id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051222.9 Rolnummer: 2004-0099 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 259 - laatst gezien 2026-07-04 01:17 Fiches 1 - 2 In elke situatie waarin de werkloze de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau om zijn recht op uitkeringen te weigeren wegens arbeidsongeschiktheid in rechte betwist, is het logisch dat van hem verwacht mag worden dat hij in afwachting van de beslissing van de rechter hierover er zorg voor draagt dat hij voldoet aan de toekenningsvoorwaarden. Dit geldt zeker voor de verplichting om ingeschreven te blijven als werkzoekende en de werklozencontrole verder te blijven volgen, te meer omdat in de bestreden beslissing betrokkene er uitdrukkelijk op gewezen werd dat wanneer hij bezwaar zou aantekenen hij deze verplichtingen behield. Overmacht kan enkel voortvloeien uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen en die een volstrekte onmogelijkheid om zijn verplichtingen na te leven tot gevolg heeft. Onwetendheid kan niet als een verschoningsgrond voor de niet-naleving van een reglementering of wet worden aanvaard. Indien het voor de werkloze onduidelijk was wat zijn verplichtingen waren dan had hij zich daarover moeten laten informeren. Er kan echter geen sprake zijn van onduidelijkheid over zijn verplichtingen om in geval van bezwaar tegen een administratieve beslissing zijn rechten op werkloosheidsuitkeringen te behouden, wanneer in die beslissing zelf de werkloze duidelijk gewezen werd op zijn verplichtingen ter vrijwaring van dit recht. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - arbeidsgeschikheid - werklozencontrole - inschrijving als werkzoekende - vrijstelling - overmacht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 62 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - aangifte en controle werkloosheidsperiodes - werklozencontrole - inschrijving als werkzoekende - vrijstelling - overmacht. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 71,1elid,2° - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 48,8° - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Nota: Gerangschikt onder V AN - artikel 62 en onder V AN - artikel 71, 1ste lid, 2°. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.519-521) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040099 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. F. I., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: A. L., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. L. V. S., advocaat te 9200 Dendermonde. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 3 maart 2004, 23 september 2004, 13 januari 2005, 24 februari 2005, 9 juni 2005, 27 oktober 2005 en 10 november 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 15 januari 2004 (A.R. 359.219); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 9 februari 2004; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 14 juni 2004; - de aanvullende conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 25 mei 2005; - het schrijven van mr. F. I. van 7 juni 2005, met in bijlage een schrijven van de R.V.A. van 6 juni 2005, ontvangen op de griffie van dit hof op 9 juni 2005; - de tweede aanvullende conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 13 juni 2005; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 18 augustus 2005; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 10 november 2005, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 10 november
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen), de bundel van de raadsman van geïntimeerde bestaande uit 11 genummerde stukken, en de bundel van de raadsman van appellant bestaande uit 3 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 13 januari 2005 en 27 oktober
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 10 november 2005 en is de zaak, na repliektermijn van 10 dagen, in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 9 februari 2004, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werd uitgesproken op 15 januari 2004 (A.R. 359.219). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 19 januari
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging A. L. diende op 2 juli 1997, na een erkende periode van arbeidsongeschiktheid in het kader van de verplichte ziekte- en invaliditeits-verzekering, een aanvraag in tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen. Tevens diende A. L. op 22 juli 1997 een aanvraag in tot vrijstelling van de gemeentelijke controle vanaf 1 augustus 1997 wegens een gebrek dat elke verplaatsing bemoeilijkt (stuk 3 administratief dossier: formulier C 50). A. L. werd op 8 augustus 1997 medisch onderzocht door de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer die tot volgende vaststellingen kwam (stuk 2 administratief dossier: formulier C 35): - betrokkene heeft een blijvende arbeidsongeschiktheid van 33%; - betrokkene heeft geen gebrek waardoor hij zich moeilijk kan verplaatsen; - betrokkene is ongeschikt in de zin van de wetgeving inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (verlies van het verdienvermogen met minstens 66% als gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen). De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste vervolgens op 18 augustus 1997 - in toepassing van de artikelen 62, ,§1, 142 en 144 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - A. L. van het recht op werkloosheidsuitkeringen uit te sluiten vanaf 19 augustus 1997 (stuk 5 administratief dossier: C 29). Bij beslissing van 22 augustus 1997 van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen werd tevens de vrijstelling van de gemeentelijke stempelcontrole geweigerd op basis van volgende motivering: "Gelet op het medisch onderzoek, waar de erkende geneesheer heeft vastgesteld dat er geen reden tot vrijstelling is in toepassing van artikel 50, 4°. U werd wel op ziekenkas verwezen vanaf 19/8/97 daar u een arbeidsongeschiktheid heeft van meer dan 66%." A. L. stelde enkel tegen de administratieve beslissing van 18 augustus 1997 verhaal in bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen. A. L. heeft vervolgens een aanvraag ingediend bij de adviserend geneesheer van zijn mutualiteit tot erkenning van zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 19 augustus 1997 wegens chronische longaandoening; de adviserend geneesheer van de Landsbond der Christelijke Mutualiteit heeft bij beslissing van 25 augustus 1997 de arbeidsongeschiktheid van betrokkene niet erkend. A. L. stelde ook tegen deze beslissing van de mutualiteit verhaal in bij de arbeidsrechtbank te Antwerpen. Deze procedure werd bij arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 16 november 2001 definitief beslecht, in die zin dat geoordeeld werd dat betrokkene niet arbeidsongeschikt was op 17 augustus 1997 en evenmin nadien in de zin van artikel 100, ,§1 van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen van 14 juli 1994 (zie stuk 7 administratief dossier: arrest arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, uitgesproken door de vierde kamer op 16 november 2001). De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste op 14 december 2001 de beslissing van 18 augustus 1997 te herzien en de heer A. L. vanaf 19 augustus 1997 terug toe te laten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen. Gelet op deze herzieningsbeslissing werd door A. L. afstand van geding gedaan betreffende het verhaal dat door hem ingesteld was tegen de beslissing van 18 augustus 1997; van deze afstand werd akte genomen in het eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 20 juni 2002 (stuk 10 administratief dossier). A. L. wendde zich tot zijn uitbetalingsinstelling teneinde betaling te bekomen van de achterstallige werkloosheidsuitkeringen. Aan dit verzoek werd geen gunstig gevolg verleend omdat betrokkene niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden van artikel 71 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Er werd immers vastgesteld dat betrokkene sinds 19 augustus 1997 de werklozencontrole niet meer had gevolgd en dat hij sinds die datum ook geen inschrijving meer had als werkzoekende. A. L. diende op 8 april 2003 een aanvraag in om alsnog vrijstelling van stempelcontrole en van de inschrijving als werkzoekende te bekomen voor de periode van 19 augustus 1997 tot en met 18 december 2002 op grond van overmacht, dit alles in toepassing van de artikelen 48, 8° en 38, 1ste lid, 2° van het ministerieel besluit van 26 november
- Op 27 mei 2003 werd de aanvraag tot erkenning van overmacht door de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoor-ziening te Antwerpen geweigerd met volgende motivering: "Geen enkele reden om de overmacht te erkennen. Indien hij zijn rechten wenste te behouden dan had hij de stempelcontrole moeten volgen. Betrokkene heeft recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming. Indien hij recht zou gehad hebben op werkloosheid zou immers deze tegemoetkoming rechtstreeks afgetrokken worden van de inkomensvervangende tegemoetkoming." Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 22 juli 2003 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 23 juli 2003, tekende A. L. beroep aan tegen de administratieve beslissing van 27 mei
- Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 15 januari 2004 werd: - de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van de directeur van het werkloos-heidsbureau te Antwerpen van 27 mei 2003 vernietigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld tot betaling van de achterstallige werkloosheidsuitkeringen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van A. L. begroot op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding doch herleid tot 102,63 euro. De eerste rechter vernietigde de bestreden administratieve beslissing oordelend dat A. L. zich kon beroepen op onwetendheid en overmacht. De eerste rechter overwoog: - dat het voor betrokkene onduidelijk was hoe hij zijn rechten diende te vrijwaren; hij kon onmogelijk weten dat hij de stempelcontrole verder diende te volgen daar waar hem op 18 augustus 1997 het recht op werkloosheidsuitkeringen werd ontzegd en op 22 augustus 1997 de vrijstelling van stempelcontrole werd geweigerd; - dat betrokkene steeds de nodige proceduriële stappen gezet heeft om zijn rechten te vrijwaren; - dat betrokkene misleid werd door de tegenstrijdige medische beslissingen en tegenstrijdige beslissingen van L.C.M. en R.V.A.; - dat betrokkene retroactief toegelaten werd tot het recht op werkloosheids-uitkeringen zodat hij zijn toestand niet kon regulariseren. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 9 februari 2004, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te hervormen; - opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering als ongegrond af te wijzen en de administratieve beslissing te bevestigen; - over de kosten te oordelen als naar recht. A. L. (geïntimeerde) vordert in zijn aanvullende conclusies: - het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; - bijgevolg het vonnis a quo te bevestigen, meer bepaald te zeggen voor recht dat A. L. vrijgesteld is van stempelcontrole en inschrijving als werkzoekende voor de periode 19 augustus 1997 tot en met 18 december 2002; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot betaling van de werkloosheidsuitkeringen voor de periode 19 augustus 1997 tot en met heden; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van A. L. begroot op 214,18 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 285,57 euro rechtsplegings-vergoeding hoger beroep.
- Ten gronde Om werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze voldoen aan de toekenningsvoorwaarden zoals omschreven in hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering (hierna Werkloosheidsbesluit): - overeenkomstig artikel 71, 1ste lid, 2° van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze zich op de werklozencontrole in de gemeente van zijn hoofdverblijfplaats aanmelden; - overeenkomstig artikel 58, ,§1 van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven. Van voormelde toekenningsvoorwaarden kan slechts afgeweken worden in de door de werkloosheidsreglementering voorziene omstandigheden (zie artikelen 89 t/m 97 van het Werkloosheidsbesluit inzake vrijstelling van bepaalde toekenningsvoorwaarden, artikel 38 van het ministerieel besluit van 25 november 1991 wat de verplichting van inschrijving als werkzoekende betreft en artikel 47 t/m 52bis wat de verplichting om zich aan te melden ter gemeentelijke controle betreft). De aanvraag van geïntimeerde om vrijstelling te bekomen van de verplichting om zich aan te melden op de stempelcontrole en van de verplichting van inschrijving als werkzoekende voor de periode van 19 augustus 1997 tot en met 18 december 2002 was gesteund op de artikelen 48, 8° en 38, 1ste lid, 2° van het ministerieel besluit van 26 november
- Artikel 48, 8° van het ministerieel besluit van 26 november 1991 bepaalt dat de werkloze vrijgesteld is van aanmelding ter gemeentelijke controle wanneer hij zich aldaar niet kan aanbieden om een reden van overmacht die door de directeur wordt erkend. Artikel 38, 1ste lid, 2° van datzelfde ministerieel besluit bepaalt dat de werkloze die niet als werkzoekende is ingeschreven hoewel hij daartoe verplicht was uitkeringen kan genieten indien hij zich niet of niet tijdig ingeschreven had ten gevolge van een reden van overmacht die door de directeur werd erkend. Deze aanvraag werd door de directeur van het werkloosheidsbureau geweigerd met volgend tweeledig motief: - geïntimeerde had zijn recht op werkloosheiduitkeringen kunnen behouden door de stempelcontrole te volgen; de directeur oordeelde met andere woorden dat er in hoofde van geïntimeerde geen sprake was van een situatie van overmacht welke een vrijstelling van de verplichting om zich aan te melden ter gemeentelijke controle en om ingeschreven te blijven als werkzoekende rechtvaardigt; - geïntimeerde had recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming en indien hij recht zou gehad hebben op een werkloosheidsuitkering zou deze tegemoetkoming rechtstreeks afgetrokken worden van de inkomensver-vangende tegemoetkoming. Vooreerst dient opgemerkt dat enkel het eerste argument als geldig en ter zake dienend kan weerhouden worden; het feit dat geïntimeerde eventueel geen recht meer heeft op een inkomensvervangende tegemoetkoming wanneer hij een werkloosheiduitkering ontvangt, speelt immers bij de beoordeling van het recht op werkloosheidsuitkeringen niet mee omdat de inkomensvervangende vergoeding duidelijk van residuaire aard is. In zijn beroepsakte benadrukt appellant: - dat geïntimeerde niet de nodige stappen heeft gezet om zijn recht op werkloosheidsuitkeringen te vrijwaren, met name het volgen van de stempelcontrole; - dat overmacht inhoudt dat het voor geïntimeerde absoluut niet mogelijk was omwille van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil om de stempelcontrole te volgen; - dat geïntimeerde reeds bij administratieve beslissing van 18 augustus 1997 op de hoogte werd gesteld dat hij om zijn rechten te vrijwaren de stempelcontrole diende te volgen. Geïntimeerde laat in zijn beroepsconclusies, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 14 juni 2004, gelden: - dat het ter beschikking zijn van de arbeidsmarkt geenszins als een absolute voorwaarde voor de toekenning van het recht op werkloosheidsuitkeringen kan beschouwd worden; hij verwijst daarvoor naar artikel 62, ,§1, 2 van het Werkloosheidsbesluit; - dat de overmacht dient erkend te worden omdat de situatie waarin hij verkeerde volledig buiten zijn wil is ontstaan zonder dat hij ook maar de minste fout heeft gemaakt. Met betrekking tot de verwijzing naar artikel 62, ,§1, 2 van het Werkloosheidsbesluit merkt het openbaar ministerie terecht op: "Voornoemd artikel 62 voorziet in feite twee situaties. Enerzijds deze waarin de beslissing van de directeur van het werkloosheidbureau om het recht op uitkeringen te weigeren omwille van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene in rechte wordt betwist door de werkloze terwijl hij van zijn verzekeringsinstelling inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering wel een uitkering ontvangt (met andere woorden wanneer de mutualiteit deze arbeidsongeschiktheid en de beslissing daaromtrent van de directeur van het werkloosheidsbureau wel heeft erkend - situatie besproken in artikel 62, ,§1) en, anderzijds, deze waarin de beslissing in het kader van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering om betrokkene niet langer te erkennen als arbeidsongeschikt wordt betwist door deze laatste, terwijl hij in afwachting daarvan voorlopig werkloosheidsuitkeringen kan ontvangen op grond van een wettelijk vermoeden van geschiktheid zolang de bevoegde rechtsmacht er niet anders over heeft beslist (situatie besproken in artikel 62, ,§2) In casu is het echter zo dat de bevoegde instantie om te oordelen over het recht op werkloosheidsuitkeringen en deze bevoegd om te oordelen over het recht op ziekte-uitkeringen het oneens zijn over de arbeidsgeschiktheid van geïntimeerde en dat deze laatste verhaal heeft ingesteld voor de bevoegde rechtsmacht tegen zowel de beslissing van de directeur van het werkloosheidbureau waarbij hij arbeidsongeschikt wordt verklaard, als tegen de beslissing van de mutualiteit waarbij hij als arbeidsgeschikt wordt beschouwd. Dit heeft immers tot gevolg dat geïntimeerde noch werkloosheids-uitkeringen, noch ziekte-uitkeringen ontving, situatie welke niet behandeld wordt in artikel 62 van het Werkloosheidbesluit. Bijgevolg mist de verwijzing naar artikel 62, ,§1 om voor te houden dat de voorwaarde om ingeschreven te blijven als werkzoekende en zich ter gemeentelijke controle aan te melden niet absoluut is, in de situatie welke zich in onderhavige zaak voordoet, alle relevantie. Uitsluitend in de situatie welke beoogd wordt in artikel 62, ,§2 zou voorgehouden kunnen worden dat het vrij contradictoir is voor te houden dat de gerechtigde die de beslissing om hem als arbeidsgeschikt te verklaren in het kader van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering in rechte betwist en derhalve zelf van oordeel is dat hij niet in staat is om te werken verplicht zou zijn om zich als werkzoekende in te schrijven. Evenwel in elke situatie waarin de werkloze de beslissing van de directeur van het werkloosheidbureau om zijn recht op uitkeringen te weigeren wegens arbeidsongeschiktheid in rechte betwist, is het logisch dat van hem verwacht mag worden dat hij in afwachting van de beslissing van de rechter hierover er zorg voor draagt dat hij voldoet aan de toekenningsvoorwaarden. In dit geval neemt de werkloze immers het standpunt in dat hij wel degelijk in staat is om te werken, zodat niets hem belet om als werkzoekende ingeschreven te blijven en de werklozencontrole verder te volgen. Trouwens geïntimeerde werd er destijds ook op gewezen dat indien hij zou beslissen verhaal in te stellen tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau hij de verplichting behield ingeschreven te blijven als werkzoekende en de werklozencontrole verder te blijven volgen ten einde zijn recht op uitkeringen te vrijwaren." Het arbeidshof is het volkomen eens met de visie van het openbaar ministerie en maakt zich deze overwegingen uitdrukkelijk eigen. Rest de vraag of geïntimeerde zich op overmacht kan beroepen om de vrijstelling van werklozencontrole en inschrijving als werkzoekende te bekomen. Overeenkomstig de vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie kan overmacht enkel voortvloeien uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen en die een volstrekte onmogelijkheid om zijn verplichtingen na te komen tot gevolg heeft. De werkloze kan zich niet beroepen op overmacht, wanneer vastgesteld wordt dat het naleven van een op hem rustende verplichting niet volstrekt onmogelijk is (Cass. 16 maart 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 149, p. 320 t/m 323; Cass. 29 november 1999, Arr. Cass. 1999, nr. 636, p. 1517 t/m 1520 en R.W. 2000-01, 1067; Cass. 22 november 2004, A.R. nr. S040077N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041122.9), www.juridat.be). Rekening houdende met de hoger geciteerde cassatierechtspraak betekent dit dat geïntimeerde moet aantonen dat in zijnen hoofde een omstandigheid bestond welke het hem onmogelijk maakte zijn verplichtingen als werkloze tot behoud van zijn recht op werkloosheidsuitkeringen na te komen. Volgens geïntimeerde volgt de omstandigheid welke overmacht uitmaakt uit de opeenvolgende administratieve beslissingen van enerzijds de directeur van het werkloosheidbureau betreffende het recht op uitkeringen en het verzoek tot het bekomen van vrijstelling van stempelcontrole en van anderzijds de adviserend geneesheer van de mutualiteit betreffende het recht op ziekte-uitkeringen. Geïntimeerde was aldus genoodzaakt zowel tegen de beslissing waarbij hij arbeidsongeschikt werd bevonden, als tegen deze waarbij hij arbeidsgeschikt werd bevonden verhaal in te stellen voor de bevoegde rechtbank en was daardoor volledig in het ongewisse over wat hij nu moest doen om zijn rechten op beide uitkeringen te vrijwaren. Volgens vaststaande rechtspraak kan evenwel onwetendheid onmogelijk als verschoningsgrond voor de niet-naleving van een reglementering of wet in het algemeen worden aanvaard, zoniet zou de naleving van een rechtsregel niet kunnen afgedwongen worden (in dezelfde zin Arbh. Antwerpen, 25 november 2003, A.R. 2030059, in de zaak D.R. / L.C.M. en R.I.Z.I.V., www.juridat.be). Geïntimeerde beschikte minstens over de mogelijkheid om zich ten gepaste tijde door zijn uitbetalingsinstelling te laten informeren over zijn verplichtingen als werkloze om zijn recht op uitkeringen te vrijwaren voor de duur van de procedure voor de arbeidsrechter. In huidig geschil kan geïntimeerde zelfs niet voorhouden dat hij onwetend was of in verwarring zou gebracht zijn door de houding van de directeur van het werkloosheidsbureau, nu vaststaat dat in de bijlage bij de administratieve beslissing van 18 augustus 1997 het volgende vermeld werd: "Indien u beroep aantekent, moet u, om uw eventueel recht op werkloosheids- of wachtuitkeringen te vrijwaren, als werkzoekende ingeschreven blijven en u verder aanmelden op de stempelcontrole". Aldus was geïntimeerde zeer goed geïnformeerd door appellant over de op hem rustende verplichtingen om zijn recht op werkloosheidsuitkeringen te behouden. Geïntimeerde kan evenmin voorhouden terug in verwarring te zijn gebracht door de daaropvolgende beslissing van 22 augustus 1997, omdat daarin werd medegedeeld dat er volgens het advies van de door appellant gelaste geneesheer geen redenen tot vrijstelling in toepassing van artikel 50, 4° van het Werkloosheidsbesluit bestonden en daarnaast ook nog verwezen werd naar de eerder genomen beslissing om hem wegens arbeidsongeschiktheid naar de ziekenkas te verwijzen. Deze beslissing kon geen afbreuk doen aan de hoger vernoemde informatie over de verplichtingen voor de werkloze om zijn rechten in het kader van de werkloosheidsreglementering te vrijwaren. De eerste rechter heeft bijgevolg ten onrechte aanvaard dat het in de gegeven omstandigheden volstrekt onduidelijk was voor geïntimeerde hoe hij zijn rechten diende te vrijwaren en dat dit in zijnen hoofde de overmacht uitmaakte welke vereist is voor de vrijstelling zoals bedoeld in de artikelen 48, 8° en 38, 1ste lid, 2° van het ministerieel besluit van 26 november
- Geïntimeerde voldeed aldus niet aan de toekenningsvoorwaarden vereist om recht te hebben op de werkloosheidsuitkeringen in de periode van 19 augustus 1997 tot en met 18 december 2002 en evenmin aan de toelaatbaarheidsvoor-waarden om aanspraak te kunnen maken op de uitkeringen voor de periode vanaf 19 december
- Het hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 10 november
- Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond. Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 15 januari 2004 in de openbare zitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 359.219) behoudens wat de ontvankelijkheid van de vordering en de kosten van het geding betreft. Opnieuw recht doende. Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond en bevestigt de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen van 27 mei
- Verwijst appellant, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerde op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van appellant worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op tweeëntwintig december tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20051222.9 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041122.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div