechte werd toegelaten tot het recht op uitkeringen. Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 12 januari 1998 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 13 januari 1998, tekende L. N. beroep aan tegen voornoemde administratieve beslissing. Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 8 oktober 1998 werd de vordering van L. N. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de bestreden administratieve beslissing bevestigd. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd in toepassing van artikel 1017, tweede lid Ger. W. verwezen in de kosten van het geding. Deze kosten werden aan de zijde van L. N. begroot op 3.690 frank (91,47 euro) rechtsplegingsvergoeding. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 5 november 1998, tekende L. N. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen.
- Eisen in hoger beroep L. N. (appellant) vordert: - het hoger beroep gegrond te verklaren; - dienvolgens het bestreden vonnis van 8 oktober 1998 te vernietigen en opnieuw recht doende: x de beslissing van de R.V.A. van 16 oktober 1997 te vernietigen; x de R.V.A. te veroordelen om aan L. N. werkloosheidsuitkeringen te betalen vanaf 31 januari 1996; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de gerechts-kosten, aan de zijde van L. N. begroot op 91,47 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 273,67 euro rechtsplegings-vergoeding hoger beroep. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert in syntesecon-clusies: - het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, doch als ongegrond af te wijzen; - dienvolgens het vonnis a quo te bevestigen in al zijn onderdelen.
- Ten gronde Appellant werd op 31 januari 1996 toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen op basis van zijn prestaties bij de N.V. J. B. te Antwerpen (voordien N.V. J.-N.), prestaties dewelke hij tijdens een referteperiode overeenkomstig zijn leeftijdscategorie diende te bewijzen (artikel 30, 37 en 38 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering) In de thans bestreden administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen wordt vermeld dat de arbeidsdagen bij de N.V. J. B. niet in aanmerking kunnen genomen worden om de toelaatbaarheid te bewijzen aangezien appellant niet bewijst dat hij zijn prestaties in ondergeschikt verband heeft geleverd. Samen met het openbaar ministerie stelt het hof vast dat geïntimeerde in de thans bestreden administratieve beslissing ten onrechte de bewijslast van de hoedanigheid van werknemer bij appellant legt. Waar geïntimeerde aanvankelijk appellant vanaf 31 januari 1996 toelaatbaar heeft verklaard tot het recht op werkloosheidsuitkeringen en thans voorhoudt dat niet voldaan is aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden dient geïntimeerde, in toepassing van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, te bewijzen dat appellant niet in ondergeschikt verband heeft gewerkt bij de N.V. J. B. Geïntimeerde verwijst hiervoor naar het onderzoeksverslag van haar sociale inspecteurs opgesteld in de periode juni - juli 1997 met het daarin vervatte proces-verbaal van verhoor van L. N. op 24 juni 1997 (zie stukken 7 en 8 van het administratief dossier: formulier C 25 en C 25.2). In dit onderzoeksverslag worden enkel volgende feiten vastgesteld: - de firma N.V. J. B. B. heeft haar maatschappelijke zetel te 2060 Antwerpen, M. 23; - afgevaardigd-bestuurder is D. J. (°26/01/65 te Brakel) wonende te 's Hertogenbosch (Nederland), B. 13". Uit voormelde vaststellingen volgt geenszins het bewijs dat appellant niet in ondergeschikt verband heeft gewerkt bij de N.V. J. B. Appellant heeft op 24 juni 1997 volgende verklaring afgelegd t.o.v. de sociale inspecteurs: "Aangaande zaken die u bezighouden kan ik u het volgende zeggen. Ik was zaakvoerder van de firma J.-N. tot einde
- Ik heb er dan wel nog effectief gewerkt tot eind
- Toen ben ik werkloos geworden. De zaak is niet langer op dit adres gevestigd maar te Antwerpen op de M. 23 en dit onder de naam J. B.. Ik vermoed dat de zaakvoerder nu D. J. is. (...) Uit de loutere verklaring van appellant dat hij 'zaakvoerder' was van de firma J.-N. volgt geenszins het bewijs dat zijn prestaties niet in ondergeschikt verband werden uitgevoerd. Immers, het bekleden van een mandaat van bestuurder in een vennootschap sluit de uitoefening van een andere functie onder het gezag van een orgaan of van een aangestelde van de vennootschap niet uit (zie conclusie van de advocaat-generaal Lenaerts voor het arrest van het Hof van Cassatie van 28 mei 1984, R.W., 1984-1985, 333 - 340). Uit de verklaring van appellant - afgelegd tijdens het verhoor in toepassing van artikel 144 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - kan afgeleid worden dat appellant zijn functie als algemeen directeur uitoefende in ondergeschikt verband en onder het gezag van de raad van bestuur van de naamloze vennootschap. Appellant verklaarde op het verhoor van 23 september 1997 het volgende (zie stuk 4 administratief dossier: formulier C 30 verhoor): "Ik was afgevaardigde bestuurder-bediende in de firma J.-N. en later gewijzigd in de benaming J.-B.. Het ontslag van afgevaardigd-bestuurder is in feite gebeurd eind 1994, buiten mijn weten. De firma was een vestiging van een Nederlands bedrijf. Ik diende verantwoording af te leggen aan de Nederlandse zetel. Ik ontving eveneens de instructies uit Nederland. Financieel, organisatorisch was er een volledige afhankelijkheid van Nederland (cfr. werkvergaderingen). Ook voor het aanwerven van personeel diende ik de toelating te bekomen van de vestiging in Nederland. In de Belgische vestiging was er benevens mezelf nog 1 bediende en 1 arbeider. Ik leg hierbij stukken over waaruit moge blijken mijn afhankelijkheid van Nederland. De voorzitter van de raad van bestuur is steeds de heer J. D. H., een Nederlander, geweest. Ik had 47 aandelen. De overige waren in handen van 4 Nederlanders en 3 Belgen (deze laatste enkel 1 aandeel) benevens mezelf (47 aandelen). Ik heb steeds gewerkt in ondergeschikt verband." Voormelde verklaring wordt ondersteund door volgende stukken: - de verklaring van P. Roosen, beheerder-directeur van het erkend sociaal secretariaat SFDW (VZW Sociale en Fiscale Diensten voor Werkgevers), waarin verklaard wordt dat appellant vanaf 1 januari 1979 tot en met 31 december 1995 als bediende/algemeen directeur in dienst is geweest bij de N.V. J. N. (stuk 1 bundel appellant); - het aangetekend schrijven van 12 december 1994 uitgaande van de N.V. J. N. waarbij een einde werd gesteld aan de arbeidsovereenkomst met een opzegtermijn van 12 maanden, ingaande op 1 januari 1995 en eindigend op 31 december 1995 (stuk 2 appellant); - de individuele rekeningen voor de periode 1985-1992 en de loonfiches nr. 281.10 voor de periode 1990-1995 (stukken 9 t/m 18 appellant) - verslag van de buitengewone algemene vergadering van 12 december 1994 waaruit blijkt dat alle aandeelhouders (meer bepaald J. B. BV, de heer P. J. en de heer d. H.) het ontslag van appellant als bestuurder hebben aanvaard; Appellant merkt terecht op dat de voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding bestaat vanaf het ogenblik dat iemand in feite gezag kan hebben over andermans handelingen (Cass., 23 juni 1997, J.T.T., 1997, 335). Uit de door appellant voorgebrachte stukken blijkt: - dat appellant de door de N.V. J.-N. uit te voeren werken alsook de organisatorische aspecten ervan diende te laten goedkeuren door de heer P. J., directeur van J.-B. in Nederland (zie stukken 4, 6, 7 en 8 bundel appellant); - dat appellant geen autonome beslissingen kon nemen inzake personeels- en financieel beleid (zie stuk 8 appellant); - dat appellant niet autonoom kon beslissen over facturatie en creditering (stuk 3 bundel appellant). Uit al voormelde objectieve gegevens blijkt dat tussen appellant en de N.V. J.-N. wel degelijk een arbeidsovereenkomst voor bedienden werd gesloten en uitgevoerd. Door geïntimeerde worden geen feitelijke gegevens aangebracht die de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie werkelijk uitsluiten. Aangezien geïntimeerde faalt in de op hem rustende bewijslast heeft de eerste rechter ten onrechte de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau van 16 oktober 1997 bevestigd. Het hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 24 november
- Partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken in de openbare zitting van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 68.862), behoudens inzoverre de vordering van L. N. ontvankelijk werd verklaard en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld werd tot de gedingkosten. Opnieuw recht doende. Verklaart de initiële vordering van L. N. gegrond en vernietigt dienvolgens de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen van 16 oktober 1997 (met kenmerk 71222/and/1497/EV/CVO). Veroordeelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, in zoverre voldaan is aan alle andere toelaatbaarheidsen vergoedbaarheidsvoorwaarden, om aan de heer L. N. de achterstallige werkloosheidsuitkeringen te betalen vanaf 31 januari
- Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van L. N. op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave werd ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op tweeëntwintig december tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051222.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div