← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060126.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060126.7 Rolnummer: 2001-0405 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-14 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 04:07 Fiches 1 - 3 Op grond van artikel 15 van de wet van 11 april 1995 (Handvest van de sociaal verzekerde) dient de beslissing tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen onder meer het totale bedrag van wat onverschuldigd betaald is alsmede de berekeningswijze ervan te vermelden. Wanneer de RVA derhalve de beslissing inzake onverschuldigd betaalde uitkeringen opsplitst in een eerste beslissing waarbij het bestaan van de onverschuldigd betaalde uitkeringen wordt vastgesteld en een tweede, latere beslissing waarbij het bedrag en de berekeningswijze daarvan wordt medegedeeld, begint de vervaltermijn van drie maanden om verhaal in te stellen voor de werkloze slechts te lopen vanaf de kennisgeving van de laatstgenoemde beslissing of, bij gebreke aan kennisgeving, vanaf het ogenblik dat hij daarvan kennis kreeg. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK werkloosheidsreglementering - administratieve beslissing - onverschuldigde uitkeringen - terugvordering - verhaal - termijn. Wettelijke bepalingen: Besluitwet - 28-11-1944 - 7,§11,lid2 - 01 Link Justel databank 19441128-01 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 580 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID terugvordering van uitkeringen - werkloosheidsreglementering - administratieve beslissing - onverschuldigde uitkeringen - verhaal - termijn. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 169 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE toekenningsprocedure - motivering, vermeldingen, kennisgeving - werkloosheidsreglementering - administratieve beslissing - onverschuldigde uitkeringen - terugvordering - verhaal - termijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 15 - 44 ELI link Pub nr 1995022286 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 580, onder V AN - artikel 169 en onder XV - artikel

  1. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00009,P.550-551) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2010405 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ZES In de zaak: R. V. L., appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. I. V., advocaat te 2000 Antwerpen, tegen: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. L. D. G., loco mr. L. V., advocaat te 2230 Herselt. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.
  2. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 5 september 2001, 18 juni 2002, 27 november 2003, 25 maart 2004, 23 september 2004, 13 januari 2005, 28 april 2005, 8 september 2005, 10 november 2005, 24 november 2005 en 12 januari 2006; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 1 juni 2001 (A.R.V. 24.332); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 18 juni 2001; - de "besluiten in beroep" voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 14 september 2001; - de "beroepsconclusies" voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 22 februari 2002; - de "tweede besluiten in beroep" voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 27 maart 2003; - een schrijven van mr. L. V. van 10 februari 2004 met in bijlage een brief van de R.V.A. van 2 februari 2004 + bijlagen, ontvangen op de griffie van dit hof op 11 februari 2004; - de "conclusie" voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 30 juli 2004; - de "korte aanvullende conclusie na syntheseberoepsconclusies" voor appellant, neergelegd op de griffie van dit hof op 24 augustus 2004; - de "2de korte aanvullende conclusie na syntheseberoepsconclusies" voor appellant, neergelegd op de openbare terechtzitting van 28 april 2005; - de kostennota voor appellant, neergelegd ter openbare terechtzitting van 10 november 2005; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 24 november 2005, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op 24 november
  3. Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 1 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen) en de bundel van de raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bestaande uit een kopie van een arrest van 21 maart 2002 van het arbeidshof te Antwerpen. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 10 november
  4. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 24 november 2005 en is de zaak, na repliektermijn van 10 dagen, in beraad genomen.
  5. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 18 juni 2001, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Turnhout op 1 juni 2001 (A.R.V. 24.332). Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 6 juni
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  7. Feiten en voorgaande rechtspleging De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Turnhout besliste op 8 oktober 1999, - in toepassing van de artikelen 44, 45, 48, 71, 130, 139, 142, 143, 144, 146, 153, 158, 169 en 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering : - R. V. L. vanaf 11 oktober 1999 van het genot van de uitkeringen uit te sluiten gedurende 4 weken; - R. V. L. het recht op uitkeringen te ontzeggen voor de periode van 4 februari 1993 tot en met 9 juni 1999; - de uitkeringen die R. V. L. voor de periode van 4 februari 1993 tot en met 9 juni 1999 onrechtmatig ontving, terug te vorderen; de terugvordering evenwel te beperken tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning. De directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Turnhout nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 10 administratief dossier): "U deed op 26.07.1999, bij uw aanvraag om uitkeringen als volledig werkloze vanaf 10.06.1999 aangifte omtrent de uitoefening van uw nevenactiviteit. De activiteit werd door u op het formulier C 1 A (aangifte van nevenactiviteit / aangifte van samenwoonst met een zelfstandige) beschreven als volgt: " muzikant en dit sedert 1993". U wenst die activiteit ook tijdens uw werkloosheid uit te oefenen en wel "naargelang aanvraag: vrijdag na 18.00 uur en eventueel op zaterdag en zondag". Bij nazicht van uw dossier is gebleken dat u tijdens de periode van 04.02.1993 tot en met 09.06.1999 nog uitkeringen hebt genoten als tijdelijk werkloze en dat u derhalve een laattijdige aangifte deed van de uitoefening van uw nevenactiviteit. Deze aangifte is nochtans een noodzakelijke voorwaarde, om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen. U kan derhalve voor de periode van 04.02.1993 tot en met 09.06.1999 geen aanspraak maken op uitkeringen, aangezien u niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden, zoals bepaald bij de artikels 44, 45 en 48 ,§ 1 - 1 ° van navermeld Koninklijk Besluit. U hebt derhalve voor de periode van 04.02.1993 tot en met 09.06.1999 uitkeringen genoten, waarop u geen recht hebt. De ten onrechte genoten uitkeringen dienen terugbetaald te worden. (toepassing van de artikels 169 en 170 van navermeld Koninklijk Besluit. U dient u vanaf 10.06.1999 strikt te houden aan de bepalingen van voormeld artikel 71 eerste lid, 1° en 3° tot 5°, wanneer u op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van voormeld artikel 45, tussen 7 en 18 uur. Deze beperking (tussen 7 en 18 uur) geldt niet voor de zaterdagen en de zondagen (en voor de tijdelijk werkloze, evenmin voor de dagen waarop hij in zijn hoofdberoep gewoonlijk inactief is). Met schrijven van 21 december 1999 verzocht R. V. L. de beslissing van 8 oktober 1999 te herzien. Met schrijven van 24 januari 2000 heeft de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout dit verzoek afgewezen met volgende motivering: "De opgelegde sanctie, evenals het terug te vorderen bedrag aan werkloosheidsuitkeringen is conform de werkloosheidsreglementering. U hebt zich niet gehouden aan artikel 45 van het Koninklijk Besluit van 25 november 191 waarin bepaald wordt dat u aangifte moet doen van uw bijberoep bij uw uitkeringsaanvraag". Met schrijven van 17 januari 2000 vorderde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening - in uitvoering van haar beslissing C29 van 8 oktober 1999 - lastens R. V. L. de terugbetaling van de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over de periode van 1 oktober 1996 tot 31 mei 1999 ten bedrag van 2.593,85 euro (104.636 frank). Met schrijven van 30 maart 2000 verzocht het ACV Kempen, met het oog op een herziening van de administratieve beslissing van 8 oktober 1999, om R. V. L. opnieuw te horen. Met schrijven van 12 mei 2000 meldde de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout dat, na betrokkene opnieuw te hebben gehoord op 20 april 2000, de beslissing van 8 oktober 1999 integraal behouden blijft bij afwezigheid van nieuwe elementen die aanleiding kunnen geven tot het herzien of het vernietigen van de genomen beslissing. Met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 4 juli 2000, tekende R. V. L. beroep aan tegen "een beslissing van de R.V.A., Openbare instelling, waarvan de hoofdzetel gevestigd is te Keizerslaan 7, 1000 BRUSSEL, BRIEF RVA gedateerd op 36/6/00 (uw verzoek om herziening van de beslissing C29 d.d. 8/10/1999, verwijzing : 71300/MM/TL". Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 1 juni 2001 werd de vordering van R. V. L. ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van R. V. L. begroot op 7.920 frank (196,33 euro) rechtsplegingsvergoeding en op 167 frank (4,14 euro) aantekenkosten. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werden de kosten niet begroot. De eerste rechter heeft de vordering van R. V. L. als ongegrond afgewezen op grond van volgende overwegingen: "Uit de gegevens van de zaak blijkt dat enkel beroep werd ingesteld tegen de beslissing van 30.6.2000, getroffen naar aanleiding van een schrijven van 30 maart 2000 van het A.C.V. te Turnhout. Dit schrijven wordt niet voorgebracht, zodat de redenen van het verzoek tot herziening niet gekend zijn. De conclusies van eiser (R. V. L.) hebben betrekking op de beslissing ten gronde van 8.10.1999 waartegen geen verhaal is ingesteld. Het voorwerp van het geschil beperkt zich tot hetgeen is gevorderd; het is niet geoorloofd om recht te doen over hetgeen niet is gevraagd (E. Krings, "Het ambt van de rechter bij de leiding van het rechtsgeding", R.W. 83-84, blz. 345, nr. 12; Cassatie, 14.2.2000, R.W. 2000-2001, blz. 1380); Op basis van hetgeen wordt gevorderd en voorgebracht, kan dus enkel vastgesteld worden dat het beroep tegen de beslissing van 30.6.2000, ingesteld met het verhaalschrift toegekomen ter griffie op 4.7.2000, op zich ontvankelijk is, doch ongegrond." Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 18 juni 2001, tekende R. V. L. hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout.
  8. Eisen in hoger beroep R. V. L. (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, vervolgens: - in hoofdorde, het vonnis a quo te vernietigen, behoudens wat de veroordeling tot de kosten betreft, en opnieuw recht doende, de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te vernietigen; - ondergeschikt, de sanctie te beperken tot het minimum en de terugvordering te beperken tot de laatste 3 jaren; tevens de terugvordering voor de periode na datum van 1 juli 1997 (verhuis naar Oud-Turnhout en samenwoonst met vriendin), minstens sedert datum van 2 februari 1998 (niet meer in het bezit van draagbaar instrument) te vernietigen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van R. V. L. begroot op 98,17 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, op 58,23 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift en op 142,80 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (geïntimeerde) vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en over de kosten te oordelen als naar recht.
  9. Ten gronde 5.
  10. Voorwerp van de vordering Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 4 juli 2000, stelde appellant verhaal in tegen de beslissing van de directeur van het werkloosheidbureau te Turnhout gedateerd op 12 mei 2000 (en niet 36/06/00 zoals ten onrechte wordt vermeld in het inleidend verzoekschrift) waarbij zijn aanvraag tot herziening van de administratieve beslissing van 8 oktober 1999 werd geweigerd. In zijn conclusies neergelegd op 8 maart 2001 ter griffie van de arbeidsrechtbank vorderde appellant in hoofdorde de vernietiging van de administratieve beslissing waarbij hij werd uitgesloten van het genot van de uitkeringen vanaf 11 oktober 1999 gedurende 4 weken en hem bovendien het recht op uitkeringen werd ontzegd vanaf 4 februari 1993 tot en met 9 juni 1999 en in ondergeschikte orde een vermindering van de sanctie tot het minimum, alsook de beperking van de terugvordering tot de laatste 3 jaren en de terugvordering voor de periode na 1 juli 1997, minstens na 2 februari 1998 op te heffen. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat de vordering van appellant de vernietiging van de administratieve beslissing van 8 oktober 1999 tot voorwerp had. De eerste rechter heeft dienvolgens ten onrechte geoordeeld dat het voorwerp van het geschil waarover hij uitspraak kon doen beperkt bleef tot de herzieningsbeslissing van 12 mei 2000 (en niet 30 juni 2000 zoals verkeerdelijk wordt vermeld in het bestreden vonnis). Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, gegrond. 5.
  11. Ontvankelijkheid van het verhaal tegen de administratieve beslissing van 8 oktober 1999 Geïntimeerde houdt voor dat het initieel beroep, ingediend op 4 juli 2000 bij de arbeidsrechtbank te Turnhout en gericht tegen de administratieve beslissing van 8 oktober 1999, onontvankelijk is omdat het niet ingediend is binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop betrokkene er kennis van had. Overeenkomstig artikel 7, ,§11, tweede lid van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, als gewijzigd door de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling (B.S. 19.2.1998) en met uitwerking vanaf 1 januari 1997, moeten de beslissingen genomen over rechten ontstaan uit de werkloosheids-reglementering op straffe van verval binnen de drie maanden na de kennisgeving of, bij gebreke aan kennisgeving, binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene er kennis van gehad heeft, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden. Deze wetswijziging werd uitgevoerd, kennelijk met de bedoeling om de toepasselijke wetgeving af te stemmen op de bepalingen van artikel 23 van de wet tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde (wet 11 april 1995 - B.S. 6.9.1995, verder afgekort als het Handvest). Artikel 15 van het Handvest voorziet daarnaast dat de beslissingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen onder meer de aanduiding dienen te bevatten van het totale bedrag van wat onverschuldigd betaald is, alsmede de berekeningswijze ervan. Met die verplichte vermeldingen wilde de wetgever een einde maken aan de kwalijke gevolgen van een praktijk die in bepaalde sectoren van de sociale zekerheid werd gehanteerd om eerst de beslissing ter kennis te brengen waarin het bestaan van een onverschuldigde betaling werd vastgesteld en enige tijd later een andere beslissing die het bedrag ervan bepaalde. Die wijze van handelen leidde er vaak toe dat de sociaal verzekerde slechts verhaal aantekende toen hij kennis kreeg van het bedrag dat teruggevorderd werd, terwijl de beslissing die het beginsel van de terugvordering tot voorwerp had inmiddels definitief was geworden bij gebreke aan tijdig ingesteld verhaal (W. van Eeckhoutte, 'Terugvordering en herziening', in 'Het handvest van de sociaal verzekerde en bestuurlijke vernieuwing in de sociale zekerheid', ed. J. Put, uitg. Die Keure - 1999, blz. 142, nrs. 20 en 21; B. Graulich en P. Palsterman, 'La Charte de l'assuré social', Soc. Kron. 1998, 273). Aangezien in huidig geschil geïntimeerde gewerkt heeft met twee beslissingen, enerzijds de basisbeslissing van 8 oktober 1999 (C 29) en anderzijds de terugvorderingbeslissing van 21 januari 2000 (C 31), begint - in toepassing van het tweede lid van artikel 15 van de wet van 11 april 1995 - de termijn om verhaal in te stellen tegen de basisbeslissing slechts te lopen vanaf het ogenblik dat appellant kennis kreeg van het totale bedrag van wat onverschuldigd betaald is alsmede de berekeningswijze van het teruggevorderde bedrag. In huidig geschil wordt geen bewijs van kennisgeving van de terugvorde-ringbeslissing van 17 januari 2000 (C 31) voorgebracht en uit de gegevens van het administratief dossier kan evenmin afgeleid worden of appellant kennis heeft genomen van de terugvorderingbeslissing zodat de termijn om een voorziening in te stellen geen aanvang heeft genomen. Het verhaal tegen de basisbeslissing van 8 oktober 1999 (C 29), ingesteld met verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 4 juli 2000, werd derhalve tijdig ingesteld. 5.
  12. Toekenningsvoorwaarden Overeenkomstig artikel 44 van het Werkloosheidsbesluit moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Overeenkomstig artikel 45 van het Werkloosheidsbesluit, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden administratieve beslissing, wordt voor de toepassing van artikel 44 als arbeid beschouwd: "1° de activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit" Overeenkomstig artikel 48, ,§1 kan de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, slechts genieten van uitkeringen op voorwaarde dat: 1° hij daarvan aangifte doet bij zijn uitkeringsaanvraag; 2° hij deze activiteit reeds uitoefende terwijl hij tewerkgesteld was als werknemer, en dit ten minste gedurende de drie maanden voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag; 3° hij deze activiteit niet verricht tussen 7 en 18 uur. Deze beperking geldt niet voor de zaterdagen en de zondagen, en voor de tijdelijk werkloze, evenmin voor de dagen waarop hij in zijn hoofdberoep gewoonlijk inactief is; 4° het geen activiteit betreft: a) in een beroep dat alleen na 18 uur wordt uitgeoefend; b) in een beroep dat valt onder het hotelbedrijf, met inbegrip van de restaurants en de drankgelegenheden, of onder de vermaakondernemingen, of het geen activiteit betreft als leurder, reiziger, verzekeringsagent of -makelaar, tenzij de activiteit van gering belang is; c) die, krachtens de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken, niet verricht mag worden. In de bestreden administratieve beslissing van 8 oktober 1999 wordt gemotiveerd dat appellant voor de periode van 4 februari 1993 tot en met 9 juni 1999 geen aanspraak kan maken op uitkeringen aangezien hij niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden zoals bepaald bij de artikels 44, 45 en 48, ,§1 - 1° van het Werkloosheidsbesluit. Uit de formulieren C1, C1.1 en C1A aanwezig in het administratief dossier blijkt: - dat appellant op 1 oktober 1990 aangifte deed van zijn nevenactiviteit als muzikant (orkest); op het formulier C1.1 verduidelijkte appellant dat hij 9 uur per optreden besteedde (installeren inbegrepen) en dat deze activiteit een inkomen opleverde van circa 2000 frank per optreden; - dat appellant, tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid, op 9 juli 1996 aangifte deed van een adres- en gezinswijziging; op de vraag of hij een zelfstandige activiteit of een bijberoep uitoefende werd negatief geantwoord; - dat appellant op 1 februari 1999 aangifte deed van een gewijzigde gezinssituatie, meer bepaald een samenwoonst met J. D. W.; op de vraag of hij een nevenactiviteit uitoefende werd negatief geantwoord; - dat appellant op 26 juli 1999, bij zijn aanvraag tot het bekomen van werkloosheiduitkeringen als volledig werkloze, hij aangifte deed van de uitoefening van een nevenactiviteit; op het formulier C1A wordt verduidelijkt dat hij deze nevenactiviteit als muzikant in het verleden reeds uitoefende, meer bepaald vanaf het jaar
  13. Aan de hand van deze objectieve gegevens wordt aangetoond dat appellant sedert 9 juli 1996 ten onrechte geen aangifte meer deed van zijn nevenactiviteit als muzikant, zodat hij in de periode van 9 juli 1996 tot en met 25 juli 1999 niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden. De basisbeslissing waarbij appellant niet toegelaten wordt tot het genot van de werkloosheiduitkeringen dient bijgevolg bevestigd te worden, weliswaar beperkt voor de periode vanaf 9 juli 1996 tot en met 25 juli
  14. 5.
  15. Terugvordering van de uitkeringen Overeenkomstig artikel 169 van het Werkloosheidsbesluit dient elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald. Artikel 7, ,§13, tweede lid van de Besluitwet van 28 december 1944 bepaalt dat het recht op de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen verjaart na drie jaar, termijn die op 5 jaar wordt gebracht wanneer deze betaling het gevolg is van arglist of bedrog vanwege de werkloze. Wanneer de werkloze evenwel bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, wordt de terugvordering beperkt tot de laatste honderdvijftig dagen van onverschuldigde toekenning (artikel 169, 2de lid van het werkloosheidsbesluit). Aangezien appellant in de periode van 9 juli 1996 tot en met 25 juli 1999 niet voldeed aan de toekenningsvoorwaarden staat het vast dat hij in deze periode ten onrechte uitkeringen heeft ontvangen. Geïntimeerde heeft de goede trouw in hoofde van appellant weerhouden zodat, in toepassing van artikel 7, ,§13, tweede lid van de Besluitwet van 28 december 1944 en artikel 169, tweede lid van het Werkloosheidsbesluit, de terugvordering van de onrechtmatig genoten uitkeringen beperkt blijft tot de laatste honderdvijftig dagen van onverschuldigde toekenning In de terugvorderingbeslissing van 17 januari 2000 (C 31) wordt van appellant een bedrag teruggevorderd van 2.593,86 euro (104.636 frank) zijnde 91,5 daguitkeringen over de periode van 1 oktober 1996 tot en met 31 mei 1999, wat er op wijst dat geïntimeerde zich hield aan de verjaring van drie jaar en de beperking van de terugvordering tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning. 5.
  16. Administratieve sanctie In toepassing van artikel 153, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit, zoals van kracht op het ogenblik van de bestreden administratieve beslissing, wordt de werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft ontvangen, van het genot van de uitkeringen uitgesloten gedurende ten minste één week en ten hoogste 13 weken doordat hij: 1° een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd; 2° een verplichte verklaring, anders dan deze bedoeld in artikel 134, ,§3, niet of te laat heeft afgelegd. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat appellant alleszins op 9 juli 1996 en op 1 februari 1999 een onjuiste verklaring heeft afgelegd zodat de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout terecht een administratieve sanctie heeft opgelegd in toepassing van artikel 153, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit. Appellant verzoekt de opgelegde administratieve sanctie van 4 weken te herleiden tot het minimum. Geïntimeerde hanteert als algemene beleidsnorm de regel dat, waar de reglementering in een minimum- en een maximum uitsluiting of sanctie voorziet, een gemiddelde uitsluiting of sanctie wordt opgelegd en bij verzwarende respectievelijk verzachtende omstandigheden de duur van de uitsluiting of sanctie respectievelijk verhoogd of verlaagd wordt. Bij bestreden administratieve beslissing van 8 oktober heeft de directeur appellant uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende 4 weken in toepassing van artikel 153, eerste lid van het Werkloosheidsbesluit. Aangezien de opgelegde sanctie duidelijk minder bedraagt dan de gebruikelijke gemiddelde sanctie van 7 weken en appellant evenmin aantoont dat er bijzondere omstandigheden zijn waarmee de directeur onvoldoende rekening heeft gehouden dient de duur van de administratieve sanctie bevestigd te worden. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn gedeeltelijk eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 24 november
  17. Geen der partijen hebben gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis uitgesproken op 1 juni 2001 in de openbare zitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout (A.R.V. 24.332) behoudens wat de veroordeling tot de kosten betreft. Opnieuw recht doende. Vernietigt de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout van 8 oktober 1999 waarbij: - R. V. L., in toepassing van de artikels 44, 45 en 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, uitgesloten wordt van het recht op uitkeringen van 4 februari 1993 tot en met 9 juni 1999; - de onrechtmatig genoten uitkeringen worden teruggevorderd voor de periode van 4 februari 1993 tot en met 9 juni 1999 in toepassing van de artikels 169 en 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, beperkt tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning. Zegt voor recht: - dat R. V. L., in toepassing van de artikels 44, 45 en 48 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, uitgesloten wordt van het recht op uitkeringen van 9 juli 1996 tot en met 25 juli 1999; - dat R. V. L., in toepassing van de artikels 169 en 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, de onrechtmatig genoten uitkeringen dient terug te betalen voor de periode van 9 juli 1996 tot en met 25 juli 1999 weliswaar beperkt tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning. Bevestigt voor het overige de beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout van 8 oktober
  18. Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van R. V. L. op 54,53 euro uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en op 142,79 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave werd ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op zesentwintig januari tweeduizend en zes door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, E. SCHERPEREEL, raadsheer in sociale zaken als werkgever, J. RITS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060126.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.