id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060118.11 Rolnummer: 2005-0184 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-07-03 19:20 Fiches 1 - 2 Het voordeel van het privégebruik van de firmawagen kan vanaf 01 januari 1997 bij toepassing van het K.B. van 20 december 1996 niet meer in aanmerking komen voor de berekening van het dubbel vakantiegeld en het vakantiegeld einde dienst uitgesloten uit het loonbegrip voor de sociale zekerheid. Het dubbel vakantiegeld becijferd op dit voordeel kan evenmin in aanmerking komen voor het vaststellen van de opzeggingstermijn en de overeenstemmende opzeggingsvergoeding in geval van ontslag vanaf 01 januari
- De werkgeversbijdragen in de groepsverzekering werden slechts uitgesloten van het loonbegrip voor de sociale zekerheid bij K.B. van 27 april
- Voor de jaren voor 2004 moet zowel het dubbel vakantiegeld als het vakantiegeld einde dienst worden betaald op deze bijdrage en in geval van ontslag voor 2004 maakt dit dubbel vakantiegeld eveneens deel uit van de loonbasis voor de vaststelling van de opzeggingstermijn en de overeenstemmende opzeggingsvergoeding. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - algemene regeling - jaarlijkse vakantie - bedienden - vakantiegeld - basisloon - privégebruik firmawagen - werkgeversbijdrage in de groepsverzekering Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 14 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 19, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Nota: VII A - Gerangschikt onder VII A - artikel 14 en onder VII G - artikel
- Vrije woorden: Sociale zekerheid voor werknemers - jaarlijkse vakantie - bedienden - vakantiegeld - basisloon - privégebruik firmawagen - werkgeversbijdrage in de groepsverzekering Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Nota: VII G - Gerangschikt onder VII A - artikel 14 en onder VII G - artikel
- Annotaties Publicaties: SRK 2007 - - nr. 3 - blz. 152-154 Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2050184 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN ZES NV D. B., appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mrs. N. DAEM en Th. BIENSTMAN, advocaten te Brussel, tegen : P. D., geïntimeerde, incidenteel appellant vertegenwoordigd door mr. W. VAN ROEYEN, advocaat te Sint-Denijs-Westrem. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 7 december
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 18 april 2005, 9 november 2005 en 7 december
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 22 december 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan het bewijs van betekening niet wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 28 februari 2005; * het incidenteel beroep van geïntimeerde, ingesteld bij conclusie van 18 april 2005; * de beschikking d.d. 14 juni 2005 overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 8 maart 2004, vorderde de heer D. de veroordeling van de NV D. B., hierna de NV genoemd, tot betaling van: - 33.737,15 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding - 8.924,17 EUR achterstallig commissieloon - 684,19 EUR achterstallig dubbel vakantiegeld op commissieloon - 456,32 EUR achterstallig vertrekvakantiegeld op commissieloon - 991,57 EUR achterstallige eindejaarspremie - 38,02 EUR achterstallig vakantiegeld op eindejaarspremie 2003 - 1.000,00 EUR provisioneel achterstallig vakantiegeld op het privé-gebruik van de bedrijfswagen, gsm en telefoon en de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering alle bruto bedragen te vermeerderen met de gekapitaliseerde (wettelijke) intrest vanaf het verschuldigd zijn en met de gerechtelijke gekapitaliseerde intrest op bruto bedragen tot de dag van de effectieve betaling. Tevens werd de afgifte gevorderd binnen de 30 dagen na het te vellen vonnis van een formulier C4, een loonfiche, een individuele rekening, vakantieattesten en een fiche 281.10, onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 EUR per dag en per document vertraging. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 3 augustus 2004 breidde de heer D. zijn vordering uit in die zin dat hij, met toepassing van artikel 877 Ger. W., de neerlegging door de NV vorderde van een overzicht van de voor hem betaalde werkgeversbijdragen in de groepsverzekering vanaf het begin van de tewerkstelling tot het einde, onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging. Bij bestreden vonnis van 22 december 2004 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De NV werd veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen, met uitzondering van de opzeggingsvergoeding, waar slechts een bedrag van 26.867,35 EUR werd toegekend, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen in zoverre verschuldigd en te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de respectieve data van opeisbaarheid en de gerechtelijke intrest op het netto opeisbare gedeelte. De eerste rechters zegden tevens voor recht dat de verschuldigde intrest op het netto equivalent van de verschuldigde bruto bedragen wordt gekapitaliseerd en dat de aldus gekapitaliseerde intrest opnieuw bij de hoofdsom wordt gevoegd en opnieuw intrest afwerpt. De NV werd eveneens veroordeeld tot afgifte van de gevorderde documenten. Alvorens verder recht te spreken over de vordering in betaling van achterstallig vakantiegeld op het privé-gebruik van de firmawagen, gsm en telefoon en werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, bevalen de eerste rechters, met toepassing van artikel 877 Ger. W., de neerlegging door de NV van alle stukken, die toelaten de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering voor de volledige tewerkstellingsperiode vast te stellen. Tegelijkertijd werd ambtshalve de heropening der debatten bevolen om partijen toe te laten te concluderen met betrekking tot de inhoud van deze stukken en hun belang voor het resterende gedeelte van de vordering. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de NV strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer D. ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Bij conclusie van 18 april 2005 vordert de heer D. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, akte te nemen van zijn incidenteel beroep en voor het overige het bestreden vonnis te bevestigen; derhalve de NV te veroordelen tot betaling van: - 33.737,15 EUR opzeggingsvergoeding - 8.924,17 EUR achterstallig commissieloon - 684,19 EUR achterstallig dubbel vakantiegeld op commissieloon - 456,32 EUR achterstallig vertrekvakantiegeld op commissieloon - 991,57 EUR achterstallige eindejaarspremie - 38,02 EUR achterstallig vakantiegeld op eindejaarspremie 2003 - 1.000,00 EUR provisioneel achterstallig vakantiegeld op het privé-gebruik van de bedrijfswagen, gsm en telefoon en de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering. Met toepassing van artikel 877 Ger. W. wordt de neerlegging gevorderd binnen de 30 dagen na het te vellen arrest van de documenten m.b.t. de door de NV voor de heer D. betaalde werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging. Tevens wordt de afgifte gevorderd binnen de 30 dagen na het te vellen arrest van een formulier C4, een loonfiche, een individuele rekening, vakantieattesten en een fiche 281.10, onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 EUR per dag en per document vertraging. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- De feiten De heer D. is in dienst getreden van de NV op 8 februari 1999 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als "managing consultant". Artikel 2 van de op 24 november 1998 gesloten arbeidsovereenkomst luidt als volgt: "De maandelijkse bezoldiging van de werknemer is vastgesteld op 115.000 BEF bruto per maand... Naast de bruto maandwedde zal aan de werknemer vanaf de eerste maand van zijn tewerkstelling een vast voorschot op zijn commissie worden betaald t.b.v. 10.000 BEF per maand. De commissie bedraagt 5 % op de door de werknemer gerealiseerde netto omzet op jaarbasis. De reeds betaalde voorschotten zullen in mindering worden gebracht van de totale commissie welke wordt afgerekend op het einde van elk kwartaal (1e kwartaal: Jan/Feb/Ma; 2e kwartaal: Apr/Mei/Juni; 3e kwartaal: Juli/Aug/Sept; 4e kwartaal: Okt/Nov/Dec). Tevens zal aan de werknemer een éénmalige groepsbonus van 60.000 BEF op jaarbasis worden toegekend bij het 100 % behalen van de door de werkgever vastgestelde groepsobjectieven. Het maandelijks salaris en commissievoorschot zal uitbetaald worden op de laatste werkdag van de maand. De werknemer verklaart expliciet te aanvaarden dat zijn bezoldiging betaald wordt per bankrekening." Artikel 6 van diezelfde overeenkomst luidt als volgt: "De werknemer ontvangt een forfaitaire onkostenvergoeding van 350 BEF per gepresteerde dag. Bovendien worden aan de werknemer specifieke kosten, gemaakt naar aanleiding van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst terugbetaald, in zoverre de werkgever hieromtrent voorafgaand en schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven." Eveneens op 24 november 1998 ondertekenden partijen een addendum aan hun arbeidsovereenkomst waarvan de inhoud luidt als volgt: "Werkgever en werknemer zijn de volgende specifieke afspraken, betreffende de aanstelling of de arbeidsovereenkomst, overeengekomen: * Bedrijfswagen: Type Passat TDI * Tankkaart (incl. voor privé-gebruik) * Persoonlijke telefoonrekening 75 % terugbetaald * GSM * Variabel uurrooster (...)" Op 27 januari 2000 verklaarde de heer D. zich akkoord met een door de NV opgestelde afrekening van de hem toekomende commissielonen en bonus. Eveneens op 27 januari 2000 verklaarde de heer D. zich akkoord met een gewijzigde bezoldigingsregeling voor het jaar
- In deze regeling werd het te behalen groepsobjectief vastgesteld op 36 miljoen BEF, waarvan 11 miljoen te behalen door de heer D.. Verder werd overeengekomen dat een commissie van 3% zou worden betaald op de gerealiseerde omzet tot 8 miljoen, 6% op de gerealiseerde omzet van 8 tot 10 miljoen en 7 % op de gerealiseerde omzet boven 10 miljoen. Ten slotte werd overeengekomen dat het vaste bruto maandloon zou worden verhoogd tot 135.000 BEF en dat zoals voorheen 10.000 BEF per maand als voorschot op commissieloon zou worden betaald. Op 11 januari 2001 maakte de NV een gewijzigde bezoldigingsregeling over aan de heer D. voor het jaar
- De heer D. weigerde dit voorstel voor akkoord te ondertekenen. Een door hem geformuleerd tegenvoorstel werd niet aanvaard door de NV. De NV formuleerde op 15 februari 2001 een ander voorstel. Ook dit voorstel werd door de heer D. niet voor akkoord getekend. Sedert januari 2001 betaalde de NV aan de heer D. een vaste maandwedde van 150.000 BEF en een bonus van 10.000 BEF per geplaatste kandidaat. Er werden hem sedertdien geen jaarlijkse bonussen meer betaald. Met een aangetekende brief van 23 september 2003 betekende de NV een opzeggingstermijn aan de heer D. van 3 maanden, ingaand op 1 oktober
- Tijdens deze opzeggingstermijn werd de heer D. vrijgesteld van prestaties. Met een aangetekende brief van 20 januari 2004 stelde de raadsman van de heer D. de NV in gebreke om de bedragen te betalen die het voorwerp uitmaken van deze procedure.
- De beoordeling 2.
- Artn. 740 en 747 Ger.W. Deze zaak werd op verzoek van de heer D. conform artikel 747, §2 Ger.W. bij beschikking van 14 juni 2005 vastgesteld voor pleidooien op 9 november
- In diezelfde beschikking werd bepaald dat partijen hun conclusies dienden neer te leggen uiterlijk op: " conclusie van appellante op 12 augustus 2005 conclusie van geïntimeerde op 7 oktober 2005". De NV heeft geen conclusies neergelegd binnen de haar toegestane termijn. Ter zitting van 9 november 2005 werd de zaak op verzoek van partijen verdaagd naar 7 december
- De heer D. heeft zich bij die gelegenheid noch expliciet, noch impliciet bereid verklaard om aan de NV nog een bijkomende termijn te verlenen voor het neerleggen van een conclusie, noch met het neerleggen van nieuwe niet eerder overgelegde stukken. Ter zitting van 7 december 2005 werd door de NV een bundel met stukken neergelegd, genummerd van 1 tot en met
- Het staat niet ter discussie dat de stukken genummerd van 2 tot en met 18 reeds werden overgelegd tijdens de procedure in eerste aanleg en dat deze stukken bijgevolg in aanmerking mogen worden genomen bij de beoordeling van deze zaak. Als stuk 1 legde de NV een zogeheten "begeleidende nota" neer die een bijzonder uitvoerige beschrijving geeft van de feitelijke en juridische argumentatie die zij in deze zaak wil laten gelden. Deze nota moet hoe dan ook, conform het verzoek van de heer D., uit de debatten worden geweerd en dit los van de vraag of zij als een conclusie dan wel als een stuk moet worden gekwalificeerd. Immers, ingevolge artikel 747, §2 in fine Ger.W. moeten de conclusies die door de NV werden overgelegd na het verstrijken van de haar verleende termijn uit de debatten worden geweerd, terwijl bij toepassing van artikel 740 Ger.W. alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overgelegd eveneens uit de debatten worden geweerd. Samenlezing van deze bepalingen leidt noodzakelijk tot het besluit dat een partij, die niet heeft geconcludeerd binnen de haar toegestane termijn, uiteraard ook niet kan worden toegelaten om haar middelen te laten gelden middels een na het verstrijken van die termijn overgelegde en neergelegde nota. Het hof zal bij de beoordeling van deze zaak dan ook geen rekening houden met bedoelde nota. 2.
- Achterstallige commissies en hierop becijferd vakantiegeld en eindejaarspremies De heer D. vordert betaling van 10.000 BEF commissieloon per maand voor de jaren 2001, 2002 en
- Hij verwijst daarbij naar de toekenning van een vast voorschot op commissie a rato van 10.000 BEF per maand, zoals overeengekomen in de initiële arbeidsovereenkomst en doet gelden dat hij nooit heeft ingestemd met de eenzijdige wijziging van deze commissieloonregeling door de NV vanaf
- Het hof kan dit standpunt om tal van redenen niet bijtreden. Vooreerst moet worden vastgesteld dat het in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst bedongen voorschot niet kan gekwalificeerd worden als een verworven vast loon, het betrof een voorschot op commissieloon dat diende verrekend te worden met het op basis van de gerealiseerde omzet verschuldigde commissieloon. Uit de neergelegde afrekening m.b.t. het jaar 1999 blijkt ten andere dat partijen deze bepaling ook in die zin hebben toegepast. Bovendien is het hof samen met de NV van oordeel dat het dossier voldoende elementen bevat om te besluiten dat de heer D. heeft ingestemd met de globale bezoldigingsregeling, zoals die sedert 2001 werd toegepast, inzonderheid een vaste maandwedde van 150.000 BEF verhoogd met een premie van 10.000 BEF per geplaatste kandidaat. Het staat immers niet ter discussie dat dit systeem ononderbroken werd toegepast gedurende 3 jaar, zonder enig protest noch voorbehoud langs de zijde van de heer D.. Het kan de heer D. uiteraard niet ontgaan zijn dat een nieuwe, van de initiële arbeidsovereenkomst afwijkende regeling werd toegepast gelet op de afgeleverde loondocumenten en de corresponderende betalingen. Bovendien blijkt uit de door de NV neergelegde stukken dat in het kader van de nieuwe regeling documenten werden opgesteld en overgemaakt getiteld "maandelijkse verrekening van bonus per geplaatste kandidaat" waarin voor de betrokken maand in detail de geplaatste kandida(t)en werden vermeld evenals het bedrag van de voor de plaatsing verschuldigde bonus. Zijn stilzwijgen kan derhalve niet het gevolg zijn van onwetendheid. Dat het stilzwijgen van de heer D. zou zijn ingegeven uit angst om ontslagen te worden, blijkt niet, dit werd ook niet ingeroepen. Bovendien is er de vaststelling dat de heer D. kennelijk niet bevreesd was om te weigeren de door de NV geformuleerde voorstellen voor akkoord te tekenen, wat het bijzonder onaannemelijk maakt dat hij niet zou hebben durven protesteren tegen de effectief doorgevoerde wijziging in de hypothese dat hij hiermee niet akkoord ging. De afwezigheid van enig protest tegen deze regeling gedurende 3 jaar moet in de gegeven omstandigheden dan ook worden aanvaard als bewijs van de aanvaarding van de toegepaste regeling. Het is dan ook slechts ten overvloede dat het hof wenst op te merken dat de heer D. hoe dan ook geen aanspraak kan maken op enige loonachterstal, nu hij tijdens de jaren 2001, 2002 en 2003 meer loon heeft ontvangen dan het loon waarop hij overeenkomstig artikel 2 van de arbeidsovereenkomst en gelet op de niet betwiste cijfergegevens verstrekt door de NV m.b.t. de gerealiseerde omzet, recht had. De heer D. verliest immers uit het oog dat in de initiële arbeidsovereenkomst slechts een vaste maandwedde van 115.000 BEF werd bedongen, die samen met het overeengekomen commissieloon en de bonus deel uitmaakt van één globale bezoldigingsregeling. Wanneer de heer D. voorhoudt dat bij ontstentenis van een overeengekomen afwijkende regeling voor de jaren 2001, 2002 en 2003 opnieuw de initiële bezoldigingsregeling gold, dan gold deze regeling in globo en kan hij daaruit niet één element in zijn voordeel behouden en dat element cumuleren met de gunstiger loonvoorwaarden uit het voorstel van de NV. Niets in het dossier laat overigens toe te besluiten dat de NV op enig ogenblik heeft ingestemd met een globale loonregeling bestaande uit een vaste maandwedde van 150.000 BEF, een premie van 10.000 BEF per geplaatste kandidaat, een vast commissieloon van 10.000 BEF per maand en een bonus. Het hoger beroep is bijgevolg wat dit punt betreft gegrond. 2.
- Opzeggingsvergoeding Het staat niet ter discussie dat het jaarloon van de heer D. op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging meer bedroeg dan de in artikel 82, §2 Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde jaarloongrens. Gelet op het ontbreken van een akkoord desbetreffend tussen partijen is het bijgevolg, overeenkomstig het bepaalde in artikel 82, §3 Arbeidsovereenkomstenwet, de rechter die de normaal in acht te nemen opzeggingstermijn moet vaststellen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de voor de heer D. op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden gelet op zijn anciënniteit, zijn leeftijd (° 14 november 1968), zijn functie en zijn jaarsalaris volgens de gegevens eigen aan de zaak. Wat het in aanmerking te nemen jaarsalaris betreft bestaat tussen partijen betwisting over tal van loonelementen, die hierna telkens afzonderlijk worden behandeld. Vast maandloon Uit de neergelegde loondocumenten blijkt dat sedert april 2003 een vast maandloon werd betaald van 3.989,50 EUR. Veranderlijk loon Om de redenen uiteengezet sub 2.
- en overeenkomstig het bepaalde in artikel 131 Arbeidsovereenkomstenwet kan enkel rekening worden gehouden met de premies per geplaatste kandidaat die door de heer D. werden verdiend in de 12 maanden voorafgaand aan de opzegging. Volgens de niet tegengesproken becijfering van de NV verdiende de heer D. in die periode 991,56 EUR aan premies. Vakantiegeld op veranderlijk loon Overeenkomstig het bepaalde in artikel 39 Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie, zoals aangevuld bij koninklijk besluit van 28 april 1999, is enkel en dubbel vakantiegeld verschuldigd op de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van de betaling van deze premies. De door de NV betaalde premies per door de heer D. geplaatste kandidaat zijn ontegensprekelijk veranderlijke premies in de zin van voornoemd artikel
- Privé-gebruik firmawagen Uit het addendum bij de arbeidsovereenkomst blijkt ontegensprekelijk dat aan de heer D. een firmawagen werd ter beschikking gesteld die hij voor privé-doeleinden mocht gebruiken. De individuele loonfiches bevestigen ten andere het bestaan van een dergelijk voordeel in natura. Het hof stelt vast dat de waardering van dit voordeel, zoals bevestigd door de eerste rechters, als zodanig nooit werd betwist zodat een bedrag van 400,00 EUR per maand in aanmerking kan worden genomen. Dubbel vakantiegeld op privé-gebruik firmawagen Artikel 38bis van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie, ingevoerd bij koninklijk besluit van 18 februari 2003, bepaalt dat voor de toepassing van deze afdeling, het deel van de bezoldiging dat niet als basis dient voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld. Blijkens het verslag aan de Koning beoogt het koninklijk besluit van 18 februari 2003 een verduidelijking aan te brengen aan de bestaande onzekere reglementering inzake de berekeningsbasis voor het vakantiegeld van de bedienden, teneinde de rechtszekerheid te herstellen. Deze bepaling is een interpretatieve rechtsregel. Overeenkomstig het beginsel neergelegd in artikel 7 Ger. W. zijn de rechters gehouden zich naar de interpretatieve rechtsregels te gedragen in alle zaken waarin het rechtspunt niet definitief is berecht op het tijdstip waarop die regel bindend wordt. Het koninklijk besluit van 18 februari 2003 is in het Belgisch Staatsblad verschenen op 6 maart 2003 en is in werking getreden op 16 maart
- Uit artikel 38bis van voormeld uitvoeringsbesluit volgt dat loonvoordelen die niet aan socialezekerheidsbijdragen zijn onderworpen, niet in aanmerking komen voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden. Behoudens deze verduidelijking bepaalt artikel 38bis echter niet welk loonbegrip geldt voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden. Bij gebrek aan andersluidende omschrijving moet het algemeen arbeidsrechtelijk loonbegrip in aanmerking worden genomen. Hieruit volgt dat met de term "brutowedde" in de artikelen 38, 2°, en 46, van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie is bedoeld: elk voordeel toegekend door de werkgever als tegenprestatie voor de arbeid verricht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, behoudens indien dit voordeel niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen. (vgl. Cass. 26 september 2005, S040163N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.3, http://www.cass.be, op datum) Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, zoals aangevuld bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 december 1996, werd het voordeel van het privé-gebruik van een firmawagen vanaf 1 januari 1997 uitgesloten uit het loonbegrip voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen. Bijgevolg dient sedert 1 januari 1997 ook geen dubbel vakantiegeld te worden betaald op het voordeel verbonden aan het privé-gebruik van een firmawagen. Het is dan ook ten onrechte dat de heer D. de opname van dit vakantiegeld in het basisjaarloon vordert. Privé-gebruik gsm en telefoon Uit voornoemd addendum blijkt weliswaar dat aan de heer D. een gsm werd ter beschikking gesteld, doch wat niet blijkt is dat de heer D. dit toestel voor privé-doeleinden mocht gebruiken en ook heeft gebruikt. A fortiori reikt de heer D. geen enkel element aan op basis waarvan de omvang van dit privé-gebruik kan worden bepaald, zodat het al evenzeer onmogelijk is de kostprijs van dit voordeel te ramen. Uit voornoemd addendum blijkt ten slotte dat de NV 75% van de kosten van de persoonlijke telefoonrekening van de heer D. terugbetaalde. Niets laat evenwel toe te besluiten dat de heer D. met zijn persoonlijke telefoon geen professionele gesprekken heeft gevoerd, a fortiori niet dat de tussenkomst van de NV in de telefoonkosten meer bedroeg dan de kostprijs van deze professionele gesprekken. In die omstandigheden kan niet worden besloten dat in dit kader een (loon)voordeel aan de heer D. werd toegekend. De loondocumenten bevatten geen vermeldingen die toelaten te besluiten tot het tegendeel. Op basis van deze documenten kan enkel worden besloten dat maandelijks (fictief) een bedrag van 119,63 EUR werd bijgevoegd bij het bruto loon als voordeel verbonden aan het privé-gebruik van de firmawagen, met het oog op het verrichten van de wettelijk voorgeschreven inhoudingen, waarna ditzelfde bedrag in de rubriek "voordelen in natura" opnieuw in mindering werd gebracht van het verschuldigde netto bedrag. Jaarlijkse bonus Tussen partijen werd nooit een onvoorwaardelijk recht op betaling van een jaarlijkse bonus van 60.000 BEF overeengekomen. Reeds in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst werd bepaald dat de toekenning van een dergelijke bonus afhankelijk was van het behalen van de door de werkgever bepaalde groepsobjectieven. De NV houdt voor dat de groepsobjectieven die door haar werden bepaald voor de jaren 2001, 2002 en 2003 niet werden bereikt, zodat geen bonus aan de heer D. werd betaald en ook niet moest worden betaald. Het hof kan slechts vaststellen dat deze argumentatie door de heer D. op geen enkel ogenblik werd ontmoet en dat hij alleszins niet bewijst dat hij voor deze jaren recht had op een dergelijke bonus. In die omstandigheden kan de gevorderde opname van een bonus in het basisjaarloon niet worden toegestaan. Gelet op het voorgaande en de niet betwiste loonelementen bedraagt het basisjaarloon dat in aanmerking moet worden genomen 63.078,93 EUR, als volgt samengesteld: 47.874,00 EUR vaste maandwedde x 12 3.989,50 EUR eindejaarspremie 3.670,34 EUR dubbel vakantiegeld op vaste maandwedde 991,56 EUR variabel loon 152,10 EUR enkel en dubbel vakantiegeld op variabel loon 1.487,40 EUR werkgeversbijdrage in groepsverzekering 114,03 EUR dubbel vakantiegeld op werkgeversbijdrage in groepsverzekering 4.800,00 EUR voordeel privé-gebruik firmawagen. Mits de juiste waarde toe te kennen aan bovenstaande parameters diende de NV een opzeggingstermijn van 8 maanden in acht te nemen zodat de heer D. recht heeft op betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding overeenstemmend met 5 maanden loon en voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, hetzij 26.282,88 EUR. Het hoger beroep is in die mate gegrond, het incidenteel beroep ongegrond. 2.
- Achterstallig vakantiegeld op voordelen in natura en werkgeversbijdragen in de groepsverzekering Om de redenen uiteengezet sub 2.
- was geen vakantiegeld verschuldigd op het voordeel verbonden aan het privé-gebruik van de firmawagen en uiteraard ook niet op het niet bewezen voordeel verbonden aan het privé-gebruik van gsm en terugbetaling van telefoonkosten. Daarentegen was wél vakantiegeld verschuldigd op de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering. Het is immers slechts bij koninklijk besluit van 27 april 2004 tot wijziging van artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 dat de door de werkgever in uitvoering van een reglement dat deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst betaalde premies voor een groepsverzekering werden uitgesloten uit het loonbegrip voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen. Tot de inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit maakten deze bijdragen wel degelijk deel uit van de bruto wedde in de zin van artikel 38, 2° Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie. (vgl. Cass. 26 september 2005, S040163N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.3, http://www.cass.be, op datum) Het is dan ook terecht dat de heer D. aanspraak maakt op betaling van dubbel vakantiegeld op de tijdens de tewerkstelling betaalde werkgeversbijdragen. Gelet op het ontbreken van gegevens m.b.t. de bedragen van de door de NV betaalde bijdragen kan provisioneel een bedrag van 1.000,00 EUR worden toegekend en dient de door de eerste rechters bevolen onderzoeksmaatregel te worden bevestigd. Het hof wenst er in dit verband op te wijzen dat de eerste rechters zich er niet toe beperkt hebben de debatten te heropenen, maar dat zij op verzoek van de heer D. en bij toepassing van artikel 877 Ger.W. de neerlegging van bepaalde stukken ter griffie hebben bevolen. Dit is wel degelijk een onderzoeksmaatregel in de zin van artikel 1068, tweede lid Ger.W. zodat de zaak wat dit punt betreft voor verdere behandeling moet worden teruggezonden naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen. (vgl. Cass. 12 april 1991, Arr. Cass., 1991-92, 827) Het hoger beroep is in die mate gegrond. 2.
- Dwangsom De noodzaak om over documenten te beschikken teneinde zijn vordering in betaling van achterstallig vakantiegeld exact te kunnen begroten kan bezwaarlijk worden ingeroepen als motief om ook de afgifte van de gevorderde en door de eerste rechters toegekende sociale en fiscale documenten te bevelen onder verbeurte van een dwangsom. Dat tot op heden geen gevolg werd gegeven aan het bij toepassing van artikel 877 Ger.W. door de eerste rechters gegeven bevel om bepaalde stukken ter griffie neer te leggen kan bezwaarlijk als argument worden ingeroepen ter ondersteuning van de eis om de neerlegging onder verbeurte van een dwangsom te bevelen, gelet op het hoger beroep van de NV. Het incidenteel beroep is bijgevolg ook wat dit punt betreft niet gegrond. 2.
- Intresten en kapitalisatie Het hof stelt vast dat m.b.t. deze onderdelen van de door de eerste rechters toegewezen vordering door geen van partijen grieven werden ontwikkeld. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 december 2004 in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaarde, de NV veroordeelde tot afgifte van sociale en fiscale documenten en bij toepassing van artikel 877 Ger.W. de overlegging van stukken beval alvorens uitspraak te doen over de vordering in betaling van achterstallig vakantiegeld op werkgeversbijdragen in de groepsverzekering. Vernietigt het bestreden vonnis voor het overige en hervormend, Verklaart de vordering in betaling van achterstallig commissieloon en hierop becijferd vakantiegeld en eindejaarspremies ongegrond. Verklaart de vordering in betaling van vakantiegeld becijferd op het privé-gebruik van firmawagen, gsm en telefoon ongegrond. Veroordeelt de NV tot betaling van: 26.282,88 EUR (zesentwintigduizend tweehonderd tweeëntachtig euro achtentachtig cent) opzeggingsvergoeding 1.000,00 EUR (duizend euro nul cent) provisioneel achterstallig vakantiegeld op werkgeversbijdragen in de groepsverzekering bedragen te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover verschuldigd, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de respectieve data van opeisbaarheid en de gerechtelijke intrest. Zegt voor recht dat de verschuldigde intrest op het netto equivalent van de verschuldigde bruto bedragen wordt gekapitaliseerd en dat de aldus gekapitaliseerde intrest bij de hoofdsom wordt gevoegd en opnieuw intrest afwerpt. Verwijst de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid Ger.W. naar de arbeidsrechtbank te Antwerpen voor verdere afhandeling. Legt de kosten van het hoger beroep voor 3/4de ten laste van de NV en voor 1/4de ten laste van de heer D.. Vereffent deze aan de zijde van de NV op nihil. Vereffent deze aan de zijde van de heer D. op 285,57 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van achttien januari tweeduizend en zes, waar aanwezig waren : mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer F. LAMBERT, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer F. LINGIER, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060118.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050926.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.