id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060126.6 Rolnummer: 2005-0123 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-07-01 04:07 Fiches 1 - 2 Wanneer de R.V.A. de werkloze uitsluit van het genot van de werkloosheidsuitkeringen omdat die laatste zich zonder voldoende rechtvaardiging niet heeft aangeboden bij de Dienst voor Arbeidsbemiddeling na daartoe uitgenodigd te zijn, draagt de Rijksdienst de bewijslast van het feitelijk gegeven dat de uitnodiging om zich aan te melden bij hoger genoemde dienst effectief de werkloze heeft bereikt. Indien de werkloze beweert een aangetekende zending niet ontvangen te hebben en zijn handtekening op het ontvangstformulier van de post ontkent, dan behoort het aan de R.V.A. om als eisende partij de bewijskracht van dit formulier aan te tonen door het instellen van een vordering tot schriftonderzoek. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK werkloosheid - toekenningsvoorwaarden - niet-aanmelding bij VDAB - bewijslast - ontvangst aangetekende zending. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 870 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID toekenningsvoorwaarden - niet-aanmelding bij VDAB - bewijslast - ontvangst aangetekende zending. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 51,§1,4° - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 870 en onder V AN - artikel 51, ,§ 1, 4°. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.539-540) Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF ANTWERPEN, AFDELING ANTWERPEN ARREST A.R. 2050123 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. D. G., loco mr. G. L., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: M. S., die woonstkeuze doet bij haar raadsman: geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. R., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
- Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 2 maart 2005, 13 oktober 2005 en 22 december 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 10 januari 2005 (A.R. 367.455); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 10 februari 2005; - de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 5 september 2005; - schrijven van mr. G. L. van 8 september 2005 met in bijlage postonderzoek, ontvangen op de griffie van dit hof op 13 september
- Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en van het postonderzoek (stuk 2 en 3 dossier arbeidsauditoraat Antwerpen), en de bundel van de raadsman van M. S.. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 22 december
- Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 10 februari 2005, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat door de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werd uitgesproken op 10 januari 2005 (A.R. 367.455). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 12 januari
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
- Feiten en voorgaande rechtspleging De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Antwerpen besliste op 5 maart 2004 (vervanging en vernietiging van de beslissing van 18 februari 2004) - in toepassing van de artikelen 51, 52bis, 53, 53bis, 141, 142, 144 en 146 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - M. S. voor onbepaalde duur uit te sluiten van het genot van uitkeringen vanaf 12 januari 2001 (lees: 12 januari 2004) omdat zij zich niet heeft aangemeld bij de dienst voor arbeidsbemiddeling. De directeur van het werkloosheidsbureau nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 12 administratief dossier - bundel arbeidsauditoraat Antwerpen): "De reglementering voorziet dat de werknemer die zich zonder voldoende rechtvaardiging niet aanmeldt bij de dienst voor arbeidsbemiddeling en/of de dienst voor beroepsopleiding, nadat hij door deze dienst was opgeroepen, beschouwd wordt als iemand die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil (artikel 51). Hij verliest het recht op uitkeringen indien hij zich zonder voldoende rechtvaardiging niet aanmeldt bij de dienst voor arbeidsbemiddeling en/of de dienst voor beroepsopleiding terwijl hij hiertoe was opgeroepen, binnen het jaar na een ander feit dat, vóór de datum van de niet-aanmelding, aanleiding heeft gegeven tot een beslissing tot uitsluiting wegens vrijwillige werkloosheid (artikel 52bis, ,§2, 2de lid). U werd door de VDAB uitgenodigd voor een interview om u op 03.12.2003 aan te bieden. U bood zich niet aan. U hebt geen gegronde reden gegeven voor uw afwezigheid binnen de drie dagen na ontvangst van de aangetekende brief van 12.12.
- Aangezien u noch mondelinge, noch schriftelijke verweermiddelen hebt ingediend, nam ik mijn beslissing aan de hand van de gegevens in mijn bezit. U ontving voor december 2003 24 dagen een uitkering. Elke uitkerings-gerechtigde werkloze dient steeds in te gaan op elke uitnodiging die hij van de VDAB ontvangt, zodat hij beschikbaar blijft voor de algemene arbeidsmarkt. Bovendien situeert deze niet-aanmelding zich na de ontvangst van de eerste beslissing tot uitsluiting (zie mijn beslissing van 04.11.2003) en binnen het jaar dat volgt op het feit wegens een werkhervatting op 14.06.2003 als afwasser/keukenhulp bij Zeppos bvba te Antwerpen. U bent bijgevolg werkloos geworden wegens omstandigheden afhankelijk van uw wil en u verliest het recht op uitkeringen in toepassing van artikel 52bis, ,§2, 2de lid. De uitsluiting gaat in op 12.01.2004, datum van de dag waarop het werkloosheidsbureau kennis heeft gekregen van het begane feit (artikel 53, 1ste lid). Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 6 mei 2004 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 mei 2004, tekende M. S. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing. Bij vonnis van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 10 januari 2005 werd: - de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard; - de administratieve beslissing van de directeur van het werkloos-heidsbureau te Antwerpen van 5 maart 2004 vernietigd en voor recht gezegd dat M. S. vanaf 12 januari 2001 verder gerechtigd is op werkloosheidsuitkeringen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening veroordeeld tot betaling van de achterstallige werkloosheidsuitkeringen in zoverre M. S. voldoet aan alle andere toelaatbaarheids- en vergoedbaarheidsvoorwaarden; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, in toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van M. S. vereffend op 104,86 euro rechtsplegingsvergoeding en op 4,50 euro aantekenrecht. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 10 februari 2005, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen.
- Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen. M. S. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep als ontvankelijk doch ongegrond af te wijzen; - het vonnis a quo integraal te bevestigen; - ondergeschikt, de valsheidsprocedure/ontkenning van handtekening-geschrift, zoals voorzien in het Gerechtelijk Wetboek toe te passen en vast te stellen dat het niet de handtekening van M. S. is; de beslissing a quo te vernietigen en M. S. verder het recht op uitkeringen toe te kennen; - uiterst ondergeschikt, hoe dan ook de administratieve beslissing te verbeteren, waarin het M. S. uitsloot sedert 12 januari 2001 en dit te verbeteren naar 12 januari 2004; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van begroot op 142,80 euro rechtsplegings-vergoeding, bedrag aan te passen aan de wettelijke verhogingen.
- Ten gronde 5.
- Situering van het geschil Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze, in toepassing van artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit), wegens omstan-digheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. De werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil kan uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot 54 van het Werkloosheidsbesluit. Overeenkomstig artikel 51, ,§1, 4° van het Werkloosheidsbesluit wordt de werknemer die zich zonder voldoende rechtvaardiging niet aanmeldt bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling, na door deze dienst te zijn opgeroepen om zich aan te melden, beschouwd werkloos te zijn wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil. Appellant houdt voor: - dat geïntimeerde door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) werd uitgenodigd om zich aan te bieden op 3 december 2003 voor een bemiddelingsgesprek maar niet is opgedaagd; - dat geïntimeerde vervolgens met een aangetekend schrijven van 11 december 2003 door de VDAB werd aangemaand om binnen de 3 dagen een gegronde reden op te geven voor haar afwezigheid maar hieraan evenmin gevolg gaf; - dat geïntimeerde dienvolgens werkloos is wegens omstandigheden afhankelijk van haar wil omdat zij zich zonder voldoende rechtvaardiging niet heeft aangemeld bij de VDAB zodat zij kon uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot 54 van het Werkloosheidsbesluit. De eerste rechter oordeelde dat de werkloosheid van geïntimeerde niet kan worden beschouwd als veroorzaakt door omstandigheden afhankelijk van haar wil zoals bedoeld door artikel 51, ,§1, tweede lid, 4° van het Werkloosheidsbesluit, vermits appellant niet aantoont dat de aangetekende zending geïntimeerde persoonlijk heeft bereikt. Appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat geïntimeerde niet betwist dat de aangetekende brief op het correcte adres werd besteld zodat hij geacht wordt door de geadresseerde te zijn ontvangen, dit tot het bewijs van het tegendeel; - dat uit een postonderzoek blijkt dat de aangetekende zending aan betrokkene werd afgeleverd. 5.
- Beoordeling Appellant, die bij administratieve beslissing van 5 maart 2004 geïntimeerde voor onbepaalde duur heeft uitgesloten van het genot van uitkeringen vanaf 12 januari 2004, draagt in toepassing van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek de bewijslast dat geïntimeerde zich niet heeft aangemeld bij de dienst voor arbeidsbemiddeling nadat zij door deze dienst was opgeroepen. In dit verband dient vastgesteld: 1° dat appellant geen bewijs voorlegt dat geïntimeerde werd uitgenodigd om zich op 3 december 2003 aan te bieden voor een bemiddelingsgesprek bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding; 2° dat appellant enkel een aangetekende brief van 11 december 2003 voorbrengt waarbij geïntimeerde door de dienst voor arbeidsbemiddeling werd uitgenodigd om binnen de 3 dagen een gegronde reden op te geven voor haar afwezigheid (stuk 4 administratief dossier); 3° dat artikel 131, 8° van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven een aangetekende zending definieert als een "dienst die bestaat in het waarborgen op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de afgifte en/of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde"; 4° dat, vermits geïntimeerde verklaarde deze aangetekende zending niet te hebben ontvangen, appellant een postonderzoek heeft aangevraagd naar de aangetekende zending nr. 21200021619670 van 12 december 2003 bestemd voor geïntimeerde; 5° dat dit postonderzoek aan het licht bracht dat de aangetekende zending op 15 december 2003 op het adres van de bestemmeling werd aangeboden en uitgereikt; een kopie van het aftekenblaadje werd door het regionaal kantoor van de postdienst te Antwerpen bijgevoegd (stuk 3 administratief dossier) 6° dat echter geïntimeerde de handtekening op het aftekenblaadje ontkent zodat aan bedoelde onderhandse akte alle bewijskracht is ontnomen. In deze omstandigheden kan de ontkenner van de handtekening niet gedwongen worden tot het instellen van de valsheidprocedure doch hoort het aan diegene die zich op het stuk beroept, de bewijskracht ervan aan te tonen door het instellen van een vordering tot schriftonderzoek, wat ook kan bij tussenvordering, overeenkomstig artikel 883 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Nu appellant hiertoe niet is overgegaan en ter staving van de gegrondheid van de bestreden administratieve beslissing geen andere bewijsstukken aanvoert faalt appellant in de op hem rustende bewijslast dat geïntimeerde zich niet heeft aangemeld bij de dienst voor arbeidsbemiddeling nadat zij door deze dienst was opgeroepen. De eerste rechter heeft dienvolgens terecht de beslissing van 5 maart 2004 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Antwerpen vernietigd zodat het hoger beroep ongegrond is. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn andersluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 22 december
- Partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben over het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 10 januari 2005 in de openbare zitting van de zevende kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 367.455). Verwijst appellant, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerde op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van appellant worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zesentwintig januari tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060126.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div