← België

ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060203.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060203.3 Rolnummer: 2005-0185 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-27 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 04:08 Fiche Voor de functie die de gemeentelijke mandataris waarneemt in intercommunales kan deze niet genieten van de vrijstelling van onderworpenheid aan het sociaal statuut der zelfstandigen overeenkomstig artikel 5 bis van het KB nr

  1. De logica en de samenhang tussen de verschillende wettelijke bepalingen die de onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen regelen, leidt noodzakelijk tot het besluit dat artikel 5 bis in die zin moet geïnterpreteerd worden dat de betrokkene mandataris moet zijn van een openbare of private instelling en dat hij zijn mandaat uitoefent als gevolg van de functie die hij uitoefent bij een administratie van het Rijk, de provincie, van een gemeente ... Vrije woorden: DE SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN . SOCIAAL STATUUT Toepassingsgebied - de zelfstandigen - artikel 5 bis K.B. nr. 38 - onderwerping - toepassingsgebied rationae personae. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 5bis - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vijfde kamer Bijdragen zelfstandigen ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2050185 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZES HET RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te appellante, vertegenwoordigd door mr. loco mr., advocaat te, tegen : De heer N., wonende te, , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr., advocaat te. Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 4 november
  2. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 6 mei 2005 en 4 november
  3. Gelet op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie op 1 december
  4. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 17 januari 2005 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 1 maart 2005; x de conclusie voor de heer De heer N., ontvangen ter griffie van dit hof op 1 april 2005; x de beschikking d.d. 27 juni 2005 overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het gerechtelijk wetboek; x de syntheseconclusie voor de heer De heer N. ontvangen ter griffie van dit hof op 9 augustus
  5. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 26 maart 2002 ,vorderde het R.S.V.Z. de veroordeling van de heer De heer N. tot betaling van 12.317,77 EUR achterstallige bijdragen "sociaal statuut der zelfstandigen" voor de periode vanaf het eerste kwartaal 1994 tot het vierde kwartaal 2001, te vermeerderen met een verhoging van 3% per kwartaal op de som van 8889,28 EUR, de gerechtelijke intrest op een bedrag van 12.317,77 EUR en de gedingkosten inclusief de rechtsplegingsvergoeding. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank van Antwerpen op 18 augustus 2003 verzocht de heer De heer N. te horen zeggen voor recht dat hij niet onderworpen is aan het stelsel der zelfstandigen. Bij vonnis van 17 mei 2004 werd de vordering ontvankelijk verklaard en werden de debatten heropend teneinde partijen toe te laten hun standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de onderwerping van de heer De heer N. aan het K.B. nr. 38 ingevolge zijn functie als bestuurder-bedrijfsleider van het Opleidings- en Vormingsinstituut voor Overheidspersoneel en teneinde het R.S.V.Z. toe te laten een gedetailleerde berekening van de bijdragen voor te leggen. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Antwerpen op 3 augustus 2004 herleidde het R.S.V.Z. het als hoofdsom gevorderde bedrag tot 8.997,01 EUR. Bij bestreden vonnis van 17 januari 2005 werd de vordering van het R.S.V.Z. ongegrond verklaard en werd voor recht gezegd dat de heer De heer N. niet onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van het R.S.V.Z. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vordering van het R.S.V.Z. ontvankelijk en gegrond te verklaren en de heer De heer N. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Bij syntheseconclusie ontvangen ter griffie van dit hof op 9 augustus 2005 verzoekt de heer De heer N. het bestreden vonnis te bevestigen. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
  6. De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de niet tegengesproken feitelijke argumentatie ontwikkeld door partijen aanvaardt het hof de volgende feiten als bewezen: De heer De heer N. was stadssecretaris van de stad Antwerpen. Hij werd door de stad Antwerpen afgevaardigd om bepaalde functies waar te nemen in een aantal intercommunales. Het betreft met name: - de functie van adviseur van IMEA - de functie van secretaris van IGAO - de functie van lid van het college van deskundigen van INTEGAN. Voor de uitoefening van genoemde functies ontving de heer De heer N. vanwege de betrokken intercommunales inkomsten, die fiscaal werden gekwalificeerd en belast als inkomsten uit een zelfstandige beroepsbezigheid. Bij gemeenteraadsbesluit van 26 mei 2003 werd de voordracht van de heer De heer N. voor genoemde functies tijdelijk ingetrokken, gelet op zijn ontslag als stadssecretaris.
  7. De beoordeling Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, ,§1, tweede lid van het KB nr. 38 wordt ieder persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent, die inkomsten kan opleveren bedoeld in artikel 23, ,§1, 1° of 2°, of in artikel 30, 2° of 3° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 ( voorheen artikel 20,1°,2°, b. of c of 3° W.I.B.), geacht, tot bewijs van het tegendeel, een aan het KB nr. 38 onderworpen zelfstandige te zijn. Luidens het vierde lid van diezelfde bepaling worden personen benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging, op onweerlegbare wijze, vermoed in België een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen, onverminderd de bepalingen van artikel 13, ,§
  8. In afwijking van genoemd artikel 3, ,§1 bepaalt artikel 5 bis van het K.B. nr. 38, in de versie zoals te dezen van toepassing: "personen belast met een mandaat in een openbare of private instelling, hetzij uit hoofde van de functie die ze uitoefenen bij een administratie van het Rijk, van een provincie, van een gemeente of van een openbare instelling, hetzij als vertegenwoordiger van een werknemers-, werkgevers- of zelfstandigenorganisatie, hetzij als vertegenwoordiger van het Rijk, van een provincie of van een gemeente zijn, uit dien hoofde niet onderworpen aan dit besluit." Samen met het R.S.V.Z. en het openbaar ministerie in zijn schriftelijk advies is het hof van oordeel dat de heer De heer N. niet ressorteert onder de in dit artikel 5 bis bedoelde personen. De logica en de samenhang tussen de verschillende wettelijke bepalingen die de onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen regelen, leidt immers noodzakelijk tot het besluit dat genoemd artikel 5 bis in die zin moet worden geïnterpreteerd dat de betrokken persoon mandataris van een openbare of private instelling moet zijn én dat hij dit mandaat uitoefent als gevolg van de functie die hij uitoefent bij een administratie van het Rijk, van een provincie, van een gemeente,... In casu is het niet voor ernstige betwisting vatbaar dat de heer De heer N. de functies van adviseur van IMEA, van secretaris van IGAO en van lid van het college van deskundigen van INTEGAN uitoefende ingevolge zijn functie van stadssecretaris van de stad Antwerpen. Wat daarentegen niet blijkt en wat ook niet wordt ingeroepen, is dat de heer De heer N. mandataris was van genoemde intercommunales. Het artikel 5 bis van het K.B. nr. 38 vindt dan ook geen toepassing. Uit de voorgebrachte stukken blijkt dat de heer De heer N. tijdens de periode van het eerste kwartaal 1994 tot het vierde kwartaal 1998 een beroepsbezigheid heeft uitgeoefend welke inkomsten heeft opgeleverd die fiscaal werden gekwalificeerd en belast als in voornoemd artikel 3, ,§1, lid 2 van het K.B. nr. 38 bedoelde inkomsten, wat als zodanig ook niet wordt betwist. Het staat evenmin ter discussie dat de uitoefening van de hoger vermelde functies in de intercommunales IMEA, IGAO en INTEGAN tijdens de jaren 1999,2000 en 2001 soortgelijke inkomsten genereerde. Het blijkt verder niet dat de overeenstemmende belastingaanslagen het voorwerp hebben uitgemaakt van enig bezwaar, dit werd ook niet ingeroepen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, ,§1, tweede lid van het K.B. nr. 38 wordt de heer De heer N. bijgevolg vermoed een aan dit K.B. onderworpen zelfstandige te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Het hof kan slechts vaststellen dat de heer De heer N. geen enkel element aanreikt, laat staan bewijst, om dit fiscaal vermoeden van onderwerping te weerleggen. De voor de jaren 1994 tot 2001 gevorderde bijdragen, verhogingen en kosten zijn bijgevolg verschuldigd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer P. Van den Bon, Advocaat-generaal, neergelegd ter griffie op 1 december 2005 en waarop partijen niet repliceerden. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 januari 2005 en opnieuw recht sprekend. Verklaart de vordering van het R.S.V.Z., zoals herleid gegrond. Veroordeelt de heer De heer N. tot betaling van 8.997,01 EUR bijdragen, verhogingen en kosten, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer De heer N.. Vereffent deze aan de zijde van het R.S.V.Z. op 102,76 EUR dagvaardingskosten, 209,71 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van de heer De heer N. op 205,25 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 58,25 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding en op 285,57 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vijfde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 3 februari 2006, waar aanwezig waren : mevrouw C. V, kamervoorzitter, mevrouw L. B, raadsheer, de heer G. M, raadsheer in sociale zaken als zelfstandige, mevrouw S. V, adjunct - griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2006:ARR.20060203.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.