← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060125.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060125.4 Rolnummer: 2002-0304 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-14 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 04:07 Fiche De wet van 22 februari 1998, waarbij zoals in de regeling van gezinsbijslagen voor loontrekkenden, een verjaringstermijn van 5 jaar ingevoerd werd voor de terugvorderingen van door de R.K.W. onverschuldigd betaalde gewaarborgde gezinsbijslagen, is in voege getreden op 1 juli 1998 en is dan ook niet toepasselijk op de voorafgaande periode. Nu het Arbitragehof bij arrest van 15 juli 1998 het ontbreken van een verjaringstermijn voor de terugvordering van gewaarborgde gezinsbijslagen ongrondwettelijk geoordeeld heeft, dient voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet dezelfde verjaringstermijn als in de regeling van gezinsbijslagen voor loontrekkenden toegepast te worden. In casu zijn er echter valse of opzettelijk onvolledige verklaringen van de moeder vastgesteld : zij verzuimde immers meermaals, ook na een controleonderzoek van de R.K.W. waar dit aan het licht was gekomen, op de geijkte formulieren aan te geven dat zij in België een uitwonende zoon had die tewerkgesteld was als werknemer. Het feit dat die formulieren door maatschappelijke werkers ingevuld werden en zij de Nederlandse taal onkundig was maken geen rechtvaardiging uit : maatschappelijke werkers zijn beëdigde ambtenaren die de verschillende rubrieken van de formulieren invullen na voorlezing en bespreking ervan en in samenspraak met de betrokkene; zij zelf kan zo nodig beroep doen op een vertaler of tolk en er mocht ook van haar verwacht worden dat zij zich, in de periode van 7 jaar tijdens welke de onverschuldigde betaling geschiedde, de taal van het gastland eigen zou maken. De gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar (sinds 1994 10 jaar) is dan ook van toepassing ten deze. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . GEWAARBORGDE GEZINSBIJSLAG verblijf kinderen in het Rijk - aangifteplicht - terugvordering - verjaringstermijn - nieuwe wet- toepassing in de tijd - voorafgaande periode - ontbreken van een verjaringstermijn - discriminatie - valse of opzettelijk onvolledige verklaringen - formulieren door maatschappelijke werkers ingevuld - geen kennis van de landstaal door betrokkene - gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1971 - 9 - 02 ELI link Pub nr 1971072007 Wet - 22-02-1998 - 44 - 43 ELI link Pub nr 1998021087 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00010,P.593-596) Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Kinderbijslag ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2020304 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak van: de RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS, gevestigd te 1040 Brussel, Trierstraat 70, appellant, vertegenwoordigd door mr. M. D. L. loco mr. D. G., advocaat te Antwerpen, tegen: mevrouw H. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. H. T., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 5 juni 2002, 11 december 2002, 14 januari 2004, 2 november 2005, 16 november 2005 en 11 januari

  1. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 29 maart 2002 uitgesproken door de elfde kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 5 april 2002; x het verzoekschrift tot hoger beroep, op 29 april 2002 neergelegd ter griffie van dit Hof en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 30 april 2002; x de conclusies voor H. D., neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 november 2002; x de aanvullende conclusies voor H. D., neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 mei 2003; x de conclusies voor de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, ontvangen ter griffie van dit Hof op 4 juli 2003; x de tweede conclusies voor de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 juli 2004; x de syntheseconclusies voor H. D., neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 maart 2005; x de syntheseconclusies voor de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, neergelegd ter zitting van 2 november 2005; x het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 16 november 2005, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 16 november 2005; x de repliek op het advies van het openbaar ministerie van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 november
  2. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 2 november
  3. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 april 2002, tekende de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers hoger beroep aan tegen een vonnis van 29 maart 2002 (A.R. 335.927) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 5 april
  4. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  5. Feiten en voorafgaande procedure H. D. kwam in 1993, samen met haar minderjarige zoon D., vanuit ex-Joegoslavië naar België als "ontheemde". Vanaf haar aankomst werd zij, tot op heden, ononderbroken gesteund door het O.C.M.W. van Antwerpen. Haar meerderjarige zoon R. kwam eveneens in 1993 naar België, samen met zijn echtgenote en kinderen. Op 23 december 1993 werd via de diensten van het O.C.M.W. van Antwerpen een aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag ingediend. Het aanvraagformulier werd ingevuld door de maatschappelijk werker en ondertekend door H. D. Er werd geen melding gemaakt van het verblijf van zoon R. in België. De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers betaalde vervolgens aan H. D. gewaarborgde gezinsbijslag tegen het verhoogd tarief uit voor haar zoon D. met ingang van 1 september
  6. Op 9 november 2000 gebeurde een controle en kwam aan het licht dat H. D. nog een zoon, R., had, die in België verbleef en als werknemer tewerkgesteld was sinds 1 oktober
  7. Het recht op kinderbijslag had dus vanaf die datum via de prestaties van R. toegekend moeten worden in het stelsel der werknemers (basistarief), terwijl H. D. niet gerechtigd was op gewaarborgde gezinsbijslag voor D. De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers was van mening dat over de periode van 1 oktober 1993 tot 30 november 2000 het verschil tussen het verhoogd tarief en het basistarief, met name 3 044,33 EUR, ten onrechte werd toegekend. Bij aangetekend schrijven van 17 mei 2001 werd H. D. daarvan in kennis gesteld en werd meegedeeld dat dit bedrag ingehouden zou worden op de later verschuldigde bijslag naar rato van 100% op achterstallen en naar rato van 50% op de maandelijkse betalingen. Hiertegen tekende H. D. verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 31 juli
  8. De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers stelde een tegenvordering in tot terugbetaling van de som van 3 044,33 EUR. In hun vonnis van 29 maart 2002 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond: de administratieve beslissing van 17 mei 2001 van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers werd hervormd in die zin dat, met toepassing van de vijfjarige verjaring, de uitkeringen tot en met 31 maart 1996 verjaard werden verklaard. De tegenvordering werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard: H. D. werd veroordeeld om aan de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers 1,00 EUR provisioneel te betalen hoofdens ten onrechte uitgekeerde kinderbijslag. De berekening van de juiste bedragen werd overgelaten aan de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers. De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers stelde hoger beroep in tegen het vonnis met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 29 april
  9. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers vordert het vonnis a quo teniet te doen, de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, H. D. te veroordelen tot terugbetaling van de som van 3044,33 EUR, te zeggen voor recht dat de reeds ingehouden bedragen terecht zijn ingehouden en haar te veroordelen tot betaling van het saldo van 2 275,23 EUR. H. D. vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.
  10. Ten gronde 4.
  11. H. D. genoot ten onrechte gewaarborgde gezinsbijslag voor zoon D. in de periode van 1 oktober 1993 tot 31 december
  12. Dit wordt niet betwist. Doordat de uitwonende meerderjarige zoon R. als werknemer tewerkgesteld was sedert 1 oktober 1993, diende het recht op kinderbijslag immers via zijn prestaties in het stelsel van de werknemers te worden gevestigd en dit aan het "gewone" tarief, voorgeschreven bij artikel 40 van het K.B. van 19 december 1939 tot samenvatting van de wet van 4 augustus 1930 betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders, en de koninklijke besluiten krachtens een latere wetgevende delegatie genomen. (Gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders). Er bestaat enkel nog betwisting omtrent de verjaring van de terugvordering van de vóór 1 april 1996 ten onrechte genoten bedragen die het verschil uitmaakten tussen de gewaarborgde gezinsbijslag en de kinderbijslag in het stelsel van de werknemers. 4.
  13. De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers houdt voor dat in casu de gemeenrechtelijke dertigjarige verjaringstermijn van toepassing is, zodat ook de betrokken uitgekeerde bedragen vóór 1 april 1996 kunnen teruggevorderd worden. Het wordt niet betwist dat de eerste nuttige stuitingdaad gesitueerd wordt op 5 maart 2001, datum waarop de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers de schuldvordering aan H. D. betekende. 4.
  14. In de wet van 20 juli 1971, tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag, was geen bepaling aangaande de verjaring van het recht op terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen opgenomen. Dit gebeurde pas met de wet van 22 februari 1998, meer in het bijzonder door artikel
  15. Dit artikel bepaalt: "Artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983, wordt vervangen door de volgende bepaling: Art. 9 ,§
  16. Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bijslag verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn. Benevens de redenen bepaald in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Het eerste lid is niet toepasselijk, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. ,§
  17. De Rijksdienst kan afzien van de terugvordering van de onrechtmatig betaalde bijslag indien: 1° de terugvordering om sociale redenen niet aangewezen is of technisch onmogelijk is; 2° de terugvordering al te onzeker of te bezwarend blijkt, in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen." Deze wet trad in werking op 1 juli
  18. De bepalingen in het nieuwe artikel 9 omtrent de vijfjarige verjaring zijn vanaf die datum van toepassing. De vraag die zich stelt is of deze nieuwe bepaling ook van toepassing is op de periode vóór de inwerkingtreding van het nieuwe artikel
  19. Het Hof van Cassatie besloot daaromtrent als volgt: "Wanneer in burgerlijke zaken, een wet, al is zij van openbare orde, voor de verjaring van een vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet, en het betrokken recht voor het in werking treden van de nieuwe wet is ontstaan, begint de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste te lopen met de inwerkingtreding van de wet, zij het dat hij een eerder intredende verjaring overeenkomstig de oude regel niet zal verhinderen en dat de wetgever anders kan bepalen." (Cass. 13 maart 1989, R.W., 1989-90, 1400). Dit betekent dat voor de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, de oude verjaringstermijn van toepassing blijft. Evenwel besliste het Arbitragehof op 15 juli 1998, en derhalve enkele dagen na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 9, dat het ontbreken van een verjaringstermijn in de wet van 20 juli 1971, tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag, een schending uitmaakte van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In zijn arrest nr. 84/98 van 15 juli 1998 bevond het Arbitragehof als volgt: B.
  20. Artikel 120bis van de op 19 december 1939 gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 68 van 10 november 1967 luidt: "Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Dit artikel is niet toepasselijk, indien de ten onrechte uitbetaalde uit- keringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijke onvolledige verklaringen." B.
  21. Wanneer artikel 44 van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 maart 1998, eerste uitgave) van kracht zal zijn, zal in de wet van 20 juli 1971 tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag een identieke bepaling zijn vervat. Dat artikel vervangt immers artikel 9 van de wet van 20 juli 1971, dat geen enkele bepaling bevat betreffende de verjaring van het recht op terugvordering van het onverschuldigde bedrag, door de volgende bepaling: ",§
  22. Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bijslag verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn. Benevens de redenen bepaald in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Het eerste lid is niet toepasselijk, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. ,§
  23. De Rijksdienst kan afzien van de terugvordering van de onrechtmatige betaalde bijslag indien: 1° de terugvordering om sociale redenen niet aangewezen is of technisch onmogelijk is; 2° de terugvordering al te onzeker of te bezwarend blijkt, in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen." B.
  24. Krachtens artikel 53 van de voormelde wet van 22 februari 1998, zal artikel 44 in werking treden "op de eerste dag van het tweede trimester volgend op dat gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt". Artikel 44 was dus niet van toepassing op de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het voor de Arbeidsrechtbank hangende beroep. B.
  25. Daaruit volgt dat de vordering van de sommen die de verzoekster voor de verwijzende rechter ten onrechte zou hebben geïnd, na dertig jaar verjaart, een termijn die van toepassing is op de vorderingen van onverschuldigde bedragen die niet het voorwerp uitmaken van een bepaling die in een kortere verjaring voorziet. B.
  26. Het stelsel van gewaarborgde gezinsbijslag en dat van de kinderbijslag beantwoorden aan verschillende doelstellingen en worden op een verschillende wijze gefinancierd: terwijl het stelsel van de kinderbijslag beschouwd wordt als een verzekeringsstelsel dat door bijdragen wordt gefinancierd, strekt het stelsel van de gezinsbijslag ertoe het mogelijk te maken dat het kind dat de kinderbijslag niet kan genieten niettemin een uitkering kan genieten die door de Staat of door de RKW wordt gefinancierd. B.
  27. Die objectieve verschillen volstaan echter niet om te verantwoorden dat het onterecht uitbetaalde bedrag in het eerste geval gedurende vijf jaar en in het tweede geval gedurende dertig jaar kan worden teruggevorderd. In beide gevallen moet de bijslag het de begunstigde immers mogelijk maken het hoofd te bieden aan de kosten van onderwijs en onderhoud van een kind en de redenen waarom terugvorderingen van ten onrechte uitbetaalde bedragen na verloop van een zekere termijn, behalve in de gevallen van fraude, niet zijn toegestaan, zijn identiek in de beide gevallen. B.
  28. Daaruit volgt dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord." Het Arbitragehof vergeleek derhalve het oude systeem van de wet van 20 juli 1971 met het gangbare systeem van artikel 120bis van de op 19 december 1939 gecoördineerde wetten. Het stelde vast dat er in het stelsel van de gewaarborgde gezinsbijslag géén bijzondere verjaringstermijn voorzien was, terwijl deze wèl voorhanden was in het stelsel van de algemene regeling van kinderbijslag voor werknemers, en het besloot dat hier sprake was van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Samen met het openbaar ministerie is het Hof van oordeel dat het niet het bestaan is van de bijzondere verjaringstermijn in de algemene regeling die de ongelijke behandeling inhoudt, maar wel het ontbreken van die verjaringstermijn in de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag. Anders redeneren zou tot gevolg hebben dat de facto de bepalingen van artikel 120bis buiten toepassing zouden verklaard worden voor de periode die de datum van 1 juli 1998 voorafgaat. De argumentatie die de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers thans aanhoudt, werd overigens ook door de Ministerraad (overweging A.
  29. van het arrest) aangebracht voor het Arbitragehof, maar impliciet verworpen. Belangrijk is ook te weten dat het Arbitragehof het nieuwe artikel 9 reeds in zijn beoordeling betrok en toch vaststelde dat het ontbreken van een bijzondere verjaringstermijn een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Zelfs in de wetenschap dat een nieuwe regeling op komst was, die de ongelijkheid zou opheffen, was het Arbitragehof van mening dat het gebrek aan een bijzondere verjaringstermijn een verboden ongelijke behandeling uitmaakte. Dit oordeel heeft dus ook betrekking op de periode voorafgaand aan de ingangsdatum van de nieuwe wet. Het Hof is het volkomen eens met het openbaar ministerie waar het stelt: "De enige mogelijkheid die de hoven en rechtbanken dan nog hebben om zich te houden aan het bindend gezag van gewijsde van het arrest van het Arbitragehof, is dan ook om voor de periode waarin de schending van de Grondwet werd vastgesteld, de toepasselijke wetgeving zodanig te interpreteren dat de verboden ongelijke behandeling niet bestaat. Indien de vastgestelde schending bestaat uit het ontbreken van een bepaling/regeling kan dit enkel door de toepasselijke regeling zodanig te interpreteren alsof ze ook een bepaling/regeling bevatte zoals de regeling waarmee het Arbitragehof de aangevochten regeling heeft vergeleken. (Ahof Antwerpen, 07/05/1999, Soc.Kron, 2000, 40) Dit betekent in concreto dat voor de periode vóór 01/07/1998 de wet van 20/07/1971 zodanig geïnterpreteerd moet worden als zou hij een bepaling bevatten zoals het artikel 120 bis van de op 19 december 1939 gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 68 van 10 november 1967: "Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. Benevens de redenen waarin is voorzien in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven. Dit artikel is niet toepasselijk, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijke onvolledige verklaringen." Met andere woorden indien aan geïntimeerde geen bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige verklaringen kunnen verweten worden, is in casu de verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing." Principieel zou dus de vijfjarige verjaring van toepassing zijn, ware het niet dat, zoals verder zal blijken, in casu de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen. 4.
  30. Valse of opzettelijk onvolledige verklaringen De Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers roept in ondergeschikte orde in dat H. D. zich alleszins schuldig maakte aan het afleggen van "valse en of opzettelijke onvolledige verklaringen", zodat hoe dan ook de bijzondere verjaringstermijn van vijf jaar niet van toepassing zou zijn. Ter zake dient vastgesteld te worden dat H. D. vanaf haar aanvraag in 1993 tot in het jaar 2000 telkens verzweeg dat ze nog een (uitwonende) zoon had die in België verbleef en hier tewerkgesteld was. Ze wijst ter verontschuldiging naar het feit dat de formulieren eigenmachtig door maatschappelijke werkers werden ingevuld, zonder haar betrokkenheid, en naar het feit dat ze de Nederlandse taal onkundig was. Het Hof is van mening dat deze louter gratuite beweringen op niets gestoeld zijn. De jaarlijkse aangifteformulieren werden inderdaad ingevuld door maatschappelijke werkers, maar het gaat niet op zich achter een derde die behulpzaam is te verschuilen om de eigen valse verklaringen te camoufleren. Maatschappelijke werkers zijn beëdigde ambtenaren en er dient dan ook van uitgegaan te worden dat dezen hun opdracht naar behoren vervullen. Zij zullen de verschillende rubrieken van de formulieren invullen na voorlezing en bespreking ervan en in samenspraak met de betrokkene. Het tegendeel wordt alleszins niet bewezen. Het Hof is de mening toegedaan dat H. D. haar goede trouw in deze niet bewijst. De vraag naar andere kinderen buiten het gezin werd duidelijk en bij herhaling, jaar na jaar, gesteld op de formulieren. Toch was steeds het antwoord "neen" of werd een schuine streep gezet of werd de vraag open gelaten. H. D. is en blijft hoe dan ook verantwoordelijk voor de vermelde gegevens. Zij ondertekende trouwens de formulieren van 14 juni 1994, 8 december 1994, 7 juni 1995 en 21 december 1995 na de volgende woorden eigenhandig geschreven te hebben: "gelezen en juist bevonden", en dit onder de tekst: "Het is mij niet onbekend dat valse of onjuiste verklaringen aanleiding kunnen geven tot gerechtelijke vervolgingen (...). Ik verbind mij ertoe de RKW (...) ONMIDDELLIJK in kennis te stellen van elke wijziging betreffende een of andere in deze aangifte verstrekte inlichting (...). Ik bevestig op mijn eer dat deze verklaring naar waarheid afgelegd en volledig is". Op de formulieren van 3 juli 1996, 7 februari 1997, 4 juli 1997, 27 januari 1998, 28 juli 1998, 25 maart 1999, 5 oktober 1999 en 31 maart 2000 tekende zij telkens na de woorden: "Ik verklaar dit formulier naar waarheid ingevuld te hebben. Ik weet dat opzettelijk meedelen van onjuiste gegevens strafbaar is". H. D. herriep nooit haar negatieve verklaring over eventuele andere kinderen. De vraag naar familieleden, die niet tot haar gezin behoorden, beantwoordde zij in het eerste aanvraagformulier van 23 december 1993 door haar echtgenoot te vermelden, die echter nooit in België is geweest. Zoon R. werd niet vermeld. Op 13 april 1994 werd een controleonderzoek gedaan. Geen melding werd gemaakt van de uitwonende zoon. Pas ter gelegenheid van het controleonderzoek op 9 november 2000 kwam aan het licht, en gaf H. D. toe, dat ze in België een uitwonende zoon had die tewerkgesteld was als werknemer. Desondanks volhardde zij in de boosheid door, in de eerstvolgende aangifte nà de controle, op 16 maart 2001, nog steeds de vraag naar het bestaan van uitwonende kinderen negatief te beantwoorden. Dit gegeven beschouwt het Hof als een bijkomend bewijs van de afwezigheid van goede trouw in hoofde van H. D. Gebrekkige taalkennis is al evenmin een valabel argument. Allicht kende H. D. de Nederlandse taal niet bij haar aankomst in België. Zij had derhalve beroep kunnen doen op een vertaler of tolk, indien nodig. In de loop van de betwiste periode mocht van haar verwacht worden dat ze zich de taal van het gastland voldoende eigen zou maken. Uit dit alles blijkt dat het jaar na jaar volgehouden nalaten van het vermelden van uitwonende kinderen, ondanks de uitdrukkelijke vraag ernaar, dient te worden beschouwd als een valse of opzettelijk onvolledige verklaring, zoals bepaald in artikel 9, ,§1, derde lid, van de wet van 20 juli
  31. In casu was derhalve de gemeenrechtelijke verjaring van 30 jaar (thans 10 jaar) van toepassing en zijn er geen verjaarde termijnen. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het schriftelijk advies, dat eensluidend is voor wat de principiële toepassing van de vijfjarige verjaring betreft, uitgebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 16 november
  32. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in volgende mate gegrond: doet het vonnis van 29 maart 2002 (A.R. 335.927) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen teniet waar het de terugvordering van de bedragen genoten vóór 1 april 1996 verjaard verklaarde. Bevestigt het vonnis waar het H. D. veroordeelde tot terugbetaling van de uitkeringen vanaf 1 april
  33. Doet het vonnis teniet waar het de terugbetaling beperkte tot 1 EUR provisioneel. Opnieuw recht doende, zegt voor recht dat er geen verjaarde termijnen zijn; zegt voor recht dat de reeds ingehouden bedragen terecht ingehouden werden en veroordeelt H. D. tot terugbetaling aan de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers van het saldo van tweeduizend tweehonderd vijfenzeventig euro en drieëntwintig cent (2 275,23 EUR). Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, door H. D. begroot op 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 267,71 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, en door het Hof vereffend op 196,33 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; de kosten van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op vijfentwintig januari tweeduizend en zes. Het Hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer R. PEETERS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060125.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.