← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060119.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060119.3 Rolnummer: 2000-0337 Rechtsgebied: Familierecht - Sociale-zekerheidsrecht - Internationaal publiekrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-07-01 04:07 Fiches 1 - 3 Uit de voorgelegde stukken volgt dat dient aangenomen dat de rechten van verdediging van mevrouw B.L. niet werden gerespecteerd bij de totstandkoming van de beslissing van verstoting in Marokko. Artikel 570, tweede lid, 2° Ger. W. werd geschonden zodat appellant ingevolge niet-erkenning van de buitenlandse echtscheiding in België niet als uit de echt gescheiden van mevrouw B.L. kan beschouwd worden. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door feitelijke scheiding BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door feitelijke scheiding - Feitelijke scheiding Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Feitelijke scheiding - verstoting Marokkaans recht - erkenning in België als echtscheidingsvonnis. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 570,L2,2° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Overlevingspensioen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Betaling van uitkeringen - scheiding van tafel en bed of feitelijke scheiding - verstoting Marokkaans recht - erkenning in België als echtscheidingsvonnis. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 31,2°,3° - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - 66en74 - 01 ELI link Pub nr 1967122103 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Bilaterale verdragen Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . BILATERALE VERDRAGEN Feitelijke scheiding - verstoting Marokkaans recht - erkenning in België als echtscheidingsvonnis. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 24-06-1968 - 24 - 01 Link Justel databank 19680624-01 Fiches 4 - 6 De artikelen 66 en 74 van het K.B. van 21/12/1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers blijven onveranderd van toepassing met deze opmerking dat betreffende artikelen alleen verband houden met het eerste huwelijk met mevrouw B.L. en niet met het tweede huwelijk met mevrouw B., gezien geen pensioenrechten kunnen worden toegekend aan appellant met betrekking tot het tweede huwelijk. Artikel 147 B.W. is duidelijk : aan een volgend huwelijk kunnen slechts rechtsgevolgen worden toegekend na ontbinding van het vorige. Mevrouw B.L. is niet overleden en de ontbinding van haar huwelijk ingevolge echtscheiding in Marokko (verstoting) kan niet als rechtsgeldig erkend worden binnen de Belgische rechtsorde. Zodoende kan aan mevrouw B.L. geen pensioen als 'uit de echt gescheiden echtgenote' worden toegekend, juist omdat zij nog als gehuwd moeten worden beschouwd. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door feitelijke scheiding BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door feitelijke scheiding - Feitelijke scheiding BURGERLIJK RECHT - PERSONEN - Algemeen (personen) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK Feitelijke scheiding - verstoting Marokkaans recht - huwelijk alvorens eerste huwelijk ontbonden werd - gevolg voor het recht op pensioen van de tweede echtgenote. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 147 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Overlevingspensioen Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOEN Betaling van uitkeringen - scheiding van tafel en bed of feitelijke scheiding - verstoting Marokkaans recht - huwelijk alvorens eerste huwelijk ontbonden werd - Gevolg voor het recht op pensioen van de tweede echtgenote. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-10-1967 - 31,2°,3° - 01 ELI link Pub nr 1967102410 Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - 66en74 - 01 ELI link Pub nr 1967122103 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Bilaterale verdragen Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . BILATERALE VERDRAGEN Feitelijke scheiding - verstoting Marokkaans recht - huwelijk alvorens eerste huwelijk ontbonden werd - gevolg voor het recht op pensioen van de tweede echtgenote. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 24-06-1968 - 24 - 01 Link Justel databank 19680624-01 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 570, 2de lid, 2°, onder VII E - artikel 31, 1° en 3°, onder IX A - artikel 24 en onder I B - artikel 147 (twee verschillende korte inhouden). Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2006(00950,P.265-269) SRK - S. Steylemans - 2007 - nr. 8 - blz. 472-476 JTT - - 2006 - nr. 950 - blz. 265-269 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2000337 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: A.-O. A., wonende te H. appellant, verschijnend bij mr. B. COOLS, advocaat te 3920 LOMMEL. tegen: R.V. P., met zetel te B. geïntimeerde, verschijnend bij mr. I. HAECK loco mr. P. COX, advocaat te 3600 GENK. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 12 juli 2000 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 13 juli 2000 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 12 september 2000; - de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 5 september 2005 en de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde respectievelijk ontvangen ter griffie op 30 januari 2004 en 21 september 2005. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 15 december 2005. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging Appellant huwde in Marokko op 7 augustus 1963 met mevrouw F. B. L. en op 7 november 1972 met mevrouw Z. B. Hij woont sedert 24 februari 1964 in België. Mevrouw F. B. L. is steeds in Marokko gebleven, terwijl mevrouw Z. B. appellant kwam vervoegen in België vanaf 16 januari 1975. Op 5 april 1994 scheidde appellant in Marokko volgens het aldaar geldende recht van zijn eerste echtgenote B. L. bij wijze van "verstoting" van deze echtgenote zoals blijkt uit de door hem voorgelegde 'acte de divorce révocable" van dezelfde datum. Op 16 december 1996 diende appellant een pensioenaanvraag in bij geïntimeerde. De rubriek "vorige echtgeno(o)t(e)" werd niet ingevuld, noch de rubrieken "indien de echtgenoten feitelijk gescheiden zijn - indien de echtgenoten van tafel en bed gescheiden zijn - indien de echtgenoten uit de echt gescheiden zijn". Bij administratieve beslissing d.d. 30 april 1997 besliste geïntimeerde om aan appellant een gezinspensioen toe te kennen ten bedrage van 17.668,68 EUR of 712.753 BEF per jaar, alsmede een supplement van 305,68 EUR of 12.331 BEF per jaar en een verwarmingstoelage ten bedrage van 577,12 EUR of 23.281 BEF per jaar, dit alles vanaf 1 september 1997. Op 20 september 1997 ontving geïntimeerde een aanvraag van mevrouw B. L. waarin zij zich voorstelde als de feitelijk gescheiden echtgenote van appellant. Ingevolge deze aanvraag van mevrouw B. L. werd de betaling van de helft van het gezinspensioen van appellant ten bewarende titel geschorst vanaf augustus 1998. Op 3 november 1998 ging appellant over tot dagvaarding in kortgeding van geïntimeerde. Bij beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Hasselt, zetelend in kortgeding, d.d. 25 november 1998 werd gezegd voor recht dat "de administratieve beslissing van verweerster waarbij aan eiser een gezinspensioen wordt toegekend dient uitgevoerd te worden tot aan het definitief worden van de beslissing van toekenning van het feitelijk gescheidenenpensioen aan mevrouw B. L. of het vonnis/arrest dat over een beroep tegen die beslissing uitspraak zal doen, onder voorbehoud dat eiser aan de andere voorwaarden tot het bekomen van het rustpensioen blijft voldoen." Daarbij werd geïntimeerde veroordeeld "tot betaling aan eiser van het volledige rustpensioen vanaf 1 augustus 1998, onder aftrek van de reeds hiertoe betaalde bedragen, tot aan het definitief worden van de beslissing van toekenning van het feitelijk gescheidenenpensioen aan mevrouw B. L. of het vonnis/arrest dat over een beroep tegen die beslissing uitspraak zal doen, onder voorbehoud dat eiser aan de voorwaarden tot het bekomen van het rustpensioen blijft voldoen." Tegen deze beslissing tekende geïntimeerde hoger beroep aan, procedure welke nog steeds hangende is bij het arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt. Op 28 december 1998 nam geïntimeerde een herzieningsbeslissing waarbij aan appellant een rustpensioen als alleenstaande werd toegekend ten belope van 14.134,94 EUR of 570.202 BEF per jaar, een supplement van 240,08 EUR of 9.685 BEF per jaar en een verwarmingstoelage ten belope van 577,12 EUR of 23.281 BEF per jaar, dit alles vanaf 1 september 1997. Op 26 maart 1999 nam appellant verhaal tegen voormelde beslissing van geïntimeerde. Bij vonnis van 12 juli 2000 gewezen door de arbeidsrechtbank te Hasselt werd de vordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de administratieve beslissing van geïntimeerde d.d. 28 december 1998 bevestigd. Met verzoekschrift d.d. 12 september 2000 neergelegd ter griffie van het hof stelt appellant hoger beroep in tegen voormeld vonnis. II. In Rechte A. Ten aanzien van de erkenning van de verstoting als echtscheidingsvonnis in België: 1. Appellant betoogt dat hem het gezinspensioen moet toegekend worden omdat hij wettelijk gescheiden is van zijn eerste echtgenote B. L. en hij samenwoont met zijn tweede echtgenote B. Hij verwijst voor wat de echtscheiding betreft naar de "acte de divorce révocable" d.d. 5 april 1994; het betreft een volgens Marokkaans recht geldige echtscheiding op grond van verstoting. 2. Het hof merkt op dat de door een buitenlandse rechtbank regelmatig gewezen vonnissen betreffende de staat van personen in de regel uitwerking hebben in België zonder dat daartoe een uitvoerbaarverklaring is vereist. Zij worden echter in België enkel geacht regelmatig te zijn gewezen als zij voldoen aan de in art. 570 Ger.W. vermelde voorwaarden. (Cass. 29 maart 1973, Arr. Cass., 1973, 763; R.C.J.B., 1975, 539, noot; R.W., 1973-74, 29; zie tevens VAN HOUTTE, H., De openbare orde als beletsel voor de erkenning of tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen, R.W., 1973, 738). Een echtscheiding voltrokken in het buitenland, zoals in casu de verstoting door appellant van zijn eerste echtgenote B. L. in Marokko blijkens de door hem voorgelegde "acte de divorce révocable" opgemaakt d.d. 5 april 1994, dient aan een aantal essentiële kwaliteitsvereisten te voldoen dewelke zijn ingeschreven in art. 570 Ger.W. m.a.w. geconfronteerd met een buitenlandse beslissing moet worden nagegaan of alle voorwaarden van artikel 570 Ger.W. werden nageleefd. Het artikel 570 Ger.W. bepaalt het volgende: "De rechtbank van eerste aanleg doet uitspraak, ongeacht de waarde van het geschil over de vordering tot uitvoerbaarverklaring van de beslissingen in burgerlijke zaken gewezen door buitenlandse rechters; Tenzij er reden bestaat tot toepassing van een verdrag tussen België en het land waar de beslissing is gewezen, onderzoekt de rechter, behalve het geschil zelf: 1. of de beslissing niets inhoudt dat in strijd is met de beginselen van openbare orde of met de regels van het Belgisch publiek recht; 2. of de rechten van de verdediging geëerbiedigd werden; 3. of de vreemde rechter niet enkel wegens de nationaliteit van de eiser bevoegd is; 4. of de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan overeenkomstig de wet van het land waar zij gewezen is; 5. of de overgelegde uitgifte van de beslissing volgens dezelfde wet voldoet aan de voorwaarden gesteld voor haar authenticiteit." Tot op vandaag bestaat er omtrent de verstoting geen werkzaam verdrag tussen Marokko en België zodat art. 570 Ger.W. onverkort van toepassing blijft voor wat huidige betwisting betreft. 3. In casu is het relevant te onderzoeken of aan de eerste twee voorwaarden voldaan werd m.a.w. dient nagegaan of de ontbinding van het huwelijk bij wijze van verstoting al dan niet verenigbaar is met de Belgische openbare orde en of bij de totstandkoming van deze beslissing de rechten van de verdediging niet werden geschonden.

  1. a)Is er in huidige zaak schending van art. 570, tweede lid, 1° Ger.W.? Het hof is van mening dat dit het geval is. Immers, alhoewel het Marokkaans wetboek betreffende het persoonlijk statuut en de erfrechten (Mudawwanah) in 1993 een hervorming onderging blijft de verstoting als een exclusief recht van de man voortbestaan. Er werden nl. alleen op het vlak van de procedure enkele formele wijzigingen aangebracht m.n. kan voortaan de verstotingsakte nog slechts door één of meerdere adouls worden opgemaakt die ressorteren onder de bevoegdheid van de rechter van het arrondissement waarin de echtelijke woning zich bevindt. De echtgenote moet worden opgeroepen. Weigert ze te verschijnen, dan kan de man de verstoting toch doorgang laten vinden. Voortaan moet de rechter toestemming geven voor de verstoting. Alvorens de rechter deze toestemming geeft moet hij een verzoeningspoging ondernemen en verslag uitbrengen. Welnu de mogelijkheid voor de man om het huwelijk te ontbinden door een eenzijdige beslissing dient in casu als strijdig met de Belgische internationaal privaatrechtelijke openbare orde bestempeld. Appellant en mevrouw B. L. zijn nl. van Marokkaanse nationaliteit en zijn gehuwd in Marokko in 1963. Appellant woont reeds sinds 1964 in België, daar waar de eerste echtgenote in Marokko is gebleven. Hij woonde al sinds 1975 in België met zijn tweede echtgenote, daar waar hij de eerste echtgenote pas verstoten heeft in 1994 - na meer dan 30 jaar huwelijk met mevrouw B. L. en na meer dan 20 jaar huwelijk met mevrouw B. Gedurende 22 jaar had appellant twee echtgenotes. Na dan eveneens 30 jaar in België te hebben gewoond (sinds 1964) kan nog moeilijk voorgehouden worden dat de verstoting geen enkele binding had met België. Verder hadden op het ogenblik van de verstoting niet beide echtgenoten hun domicilie in Marokko. Om professionele redenen (mijnwerker in Limburg) heeft appellant zich hoofdzakelijk in België gevestigd, met name van 3 juni 1965 tot 1 juli 1987 en van 4 mei 1990 tot op heden, namelijk te Houthalen. (cfr. Getuigschrift van woonst (met historiek), voorgelegd door geïntimeerde). Dit duidt op de wil van appellant om een duurzame band met België te scheppen zodat de verstoting - zeker na meer dan 30 jaar huwelijk - een discriminatie inhoudt ten aanzien van de verstoten vrouw. Uit geen enkel stuk blijkt tenslotte de instemming van mevrouw B. L. met de verstoting. De vergelijking met een in België uitgesproken verstekvonnis, zoals appellant doet, gaat niet op. De verwerende partij (of de vertegenwoordiger) verschijnt in deze procedure weliswaar ook niet ter zitting, maar die zitting wordt wel voorafgegaan door een regelmatige oproeping. Evenmin kan de vergelijking met de procedure naar Belgisch recht inzake de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding gemaakt worden. In voorliggende zaak verzet de Belgische internationale openbare orde er zich tegen dat aan de verstoting de gevolgen van een echtscheiding worden verbonden wat de beoordeling van de pensioenrechten van appellant betreft, gezien de vereiste van gelijke behandeling qua rechten en plichten ten opzichte van de echtgenoten (principe van openbare orde) niet werd nageleefd. (zie ook hieromtrent J. ERAUW over codificatie internationaal privaatrecht in "De Juristenkrant" van 10 maart 2004, nr. 85, p. 8 en 9). Ten onrechte stelt appellant dat in de redenering van geïntimeerde zijn huwelijk met mevrouw B. L. eveneens in strijd is met de openbare orde, nu mevrouw B. L. werd uitgehuwelijkt tegen betaling van een bruidsschat, zonder enige wilsvrijheid. Immers bij de beoordeling van een in het buitenland gesloten huwelijk zal de openbare orde van het forum niet ingrijpen. (G. VAN HECKE en K. LENAERTS, Internationaal Privaatrecht, Story-Scientia, 1989, nr. 459, p. 220). Artikel 570 Ger.W. is hier nl. niet van toepassing, nu dit artikel enkel voorwaarden oplegt voor de "uitvoerbaarverklaring van de beslissingen in burgerlijke zaken, gewezen door buitenlandse rechters". In verband met de geldigheid van het huwelijk geldt voor wat betreft de grondvereisten (o.m. i.v.m. de toestemming) enkel de nationale wet van de huwenden, in casu de Marokkaanse en voor wat betreft de vormvereisten geldt artikel 170 B.W. Volgens de Marokkaanse wet zijn de grondvereisten i.v.m. het huwelijk van aanlegger met mevrouw B. L. vervuld. Wat de vorm betreft is artikel 170 B.W., alhoewel het dit niet uitdrukkelijk voorziet, ook van toepassing op huwelijken in het buitenland tussen vreemdelingen. (zie G. VAN HECKE en K. LENAERTS, o.c., nr. 470, p. 224). Artikel 170 B.W. bepaalt als voorwaarde voor het huwelijk dat het voltrokken is "met inachtneming van de in dat land gebruikelijke vormen". Hier stelt zich dus geen probleem. Het huwelijk van appellant met mevrouw B. L. is dus perfect geldig.
  2. b)Het hof is verder van oordeel dat er tevens schending is van het artikel 570, tweede lid, 2° van het Gerechtelijk Wetboek. Appellant die beweert uit de echtgescheiden te zijn van mevrouw B. L., welke zelf geen partij is in huidig geding, dient aan te tonen dat bij de gevolgde procedure van verstoting de rechten van verdediging van mevrouw B. L. werden gerespecteerd m.n. dient appellant het bewijs bij te brengen van haar oproeping tot het geding, haar eventueel akkoord, het bewijs dat zij effectief gehoord werd (bv. tijdens een verzoeningspoging en/of op het ogenblik van de verstoting zelf) en het bewijs van haar aanwezigheid op het ogenblik van de verstoting. Welnu door appellant wordt niet bewezen dat mevrouw B. L. - die niet aanwezig bleek op het ogenblik van de verstoting, noch vertegenwoordigd (zie de 'divorce révocable') - een geldige oproeping tot het geding ontvangen heeft. Bovendien, zo er al een tijdige en regelmatige oproeping gebeurde, moet de vrouw ook gehoord zijn en dat "horen" moet enig effect kunnen krijgen en niet puur formalistisch zijn. (zie ERAUW J., Verstoting - echtscheiding is moeilijk erkenbaar, R.W., 1995 - 96, 1333). Er wordt ook geen verslag van de verzoeningsprocedure voorgelegd, laat staan dat vaststaat dat tijdens een eventuele verzoeningsprocedure de vrouw effectief gehoord werd m.a.w. dat ze zich dus heeft kunnen verweren of dat ze eventueel haar toestemming heeft kunnen verlenen. Het betekenen van de verstotingakte is dan zelfs helemaal niet meer relevant omdat de verstoten vrouw op dat ogenblik gewoon voor een voldongen feit wordt geplaatst. Nu appellant niet bewijst dat mevrouw B. L. tijdig en regelmatig werd opgeroepen tot de echtscheiding/ verstotingprocedure én dat zij niet zomaar pro forma werd gehoord, dient het tegendeel te worden aangenomen. Het Hof van Cassatie oordeelde op 11 december 1995 dat gezien de vrouw niet werd opgeroepen in het kader van een tegen haar ingestelde vordering tot verstoting, de rechten van verdediging zodanig geschonden waren dat de buitenlandse beslissing niet erkend mocht worden. (Arr. Cass., 1995, 1101, inzake RVP/E., A.R. Nr. S.95.0014.F.). Berusting door de verstotene, hetwelk zou blijken uit het aanvaarden van de troostgift, en/of uit het aangaan van een nieuw huwelijk kunnen deze schending van de rechten van de verdediging niet ongedaan maken. (Arbeidshof te Antwerpen - Afdeling Hasselt - van 28 januari 2000, zaak gekend onder A.R. 970052). Uit geen enkel stuk blijkt ook haar eventueel akkoord met de scheiding. Trouwens, berusting door de verstotene, hetwelk zou blijken uit de instemming met de verstoting achteraf, wettigt niet op wettelijke wijze dat de rechten der verdediging gerespecteerd werden. (Cass. 29 september 2003, zaak O.N.P. c./EL BASTRIOUI - S.O1.0134.F/1). Het door appellant aangehaalde arrest uitgesproken door dit hof op 27 november 1992 inzake A.R. 186/91, S.M. t/ L.F. en N.P.M. (Limburgs Rechtsleven 1993, p. 103) is dus achterhaald door het arrest van dit hof d.d. 28 januari 2000 inzake K./RVP, A.R. 970052 en bovendien irrelevant gezien het door appellant aangehaalde arrest een zaak betrof aangespannen tegen het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers hetwelk een van huidige geïntimeerde onafhankelijke openbare instelling is die beiden op grond van eigen specifieke wetgeving administratieve beslissingen nemen t.o.v. hun gerechtigden. De berusting van het Nationale Pensioenfonds voor Mijnwerkers in het arrest van 27 november 1992 kan derhalve niet tegengeworpen worden aan geïntimeerde. De door mevrouw B. L. ingediende verzoekschriften van respectievelijk 26 september 1993 en 9 november 1994 blijken enkel tot doel te hebben gehad om bij vonnis betaling te bekomen vanwege appellant van achterstallige onderhoudsgelden vanaf 1 augustus 1991 - wat een periode betreft waar zij naar Marokkaans recht nog gehuwd was met appellant en zodoende voorafgaand aan de verstoting. Overigens het stellen van vorderingen tot het bekomen van onderhoudsgelden op basis van een niet erkenbare verstoting kan alsnog geen aanleiding geven tot erkenning gelet op de schending van de "procesrechterlijke"openbare orde door de miskenning van de rechten van de verdediging. (ERAUW, J., Verstoting - echtscheiding is moeilijk erkenbaar, R.W., 1995 - 96, 1334). Verkeerdelijk stelt appellant dan ook dat mevrouw B. L. tijdens de verstotingprocedure alle rechtsmiddelen heeft kunnen uitputten. Nergens blijkt dat er een debat ten gronde gevoerd werd waarin mevrouw B. L. haar rechten heeft kunnen doen gelden. Er dient dus besloten dat er geen waardig verweer plaatshad omdat de verwerende partij, met name de verstoten vrouw, niet tijdig en regelmatig op de hoogte is gehouden van de procedure zodat zij zich niet kon verweren tegen de tegen haar ingestelde vordering. Het door appellant bijgebrachte stuk 21, "témoignage" bewijst niet dat mevrouw B. L. alle rechtsmiddelen heeft kunnen uitputten en dat de rechten van de verdediging gerespecteerd werden. Het geeft alleen de gevolgen aan van de verstoting voor de partijen en niet de procedure in zijn totaliteit. Ten onrechte stelt appellant dat mevrouw B. L. alle rechtsmiddelen heeft kunnen uitputten en dat de rechten van de verdediging gerespecteerd werden omdat het echtscheidingsvonnis aan mevrouw B. L. betekend is geworden en omdat mevrouw B. L. beroep zou hebben aangetekend tegen genoemd echtscheidingsvonnis van 5 april 1994 en dat het beroep zou zijn afgewezen. Dit kan uit het dossier en uit de voorgelegde stukken niet worden afgeleid. Appellant haalt blijkbaar verschillende rechtszaken door elkaar. Onder de stavingstukken voorgelegd door appellant kan alleen een hoger beroep ingesteld door mevrouw B. L. tegen een vonnis van 26 januari 1995 gewezen door de 'Tribunal de Première Instance de Inezgane' én de afwijzing van dát beroep - wegens laattijdigheid - door de 'Cour d'Appel d'Agadir' op 27 december 1996 teruggevonden worden. Genoemd hoger beroep is niet ingesteld tegen de titel van echtscheiding (in casu verstoting). Immers, de verstoting dateert van 5 april 1994. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat dient aangenomen dat de rechten van de verdediging van mevrouw B. L. niet werden gerespecteerd bij de totstandkoming van de beslissing van verstoting in Marokko; art. 570, tweede lid, 2° Ger.W. werd geschonden zodat appellant ingevolge niet-erkenning van de buitenlandse echtscheiding in België niet als uit de echtgescheiden van mevrouw B. L. kan beschouwd worden. B. Ten aanzien van de ingangsdatum van de nieuwe beslissing: 1. Appellant meent dat de bestreden beslissing d.d. 28 december 1998 zou moeten ingaan vanaf 1 oktober 1997 zijnde de eerste dag van de maand volgend op de aanvraag om pensioen als feitelijk gescheiden echtgenote d.d. 10 september 1997 (ontvangst RVP d.d. 20 september 1997). 2. Het hof is het hiermee niet eens. Door geïntimeerde werd vastgesteld dat aan de administratieve beslissing d.d. 24 april 1997, betekend d.d. 30 april 1997 - waarbij aan appellant een gezinspensioen werd toegekend - een onregelmatigheid kleefde. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 21 bis, ,§ 1, eerste lid van het K.B. van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers treft de Rijksdienst voor pensioenen een nieuwe beslissing en herstelt de onregelmatigheid of materiële vergissing telkens vastgesteld wordt dat aan een administratieve beslissing een onregelmatigheid of vergissing kleeft. De nieuwe beslissing heeft dan uitwerking op de ingangsdatum van de eerste administratieve beslissing. Overeenkomstig het tweede lid van hetzelfde artikel 21 bis, ,§ 1, heeft de nieuwe beslissing waarbij het recht op uitkering kleiner is dan het recht dat eerst werd toegekend uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving als de vergissing aan de administratie te wijten is. In casu is de vergissing geenszins te wijten aan de administratie doch aan het niet vermelden door appellant van het eerste huwelijk met en de verstoting van mevrouw B. L. Het invullen van het aanvraagformulier is voor alle pensioenaanvragers identiek. Op het aanvraagformulier wordt expliciet de vraag gesteld naar een vorige echtgeno(o)t(
  3. e)of wordt om inlichtingen verzocht nopens een mogelijke scheiding of echtscheiding. Deze vraag werd niet beantwoord door appellant omdat hij deze irrelevant vond. Maar door de aanvraag te ondertekenen heeft hij wel expliciet op zijn eer verklaard dat de gegeven antwoorden oprecht en volledig zijn. Het komt overigens niet toe aan appellant om te oordelen of een bepaalde vraag al of niet relevant is. Vanuit deze optiek dient gesteld dat appellant op het ogenblik van zijn pensioenaanvraag de meldingsplicht niet heeft nageleefd en gegevens heeft achtergehouden. Mogelijke aanvullingen achteraf door eventueel de gemachtigde ambtenaren der gemeentebesturen of die der R.V.P. zijn ter vervollediging van het dossier ten einde uiteindelijk een toekenningsbeslissing op juiste basis te kunnen nemen en hebben niets te maken met valsheid in geschriften. Immers ingewonnen inlichtingen via Rijksregister of Kruispuntbank betreffen gegevens in verband met de burgerlijke stand van een betrokkene die door geïntimeerde voor correct worden aangenomen. Dit blijkt ook gebeurd ten aanzien van het pensioendossier van appellant. In casu ligt appellant door geen melding te maken van zijn eerste huwelijk zodoende in de eerste plaats zelf aan de basis van de beslissing d.d. 24 april 1997, betekend d.d. 30 april 1997 en de beslissing tot herziening d.d. 28 december 1999. Zodoende werd aan appellant een pensioen als alleenstaande toegekend met ingangsdatum 1 september 1997. Appellant bewijst ook niet dat zijn voor de Belgische rechtsorde nog steeds wettige echtgenote, mevrouw B. L., elke beroepsarbeid (behalve deze door de Koning toegestaan) heeft stopgezet, noch dat zij niet in het genot is van één der vergoedingen of uitkeringen beoogd in artikel 25 van het K.B. nr. 50, noch dat zij niet in het genot is van een rust- of overlevingspensioen. De echtelieden (appellant en mevrouw B. L.) worden nog als gehuwd beschouwd ingevolge de niet-erkenning van de verstoting binnen de Belgische rechtsorde als echtscheiding en dit overeenkomstig artikel 570 van het Gerechtelijk Wetboek. Tenslotte is niet voldaan aan de uitbetalingsvoorwaarden van het gezinspensioen, gelet op de toestand van feitelijke scheiding, gezien de echtgenote, mevrouw B. L., niet op hetzelfde adres woont als appellant. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 66, tweede lid van het reeds eerder vermeld K.B. van 21 december 1967 wordt de assignatie opgemaakt op naam van beide echtgenoten wanneer de betaling termijnen omvat van een rustpensioen dat berekend werd op basis van 75 t.h. van de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen (zgn. gezinspensioen) en wanneer de gerechtigde en zijn echtgenoot dezelfde hoofdverblijfplaats hebben. De storting van het pensioen op een bankrekening doet geen afbreuk aan de voormelde principes. Artikel 74, ,§ 1, 4°, a), van het K.B. van 21 december 1967 bepaalt dat de feitelijke scheiding van de echtgenoten de toestand is die ontstaat wanneer de echtgenoten onderscheiden hoofdverblijfplaatsen hebben vastgesteld aan de hand van de inschrijving in de bevolkingsregisters. Artikel 74, ,§ 11 bepaalt verder dat gedurende de periode tijdens welke de gescheiden echtgenoot geen recht heeft op een gedeelte van het rustpensioen van zijn echtgenoot aan deze laatste een uitkering wordt uitbetaald die gelijk is aan het bedrag van het pensioen als alleenstaande dat hem zou kunnen worden toegekend. C. Ten aanzien van de pensioenrechten voor mevrouw B.: 1. Appellant voert aan dat hij gerechtigd is op het gezinsrustpensioen alleen al doordat hij gehuwd is met mevrouw B. Of hij al dan niet gescheiden is van mevrouw B. L. is volgens hem irrelevant. De Belgische pensioenwetgeving voorziet geen uitzonderingsregime m.b.t. een in het buitenland wettig ontstane toestand van bigamie. De wetgever had dit volgens appellant moeten regelen. Verder argumenteert appellant dat de niet-erkenning van het tweede huwelijk als grondslag voor het bekomen van pensioenrechten als gehuwde in strijd is met de internationale verdragen en de Grondwet; appellant verzoekt het hof een prejudiciële vraag te stellen als volgt: "Bestaat er ongelijkheid tussen de behandeling van een persoon die tweemaal geldig gehuwd is in de toekenning van het gezinspensioen, doordat het gezinspensioen wordt toegekend aan die persoon die samenwoont met zijn eerste echtgenote en niet aan degene die er niet mee samenwoont, terwijl de betrokkenen in beide gevallen toch samenwonen met hun tweede echtgenote en is er een geldige reden voor deze discriminatie? Bestaat er ongelijkheid tussen de behandeling van een persoon die met twee vrouwen gehuwd is en een andere die met één vrouw gehuwd is, doordat het gezinspensioen enkel wordt toegekend aan die persoon die met al zijn echtgenotes samenwoont en bestaat er een redelijke grondslag voor deze discriminatie?" 2.
  4. a)Het hof merkt vooreerst op dat huidige zaak een procedure betreft waarin alleen de pensioenrechten van appellant worden betwist. Indien appellant nooit gehuwd was geweest met mevrouw B. L. en enkel met mevrouw B., met wie hij momenteel samenwoont, dan zou hij inderdaad recht hebben gehad op een gezinspensioen. Dit is in casu niet het geval. Verder indien appellant geopteerd had voor een andere vorm van ontbinding van het huwelijk dan de eenzijdige verstoting m.b.t. zijn eerste huwelijk, dewelke niet in strijd was met de Belgische internationaal - privaatrechterlijke openbare orde en waarbij de rechten van verdediging niet werden geschonden, dan zou appellant - ingevolge de erkenning van zijn scheiding - wel recht hebben gehad op een gezinspensioen. Doch dit is hier ook niet het geval. Geen rechten kunnen worden toegekend aan de tweede echtgenote, mevrouw B., gezien de conventie tussen België en Marokko inzake sociale zekerheid, ondertekend te Rabat op 24 juni 1968 en goedgekeurd bij wet van 20 juli 1970, niets voorziet ten aanzien van de andere echtgenotes dan de voor de Belgische rechtsorde wettige echtgenote van een in leven zijnde gepensioneerde echtgenoot, zoals in casu appellant. Ook de Belgische pensioenwetgeving voorziet geen uitzonderingsregeling met betrekking tot een in het buitenland volledig wettig ontstane toestand van bigamie. Geïntimeerde kan dan ook niets anders dan hetgeen wettelijk voorgeschreven is toe te passen. De administratieve beslissing van 24 december 1998, betekend op 28 december 1998, is volledig conform de afgesloten verdragen en Belgische wetten genomen zodat elke bewering van onwettelijkheid verkeerd is. De artikelen 66 en 74 van het K.B. van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers blijven onveranderd van toepassing met deze opmerking dat betreffende artikelen alleen verband houden met het eerste huwelijk met mevrouw B. L. en niet met het tweede huwelijk met mevrouw B., gezien geen pensioenrechten kunnen worden toegekend aan appellant m.b.t. het tweede huwelijk. Artikel 147 van het Burgerlijk Wetboek is duidelijk: aan een volgend huwelijk kunnen slechts rechtsgevolgen worden toegekend na ontbinding van het vorige. Het eerste huwelijk van appellant kan "niet" als "ontbonden" worden beschouwd: appellant is nog als gehuwd te beschouwen met mevrouw B. L. Mevrouw B. L. is niet overleden en de ontbinding van haar huwelijk met appellant ingevolge echtscheiding in Marokko kan niet als rechtsgeldig erkend worden binnen de Belgische rechtsorde. Zodoende kan aan mevrouw B. L. geen pensioen als "uit de echt gescheiden echtgenote" worden toegekend, juist omdat zij nog als gehuwd met appellant moet worden beschouwd.
  5. b)Wat het verzoek tot het stellen van de door appellant geformuleerde prejudiciële vragen betreft is het hof van oordeel dat het hierop niet dient in te gaan om reden dat ze uitgaan van een premisse die strijdig is met de Belgische openbare orde m.n. een situatie van bigamie. Het antwoord op de prejudiciële vragen is niet relevant of pertinent om uitspraak te doen. Ook wordt door appellant niet aangeduid welk artikel van de pensioenwet het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel van art. 10 en 11 van de Grondwet schendt. Dit kan appellant ook moeilijk nu hijzelf toegeeft dat er, voor wat zijn situatie betreft, een lacune in de wet is. Het verzoek van appellant stoelt op een onjuiste juridische redenering. Het hof verwijst tenslotte naar analogie ook nog naar een recent arrest van het Arbitragehof d.d. 4 mei 2005 waarin het oordeelde dat de prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van art. 24 ,§ 2 van het Algemeen Verdrag betreffende de sociale zekerheid tussen België en Marokko met de artikelen 11 en 11 bis van de Grondwet geen antwoord behoeven aangezien de aangeklaagde ongelijkheden die voortvloeien uit de verdeling van het overlevingspensioen van een Marokkaanse man tussen verschillende vrouwen met wie hij overeenkomstig Marokkaans recht geldig gehuwd was, hun oorsprong niet vinden in die bepaling, maar in het Marokkaans familierecht waarover het Arbitragehof geen uitspraak kan doen. (R.W. 2005 - 2006, nr. 19, p. 735).
  6. c)Rest nog op te merken dat de door appellant gevorderde gerechtskosten voor de procedure kortgeding niet kunnen toegekend worden nu de voorzitter van de arbeidsrechtbank de kosten van deze procedure in zijn beschikking in kortgeding heeft begroot en ten laste gelegd van geïntimeerde en deze laatste hiertegen hoger beroep heeft ingesteld, zaak welke nog steeds hangende is voor het hof. Verder brengt appellant ook geen bewijsstukken bij van de kosten van expeditie- en betekeningsbevel. Tenslotte kan appellant ook geen kosten voor aangetekende verzending verhaalschrift eerste aanleg vragen nu blijkt dat het verzoekschrift neergelegd werd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 26 maart 1999. O M D E Z E R E D E N E N: Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde kamer, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. NELISSEN, Advocaat-generaal, in zijn gelijkluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 15 december 2005, waarop de raadsman van appellant repliceerde. Na beraadslaging, rechtdoende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 12 juli 2000. Verwijst geïntimeerde, conform artikel 1017, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten van de procedure in hoger beroep, en vereffend deze in hoofde van appellant op 53,29 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding verzoekschrift en 142,79 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Laat deze kosten in hoofde van geïntimeerde onvereffend bij gebreke aan afgifte van een kostenstaat. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van negentien januari tweeduizend en zes, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060119.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.